id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.083 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060517.1 Arrest- Rolnummer: 83/2006;3934 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-09-27 Raadplegingen: 194 - laatst gezien 2026-06-30 15:42 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Vrije woorden: Vordering tot schorsing van artikel L1125-2, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, zoals gewijzigd bij artikel 19 van het decreet van het Waalse Gewest van 8 december 2005, ingesteld door M. Donnez. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 08-12-2005 - 19 - 42 ELI link Pub nr 2005203371 Varia - 22-04-2004 - L1125-2,L1,3$ - 42 ELI link Pub nr 2004A27184 Tekst van de beslissing Rolnummer 3934 Arrest nr. 83/2006 van 17 mei 2006 In zake : de vordering tot schorsing van artikel L1125-2, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, zoals gewijzigd bij artikel 19 van het decreet van het Waalse Gewest van 8 december 2005, ingesteld door M. Donnez. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 maart 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 maart 2006, heeft M. Donnez, wonende te 7618 Taintignies, rue des Bois 16, een vordering tot schorsing ingesteld van artikel L1125-2, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, zoals gewijzigd bij artikel 19 van het decreet van het Waalse Gewest van 8 december 2005 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 januari 2006). Bij hetzelfde verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de vernietiging van dezelfde decretale bepaling. Bij beschikking van 29 maart 2006 heeft het Hof de terechtzitting bepaald op 26 april 2006, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof bedoelde gezagsorganen te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 18 april 2006 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partij over te zenden. De Waalse Regering heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 26 april 2006 : - zijn verschenen : . Mr. G. Lefebvre, advocaat bij de balie te Doornik, voor de verzoekende partij; . Mr. M. Uyttendaele, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
- Het beroep tot vernietiging heeft betrekking op artikel L1125-2, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie van het Waalse Gewest, zoals gewijzigd bij artikel 19, 1°, van het decreet van het Waalse Gewest van 8 december 2005 « houdende wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie ». 3 A.
- De verzoekster is voorzitster van de raad voor maatschappelijk welzijn van de gemeente Rumes. Zij is gehuwd met de gemeentesecretaris van die entiteit en zij wenst het ambt uit te oefenen van voorzitster van de raad voor maatschappelijk welzijn die na de verkiezingen van 8 oktober 2006 zal worden geïnstalleerd. Zij merkt op dat, met toepassing van artikel L1123-3 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, vervangen bij het voormeld decreet van 8 december 2005, de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn deel uitmaakt van het gemeentecollege. Om haar belang te verantwoorden, voert de verzoekster aan dat de aangevochten bepaling, in combinatie met dat artikel, tot gevolg heeft dat zij haar betrekking verliest. A.
- De verzoekster is van mening dat een vernietiging van de aangevochten bepaling door het Hof na 1 januari 2007 haar een nadeel zou kunnen berokkenen. Zij beweert in dat verband dat de nieuwe raad voor maatschappelijk welzijn zal worden geïnstalleerd op 1 januari 2007 en dat de voorzitter van die raad zal worden aangewezen tijdens de installatie van de gemeenteraad op 4 december
- Zij wijst erop dat, in die omstandigheden, de vernietiging van de aangevochten bepaling geen draagwijdte meer zal hebben, vermits het mandaat dat zij nastreeft, reeds zal zijn toegewezen. A.4.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 10, derde lid, en artikel 11bis van de Grondwet. De verzoekster voert aan dat uit het gebruik van het mannelijk genus in de aangevochten bepaling blijkt dat die bepaling niet van toepassing is wanneer het ambt van gemeentesecretaris of gemeenteontvanger door een vrouw wordt uitgeoefend. A.4.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekster onderstreept in de eerste plaats dat de aangevochten bepaling enkel betrekking heeft op de echtgenoot en de wettelijk samenwonende, dat wil zeggen de aanverwante in de eerste graad, terwijl ze geen betrekking heeft op de vader, de moeder, de zoon en de dochter, die bloedverwanten in de eerste graad zijn. Zij is van mening dat de ongelijkheid des te flagranter is daar de ongehuwde feitelijk samenwonenden niet worden beoogd. De verzoekster voegt eraan toe dat de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de echtgenoot of de wettelijk samenwonende kan zijn van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn of van een van de leden van het vast bureau van die raad en dat de provinciegriffier de echtgenoot van de gouverneur of van een van de leden van de bestendige deputatie van de provincieraad kan zijn. Zij merkt op dat de functies, de opdrachten, de bevoegdheden en de voorrechten van een secretaris van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en van een provinciegriffier soortgelijk zijn met die van een gemeentesecretaris. Zij wijst erop dat geen van die drie personen stemrecht heeft bij het nemen van beslissingen. A.4.
- Het derde middel is afgeleid uit de schending van artikelen 23, derde lid, 1°, van de Grondwet. De verzoekster beweert dat de aangevochten bepaling haar voortaan verbiedt haar recht op arbeid te doen gelden en te solliciteren naar de betrekking van voorzitster van de raad voor maatschappelijk welzijn. Zij merkt op dat haar huidig mandaat van voorzitster van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt gelijkgesteld met een arbeidsovereenkomst en dat zij daardoor onderworpen is aan de socialezekerheidsregeling als werkneemster die gebonden is door een arbeidsovereenkomst. -B- B.
- Artikel L1125-2, eerste lid, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, gewijzigd bij artikel 19, 1°, van het decreet van het Waalse Gewest van 8 december 2005 « houdende wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie », bepaalt : 4 « Naast de in artikel L1125-1 bedoelde onverenigbaarheden kunnen de volgende personen geen lid zijn van het gemeentecollege : 1° de bedienaren van de erediensten en vrijzinnige afgevaardigden; 2° de agenten der fiscale besturen, in de gemeenten die tot hun werk- of ambtsgebied horen, behoudens door de regering toegestane afwijking; 3° de echtgenoot of de wettelijke samenwonende van de secretaris of van de gemeentelijke ontvanger ». Ten aanzien van het belang B.2.
- Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van het beroep - inzonderheid het voorhanden zijn van het vereiste belang bij het instellen ervan - reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken. B.2.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.
- De aangevochten bepaling verbiedt de echtgenoot of de wettelijk samenwonende van de gemeentesecretaris of van de gemeenteontvanger lid te zijn van het gemeentecollege. De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn die in de gemeente van de woonplaats van de verzoekster zal worden aangewezen als gevolg van de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2006, zal ambtshalve deel uitmaken van het gemeentecollege dat in die gemeente zal worden samengesteld na die verkiezingen (artikel L1123-3, eerste lid, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, vervangen bij artikel 14 van het decreet van 8 december 2005). 5 De verzoekster is evenwel de echtgenote van de gemeentesecretaris van de gemeente waar zij de functie van voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn wenst uit te oefenen na de voormelde verkiezingen. Het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan doet niet blijken dat het beroep tot vernietiging, en dus de vordering tot schorsing, als onontvankelijk dienen te worden beschouwd. Ten aanzien van de voorwaarden tot schorsing B.
- Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het risico van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.
- Een schorsing door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat voor de verzoekende partij een ernstig nadeel, dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld door een eventuele vernietiging, zou voortvloeien uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm. Krachtens artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 moet de partij die de schorsing vordert, om aan de tweede vereiste van artikel 20, 1°, van die wet te voldoen, in 6 haar verzoekschrift aan het Hof precieze gegevens voorleggen die voldoende bewijzen dat de toepassing van de bestreden bepaling, op de datum van inwerkingtreding ervan, haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. B.
- De voorzitter van het Hof heeft met toepassing van artikel 89bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 de termijnen voor het indienen van de memorie van antwoord en de memories van wederantwoord in deze zaak verkort. Uit die beslissing vloeit voort dat het arrest van het Hof op het beroep tot vernietiging tijdig zal kunnen worden uitgesproken. De schorsing van de aangevochten norm is dus niet noodzakelijk om het in B.5 bedoelde nadeel voor de verzoekster te vermijden. 7 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 17 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.083 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div