id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.084 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060517.2 Arrest- Rolnummer: 84/2006;3943;3949 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-09-27 Raadplegingen: 182 - laatst gezien 2026-06-30 16:09 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vorderingen tot schorsing. Vrije woorden: Vorderingen tot schorsing van artikel L4155-1, tweede lid, 6°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, zoals gewijzigd bij artikel 49 van het decreet van het Waalse Gewest van 8 december 2005, ingesteld door P. Boucher en J.-M. Cheffert. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 08-12-2005 - 49 - 42 ELI link Pub nr 2005203371 Varia - 22-04-2004 - L4155-4,L2,6$ - 42 ELI link Pub nr 2004A27184 Tekst van de beslissing Rolnummers 3943 en 3949 Arrest nr. 84/2006 van 17 mei 2006 In zake : de vorderingen tot schorsing van artikel L4155-1, tweede lid, 6°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, zoals gewijzigd bij artikel 49 van het decreet van het Waalse Gewest van 8 december 2005, ingesteld door P. Boucher en J.-M. Cheffert. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vorderingen en rechtspleging Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 17 en 28 maart 2006 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 20 en 29 maart 2006, zijn vorderingen tot schorsing ingesteld van artikel L4155-1, tweede lid, 6°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, zoals gewijzigd bij artikel 49 van het decreet van het Waalse Gewest van 8 december 2005 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 januari 2006), door P. Boucher, wonende te 1300 Waver, Venelle aux Cyprès 21, en J.-M. Cheffert, wonende te 5590 Ciney, Le Bragard
- De verzoekende partijen vorderen eveneens de vernietiging van dezelfde decretale bepaling. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3943 en 3949 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Bij beschikking van 29 maart 2006 heeft het Hof de terechtzitting bepaald op 26 april 2006, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof bedoelde gezagsorganen te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 18 april 2006 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partijen over te zenden. De Waalse Regering heeft schriftelijke opmerkingen ingediend. Op de openbare terechtzitting van 26 april 2006 : - zijn verschenen : . Mr. J. Bourtembourg en Mr. F. Belleflamme, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 3943; . Mr. J.-M. Dermagne, advocaat bij de balie te Dinant, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 3949; . Mr. M. Uyttendaele, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang om in rechte te treden A.
- De verzoekers verantwoorden hun belang om in rechte te treden met het feit dat zij respectievelijk volksvertegenwoordiger en senator zijn en dat zij zich kandidaat zouden willen stellen voor de provincieraadsverkiezingen en, in geval van een gunstige politieke situatie, eventueel zouden willen meedingen naar een mandaat van provinciaal gedeputeerde. Krachtens de regeling die bestond vóór de aangevochten bepaling, konden zij zich kandidaat stellen voor de provincieraadsverkiezingen en op basis van het resultaat van de verkiezingen beslissen over het mandaat dat zij zouden uitoefenen. Door hun de verplichting op te leggen hun mandaat van volksvertegenwoordiger of senator op te geven alvorens zich kandidaat te kunnen stellen voor de provincieraadsverkiezingen, zonder enige garantie verkozen te zijn en met nog minder garanties zich met succes kandidaat te kunnen stellen voor de verkiezing van de provinciaal gedeputeerden, is de aangevochten bepaling voor hen griefhoudend. Ten aanzien van het enige middel A.
- Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 8, 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 162 ervan en met artikel 25 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De verzoekende partijen zijn van mening dat de aangevochten bepaling, die het recht beperkt om zich kandidaat te stellen voor de verkiezingen en een openbaar ambt te bekleden, een onevenredige inbreuk maakt op het bij artikel 8 van de Grondwet toegekende recht. Geen enkel van de argumenten die tijdens de parlementaire voorbereiding werden aangevoerd, kan een dergelijke inbreuk rechtvaardigen. De aangevoerde verantwoording is trouwens steeds in slechts vage en inconsequente bewoordingen geformuleerd, zonder dat ooit enig concreet element is aangevoerd betreffende het aantal parlementsleden dat zich bij de vorige provincieraadsverkiezingen kandidaat heeft gesteld, betreffende de impact die zij hadden op de verkiezingsuitslag en betreffende het aantal onder hen die uiteindelijk van een provinciaal mandaat hebben afgezien, in het bijzonder wanneer hun lijst aan de provinciale meerderheid kon deelnemen. In verband met de bekommernis de parlementsleden af te raden het mandaat dat zij van hun kiezers hebben gekregen, op te geven, merken de verzoekende partijen op dat het niet aan het Waalse Gewest toekomt het statuut van de parlementsleden, andere dan de Waalse, te regelen. Bovendien ziet men niet in waarom die bezorgdheid enkel in aanmerking zou worden genomen wanneer het parlementslid zijn mandaat opgeeft om een provinciaal verkozen mandaat op te nemen. Met betrekking tot het hypothetische feit dat een parlementslid werkelijk de bedoeling zou hebben een parlementair mandaat op te geven ten voordele van zijn provinciaal mandaat, zien de verzoekende partijen niet in waarom een mandaat van provinciaal gedeputeerde noodzakelijkerwijze minder interessant zou moeten worden geacht dan een mandaat van gewoon parlementslid op het vlak van de bevoegdheden en de mogelijkheden om zijn ideeën naar voor te schuiven. In dat opzicht en ook met betrekking tot de derde aangevoerde rechtvaardigingsgrond, namelijk het nefaste gevolg van de virtuele kandidaturen, voeren de verzoekende partijen aan dat de maatregel slechts op een klein aantal personen betrekking heeft, enerzijds, omdat niet zoveel Belgische parlementsleden geneigd zullen zijn zich voor een provinciale verkiezing in Wallonië kandidaat te stellen en, anderzijds, omdat een kandidaat het resultaat van de verkiezingen slechts kan ombuigen indien hij een bijzondere naamsbekendheid en overtuigingskracht bezit. Nu zijn het juist de kandidaten die tot die kleine groep behoren die de eersten zijn om aanspraak te kunnen maken op het ambiëren van een mandaat van provinciaal gedeputeerde, en het is logisch dat de houders van een dergelijk ambt onder meer worden aangewezen onder de personen die reeds een nationaal mandaat hebben uitgeoefend. De verzoekende partijen klagen het uiterst radicale karakter van de maatregel aan en de grote starheid die hij bij de samenstelling van de instellingen invoert. De decreetgever voert een echte barrière in tussen de provinciale, gewestelijke, nationale of Europese politieke carrières en verplicht het parlementslid het risico dat inherent is aan ontslag te lopen vóór de provincieraadsverkiezingen, terwijl de betrokkene niet de zekerheid heeft te worden verkozen en hij niet weet of zijn lijst deel zal uitmaken van de provinciale meerderheid. Die hypothese is sterk 4 verschillend van die waarvan het Hof kennis diende te nemen in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 73/2003 van 26 mei
- Door sommige kandidaten van wie is aangetoond dat zij terecht konden hopen een provinciaal mandaat en zelfs een belangrijk provinciaal mandaat uit te oefenen, zeer sterk af te raden zich kandidaat te stellen voor de verkiezing, voert de in het geding zijnde bepaling bij de verkiezingen een distorsie in die minstens even belangrijk is als die welke zij beweert te vermijden. Een essentieel criterium van authenticiteit bij de verkiezingen is juist de concurrentie. De in het geding zijnde bepaling doet dus afbreuk aan de essentie van het recht om te worden verkozen. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.
- De verzoekende partijen zijn van mening dat de aangevochten bepaling, die is bekendgemaakt minder dan een jaar vóór de gemeenteraads- en provincieraadsverkiezingen die op 8 oktober 2006 zullen plaatsvinden, hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent. Overeenkomstig artikel L4153-1, § 1, van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie moeten de akten van voordracht van de kandidaten worden neergelegd op zaterdag de 29ste dag of zondag de 28ste dag vóór de dag van de verkiezingen. Een arrest van het Hof, gewezen aan het einde van de gewone termijn van onderzoek van het beroep tot vernietiging, zou niet vóór die datum kunnen worden uitgesproken. De verzoekende partijen zullen derhalve moeten kiezen tussen hun parlementair mandaat en een kandidatuur bij de provincieraadsverkiezingen, wat hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Zij hebben echter reeds provinciale mandaten uitgeoefend en hun belangstelling voor de provinciale zaak is geenszins verdwenen. Hoe dan ook, het debat over de grondwettigheid van de aangevochten bepaling heeft betrekking op de waarborgen van het recht op verkiesbaarheid voor een openbaar ambt, de betekenis van de stem van de kiezers en de regels die bij een verkiezing moeten gelden. Indien het Hof te dezen geen arrest zou kunnen wijzen vóór de aanstaande provincieraadsverkiezingen, zou het nadeel dat is geleden als gevolg van verkiezingen die op een ongrondwettige basis worden georganiseerd, noodzakelijkerwijze ernstig zijn, vermits het zou gaan om een inbreuk op de grond van het recht zelf om te kiezen en te worden verkozen. -B- B.
- Artikel L4155-1, tweede lid, 6°, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie, zoals het werd gewijzigd bij artikel 49 van het decreet van het Waalse Gewest van 8 december 2005, bepaalt : « Niet verkiesbaar zijn : […] 6° de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, van de Senaat, van het Europees Parlement, van een [Gemeenschaps- of Gewest]parlement; ». Die bepaling heeft betrekking op de verkiesbaarheid voor de provincieraad. 5 Ten aanzien van het belang B.2.
- Aangezien de vorderingen tot schorsing ondergeschikt zijn aan de beroepen tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van de beroepen, inzonderheid het voorhanden zijn van het vereiste belang bij het instellen ervan, reeds bij het onderzoek van de vorderingen tot schorsing te worden betrokken. B.2.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.
- De aangevochten bepaling verbiedt de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, van de Senaat, van het Europees Parlement, van een gemeenschaps- of gewestparlement verkiesbaar te zijn voor de provincieraad. De verzoekende partijen zijn respectievelijk volksvertegenwoordiger en senator. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van de beroepen tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vorderingen tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt niet dat die beroepen en bijgevolg de vorderingen onontvankelijk zouden zijn. Ten aanzien van de voorwaarden van de schorsing B.
- Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. 6 Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat een van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.
- Een schorsing door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat voor de verzoekende partij een ernstig nadeel, dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld door een eventuele vernietiging, zou voortvloeien uit de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm. B.
- Ter staving van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel waarop zij zich beroepen, voeren de verzoekende partijen aan dat het arrest van het Hof met betrekking tot de beroepen tot vernietiging niet kan worden gewezen vóór de datum van overhandiging van de akten van voordracht van de kandidaten. Hun nadeel zou bijgevolg voortvloeien uit het feit dat zij hebben moeten kiezen tussen hun parlementair mandaat en hun kandidaatstelling voor de provincieraadsverkiezingen. Artikel L4153-1, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie bepaalt dat de akten van voordracht van kandidaten op zaterdag, de negenentwintigste dag, of op zondag, de achtentwintigste dag vóór die welke is bepaald voor de stemming, tussen 13 en 16 uur aan de voorzitter van het districtshoofdbureau moeten worden overhandigd. B.
- Overeenkomstig artikel 89bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof heeft de voorzitter van het Hof de termijnen verkort voor het indienen van de memories, zodat het arrest van het Hof over de beroepen tot vernietiging tijdig zal kunnen worden uitgesproken. De schorsing van de aangevochten norm is dus niet noodzakelijk om het in B.5 bedoelde nadeel voor de verzoekende partijen te vermijden. 7 Om die redenen, het Hof verwerpt de vorderingen tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 17 mei
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.084 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div