← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.087

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 24 mei 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.087 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060524.4 Arrest- Rolnummer: 87/2006;3779 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-09-04 Raadplegingen: 186 - laatst gezien 2026-06-30 16:19 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 17 en 31 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen schenden noch de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid en de gewesten, noch de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Vrije woorden: Prejudiciële vragen over de artikelen 17 en 31 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen, gesteld door de vrederechter van het kanton Zelzate. Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 04-04-2003 - 17 - 13 ELI link Pub nr 2003035691 Decreet Vlaamse Raad - 04-04-2003 - 31 - 13 ELI link Pub nr 2003035691 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3779 Arrest nr. 87/2006 van 24 mei 2006 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 17 en 31 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen, gesteld door de vrederechter van het kanton Zelzate. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 27 september 2005 in zake de n.v. Meganck-Collewaert tegen K. Van Poucke en L. De Veirman, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 5 oktober 2005, heeft de vrederechter van het kanton Zelzate de volgende prejudiciële vragen gesteld :

  1. « Schenden de artikelen 17 en 31 van het Vlaamse decreet betreffende de oppervlaktedelfstoffen van 4 april 2003 artikel 39 van de Grondwet en artikel 10 van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980, zoals later gewijzigd, in zoverre daardoor in artikel 6, § 1, van de federale pachtwet van 4 november 1969 een wijziging wordt aangebracht, waarbij aan de verpachter de mogelijkheid wordt gegeven om, wat betreft gronden gelegen in het Vlaamse Gewest, en binnen een ontginningsgebied, op ieder ogenblik een einde te maken aan de lopende pachtovereenkomst om de verpachte goederen te gebruiken voor ontginning ? »;
  2. « Schenden de artikelen 17 en 31 van het Vlaamse decreet betreffende de oppervlaktedelfstoffen van 4 april 2003 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door aan de verpachter van al dan niet bebouwde gronden, gronden gelegen binnen het ontginningsgebied een aanvullende mogelijkheid te geven tot opzegging van de pachter met het oog op ontginning, terwijl die mogelijkheid uitdrukkelijk werd uitgesloten tegenover de handelshuurder of de rechthebbende ingevolge een woninghuurovereenkomst ? ». De Ministerraad en de Vlaamse Regering hebben ieder een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 1 maart 2006 : - zijn verschenen : . Mr. P. Van Orshoven, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; . Mr. E. Jacubowitz, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De n.v. Meganck-Collewaert is eigenaar van een perceel landbouwgrond dat in ontginningsgebied zou zijn gelegen. Op 21 september 2004 betekent zij de opzegging van de pachtovereenkomst met K. Van Poucke en L. De Veirman en op 22 november 2004 vraagt zij de vrederechter die opzegging geldig te verklaren. Zij steunt daarvoor op het Vlaamse decreet van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen. Artikel 17 van dat decreet bepaalt dat de lopende pachtovereenkomsten op ieder ogenblik kunnen worden beëindigd om de in een ontginningsgebied gelegen percelen te kunnen gebruiken voor hun ontginningsbestemming. Artikel 31 van hetzelfde decreet wijzigt in dat verband de federale pachtwet van 4 november
  3. De vrederechter vraagt zich af of de decreetgever daarmee binnen zijn bevoegdheid is gebleven en, zo ja, of hij de pachter niet heeft gediscrimineerd ten opzichte van de huurder van een handelspand of woning. Voor handelshuur en woninghuur heeft de decreetgever zich immers uitdrukkelijk onthouden van tussenkomst in de federale wetgeving. Alvorens uitspraak te doen, stelt de vrederechter de hiervoor aangehaalde prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.
  4. Het komt de Vlaamse Regering voor dat artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, waaraan de prejudiciële vraag refereert, slechts in ondergeschikte orde als grondslag ter sprake kan komen, aangezien de in het geding zijnde bepalingen in hoofdorde moeten steunen op artikel 39 van de Grondwet en artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 5°, van dezelfde bijzondere wet, naar luid waarvan de gewesten bevoegd zijn, « wat de economie betreft », voor « de natuurlijke rijkdommen ». Zij wijst in dat verband op de rechtspraak van het Hof volgens welke de Grondwetgever en de bijzondere wetgever, voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, moeten worden geacht aan de gemeenschappen en de gewesten volledige bevoegdheid te hebben toegekend tot het uitvaardigen van de regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden, of tot het aannemen van bepalingen die zij menen te moeten uitvaardigen om hun beleid in die toegewezen aangelegenheden tot een goed einde te brengen, en zulks onverminderd het beroep dat zij desnoods kunnen doen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus
  5. De Vlaamse Regering wenst te beklemtonen dat de gewesten krachtens artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 exclusief bevoegd zijn in die aangelegenheid. Wat betreft de natuurlijke rijkdommen, en meer bepaald inzake de mijnen, was de afdeling wetgeving van de Raad van State reeds van oordeel dat het inherent was aan de bevoegdheid van de gewesten om af te wijken van het bestaande gemeen recht, zowel inzake eigendom als inzake contractvrijheid. Te dezen heeft de decreetgever naar het oordeel van de Vlaamse Regering ongetwijfeld een regeling getroffen op het stuk van de (exploitatie van) natuurlijke rijkdommen, in het kader waarvan hij in een bijkomende mogelijkheid van onmiddellijke beëindiging van pachtovereenkomsten heeft voorzien. Daarmee werd evenwel niet de aangelegenheid « pacht » geregeld, dat een residuaire bevoegdheid zou zijn, maar wel de aangelegenheid « natuurlijke rijkdommen ». In zijn advies bij het voorontwerp dat tot het decreet van 4 april 2003 heeft geleid, heeft de Raad van State de bevoegdheid van de decreetgever niet in het geding gebracht. Dit zou aantonen dat de vereiste bevoegdheidsrechtelijke grondslag van het decreet in het algemeen en van de te dezen in het geding zijnde bepalingen in de ogen van de Raad van State ontegensprekelijk aanwezig is en uiteraard steunt op het door de decreetgever aangevoerde artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus
  6. Ten slotte voert de Vlaamse Regering aan dat de wijziging van de pachtwet noodzakelijk is opdat het Vlaamse Gewest de doelstellingen die zij zich stelde in het kader van haar bevoegdheid inzake natuurlijke rijkdommen kan bereiken. Zoals uit de parlementaire voorbereiding blijkt, zou zonder die wijziging de afdwingbaarheid van een rationele en optimale ontginning in het gedrang komen. Het vereiste noodzakelijke karakter van de uitoefening van de impliciete bevoegdheden door het Vlaamse Gewest brengt volgens de Vlaamse Regering met zich mee dat enkel de wetgeving inzake pacht kon worden gewijzigd. Een wijziging van de wetgeving inzake woninghuur en handelshuur was immers niet noodzakelijk aangezien de meeste betrokken gebieden, volgens het gewestplan, in een gebied liggen dat als definitieve bestemming een agrarische 4 bestemming heeft. Zij verwijst in dat verband naar de parlementaire voorbereiding. Voor het overige zou de betrokken federale regeling zich tot een gedifferentieerde regeling lenen en zou de weerslag van de in het geding zijnde bepalingen op de wetgeving inzake pacht slechts marginaal zijn. A.
  7. De Ministerraad beperkt zich tot de vaststelling dat er, rekening houdend met de leer van het arrest nr. 61/2004, op het eerste gezicht geen schending van de bevoegdheidverdelende regels lijkt te zijn. Hij behoudt zich evenwel het recht voor ten gronde een standpunt in te nemen na kennis te hebben genomen van de memorie van de Vlaamse Regering. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.
  8. De Vlaamse Regering betwist de pertinentie van de prejudiciële vraag. Indien de beperking van de opzegmogelijkheid tot pacht strijdig zou zijn met het gelijkheidsbeginsel, dan heeft dat niet tot gevolg dat de betrokken bepalingen in het bodemgeschil niet meer mogen worden toegepast. Zij zouden integendeel onverkort blijven gelden voor de lopende overeenkomsten inzake pacht. De schending van het gelijkheidsbeginsel zou immers enkel te wijten zijn aan de uitsluiting van de lopende overeenkomsten van handelshuur en woninghuur uit het toepassingsgebied van de opzegmogelijkheid. Een antwoord op de prejudiciële vraag zou dus absoluut niet onontbeerlijk zijn opdat de verwijzende rechter uitspraak kan doen in het bodemgeschil. Van een schending van het gelijkheidsbeginsel kan volgens de Vlaamse Regering maar sprake zijn indien de betwiste handeling kennelijk onredelijk is, dit wil zeggen dat het volgens een algemeen gedeelde rechtsovertuiging niet denkbaar is dat enige naar redelijkheid beslissende overheid een dergelijke appreciatie zou kunnen uitbrengen. Zij verwijst daarvoor naar de rechtspraak van het Hof. Te dezen springt de redelijke verantwoording van de in het geding zijnde beperking van de opzegmogelijkheid tot pacht en dienvolgens de uitsluiting van handels- en woninghuur in het oog : er bestaat een fundamenteel verschil tussen landbouwgrond, enerzijds, en handelshuurpanden en woningen, anderzijds. De decreetgever heeft de ruimteverslindende economische bedrijvigheid van de ontginning van natuurlijke rijkdommen slechts voorrang willen geven waar daartoe de ruimte beschikbaar is, dit wil zeggen op als landbouwgronden geëxploiteerde percelen. In de regel zullen gepachte percelen immers veel uitgestrekter zijn dan percelen die bebouwd zijn met een handelspand of een woning. De mogelijkheid om de lopende pachtovereenkomsten op te zeggen, die trouwens enkel bestaat ten aanzien van die percelen die als ontginningsgebied zijn aangewezen door de stedenbouwkundige plannen, maakt dan ook relatief grote ontginningsgebieden vrij. Het vereiste redelijke verband van evenredigheid met het door de decreetgever nagestreefde doel - een optimale, rationele ontginning - zou dan ook aanwezig zijn. Ten overvloede wijst de Vlaamse Regering op het feit dat het vereiste redelijke verband van evenredigheid met het nagestreefde doel niet zou bestaan ten aanzien van lopende overeenkomsten van handelshuur of woninghuur, doordat de gevolgen van de beëindiging van dergelijke overeenkomsten voor diegene die een handelspand of hoofdverblijfplaats huurt, disproportioneel zijn ten aanzien van de verwaarloosbare oppervlakten aan ontginningsgebied die ten gevolge van die beëindiging zouden vrijkomen voor ontginning. Ontginningsgebieden zouden mede om die reden hoofdzakelijk in agrarisch gebied zijn gelegen en slechts bij uitzondering in industrie- of woongebied. Dat zou in het kader van de afdwingbaarheid van een maatschappelijk verantwoorde, rationele en optimale ontginning een objectieve grondslag bieden om (enkel) wat betreft de beëindiging van de lopende pachtovereenkomsten in een bijkomende opzeggingsmogelijkheid te voorzien. 5 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen B.1.
  9. Artikel 17 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen (hierna : oppervlaktedelfstoffendecreet) bepaalt : « Het vruchtgebruik, gevestigd op onbebouwde of bebouwde percelen gelegen in een ontginningsgebied, en lopende overeenkomsten van pacht, gebruik en huur, met uitzondering van handelshuur en woninghuur aangaande diezelfde percelen, kunnen op ieder ogenblik beëindigd worden om deze percelen te kunnen gebruiken voor hun ontginningsbestemming ». B.1.
  10. Artikel 31 van hetzelfde decreet vervangt artikel 6, § 1, 2°, van de wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorverkoop ten gunste van huurders van landeigendommen (hierna : « pachtwet » genoemd). Voor wat het Vlaamse Gewest betreft, luidt artikel 6, § 1, van de pachtwet thans : « In afwijking van artikel 4, kan de verpachter op ieder ogenblik een einde maken aan de lopende pacht om de verpachte goederen te gebruiken overeenkomstig hun eindbestemming indien : 1° de pachtovereenkomst betrekking heeft op gronden die, wegens hun ligging ten tijde van de overeenkomst, zonder dat er vooraf wegenwerken uitgevoerd dienen te worden, beschouwd moesten worden als bouwgronden of voor industriële doeleinden bestemde gronden, mits zij als zodanig opgegeven zijn in de pachtovereenkomst; 2° de pachtovereenkomst heeft betrekking op ongebouwde gronden die, op het ogenblik van de opzegging, zonder dat er vooraf wegenwerken uitgevoerd moeten worden, beschouwd moeten worden als bouwgronden of op al dan niet bebouwde gronden die gelegen zijn binnen ontginningsgebieden. Als op gronden binnen een ontginningsgebied een door de verpachter verleende toestemming tot ontginning rust of als een ontginningsmachtiging werd verleend, treedt diegene die de toestemming of de ontginningsmachtiging heeft bekomen in de rechten en de plichten van de verpachter; […] ». 6 Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
  11. De eerste prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of de artikelen 17 en 31 van het oppervlaktedelfstoffendecreet een schending inhouden van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid en de gewesten. B.
  12. Het oppervlaktedelfstoffendecreet strekt ertoe op een duurzame wijze te voorzien in de behoefte aan oppervlaktedelfstoffen (artikel 3). Een oppervlaktedelfstof is elke delfstof die, als geologische afzetting, aan of in de nabijheid van het aardoppervlak in open lucht wordt ontgonnen, met uitzondering van de delfstoffen die in grindwinningsgebieden volgens het decreet van 14 juli 1993 tot oprichting van het Grindfonds en tot regeling van de grindwinning ontgonnen worden (artikel 2, 3°). Het decreet bevat regels inzake het opstellen van bijzondere en algemene plannen (artikelen 4 tot 8), inzake de toekenning van een ontginningsmachtiging (artikelen 10 tot 15), inzake de natuurlijke samenstelling van oppervlaktedelfstoffen (artikelen 26 en 27) en inzake de bevordering van alternatieve materialen (artikel 28). Het voorziet in de mogelijkheid van onteigening (artikel 16) en legt een stelsel van financiële zekerheid op (artikelen 18 tot 25). B.4.
  13. De artikelen 17 en 31 van het decreet hebben onder meer betrekking op de mogelijkheid om lopende pachtovereenkomsten op te zeggen teneinde de betrokken percelen te kunnen gebruiken voor hun ontginningsbestemming. B.4.
  14. De pachtovereenkomst is een overeenkomst waarbij de verpachter de verbintenis aangaat het tijdelijke genot van een onroerend goed te verschaffen aan de pachter, die dat hoofdzakelijk dient te gebruiken voor zijn landbouwbedrijf. Onder « landbouwbedrijf » wordt verstaan de bedrijfsmatige exploitatie van onroerende goederen met het oog op het voortbrengen van landbouwproducten die in hoofdzaak bestemd zijn voor de verkoop (artikel 1 van de pachtwet). 7 B.4.
  15. Krachtens artikel 4 van de pachtwet wordt de pachttijd vastgesteld door de partijen en mag hij niet korter zijn dan negen jaar. Is een kortere tijd bedongen, dan wordt hij van rechtswege op negen jaar gebracht. B.4.
  16. Artikel 6, § 1, van de pachtwet bepaalt dat, in afwijking van artikel 4, de verpachter op ieder ogenblik een einde kan maken aan de lopende pacht om de verpachte goederen te gebruiken overeenkomstig hun eindbestemming indien : (1°) de pachtovereenkomst betrekking heeft op gronden die, wegens hun ligging ten tijde van de overeenkomst, zonder dat vooraf wegenwerken uitgevoerd dienen te worden, beschouwd moesten worden als bouwgronden of voor industriële doeleinden bestemde gronden, mits zij als zodanig opgegeven zijn in de pachtovereenkomst; (2°) de pachtovereenkomst betrekking heeft op onbebouwde gronden die, op het ogenblik van de opzegging, zonder dat vooraf wegenwerken uitgevoerd dienen te worden, beschouwd moeten worden als bouwgronden; (3°) de pachtovereenkomst betrekking heeft op gronden die, wegens hun ligging, op het ogenblik van elke verlenging van de pacht, beschouwd moeten worden als voor industriële doeleinden bestemde gronden, op voorwaarde dat de verpachter ten minste drie maanden vóór het einde van de lopende pachtperiode, hiervan kennis heeft gegeven aan de pachter; (4°) de pachtovereenkomst betrekking heeft op gronden die als bouwgronden of als voor industriële doeleinden bestemde gronden beschouwd kunnen worden, hetzij bij de aanvang van de pacht, mits zij als zodanig opgegeven zijn in de pachtovereenkomst, hetzij bij een verlenging van de pacht, op voorwaarde dat de verpachter ten minste drie maanden vóór de datum van een verlenging hiervan kennis gegeven heeft aan de pachter, en die vooraf het voorwerp dienen uit te maken van wegenwerken; (5°) de pachtovereenkomst is aangegaan met een openbaar bestuur of een publiekrechtelijk rechtspersoon en betrekking heeft op gronden die vóór het afsluiten van de overeenkomst door dat bestuur of die persoon zijn onteigend of verkregen op grond van een koninklijk besluit dat de onteigening ten algemenen nutte beveelt of toestaat; (6°) de pachtovereenkomst betrekking heeft op gronden die na het sluiten van de overeenkomst verkregen zijn door een openbaar bestuur of een publiekrechtelijke rechtspersoon, op grond van een koninklijk besluit dat de onteigening ten algemenen nutte beveelt of toestaat. 8 B.4.
  17. Krachtens artikel 17 van het oppervlaktedelfstoffendecreet kunnen de lopende pachtovereenkomsten op ieder ogenblik beëindigd worden om die percelen te kunnen gebruiken voor hun ontginningsbestemming. Artikel 31 van het decreet heeft artikel 6, § 1, van de pachtwet in die zin gewijzigd dat het de verpachter uitdrukkelijk toestaat, wat het Vlaamse Gewest betreft, op ieder ogenblik een einde te maken aan de lopende pacht om de verpachte goederen te gebruiken overeenkomstig hun eindbestemming indien de pachtovereenkomst betrekking heeft op al dan niet bebouwde gronden die gelegen zijn binnen ontginningsgebieden. B.
  18. Artikel 39 van de Grondwet bepaalt : « De wet draagt aan de gewestelijke organen welke zij opricht en welke samengesteld zijn uit verkozen mandatarissen de bevoegdheid op om de aangelegenheden te regelen welke zij aanduidt met uitsluiting van die bedoeld in de artikelen 30 en 127 tot 129 en dit binnen het gebied en op de wijze die zij bepaalt. Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid ». Op grond van artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen zijn de gewesten bevoegd voor de natuurlijke rijkdommen. Tot de natuurlijke rijkdommen behoren de exploiteerbare rijkdommen van de ondergrond, zoals steenkool, gas, petroleum, zand, gesteente en andere fossiele en minerale bronnen. B.
  19. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden, en zulks onverminderd de mogelijkheid om desnoods een beroep te doen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus
  20. Behoudens andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het gehele beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de gemeenschappen en de gewesten overgedragen. B.
  21. De in het geding zijnde bepalingen hebben enkel betrekking op de mogelijkheid tot beëindiging van lopende pachtovereenkomsten om in ontginningsgebied gelegen percelen te kunnen gebruiken voor hun ontginningsbestemming. 9 Zonder dat het nodig is na te gaan of de bevoegdheid van de gewesten voor de natuurlijke rijkdommen ook de bevoegdheid inhoudt om inzake de beëindiging van pachtovereenkomsten in dergelijke gebieden, met het oog op de ontginning van die percelen, een van het gemeen recht afwijkende regeling uit te vaardigen, noch of de in artikel 6, § 1, V, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de gewesten toegekende bevoegdheid voor het landbouwbeleid hen in staat stelt de pacht te regelen, stelt het Hof vast dat te dezen aan de vereisten voor de toepassing van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is voldaan. Zoals in de parlementaire voorbereiding van het in het geding zijnde decreet is uiteengezet (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1486/1, pp. 7, 13 en 14) kon de regeling noodzakelijk worden geacht, leent de aangelegenheid zich tot een gedifferentieerde regeling, en is de weerslag van de betrokken bepalingen op de pachtwetgeving marginaal. B.
  22. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
  23. De tweede prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of de artikelen 17 en 31 van het oppervlaktedelfstoffendecreet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden doordat zij aan de verpachter van al dan niet bebouwde en binnen een ontginningsgebied gelegen gronden een bijkomende mogelijkheid biedt tot opzegging van de pachtovereenkomst, terwijl die mogelijkheid is uitgesloten in het kader van een handelshuur- of woninghuurovereenkomst. B.
  24. De Vlaamse Regering betwist de pertinentie van de prejudiciële vraag. Indien een discriminatie zou worden vastgesteld, zou dit niet de niet-toepassing tot gevolg hebben van de mogelijkheid tot opzegging van de pachtovereenkomst, maar wel de niet-toepassing van de uitsluiting van dezelfde mogelijkheid in het kader van een handelshuur- of woninghuurovereenkomst. 10 B.
  25. Zonder dat het nodig is in te gaan op de voormelde exceptie, stelt het Hof vast dat pachtovereenkomsten, door de bestemming, de ligging en doorgaans ook de uitgestrektheid van de onroerende goederen waarop zij betrekking hebben, in aanzienlijk grotere mate dan handelshuur- en woninghuurovereenkomsten de verwezenlijking van de doelstelling van optimale en rationele ontginning van oppervlaktedelfstoffen in de weg staan. Het is bijgevolg niet zonder objectieve en redelijke verantwoording dat de decreetgever de bijkomende mogelijkheid van beëindiging van een huurovereenkomst aan de verpachters heeft voorbehouden en ze niet eveneens heeft toegekend aan de verhuurder van een woning of een handelspand. B.
  26. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 17 en 31 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 april 2003 betreffende de oppervlaktedelfstoffen schenden noch de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid en de gewesten, noch de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 24 mei
  27. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.087 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.