id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.091 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060607.2 Arrest- Rolnummer: 91/2006;3694 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 351 - laatst gezien 2026-06-30 15:54 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt in artikel 2, 1°, van de wet van 7 april 2005 tot bescherming van de journalistieke bronnen de woorden " journalisten, dus " en " als zelfstandige of loontrekkende werkzaam is, alsook iedere rechtspersoon, en die regelmatig "; - verwerpt de beroepen voor het overige. Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van de wet van 7 april 2005 tot bescherming van de journalistieke bronnen, ingesteld door L. Lamine, M. Weemaes en M. Elincx. Wettelijke bepalingen: Wet - 07-04-2005 - 2,1$ - 47 ELI link Pub nr 2005009280 Tekst van de beslissing Rolnummers 3694, 3789 en 3796 Arrest nr. 91/2006 van 7 juni 2006 In zake : de beroepen tot vernietiging van de wet van 7 april 2005 tot bescherming van de journalistieke bronnen, ingesteld door L. Lamine, M. Weemaes en M. Elincx. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 april 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 april 2005, heeft L. Lamine, wonende te 3110 Rotselaar, Steenweg op Wezemaal 90, beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 7 april 2005 tot bescherming van de journalistieke bronnen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 april 2005). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 oktober 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 oktober 2005, heeft M. Weemaes, wonende te 3110 Rotselaar, Steenweg op Wezemaal 90, beroep tot vernietiging ingesteld van voormelde wet. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 oktober 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 oktober 2005, heeft M. Elincx, wonende te 3020 Herent, Bijlokstraat 144, beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van artikel 2 van voormelde wet. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3694, 3789 en 3796 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de Ministerraad (in de zaken nrs. 3694, 3789 en 3796); - de Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten in België, met zetel te 1040 Brussel, Wetstraat 155 (in de zaak nr. 3789). De verzoekende partijen hebben ieder een memorie van antwoord ingediend. Memories van wederantwoord zijn ingediend door : - de Ministerraad (in de zaken nrs. 3694, 3789 en 3796); - de Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten in België (in de zaak nr. 3789). Op de openbare terechtzitting van 22 maart 2006 : - zijn verschenen : . L. Lamine, verzoekende partij in de zaak nr. 3694; . Mr. H. Croux, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten in België; . Mr. E. Jacubowitz, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; 3 - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen In de zaak nr. 3694 A.1.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 3694 meent zich te kunnen beroepen op een « bijzonder » en een « algemeen » belang. Dat « algemeen belang » wordt omschreven als het belang dat iedereen erbij heeft dat de pers zich verantwoordt voor onthullingen, dat de pers niet straffeloos kan bijdragen tot het aantasten van de goede naam van personen en niet straffeloos kan meewerken aan het schenden van het beroepsgeheim. Het « bijzonder belang » wordt afgeleid uit het feit dat de verzoekende partij in de kranten De Morgen en De Standaard het voorwerp is geweest van laster vanwege twee anoniem gebleven collega’s, naar aanleiding waarvan klachten werden neergelegd tegen de vermoedelijke daders. De verzoekende partij deelt daarbij mee dat ze desnoods zal overgaan tot het rechtstreeks dagvaarden van die laatsten, met de bedoeling de journalisten als getuige te kunnen dagvaarden om hen op die manier te kunnen vragen naar de namen van de betrokken collega’s. De bestreden wet zou aan die dagvaarding ieder nut ontnemen. A.1.
- De Ministerraad meent dat het « algemeen belang » waarop de verzoekende partij zich beroept, geen persoonlijk belang is in de zin van de rechtspraak van het Hof. Bovendien is het aangevoerde « bijzonder belang » onzeker en hypothetisch, aangezien het afhankelijk is van louter voorgenomen dagvaardingen. De Ministerraad ziet ook geen oorzakelijk verband tussen de bestreden wet en het aangevoerde nadeel, zeker niet wanneer wordt vastgesteld dat de wet bescherming biedt aan de journalist, en niet aan de informanten. Niets belet dat een informant burgerrechtelijk of strafrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld. De klachten die de verzoekende partij wenst in te dienen zijn gericht tegen de informanten en niet tegen de journalisten, zodat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de bestreden wet en het aangevoerde nadeel. A.1.
- Bij haar memorie van antwoord voegt de verzoekende partij een aantal stukken waaruit het oorzakelijke verband tussen de bestreden wet en het aangevoerde nadeel zou blijken. Het gaat onder meer om een klachtbrief, een brief van het parket van Leuven en een proces-verbaal van verhoor. Ze wijst ook erop dat uit het opschrift van de bestreden wet blijkt dat het niet zozeer de journalist is die bescherming geniet, maar wel zijn bronnen. Dat zou ook blijken uit de ratio legis van het bronnengeheim. A.1.
- Volgens de Ministerraad moeten de stukken ter staving van het belang bij het verzoekschrift tot nietigverklaring worden gevoegd, zodat die stukken te dezen als laattijdig moeten worden beschouwd. Bovendien wijzen die stukken helemaal niet op een belang bij de vernietiging van de bestreden wet. Integendeel, daaruit kan worden afgeleid dat de verzoekende partij haar belang op een kunstmatige wijze heeft gecreëerd. Op de dag van de bekendmaking van de bestreden wet in het Belgisch Staatsblad had ze nog geen enkele klacht ingediend. Niettegenstaande de feiten dateren van 14 september 2000 heeft zij pas bij brief van 4 juni 2005 - dus na de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad van 27 april 2005 en na het indienen van haar beroep tot vernietiging op 28 april 2005 - een klacht ingediend. De Ministerraad merkt nog op dat uit de artikelen 2 en 3 van de bestreden wet duidelijk blijkt dat zij ertoe strekt de journalisten en redactiemedewerkers het recht te geven hun bronnen te verzwijgen. 4 In de zaak nr. 3789 A.2.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 3789 is de echtgenote van de verzoekende partij in de zaak nr.
- Zij voert aan dat ze door de in A.1.1 bedoelde krantenartikelen morele schade « bij repercussie » heeft geleden en dat ze schadevergoeding wil verkrijgen van de anoniem gebleven collega’s van haar echtgenoot. Aangezien de bestreden wet haar verhindert de journalisten als getuige te dagvaarden met de bedoeling de namen van de betrokken personen te verkrijgen, meent zij belang te hebben bij het beroep tot vernietiging van die wet. A.2.
- De Ministerraad oordeelt dat het aangevoerde belang niet volstaat, onder meer omdat de verzoekende partij nooit zelf een klacht heeft ingediend. Voor het overige verwijst hij naar zijn argumentatie in de zaak nr.
- De verzoekende partij antwoordt dat de klacht van haar echtgenoot de verjaring van de strafvordering stuit in rem, zodat het niet nodig was om ook zelf een klacht in te dienen. Bovendien meent zij dat haar belang niet afhankelijk is van het indienen van een klacht. A.2.
- De Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten in België (A.V.B.B.), tussenkomende partij die haar eigen belang bij de tussenkomst motiveert door erop te wijzen dat ze een erkende beroepsvereniging is die onder meer de belangen van de professionele journalisten beoogt te verdedigen, betwist ook het belang van de verzoekende partij. Aangezien zij zelf niet is vermeld in de bedoelde krantenartikelen, kan er bezwaarlijk sprake zijn van een eigen belang. Uit het feit dat het Hof van Cassatie heeft aanvaard dat ouders moreel leed kunnen ondervinden ten gevolge van letsels die hun kind door een onrechtmatige daad heeft opgelopen, kan niet worden afgeleid dat personen steeds schadevergoeding kunnen eisen wanneer een familielid slachtoffer is van een onrechtmatige daad. De verzoekende partij heeft bovendien nooit een procedure ingeleid om rechtsherstel te verkrijgen. In de zaak nr. 3796 A.3.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 3796 is voorzitter van de afdeling Herent van een politieke partij. Zij schrijft af en toe artikelen, voornamelijk over milieuproblemen, die worden gepubliceerd in kranten of op het internet. Zij geeft aan dat ze daarbij soms gebruik maakt van informatie afkomstig van bronnen die anoniem wensen te blijven. Zij meent dat ze belang heeft bij de vernietiging van artikel 2 van de bestreden wet, aangezien die bepaling haar uitsluit van een voordeel dat aan anderen wordt toegekend. Zij oordeelt dat het recht op geheimhouding van de journalistieke bronnen ook aan haar zou moeten toekomen. A.3.
- De Ministerraad erkent dat de verzoekende partij belang heeft. Ten gronde A.4.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 3694 en 3789 beklemtonen dat hun beroep is gericht tegen alle bepalingen van de wet en oordelen dat een gedeeltelijke vernietiging, rekening houdend met de door hen aangevoerde middelen, onmogelijk of zinloos is. Dit wordt betwist door de Ministerraad, die aanvoert dat de middelen telkens betrekking hebben op één welbepaald aspect van de wet en dat nergens uit blijkt dat de gehele wet een zodanig ondeelbaar geheel zou vormen dat een eventuele ongrondwettigheid van een bepaling noodzakelijkerwijze zou moeten leiden tot een volledige vernietiging van de wet. A.4.
- Het beroep van de verzoekende partij in de zaak nr. 3796 is enkel gericht tegen artikel 2 van de wet. 5 Ten aanzien van het eerste middel in de zaak nr. 3694 A.
- Het eerste middel in de zaak nr. 3694 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 19 en 25 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met de artikelen 19.2 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Doordat de in de bestreden wet geregelde bescherming van de journalistieke bronnen alleen toekomt aan zelfstandigen, loontrekkenden en rechtspersonen, en niet aan natuurlijke personen die geen zelfstandige of loontrekkende zijn, zou artikel 2 van die wet een niet redelijk te verantwoorden verschil in behandeling in het leven roepen tussen beroepsjournalisten en journalisten die werken zonder enig winstoogmerk. Daardoor zouden de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid op discriminerende wijze worden beperkt voor de journalist die niet als beroepsjournalist kan worden gekwalificeerd. De verzoekende partij voert daarbij aan dat het middel niet gegrond zou zijn, indien het in de wet gehanteerde begrip « zelfstandige » zou worden geïnterpreteerd in die zin dat ook journalisten die werken zonder winstoogmerk eronder vallen. A.6.
- De Ministerraad oordeelt dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel. Uit het geheel van het verzoekschrift blijkt immers dat zij in het bijzonder de door de wet aan journalisten verleende bescherming bekritiseert. Het gegrond bevinden van het eerste middel zou alleen ertoe kunnen leiden dat die bescherming wordt uitgebreid tot personen die thans niet worden beschermd, wat onmogelijk de belangen van de verzoekende partij zou dienen. A.6.
- De verzoekende partij antwoordt dat zij actief is in de gemeentepolitiek en in die hoedanigheid regelmatig artikelen publiceert op het internet. Daarom zou zij belang erbij hebben dat het toepassingsgebied van de bestreden wet wordt uitgebreid. Ten aanzien van het tweede middel in de zaak nr. 3694 A.
- Het tweede middel in de zaak nr. 3694 is afgeleid uit de schending van de artikelen 22bis en 23, eerste lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1 en 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met de artikelen 6.1 en 9.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Doordat de bestreden wet in artikel 4 bepaalt dat journalisten en redactiemedewerkers op vordering van de rechter enkel ertoe kunnen worden gedwongen hun informatiebronnen vrij te geven, indien die van dien aard zijn dat hierdoor misdrijven worden voorkomen die een ernstige bedreiging opleveren voor de fysieke integriteit van één of meer personen, en niet wanneer die misdrijven daadwerkelijk zijn gepleegd, zou zij het gerechtelijk onderzoek naar (massa)moorden in de weg staan, wat in strijd is met het recht op leven, zoals vervat in artikel 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in samenhang gelezen met de artikelen 22bis en 23, eerste lid, van de Grondwet. De verzoekende partij verwijst daarbij naar rechtspraak van het Europees Hof, waaruit zou blijken dat de Staten, krachtens de artikelen 1 en 2 van het Europees Verdrag, verplicht zijn om in geval van moord of doodslag een ernstig onderzoek te voeren, ook als de daders geen overheidspersonen zijn. A.8.
- De Ministerraad oordeelt dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel. Er kan immers geen verband worden gelegd tussen het middel en de omstandigheden die de verzoekende partij naar aanleiding van het aanvoeren van haar « bijzonder belang » heeft uiteengezet. Zij heeft het nergens over een aantasting van de fysieke integriteit waarbij zij, zelfs indirect, betrokken zou zijn. Bovendien wordt geen verband gelegd tussen de bestreden wet en aantastingen van de fysieke integriteit in het algemeen. In ondergeschikte orde verwijst de Ministerraad naar zijn verweer bij het derde middel en meer in het bijzonder naar zijn standpunten betreffende de ruime beoordelingsbevoegdheid van de wetgever en de beperkte mogelijkheid om te voorzien in uitzonderingen op het bronnengeheim. A.8.
- De verzoekende partij antwoordt dat zij zich bij dat middel beroept op het door haar aangevoerde - en in A.1.1 omschreven - « algemeen belang ». 6 Ten aanzien van het derde middel in de zaak nr. 3694 A.9.
- Het derde middel in de zaak nr. 3694 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8, 10.2 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met de artikelen 19.3 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De bestreden wet zou op een discriminerende wijze het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven schenden, doordat van de in de wet geregelde bescherming enkel kan worden afgeweken wanneer misdrijven kunnen worden voorkomen die een ernstige bedreiging opleveren voor de fysieke integriteit van personen en niet bij ernstige aantastingen van de reputatie, de goede naam en/of de privacy van personen en doordat de wet geen onderscheid maakt tussen gegevens die tot de privé-sfeer behoren en gegevens waarvan de verspreiding in het algemeen belang is. A.9.
- De verzoekende partij voert daarbij aan dat uit de artikelen 1 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens voortvloeit dat een Staat verplicht is een ernstig onderzoek in te stellen wanneer er sprake is van zware aantastingen van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, ook als de daders geen overheidspersonen zijn. Zij betoogt ook dat het recht niet alleen geldt in de verhouding tussen de overheid en de burger, maar ook tussen burgers onderling, bijvoorbeeld tussen werkgevers en werknemers. De verzoekende partij verwijst daarbij naar rechtsleer en rechtspraak van onder meer het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. A.9.
- Zij verwijst ook naar artikel 10.2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, naar luid waarvan de vrijheid van meningsuiting kan worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, waarin bij de wet wordt voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn om bepaalde belangen te verwezenlijken, onder meer de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen. Aangezien de bestreden wet slechts voorziet in een uitzondering op de bescherming van het bronnengeheim ter voorkoming van bepaalde strafbare feiten, en niet ter verwezenlijking van andere door het voormelde artikel 10.2 opgesomde belangen, wordt op een willekeurige wijze afbreuk gedaan aan het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. A.9.
- De verzoekende partij bekritiseert niet alleen artikel 4, maar ook artikel 7 van de bestreden wet. Die bepaling zou het beroepsgeheim van artsen, geestelijken, advocaten en openbare ambtenaren, aan wie soms vertrouwelijke gegevens dienen te worden verstrekken, volledig uithollen. Aantastingen van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven door personen die gebonden zijn door het beroepsgeheim, zouden daardoor niet meer kunnen worden gestraft en voortaan dus worden getolereerd. A.10.
- De Ministerraad betoogt dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voortvloeit dat het journalistieke bronnengeheim een onmisbare voorwaarde vormt voor het verzekeren van een daadwerkelijke vrije meningsuiting. Het recht zich te documenteren, zich te informeren, anders gezegd op vrije nieuwsgaring, is een noodzakelijke voorafgaande voorwaarde voor de vrijheid van meningsuiting. A.10.
- Hij verwijst naar een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, waaruit zou blijken dat van het journalistieke bronnengeheim slechts mag worden afgeweken mits vier cumulatieve voorwaarden zijn vervuld. Ten eerste moet in de inmenging bij wet zijn voorzien. Ten tweede moet met de inmenging een wettig doel of belang worden nagestreefd. Vervolgens behoort te worden aangetoond dat de inmenging « noodzakelijk is in een democratische samenleving » en dat het nagestreefde belang voorrang heeft op het belang dat is verbonden aan het niet openbaar maken van de journalistieke bronnen. Ten slotte moet worden aangetoond dat andere maatregelen die minder nadelig zijn dan het opheffen van de bescherming van de journalistieke bronnen, niet even goed het nagestreefde doel zouden kunnen bereiken. De laatste twee voorwaarden impliceren een ruime beoordelingsbevoegdheid van de wetgever, zodat enkel een kennelijk onredelijke beoordeling als ongrondwettig kan worden beschouwd. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de uitzonderingen op het journalistieke bronnengeheim restrictief en limitatief heeft willen formuleren om te voorkomen dat de wet handelingen zou toestaan (bijvoorbeeld huiszoekingen, het dwingen van journalisten tot getuigenis, enz.), die de toets aan artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens niet zouden kunnen doorstaan. Uit die voorbereiding blijkt ook dat de wetgever expliciet ervoor heeft gekozen de uitzondering te beperken tot de fysieke integriteit en dus niet uit te breiden tot de psychische integriteit, omdat dit laatste te veel ruimte zou laten 7 voor interpretatie, ten koste van de rechtszekerheid. De Ministerraad meent dat die redenen niet als kennelijk onredelijk kunnen worden beschouwd. A.11.
- De verzoekende partij antwoordt dat de beoordeling van de wetgever kennelijk onredelijk is, omdat afbreuk wordt gedaan aan andere fundamentele rechten en vrijheden en omdat het afbouwen van een beschermingsniveau strijdigheid oplevert met het « standstill-beginsel ». Zij verwijst naar adviezen van de Hoge Raad voor de Justitie en de afdeling wetgeving van de Raad van State. A.11.
- De Ministerraad antwoordt door te stellen dat de verzoekende partij nergens hard maakt dat de bestreden wet afbreuk doet aan andere fundamentele rechten en vrijheden. De verzoekende partij gaat volgens de Ministerraad voorbij aan twee belangrijke elementen. Het eerste houdt in dat journalisten en redactiemedewerkers niet kunnen worden beschouwd als medewerkers van het gerecht. Ten tweede gaat de verzoekende partij, wanneer zij gewag maakt van een schending van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, voorbij aan het gegeven dat het enkel om reeds gepleegde misdrijven kan gaan, zodat die rechten reeds geschonden zijn, vooraleer er van een bescherming van de journalistieke bronnen sprake zou kunnen zijn. De Ministerraad verwijst ook naar een aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 8 maart 2000, waaruit het zeer beperkte karakter van de mogelijkheid tot het invoeren van uitzonderingen op het bronnengeheim zou blijken. A.
- De Ministerraad merkt nog op dat de bestreden wet geen afbreuk doet aan de extracontractuele aansprakelijkheid van de journalist die, krachtens artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, steeds gehouden blijft iedere door foutieve berichtgeving veroorzaakte schade te vergoeden. Indien de journalist zijn bron niet wenst prijs te geven, zal hij zelf de schade moeten vergoeden. Vermits de bestreden wet hieraan geen afbreuk doet, kan niet worden ingezien waarom hij onevenredige gevolgen zou hebben. A.
- De verzoekende partij antwoordt dat het slachtoffer van een schending van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven de betrokken journalist enkel burgerrechtelijk kan aanspreken, aangezien het, vanwege de in de Grondwet uitgewerkte bijzondere regeling inzake de drukpersmisdrijven, de facto onmogelijk is hem strafrechtelijk te laten vervolgen. Dit brengt met zich mee dat het slachtoffer zelf voor het nodige bewijsmateriaal moet zorgen, wat niet het geval is wanneer de informatiebron strafrechtelijk zou kunnen worden vervolgd. Bovendien zou een burgerlijk geding over een persgeschil traag en duur zijn. De Ministerraad stelt dat dit laatste dient te worden gerelativeerd. Ten aanzien van het vierde en het vijfde middel in de zaak nr. 3694 A.
- Het vierde middel in de zaak nr. 3694 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 10.2 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Door omwille van de rechtszekerheid slechts te voorzien in een mogelijkheid om af te wijken van het journalistieke bronnengeheim wanneer er sprake is van levensbedreigende misdrijven, zou de wetgever een niet te verantwoorden verschil in behandeling in het leven roepen tussen, enerzijds, journalisten, aan wie volkomen rechtszekerheid wordt gegeven, en, anderzijds, andere rechtsonderhorigen, die ze niet in dezelfde mate genieten; in andere wetten wordt immers veelvuldig gebruik gemaakt van vage bewoordingen die ruimte laten voor interpretatie. A.
- Het vijfde middel in de zaak nr. 3694 is afgeleid uit de schending van de artikelen 15 en 23, derde lid, 4°, van de Grondwet en 11, derde lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Door in artikel 5 van de bestreden wet te bepalen dat huiszoekingen niet mogen slaan op gegevens die betrekking hebben op de in de wet bedoelde informatiebronnen, tenzij die gegevens kunnen voorkomen dat levensbedreigende misdrijven worden gepleegd, zou de wetgever de bevoegdheidverdelende regelen hebben geschonden. A.
- De Ministerraad voert aan dat het vierde en het vijfde middel onontvankelijk zijn, aangezien ze niet werden aangevoerd in het verzoekschrift tot vernietiging en dus als nieuwe middelen moeten worden beschouwd. 8 Ten aanzien van het enige middel in de zaak nr. 3789 A.
- Het enige middel in de zaak nr. 3789 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 22, 23, 29 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8, 10.2, 14 en 17 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met de artikelen 19.3 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden wet, enerzijds, op discriminerende wijze het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven schendt, en, anderzijds, een discriminatie op grond van huidskleur inhoudt. Wat de schending van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven betreft, wordt het middel op soortgelijke wijze ontwikkeld als het derde middel in de zaak nr. 3694, zij het dat eraan wordt toegevoegd dat uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zou blijken dat de Staat een positieve verplichting heeft om te voorzien in strafsancties voor ernstige schendingen van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. Wat de discriminatie op grond van huidskleur betreft, baseert de verzoekende partij haar argumentatie op de vaststelling dat een slachtoffer van lasterlijke uitingen in de pers zich in rechte slechts kan richten tot de betrokken journalist, aangezien deze de bron van de lasterlijke uitingen geheim mag houden. Vermits artikel 150 van de Grondwet de facto met zich meebrengt dat een journalist strafrechtelijk slechts kan worden vervolgd wanneer het drukpersmisdrijf zou zijn ingegeven door racisme of xenofobie, zou de rechtsbescherming van het slachtoffer van lasterlijke uitingen, zonder redelijke verantwoording, verschillen naar gelang van zijn huidskleur. A.18.
- De Ministerraad betoogt dat het middel in ruime mate samenvalt met het derde middel in de zaak nr. 3694 en verwijst naar zijn verweer in die zaak. In zoverre het middel ook is afgeleid uit een schending van de artikelen 29 en 191 van de Grondwet, verschilt het echter van dat derde middel. A.18.
- De Ministerraad stelt vast dat de vermeende schending van artikel 29 van de Grondwet niet wordt onderbouwd en dat het middel bijgevolg onontvankelijk is, minstens ongegrond. De verzoekende partij antwoordt dat dit artikel enkel werd vermeld omdat het een aspect regelt van het recht op eerbiediging van het privé-leven. A.18.
- Met betrekking tot de vermeende schending van artikel 191 van de Grondwet stelt de Ministerraad vast dat de grieven van de verzoekende partij niet zijn gericht tegen de bestreden wet, maar wel tegen artikel 150 van de Grondwet. De verzoekende partij antwoordt dat de bepalingen van de bestreden wet « indirect » discrimineren. A.
- De Algemene Vereniging van Beroepsjournalisten in België (tussenkomende partij) betwist de stelling van de verzoekende partij dat de bestreden wet ertoe leidt dat aantastingen van de privacy en de goede naam van personen voortaan straffeloos zouden worden. De bestreden wet wijzigt immers niets aan de regels betreffende de aansprakelijkheid van de pers en van journalisten in het bijzonder. Het is overigens niet de journalist die de regels van het beroepsgeheim overtreedt; dit gebeurt door de informant. De verzoekende partij antwoordt dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de journalist wel degelijk wordt gewijzigd door de bestreden wet en dat de enkele mogelijkheid om de journalist burgerrechtelijk verantwoordelijk te stellen onvoldoende waarborgen biedt en zelfs strijdig is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. A.
- De tussenkomende partij wijst erop dat het door de wetgever nagestreefde evenwicht erop neerkomt dat het belang van particulieren om hun individuele morele rechten te vrijwaren, niet opweegt tegen het vitale belang van een vrije informatiestroom. De verzoekende partij antwoordt dat ze het daarmee eens zou kunnen zijn, indien dit enkel gold wanneer het gaat om informatie over aangelegenheden die het algemeen belang betreffen. 9 Ten aanzien van het enige middel in de zaak nr. 3796 A.
- Het enige middel in de zaak nr. 3796 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 19 en 25 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, alsook met artikel 3 van het Eerste Aanvullende Protocol bij dit Verdrag en met de artikelen 19.2 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De verzoekende partij bekritiseert, op dezelfde wijze als de verzoekende partij in de zaak nr. 3694 in haar eerste middel, artikel 2 van de bestreden wet, en voert meer bepaald aan dat die bepaling ertoe leidt dat de bescherming van de journalistieke bronnen wordt ontzegd aan natuurlijke personen die geen zelfstandige of loontrekkende zijn. Hij bekritiseert eveneens het feit dat personen die niet op regelmatige wijze, maar slechts af en toe in een krant schrijven, van het toepassingsgebied van de wet worden uitgesloten, zelfs wanneer zij die artikelen schrijven om met meer succes te kunnen deelnemen aan verkiezingen. A.
- De Ministerraad betoogt dat het aanvankelijk de bedoeling was om de in de wet geregelde bescherming toe te kennen aan journalisten in het algemeen, en niet enkel aan beroepsjournalisten. In de Senaat werd het ontwerp echter geamendeerd omdat de definitie van journalist te ruim werd bevonden en omdat gewild werd de bescherming enkel toe te kennen aan diegenen die ook gebonden zijn door deontologische regels. In de veronderstelling dat de in artikel 2 van de bestreden wet vervatte definitie zo moet worden geïnterpreteerd dat enkel beroepsjournalisten eronder vallen, meent de Ministerraad dat de uit die definitie voortvloeiende beperking redelijk verantwoord is in zoverre enkel beroepsjournalisten zijn gebonden door deontologische voorschriften die ervoor zorgen dat zij minder ondoordacht omgaan met informatie verstrekt door bepaalde personen. Hij wijst erop dat het door de bestreden wet geregelde recht voor beroepsjournalisten eveneens een deontologische plicht vormt. Hij betoogt dat de bescherming van het bronnengeheim voor niet- beroepsjournalisten niet onmisbaar is om hun activiteiten te kunnen uitoefenen. A.
- De verzoekende partij antwoordt dat deontologische regels onvoldoende bescherming bieden en in ieder geval het verschil in behandeling niet kunnen verantwoorden. -B- Ten aanzien van de bestreden wet B.
- De bepalingen van de wet van 7 april 2005 tot bescherming van de journalistieke bronnen luiden : « Art.
- Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Art.
- De bescherming van de bronnen als bepaald in artikel 3, genieten de volgende personen : 1° journalisten, dus eenieder die als zelfstandige of loontrekkende werkzaam is, alsook iedere rechtspersoon, en die regelmatig een rechtstreekse bijdrage levert tot het verzamelen, redigeren, produceren of verspreiden van informatie voor het publiek via een medium; 2° redactiemedewerkers, dus eenieder die door de uitoefening van zijn functie ertoe gebracht wordt kennis te nemen van informatie die tot de onthulling van een bron kan leiden, 10 ongeacht of dat verloopt via het verzamelen, de redactionele verwerking, de productie of de verspreiding van die informatie. Art.
- De personen bedoeld in artikel 2 hebben het recht hun informatiebronnen te verzwijgen. Met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 4, kunnen zij er niet toe worden gedwongen hun informatiebronnen vrij te geven en inlichtingen, opnames en documenten te verstrekken die onder meer : 1° de identiteit van hun informanten kunnen bekendmaken; 2° de aard of de herkomst van hun informatie kunnen prijsgeven; 3° de identiteit van de auteur van een tekst of audiovisuele productie kunnen bekendmaken; 4° de inhoud van de informatie en van de documenten zelf kunnen bekendmaken, indien daarmee de informant kan worden geïdentificeerd. Art.
- De personen bedoeld in artikel 2 kunnen enkel op vordering van de rechter ertoe gedwongen worden de informatiebronnen bedoeld in artikel 3 vrij te geven, indien die van aard zijn misdrijven te voorkomen die een ernstige bedreiging opleveren voor de fysieke integriteit van één of meer personen, daarin begrepen de misdrijven bedoeld in artikel 137 van het Strafwetboek, in de mate zij de fysieke integriteit in het gedrang brengen, en indien de volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn : 1° de gevraagde informatie is van cruciaal belang voor het voorkomen van deze misdrijven; 2° de gevraagde informatie kan op geen enkele andere wijze verkregen worden. Art.
- Opsporings- of onderzoeksmaatregelen zoals fouilleringen, huiszoekingen, inbeslagnemingen, het afluisteren en opnemen van telefoongesprekken mogen niet slaan op gegevens die betrekking hebben op de informatiebronnen van de personen bedoeld in artikel 2, tenzij die gegevens kunnen voorkomen dat de in artikel 4 bedoelde misdrijven worden gepleegd, en met naleving van de daarin bepaalde voorwaarden. Art.
- De personen bedoeld in artikel 2 kunnen niet op grond van artikel 505 van het Strafwetboek worden vervolgd als zij hun recht uitoefenen om hun informatiebronnen te verzwijgen. Art.
- Ingeval het beroepsgeheim in de zin van artikel 458 van het Strafwetboek wordt geschonden, kunnen de personen bedoeld in artikel 2 niet op grond van artikel 67, vierde lid, van het Strafwetboek worden vervolgd als zij hun recht uitoefenen om hun informatiebronnen te verzwijgen ». 11 Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen B.2.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.2.
- Ter staving van haar belang voert de verzoekende partij in de zaak nr. 3694 onder meer aan dat zij in twee krantenartikelen het voorwerp is geweest van laster uitgaande van twee anoniem gebleven collega’s. De bestreden wet zou haar rechtstreeks en ongunstig raken omdat zij met zich meebrengt dat de betrokken journalisten op geen enkele manier kunnen worden verplicht mee te delen wie de twee anoniem gebleven collega’s zijn. De verzoekende partij in de zaak nr. 3789 voert aan dat zij als echtgenote van de verzoekende partij in de zaak nr. 3694 morele schade heeft geleden door de bedoelde krantenartikelen en dat ze schadevergoeding wenst te verkrijgen van de anoniem gebleven collega’s van haar man. Ze werpt op dat de bestreden wet haar verhindert haar rechten ten aanzien van die collega’s uit te oefenen. B.2.
- Volgens de bestreden wet hebben journalisten en redactiemedewerkers het recht hun informatiebronnen te verzwijgen (artikel 3). Enkel indien ze van dien aard zijn dat hierdoor misdrijven worden voorkomen die een ernstige bedreiging opleveren voor de fysieke integriteit van één of meer personen, kunnen journalisten en redactiemedewerkers, op vordering van de rechter, ertoe worden gedwongen hun bronnen vrij te geven (artikel 4). Opsporings- en onderzoeksmaatregelen mogen niet slaan op gegevens die betrekking hebben op de journalistieke informatiebronnen, tenzij die gegevens kunnen voorkomen dat de in artikel 4 bedoelde misdrijven worden gepleegd (artikel 5). Journalisten en redactiemedewerkers die hun recht uitoefenen om hun informatiebronnen te verzwijgen, kunnen niet op grond van artikel 505 van het Strafwetboek betreffende heling worden vervolgd en evenmin, wanneer het beroepsgeheim in de zin van artikel 458 van het Strafwetboek wordt geschonden, op grond van artikel 67, vierde lid, van het Strafwetboek betreffende medeplichtigheid (artikelen 6 en 7). 12 B.2.
- Vermits de artikelen 3 tot 7 van de wet van 7 april 2005 het de verzoekende partijen in de zaken nrs. 3694 en 3789 bemoeilijken om via de journalisten, die de in B.2.2 bedoelde artikelen hebben geschreven, te achterhalen wie de anoniem gebleven collega’s zijn, doen ze in beginsel blijken van het vereiste belang bij het beroep tot vernietiging ervan. B.3.
- De Ministerraad betwist in het bijzonder het belang van de verzoekende partij in de zaak nr. 3694 bij de vernietiging van artikel 2 van de bestreden wet. Uit het geheel van haar verzoekschrift zou blijken dat zij voornamelijk de door de wet aan journalisten verleende bescherming bekritiseert. Een vernietiging van artikel 2, op basis van het door de verzoekende partij aangewende eerste middel, zou alleen ertoe kunnen leiden dat die bescherming wordt uitgebreid tot personen die thans niet worden beschermd. B.3.
- De verzoekende partij in de zaak nr. 3694 voert aan dat zij actief is in de gemeentepolitiek en in die hoedanigheid regelmatig artikelen publiceert op het internet. Ze is van oordeel dat de grondwets- en verdragsbepalingen die de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid waarborgen haar daarbij het recht verlenen haar journalistieke bronnen te verzwijgen. Dat recht zou haar worden ontnomen door het bestreden artikel 2, naar luid waarvan enkel de journalisten die als zelfstandige of als loontrekkende werken, de in de wet geregelde bescherming van de journalistieke bronnen genieten. De verzoekende partij in de zaak nr. 3796 motiveert haar belang bij de vernietiging van het bestreden artikel 2 op soortgelijke wijze. B.3.
- De verzoekende partijen in de zaken nrs. 3694 en 3796 hebben belang bij een eventuele vernietiging van artikel 2 van de bestreden wet, vermits die bepaling hen - naar hun oordeel ten onrechte - uitsluit van het voordeel dat de wet toekent aan de in die bepaling omschreven personen. De omstandigheid dat het verzoekschrift in de zaak nr. 3694 voornamelijk de bescherming van de journalistieke bronnen en de uitzonderingen daarop bekritiseert, ontneemt de verzoekende partij niet automatisch elk belang bij het aanvechten van de bepaling die het toepassingsgebied ratione personae van die wet regelt. Niets belet immers dat een verzoekende partij haar belang bij de vernietiging van een uit verschillende bepalingen bestaande wet motiveert vanuit verschillende invalshoeken. 13 De exceptie wordt verworpen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de middelen B.4.
- De Ministerraad voert aan dat het vierde en het vijfde middel in de zaak nr. 3694 onontvankelijk zijn. B.4.
- Beide middelen werden door de verzoekende partij voor het eerst aangevoerd in haar memorie van antwoord. Het gaat derhalve om nieuwe middelen, die enkel kunnen worden geformuleerd in de hypothese bedoeld in artikel 85, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. Het vierde en het vijfde middel zijn niet ontvankelijk. B.5.
- De Ministerraad voert ook aan dat de verzoekende partij in de zaak nr. 3694 geen belang heeft bij haar eerste twee middelen. B.5.
- Nu de verzoekende partij haar belang heeft aangetoond bij de vernietiging van de bepalingen van de bestreden wet, dient niet te worden onderzocht of zij bovendien belang heeft bij elk van de door haar aangevoerde middelen. De exceptie wordt verworpen. Ten aanzien van het onderwerp van het beroep B.
- Uit de uiteenzetting van de ontvankelijk bevonden middelen blijkt dat de beroepen uitsluitend de artikelen 2, 1°, 4 en 7 van de bestreden wet betreffen. In die middelen wordt immers niet aangegeven in welk opzicht de aangevoerde referentienormen zouden zijn 14 geschonden door de overige bepalingen van de bestreden wet. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die bepalingen. Ten gronde Ten aanzien van het eerste middel in de zaak nr. 3694 en het enige middel in de zaak nr. 3796 B.
- De middelen zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 19 en 25 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met artikel 3 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (enkel aangevoerd in het enige middel in de zaak nr. 3796) en met de artikelen 19.2 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en zijn - zo blijkt uit de uiteenzetting ervan - gericht tegen artikel 2, 1°, van de bestreden wet. Door het recht op geheimhouding van de informatiebronnen uitsluitend toe te kennen aan journalisten die als zelfstandige of loontrekkende werkzaam zijn en die op regelmatige wijze journalistieke activiteiten uitoefenen, en niet aan personen die journalistieke activiteiten uitoefenen zonder aan die voorwaarden te voldoen, zou het bestreden artikel de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid op discriminerende wijze beperken. B.8.
- Artikel 2 van de bestreden wet bepaalt dat de bescherming van de bronnen toekomt aan journalisten en redactiemedewerkers. Artikel 2, 1°, definieert een « journalist » als « eenieder die als zelfstandige of loontrekkende werkzaam is, alsook iedere rechtspersoon, en die regelmatig een rechtstreekse bijdrage levert tot het verzamelen, redigeren, produceren of verspreiden van informatie voor het publiek via een medium ». B.8.
- Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever met de woorden « als zelfstandige of loontrekkende » heeft willen refereren aan het sociaal statuut van de betrokkene (Parl. St., Senaat, 2004-2005, nr. 3-670/6, p. 59). Een natuurlijke persoon kan de door de bestreden wet georganiseerde bescherming dus enkel genieten indien hij beroepsmatig, hetzij als zelfstandige, hetzij als loontrekkende, journalistieke activiteiten uitoefent. Wie niet aan die voorwaarden voldoet, kan zich niet beroepen op het door de wet verleende recht om zijn informatiebronnen te verzwijgen. Uit het in artikel 2, 1°, gebruikte 15 woord « regelmatig » volgt dat hetzelfde geldt voor personen die niet op regelmatige wijze journalistieke activiteiten uitoefenen. B.
- Het Hof is niet bevoegd om wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan verdragsbepalingen. Wanneer een verdragsbepaling die België bindt, een draagwijdte heeft die analoog is aan die van een van de grondwetsbepalingen waarvan de toetsing tot de bevoegdheid van het Hof behoort en waarvan de schending wordt aangevoerd, vormen de waarborgen vervat in die verdragsbepaling evenwel een onlosmakelijk geheel met de waarborgen die in de betrokken grondwetsbepalingen zijn opgenomen. Daaruit volgt dat het Hof, bij de toetsing aan grondwetsbepalingen, rekening houdt met internationaalrechtelijke bepalingen die analoge rechten of vrijheden waarborgen. B.10.
- Artikel 19 van de Grondwet bepaalt : « De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd ». Artikel 25 van de Grondwet bepaalt : « De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd; geen borgstelling kan worden geëist van de schrijvers, uitgevers of drukkers. Wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft, kan de uitgever, de drukker of de verspreider niet worden vervolgd ». B.10.
- Artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens bepaalt : «
- Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. Dit artikel belet niet dat Staten radio-omroep, bioscoop- of televisie-ondernemingen kunnen onderwerpen aan een systeem van vergunningen. 16
- Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van ’s lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen ». B.10.
- Artikel 19.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « Een ieder heeft het recht op vrijheid van meningsuiting; dit recht omvat mede de vrijheid inlichtingen en denkbeelden van welke aard ook op te sporen, te ontvangen en door te geven, ongeacht grenzen, hetzij mondeling, hetzij in geschreven of gedrukte vorm, in de vorm van kunst, of met behulp van andere media naar zijn keuze ». B.11.
- Die bepalingen waarborgen de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid. B.11.
- De vrijheid van meningsuiting maakt één van de wezenlijke grondslagen van een democratische samenleving uit en de persvrijheid is een wezenlijke component van die vrijheid. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft de bescherming van de journalistieke bronnen meermaals omschreven als « één van de hoekstenen van de persvrijheid » (Goodwin t/ Verenigd Koninkrijk van 27 maart 1996, § 39; Roemen en Schmit t/ Luxemburg van 25 februari 2003, § 46; Ernst e.a. t/ België van 15 juli 2003, § 91). Het Hof heeft zijn standpunt gemotiveerd als volgt : « De afwezigheid van een dergelijke bescherming zou de journalistieke bronnen kunnen afschrikken om de pers te helpen bij het inlichten van het publiek over kwesties van algemeen belang. Daardoor zou de pers minder in staat kunnen zijn om zijn onmisbare rol van ‘ waakhond ’ te spelen en zou zijn vermogen om precieze en betrouwbare informatie te verstrekken kunnen worden verminderd. Gelet op het belang van de bescherming van de journalistieke bronnen voor de persvrijheid in een democratische samenleving, kan een inmenging enkel worden verzoend met artikel 10 van het Verdrag indien ze door een zwaarwegende eis van algemeen belang wordt gerechtvaardigd » (ibid.). 17 B.
- Het recht op geheimhouding van de journalistieke bronnen dient dus te worden gewaarborgd, niet zozeer ter bescherming van de belangen van de journalisten als beroepsgroep, maar wel om het de pers mogelijk te maken zijn rol van « waakhond » te spelen en het publiek in te lichten over kwesties van algemeen belang. Om die reden maakt het recht deel uit van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, zoals gewaarborgd in de in B.10.1 tot B.10.3 weergegeven grondwets- en verdragsbepalingen. B.
- Daaruit volgt dat eenieder die journalistieke activiteiten uitoefent, uit de aangehaalde grondwets- en verdragsbepalingen een recht op geheimhouding van zijn informatiebronnen put. B.14.
- Door dat recht te ontzeggen aan bepaalde personen, namelijk diegenen die hun journalistieke activiteiten niet als zelfstandige of loontrekkende uitoefenen en diegenen die die activiteiten niet op regelmatige wijze uitoefenen, schendt artikel 2, 1°, van de bestreden wet de artikelen 19 en 25 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met artikel 19.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. B.14.
- In zoverre het middel is afgeleid uit de schending van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, is het gegrond. In artikel 2, 1°, van de bestreden wet dienen de woorden « journalisten, dus » en « als zelfstandige of loontrekkende werkzaam is, alsook iedere rechtspersoon, en die regelmatig » te worden vernietigd. B.14.
- In zoverre het middel eveneens is afgeleid uit de schending van andere rechten en vrijheden, dient het niet meer te worden onderzocht, aangezien het niet tot een ruimere vernietiging zou kunnen leiden. 18 Ten aanzien van het enige middel in de zaak nr. 3789 en het derde middel in de zaak nr. 3694 B.
- Het derde middel in de zaak nr. 3694 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8, 10.2 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met de artikelen 19.3 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en is, zo blijkt uit de uiteenzetting ervan, gericht tegen de artikelen 4 en 7 van de bestreden wet. Die bepalingen zouden op discriminerende wijze het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven schenden, doordat, enerzijds, artikel 4 de rechter niet toestaat af te wijken van het recht op geheimhouding van de journalistieke bronnen in geval van ernstige aantastingen van de reputatie, de goede naam en/of de privacy van personen en daarbij evenmin een onderscheid maakt tussen gegevens waarvan de verspreiding in het algemeen belang is en gegevens die tot de privé-sfeer behoren, en doordat, anderzijds, artikel 7 een regeling bevat die inbreuken op het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven door personen die gehouden zijn door het beroepsgeheim tolereert. B.
- Het enige middel in de zaak nr. 3789 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 22, 23, 29 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8, 10.2, 14 en 17 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met de artikelen 19.3 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. In een eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat de bestreden wet op discriminerende wijze het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven zou schenden en dit om soortgelijke redenen als uiteengezet in het derde middel in de zaak nr.
- In een tweede onderdeel wordt aangevoerd dat de wet een discriminatie op grond van huidskleur met zich mee zou brengen : een slachtoffer van lasterlijke uitingen in de pers kan zich, vanwege het journalistieke bronnengeheim, in rechte slechts richten tot de betrokken journalist zelf. Artikel 150 van de Grondwet brengt de facto echter met zich mee dat een journalist strafrechtelijk niet kan worden vervolgd, tenzij wanneer het drukpersmisdrijf zou zijn ingegeven door racisme of xenofobie, zodat de rechtsbescherming van het slachtoffer van lasterlijke uitingen, zonder redelijke verantwoording, verschillend zou zijn naar gelang van de huidskleur van dat slachtoffer. 19 Wat de aangevoerde discriminatie op grond van huidskleur betreft B.
- Zonder dat het nodig is na te gaan of de rechtsbescherming van slachtoffers van lasterlijke uitingen in de pers verschillend zou zijn naar gelang van de huidskleur van het slachtoffer, dient te worden vastgesteld dat dit verschil in behandeling, indien het al zou bestaan, niet zou voortvloeien uit de bestreden bepalingen, maar uit een keuze die de Grondwetgever heeft gemaakt, namelijk in artikel 150 van de Grondwet. Het komt het Hof niet toe zich over een keuze van de Grondwetgever uit te spreken. In zoverre het enige middel in de zaak nr. 3789 de bestreden wet verwijt een discriminatie op grond van huidskleur te bevatten, kan het niet worden aangenomen. Wat artikel 4 van de bestreden wet betreft B.
- Volgens artikel 4 van de bestreden wet kan een rechter journalisten en redactiemedewerkers slechts dwingen hun informatiebronnen vrij te geven indien die van dien aard zijn dat hierdoor misdrijven worden voorkomen die een ernstige bedreiging opleveren voor de fysieke integriteit van één of meer personen, daarin begrepen de misdrijven bedoeld in artikel 137 van het Strafwetboek, in zoverre zij de fysieke integriteit in het gedrang brengen en indien aan een aantal cumulatieve voorwaarden is voldaan. B.
- Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de uitzonderingen op het recht op geheimhouding van de journalistieke bronnen beperkt heeft willen houden om te vermijden dat het recht zou worden uitgehold (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0024/010, p. 16). Naar aanleiding van de door de afdeling wetgeving van de Raad van State gestelde vraag waarom de uitzondering alleen geldt voor misdrijven waarbij de fysieke integriteit van personen in het gedrang dreigt te komen en niet voor andere strafbare feiten, inzonderheid de aanslag op iemands eer (advies van de Raad van State van 5 november 2003, Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0024/002, p. 13), werd door de indiener van het wetsvoorstel dat tot de 20 bestreden wet heeft geleid, in de Commissie voor de Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers het volgende gesteld : « Het lijkt niet aangewezen om ook andere dan levensbedreigende misdrijven (zoals aanslag op de eer) als uitzonderingen op het zwijgrecht in de wet in te schrijven. Dergelijke wettekst zou teveel ruimte voor interpretatie laten, ten koste van de rechtszekerheid. Misdrijven tegen de fysieke integriteit van personen kunnen onherstelbare schade veroorzaken en wettigen een onmiddellijk ingrijpen, inclusief het doorbreken van het zwijgrecht (bijvoorbeeld bij ontvoeringen). ‘ Morele ’ misdrijven zijn in principe herstelbaar. Deze formulering sluit aan bij de rechtspraak van het EHRM, die slechts een beperkte mogelijkheid openlaat om een journalist te verplichten tot openbaarmaking van zijn informatiebronnen, namelijk enkel voor zover sprake is van een ‘ overriding requirement in the public interest ’ » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0024/010, p. 16). B.20.
- De vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid gelden niet alleen voor de « informatie » of de « ideeën » die gunstig worden onthaald of die als onschuldig of onverschillig worden beschouwd, maar ook voor die welke schokken, verontrusten of kwetsen. Zo willen het het pluralisme, de verdraagzaamheid en de geest van openheid, zonder welke er geen democratische samenleving kan bestaan (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Handyside t/ Verenigd Koninkrijk van 7 december 1976, § 49; Lehideux en Isorni t/ Frankrijk van 23 september 1998, § 55; Öztürk t/ Turkije van 28 september 1999, § 64). Dit betekent echter niet dat de pers zou kunnen worden vrijgesteld van haar principiële plicht bepaalde grenzen « die meer bepaald de bescherming van de goede naam en de rechten van anderen nastreven en de onthulling van vertrouwelijke informatie willen voorkomen » niet te overschrijden (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, De Haes en Gijsels t/ België van 24 februari 1997, § 37; Fressoz en Roire t/ Frankrijk van 21 januari 1994, § 45; Ernst e.a. t/ België van 15 oktober 2003, § 92). De vrijheid van meningsuiting kan overigens, krachtens artikel 10.2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, onder bepaalde voorwaarden worden onderworpen aan formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, met het oog op, onder meer, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. B.20.
- Daaruit volgt dat, ofschoon de pers in een democratische samenleving in staat moet zijn informatie en ideeën over alle kwesties van algemeen belang mee te delen, de vrijheid van meningsuiting en de daarmee samenhangende persvrijheid niet kunnen worden 21 beschouwd als absolute vrijheden. Aangezien het recht op geheimhouding van de journalistieke bronnen, zoals reeds vermeld in B.13, deel uitmaakt van die vrijheden, geldt die conclusie eveneens voor dat recht. Die conclusie volgt ook uit de in B.11.2 aangehaalde rechtspraak waaruit blijkt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ofschoon het de bescherming van het bronnengeheim omschrijft als « één van de hoekstenen van de persvrijheid », aanvaardt dat bepaalde omstandigheden een inmenging in dat recht kunnen rechtvaardigen. B.
- Wanneer de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid in conflict dreigen te komen met het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, dient een billijk evenwicht te worden gevonden tussen die rechten en vrijheden en de eraan verbonden belangen. Daarbij dient ermee rekening te worden gehouden dat het recht op geheimhouding van de journalistieke bronnen bijzonder belangrijk is voor de persvrijheid in een democratische samenleving, reden waarom een inmenging in het recht enkel kan worden gerechtvaardigd door een « zwaarwegende eis van algemeen belang ». B.
- Het Hof dient te onderzoeken of het bestreden artikel 4 bestaanbaar is met de door de verzoekende partijen aangehaalde grondwets- en verdragsbepalingen die het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven waarborgen, ermee rekening houdend dat dit artikel 4 het recht op geheimhouding van de journalistieke bronnen beoogt te vrijwaren. B.23.
- Artikel 22 van de Grondwet luidt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». Artikel 29 van de Grondwet luidt : « Het briefgeheim is onschendbaar. De wet bepaalt welke agenten verantwoordelijk zijn voor de schending van het geheim der aan de post toevertrouwde brieven ». 22 B.23.
- Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens luidt : «
- Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.24.
- Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens houdt artikel 8 van het Europees Verdrag niet alleen een verbod in op willekeurige inmengingen in het privé- en gezinsleven, maar eveneens een verplichting voor de verdragsstaten om de nodige maatregelen te nemen met het oog op het verzekeren van het effectief genot van het privé- en gezinsleven (X en Y t/ Nederland van 26 maart 1985, § 23; Stubbings e.a. t/ het Verenigd Koninkrijk van 22 oktober 1996, § 62; Botta t/ Italië van 24 februari 1998, § 33; Ignaccolo-Zenide t/ Roemenië van 25 januari 2000, § 94; Mikulic t/ Kroatië van 7 februari 2002, § 57; Craxi nr. 2 t/ Italië van 17 juli 2003, § 73). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft uit dat artikel onder meer de verplichting afgeleid om voldoende inspanningen te leveren met het oog op het beëindigen van herhaalde inbreuken op het genot van het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven (Surugiu t/ Roemenië van 20 april 2004, § 68), en om, in geval van aantasting van dat recht, een daadwerkelijk onderzoek te voeren naar de concrete omstandigheden van de zaak en zo nodig de personen die verantwoordelijk zijn voor bepaalde tekortkomingen te bestraffen (Craxi nr. 2 t/ Italië van 17 juli 2003, §§ 74 en 75). B.24.
- Artikel 22, tweede lid, van de Grondwet bevat een soortgelijke positieve verplichting. Uit de parlementaire voorbereiding van dat artikel blijkt dat de Grondwetgever « een zo groot mogelijke concordantie [heeft willen nastreven] met artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), teneinde betwistingen over de inhoud van dit Grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden » (Parl. St., Kamer, 1993-1994, nr. 997/5, p. 2). B.25.
- Artikel 4 van de wet staat de rechter toe af te wijken van het bronnengeheim maar uitsluitend in zoverre die bronnen ertoe bijdragen het plegen van bepaalde misdrijven te 23 voorkomen en niet wanneer ze tot bestraffing van die misdrijven leiden. Informatie in verband met gepleegde misdrijven zou enkel tot de toepassingssfeer van de uitzondering behoren wanneer dankzij de onthulling ervan nieuwe misdrijven, die verschillend zijn van diegene die reeds zijn gepleegd, zouden kunnen worden voorkomen (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0024/010, p. 34). B.25.
- De wetgever vermocht te oordelen dat, om reden van de ernst en het vaak onherstelbare karakter van de misdrijven die een ernstige bedreiging opleveren voor de fysieke integriteit, de noodzaak om ze te voorkomen de uitzondering op het bronnengeheim kon verantwoorden. Het behoort tevens tot zijn beoordelingsbevoegdheid om te beslissen of die uitzondering moet worden uitgebreid tot de voorkoming van misdrijven die een inbreuk vormen op het privé- en gezinsleven, en die noch hetzelfde ernstige karakter, noch hetzelfde onherstelbare karakter hebben. B.25.
- Bovendien is de verplichting om de informatiebron vrij te geven in verband met een inbreuk op het privé- en gezinsleven die nog niet is gepleegd, niet van dien aard dat ze op dezelfde wijze die inbreuk vermijdt als een onthulling dankzij welke diegenen zouden kunnen worden geïdentificeerd die zich voornemen een misdrijf te plegen dat een bedreiging oplevert voor de fysieke integriteit van één of meer personen. B.25.
- De weigering om de uitzondering uit te breiden tot de inbreuken op het privé- en gezinsleven zou onevenredige gevolgen hebben, indien ze ertoe zou leiden dat de personen een effectieve bescherming van hun recht op de eerbiediging van het privé- en gezinsleven zou worden ontzegd. Die weigering heeft echter niet tot gevolg dat aan de burgerlijke aansprakelijkheid wordt geraakt van de journalist die aansprakelijk is voor de fouten die hij zou maken door afbreuk te doen aan dat recht en vrij blijft om zijn bronnen te verzwijgen of vrij te geven wanneer zijn aansprakelijkheid in het geding wordt gebracht (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0024/010, pp. 7, 33, 36). B.25.
- Uit wat voorafgaat vloeit voort dat het niet onredelijk is het recht op het leven of op de fysieke integriteit, enerzijds, en het recht op de eerbiediging van het privé- en gezinsleven, anderzijds, verschillend te behandelen, wat betreft de maatregel van onthulling die door een rechter kan worden opgelegd, met afwijking van het beginsel van het bronnengeheim van de journalisten. 24 B.
- In zoverre de middelen zijn gericht tegen artikel 4 van de bestreden wet en zijn afgeleid uit de schending van het recht op de eerbiediging van het privé- en gezinsleven, zijn ze niet gegrond. Voor het overige voeren de verzoekers geen enkel afzonderlijk element aan waaruit kan worden geconcludeerd dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden. Ten slotte ziet het Hof niet in hoe en zetten de verzoekers niet uiteen waarom de artikelen 10.2 en 17 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 19.3 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten door artikel 4 van de bestreden wet zouden zijn geschonden. Wat artikel 7 van de bestreden wet betreft B.27.
- Wanneer een persoon die gebonden is door het beroepsgeheim in de zin van artikel 458 van het Strafwetboek dat geheim schendt, kunnen, volgens artikel 7 van de bestreden wet, journalisten en redactiemedewerkers niet op grond van artikel 67, vierde lid, van het Strafwetboek worden vervolgd als zij hun recht uitoefenen om hun informatiebronnen te verzwijgen. Artikel 458 van het Strafwetboek luidt als volgt : « Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank ». Artikel 67, vierde lid, van het Strafwetboek luidt als volgt : « Als medeplichtigen aan een misdaad of een wanbedrijf worden gestraft : […] Zij die, buiten het geval van artikel 66, § 3, met hun weten de dader of de daders hebben geholpen of bijgestaan in daden die de misdaad of het wanbedrijf hebben voorbereid, vergemakkelijkt of voltooid ». 25 B.27.
- Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever met de bestreden bepaling heeft willen verhinderen dat een journalist of redactiemedewerker zou worden vervolgd wegens medeplichtigheid aan een schending van het beroepsgeheim teneinde hem te kunnen dwingen zijn bronnen bekend te maken (Parl. St., Senaat, 2004-2005, nr. 3-670/6, pp. 66 en 67). B.
- Volgens de verzoekende partijen brengt de bestreden bepaling met zich mee dat inbreuken op het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven door personen die gebonden zijn door het beroepsgeheim, voortaan worden getolereerd. B.
- Het feit dat journalisten en redactiemedewerkers niet langer als medeplichtige aan het in artikel 458 van het Strafwetboek omschreven misdrijf kunnen worden vervolgd, verhindert op geen enkele wijze de vervolging van de in dit artikel beoogde personen (geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd). In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, leidt het bestreden artikel 7 bijgevolg niet ertoe dat inbreuken op het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven door personen die gebonden zijn door het beroepsgeheim, voortaan worden getolereerd. B.
- In zoverre de middelen gericht zijn tegen artikel 7 van de wet van 7 april 2005 zijn ze niet gegrond. Ten aanzien van het tweede middel in de zaak nr. 3694 B.
- Het tweede middel in de zaak nr. 3694 is afgeleid uit de schending van de artikelen 22bis en 23, eerste lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1 en 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de artikelen 6.1 en 9.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Doordat de bestreden wet in artikel 4 bepaalt dat journalisten en redactiemedewerkers op vordering van de rechter enkel ertoe kunnen worden gedwongen de informatiebronnen vrij te geven indien die van dien 26 aard zijn dat hierdoor misdrijven worden voorkomen die een ernstige bedreiging opleveren voor de fysieke integriteit van één of meer personen, en niet wanneer de misdrijven daadwerkelijk zijn gepleegd, zou zij de vervolging van (massa)moordenaars in de weg staan, wat in strijd zou zijn met het recht op leven, zoals dat door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt uitgelegd, in samenhang gelezen met de artikelen 22bis en 23, eerste lid, van de Grondwet. B.32.
- Artikel 22bis van de Grondwet luidt als volgt : « Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». Artikel 23, eerste lid, van de Grondwet luidt als volgt : « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden ». B.32.
- Artikel 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens luidt als volgt : « De Hoge Verdragsluitende Partijen verzekeren eenieder, die ressorteert onder haar rechtsmacht, de rechten en vrijheden welke zijn vastgesteld in de Eerste titel van dit Verdrag ». Artikel 2.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens luidt als volgt : « Het recht van eenieder op het leven wordt beschermd door de wet. Niemand mag opzettelijk van het leven worden beroofd, tenzij bij wege van tenuitvoerlegging van een vonnis, dat is uitgesproken door een rechtbank, wegens een misdrijf waarop de wet de doodstraf heeft gesteld ». Artikel 6.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten luidt als volgt : « Een ieder bezit een inherent recht op het leven. Dit recht wordt door de wet beschermd. Niemand mag naar willekeur van zijn leven worden beroofd ». 27 Artikel 9.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten luidt als volgt : « Een ieder heeft recht op vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige arrestatie of gevangenhouding. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve op wettige gronden en op wettige wijze ». B.
- Het middel beoogt een toetsing van het bestreden artikel 4 aan het recht op leven. De verzoekende partij beroept zich meer in het bijzonder op rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgens welke het recht op leven een positieve verplichting voor de Staat met zich meebrengt om een onderzoek in te stellen naar de oorzaken van de dood van een persoon. B.
- Hoewel de aangevoerde grondwetsbepalingen het recht op leven niet als dusdanig waarborgen, veronderstelt de uitoefening van de rechten die daarin verankerd zijn, de eerbiediging van het recht op leven, zodat zij in samenhang kunnen worden gelezen met de voormelde verdragsrechtelijke bepalingen die dat recht uitdrukkelijk beschermen. B.
- Uit het gebruik van het woord « voorkomen » in het bestreden artikel 4 volgt dat de rechter journalisten en redactiemedewerkers in beginsel niet kan dwingen hun informatiebronnen vrij te geven in het kader van een onderzoek naar reeds gepleegde misdrijven. Die onmogelijkheid voor de rechter is volgens de verzoekende partij niet bestaanbaar met het recht op leven, zoals dit door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt uitgelegd. B.
- Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens hebben de verdragspartijen, krachtens de artikelen 1 en 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, een positieve verplichting om na een moord of een doodslag een daadwerkelijk onderzoek te voeren naar de omstandigheden van de zaak, ook als de daders geen overheidspersonen zijn (zie onder meer Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Ergi t/ Turkije van 28 juli 1998, § 82; Tanrikulu t/ Turkije van 8 juli 1999, § 103; Demiray t/ Turkije van 21 november 2000, § 48). 28 B.
- Het Hof dient te onderzoeken of het bestreden artikel 4 bestaanbaar is met het door de verzoekende partijen aangevoerde recht op leven. B.38.
- In zoverre artikel 4 toestaat dat het bronnengeheim wordt opgeheven teneinde inbreuken op de fysieke integriteit te voorkomen, met inbegrip van het geval waarin die inbreuk reeds is gepleegd, maar waarvan is geweten dat er andere zouden kunnen volgen, vormt het precies een instrument dat de Staat zich verschaft teneinde zijn verplichting na te komen om de bescherming van het recht op leven te waarborgen. B.38.
- De wetgever vermocht te oordelen dat, wanneer die inbreuk op het leven of op de fysieke integriteit eenmaal is gebeurd, de inbreuk op het fundamenteel recht van de vrije meningsuiting, waarvan het journalistieke bronnengeheim deel uitmaakt, niet verantwoord was, aangezien de rechterlijke overheden over voldoende andere middelen beschikken om de onderzoeken in verband met gepleegde misdrijven tot een goed einde te brengen. B.38.
- Wanneer de fysieke integriteit van een persoon nog niet is aangetast, heeft de journalist die over informatie beschikt waardoor die inbreuk zou kunnen worden vermeden, een wettelijke verplichting om hulp te verlenen aan iemand die in groot gevaar verkeert, hetgeen niet het geval is wanneer de inbreuk reeds heeft plaatsgevonden en de journalist vervolgens daaromtrent over informatie beschikt. B.
- In zoverre de wetgever de rechter enkel toestaat af te wijken van de in de wet geregelde bescherming van de journalistieke bronnen ter voorkoming van misdrijven die een ernstige bedreiging opleveren voor de fysieke integriteit, heeft hij de in het middel aangehaalde bepalingen niet geschonden. B.
- Het middel is niet gegrond. 29 Om die redenen, het Hof - vernietigt in artikel 2, 1°, van de wet van 7 april 2005 tot bescherming van de journalistieke bronnen de woorden « journalisten, dus » en « als zelfstandige of loontrekkende werkzaam is, alsook iedere rechtspersoon, en die regelmatig »; - verwerpt de beroepen voor het overige. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 7 juni
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.091 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div