id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.095 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060614.5 Arrest- Rolnummer: 95/2006;3742;3774 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-08-30 Raadplegingen: 646 - laatst gezien 2026-07-04 07:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1153 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummers 3742 en 3774 Arrest nr. 95/2006 van 14 juni 2006 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 29 juni 2005 in zake B. Lambrecht tegen P. Dheur, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 1 juli 2005, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Worden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden door artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, zo geïnterpreteerd dat het de schuldeiser, in de gevallen van verschuldigde geldsommen, verhindert de vergoeding te verkrijgen van de schade veroorzaakt door de kosten en honoraria van advocaten, terwijl een dergelijke vergoeding toegelaten blijkt voor de schuldeiser van een waardeschuld, en zulks ofschoon in de beide gevallen de tekortkoming van de schuldenaar hem verbindt ? ». b. Bij vonnis van 21 september 2005 in zake de n.v. Foret pompes funèbres en de b.v.b.a. Pirlet-Jeanty tegen N. Hydendal en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 27 september 2005, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik dezelfde prejudiciële vraag gesteld. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3742 en 3774 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de n.v. Foret pompes funèbres, waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 4432 Alleur, rue Reine Astrid 61, en de b.v.b.a. Pirlet-Jeanty, waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 4000 Luik, boulevard Fosse Crahay 62, in de zaak nr. 3774; - N. Hydendal, wonende te 4340 Awans, rue de Loncin 73, in de zaak nr. 3774; - de Ministerraad. Memories van antwoord zijn ingediend door : - de n.v. Foret pompes funèbres en de b.v.b.a. Pirlet-Jeanty; - N. Hydendal. Op de openbare terechtzitting van 22 maart 2006 : - zijn verschenen : . Mr. M. Crasson loco Mr. J.-M. Geradin, advocaten bij de balie te Luik, voor de n.v. Foret pompes funèbres en de b.v.b.a. Pirlet-Jeanty, in de zaak nr. 3774; . Mr. C. Langenaeken loco Mr. C. Muraille en Mr. F. Boden, advocaten bij de balie te Luik, voor N. Hydendal, in de zaak nr. 3774; 3 . Mr. S. Leroy loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In het raam van geschillen in verband met de betaling van geldsommen, is de verwijzende rechter, na te hebben beslist dat de hoofdvorderingen gedeeltelijk gegrond zijn, van mening dat de kosten en honoraria van een advocaat een onderdeel kunnen vormen van de door de eisende partijen geleden schade. De verwijzende rechter werpt evenwel de vraag op of, wanneer de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties niet van toepassing is, de verhaalbaarheid van de kosten en honoraria van een advocaat kan worden overwogen in de gevallen waarin het geschil betrekking heeft op een verschuldigde geldsom, aangezien artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat voor de verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een som, de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering nooit in iets anders bestaat dan in de wettelijke interest, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Overwegende dat de rechtsleer verdeeld is over de interpretatie van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek wat betreft de vraag of die bepaling al dan niet de schade beoogt die voortvloeit uit de kosten voor het innen van de schuldvordering, acht de verwijzende rechter het noodzakelijk aan het Hof de hiervoor vermelde prejudiciële vragen te stellen, teneinde die problematiek op een definitieve en zekere wijze op te lossen. III. In rechte -A- Memorie van de Ministerraad in de zaak nr. 3742 A.
- Doordat het eerste lid van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek een forfaitaire schadevergoeding vaststelt, stelt het de schuldeiser ervan vrij het bestaan en het bedrag van zijn nadeel te bewijzen, waarbij de wettelijke interest het enige bedrag vormt op basis waarvan de door de schuldeiser geleden schade kan worden geraamd. A.
- Volgens sommigen zou het arrest van het Hof van Cassatie van 2 september 2004, waarbij de verhaalbaarheid van de kosten en honoraria van een advocaat wordt aangenomen in het aansprakelijkheidscontentieux, enkel de schadevergoeding beogen die de geleden schade compenseert, hetzij als uitvoering bij equivalent, hetzij als aanvulling bij de opzegging van de overeenkomst. Het arrest zou dus niet de contractuele verplichtingen beogen die, van bij het begin, zich beperken tot de betaling van een geldsom en waarvoor de schade die voortvloeit uit de vertraging in de uitvoering enkel aanleiding kan geven tot wettelijke moratoire schadevergoeding krachtens artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek. 4 In die interpretatie van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek lijkt het verschil in behandeling tussen de schuldeisers van een verschuldigde geldsom en die van een waardeschuld, wat betreft de mogelijkheid om de terugbetaling te verkrijgen van de kosten en honoraria van een advocaat, niet redelijkerwijze te worden verantwoord. A.
- In een verzoenende interpretatie van de in het geding zijnde bepaling dekt de in artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek beoogde wettelijke schadevergoeding echter niet de kosten en honoraria van een advocaat. Aldus zou artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek enkel het herstel van de door de schuldeiser geleden schade regelen die voortvloeit uit de vertraging in de uitvoering van de geldelijke verbintenis, namelijk het nadeel dat men niet over het geld beschikte dat het voorwerp uitmaakt van die verbintenis. De schade die voortvloeit uit de betaling van de kosten en honoraria van een advocaat, die noodzakelijk zijn om zowel de niet-betaalde som als de wettelijke interest te recupereren, zou daarentegen een andere schade vormen, die niet wordt beoogd in artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, en die bijgevolg niet kan worden gedekt door de moratoire interesten. In die interpretatie verhindert artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek de schuldeiser van een verbintenis tot het betalen van een geldsom niet om via gerechtelijke weg de terugbetaling van de kosten en honoraria van een advocaat te verkrijgen, zodat het in de prejudiciële vraag aangevoerde verschil in behandeling niet langer bestaat. Memorie van de eisende partijen voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 3774 A.
- De n.v. Foret pompes funèbres en de b.v.b.a. Pirlet Jeanty brengen in herinnering dat de wetgever met de aanneming van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek de bedoeling had om de schuldeiser van een verschuldigde geldsom niet twee schadeloosstellingen te laten genieten, vermits de oorspronkelijke verbintenis om een geldsom te betalen reeds was begroot in de verbintenis op zich. A.
- Er bestaat een klaarblijkelijke discriminatie, met name ten aanzien van het beginsel van het integrale herstel van het geleden nadeel, tussen de schuldeiser van een geldsom die niet zal kunnen worden vergoed voor zijn kosten en honoraria van een advocaat, en de schuldeiser van een waardeschuld, welke die schadeloosstelling zal kunnen verkrijgen krachtens de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Indien de schuldeiser verplicht wordt een beroep te doen op de diensten van een advocaat (of op een technisch raadsman of bijkomende beheerskosten of administratieve kosten moet maken) teneinde zijn schuldvordering te recupereren, lijdt hij evenwel een schade die in oorzakelijk verband staat met de fout van de schuldenaar. De honoraria van advocaten of technische raadslieden moeten dus worden vergoed ongeacht het feit of het herstel in natura of als equivalent wordt gevorderd. Het in artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek gemaakte onderscheid tussen de schuldeisers van verschuldigde geldsommen en de schuldeisers van waardeschulden is dus niet gewettigd of relevant en is niet redelijkerwijze verantwoord, zodat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Memorie van de eerste verwerende partij voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 3774 A.
- N. Hydendal stelt vast dat artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, ten aanzien van de schuldeiser, steeds een onderscheid heeft gemaakt wat betreft de gevolgen die verbonden zijn aan de wanuitvoering van een verschuldigde geldsom of van een waardeschuld, zonder dat enige discriminatie is aangeklaagd bij het Arbitragehof. In feite vloeit de door de verwijzende rechter aangeklaagde discriminatie misschien veeleer voort uit de lering van het arrest van het Hof van Cassatie van 2 september 2004 dan uit artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, in welk geval het Arbitragehof niet bevoegd zou zijn om de prejudiciële vraag te beantwoorden. A.
- Wat betreft het aangevoerde verschil in behandeling tussen de schuldeisers van een verschuldigde geldsom en de schuldeisers van een waardeschuld, dient de eerste categorie te worden beperkt tot de schuldeisers van wie de schuldenaar een particulier is, vermits artikel 6 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de betalingsachterstand bij handelstransacties een redelijke schadeloosstelling toestaat voor alle relevante invorderingskosten ontstaan door de betalingsachterstand. 5 A.
- Wat betreft de vergelijkbaarheid onderscheiden de waardeschulden zich van de verschuldigde geldsommen, waarvoor de verplichting wordt becijferd vanaf het sluiten van de overeenkomst, zodat een gerechtelijke procedure niet noodzakelijk is om het bedrag van de schuld vast te stellen. De schuldeiser van een verschuldigde geldsom kan dus enkel lijden onder een vertraging in de uitvoering van de verbintenis, die schade veroorzaakt - namelijk dat hij niet over het kapitaal kan beschikken op de vervaldatum van de schuld – en die wordt hersteld door de toekenning van een verwijlintrest tegen het wettelijke tarief, krachtens artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek. De aard van de schuldvordering vormt dus een objectief criterium van onderscheid tussen de schuldeisers van een verschuldigde geldsom en de schuldeisers van een waardeschuld. A.
- Teneinde de prejudiciële vraag te beantwoorden, dient overigens tevens rekening te worden gehouden met artikel 1231 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het strafbeding, en met artikel 1023 van het Gerechtelijk Wetboek waarbij een contractuele verhoging van de schuldvordering louter vanwege het feit dat een rechtszaak wordt ingeleid, wordt verboden. Terwijl artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek aan de wetgever de mogelijkheid voorbehoudt om in uitzonderingen te voorzien op het eerste lid ervan, heeft de wetgever enkel gebruik gemaakt van die mogelijkheid in het raam van de handelstransacties, zonder in een soortgelijke reglementering te voorzien voor de transacties tussen een handelaar en een particulier of onder particulieren onderling. Bovendien beschikt de rechter over de bevoegdheid om de contractueel vastgestelde intrestvoet te verlagen en om het strafbeding - dat kan worden gecumuleerd met een clausule van conventionele intrest - te verminderen of te vernietigen, indien het een comminatoir karakter vertoont. Aldus heeft de wetgever, omwille van de rechtszekerheid en de bescherming van de consument, een volledig wetgevend systeem opgezet waarbij de rechten van de schuldeiser van een verschuldigde geldsom worden vergrendeld; men kan niet toestaan dat dit wettelijk systeem - met name het in artikel 1023 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde verbod om de schuldvordering te verhogen om reden van een gerechtelijke vordering - via jurisprudentiële weg wordt omzeild, zelfs indien het om een arrest van het Hof van Cassatie gaat. A.
- Ten slotte heeft het arrest van het Hof van Cassatie van 2 september 2004 zich niet uitgesproken over de weerslag van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, vermits de feitelijke situatie die aan de oorsprong ligt van het geschil, geen betrekking had op een verschuldigde geldsom. Artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek matigt evenwel het beginsel van integraal herstel vervat in artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek, zodat het absoluut niet ondenkbaar is dat het Hof van Cassatie een beslissing zou wijzen die een heel andere richting uitgaat, indien aan dat Hof het geval van een verschuldigde geldsom zou worden voorgelegd. De prejudiciële vraag dient dus ontkennend te worden beantwoord. Memorie van de Ministerraad in de zaak nr. 3774 A.
- Volgens de Ministerraad roept de in het geding zijnde bepaling, die is ingevoerd bij artikel 6 van de wet van 1 mei 1913 op het krediet der kleinhandelaars en ambachtslieden en op de interesten wegens vertraagde betaling, een verschil in behandeling in het leven tussen de verschuldigde geldsommen en de waardeschulden, dat is gebaseerd op het voorwerp van de schuldvordering. De verschuldigde geldsom heeft betrekking op een nominale som waarvan het bedrag onveranderlijk wordt vastgesteld door de overeenkomst of door de wet, zonder dat ze door de rechter moet worden geëvalueerd. De schuldenaar van een verschuldigde geldsom dient bijgevolg enkel de nominale som terug te geven, krachtens het beginsel van het monetaire nominalisme gesteld in artikel 1895 van het Burgerlijk Wetboek. De waardeschuld daarentegen heeft betrekking op een prestatie waarvan het bedrag zal moeten worden vastgesteld door de rechter op de dag van het herstel, dit wil zeggen meestal op de dag waarop hij uitspraak doet, rekening houdend inzonderheid met de weerslag van de monetaire schommelingen. Het is dus de rechter die de verplichting tot herstel omzet in een monetaire verplichting. A.
- In de interpretatie van de verwijzende rechter is het verschil tussen de schuldeisers van een waardeschuld en de schuldeisers van een verschuldigde geldsom niet verantwoord ten aanzien van het beginsel van het integrale herstel van het nadeel, rekening houdend inzonderheid met de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 1 mei 1913, die ertoe strekte « het gedwongen krediet » dat tot de ondergang leidde van de kleinhandelaars en de ambachtslieden die het slachtoffer waren van vertraagde betalingen vanwege hun schuldenaars, strafbaar te stellen. 6 Artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek strekt echter enkel ertoe de vertraging in de uitvoering en niet een foutieve wanuitvoering als dusdanig te herstellen, zodat de invorderingskosten aan dat forfaitaire herstel ontsnappen. Het door de schuldeiser geleden nadeel dat voortvloeit uit de niet-betaling op de voorziene datum, en dus uit de gedane uitgaven teneinde de verschuldigde som en de wettelijke intresten te recupereren, wordt dus niet beoogd in artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek dat, in die verzoenende interpretatie, de schuldeiser van een geldsom niet verhindert, net zoals die van een waardeschuld, de terugbetaling te verkrijgen van de kosten en honoraria van een advocaat. Memorie van antwoord van de eisende partijen voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 3774 A.
- Als antwoord op de argumentatie van de Ministerraad, verzoeken de n.v. Foret pompes funèbres en de b.v.b.a. Pirlet Jeanty het Hof in hoofdorde voor recht te zeggen dat artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt en, in ondergeschikte orde, dat artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, in die zin geïnterpreteerd dat het de schuldeiser van een verbintenis tot het betalen van een som niet verhindert het herstel te verkrijgen van de schade die voortvloeit uit de kosten en honoraria van een advocaat die noodzakelijk waren teneinde de hem verschuldigde bedragen terug te krijgen. Memorie van antwoord van de eerste verwerende partij voor de verwijzende rechter in de zaak nr. 3774 A.
- N. Hydendal is van mening dat de ingediende memories geen bijzondere opmerkingen behoeven en verwijst naar de argumentatie die zij heeft uiteengezet in haar memorie. -B- B.
- Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek dat bepaalt : « Inzake verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, bestaat de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering nooit in iets anders dan in de wettelijke interest, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Die schadevergoeding is verschuldigd zonder dat de schuldeiser enig verlies hoeft te bewijzen. Zij is verschuldigd te rekenen van de dag der aanmaning tot betaling, behalve ingeval de wet ze van rechtswege doet lopen. Indien er opzet van de schuldenaar is, kan de schadevergoeding de wettelijke interest te boven gaan. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 1907, kan de rechter, ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar, de interest die werd bedongen als schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering, verminderen, indien de bedongen interest kennelijk de ten gevolge van de vertraging geleden schade te boven gaat. In geval van herziening kan de rechter de schuldenaar niet veroordelen tot een interest die lager is dan de wettelijke interest. Ieder beding dat strijdig is met de bepalingen van dit lid wordt voor niet-geschreven gehouden ». 7 B.
- De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over een mogelijke discriminatie tussen de schuldeisers van een verschuldigde geldsom en de schuldeisers van een waardeschuld, indien men de in het geding zijnde bepaling zo interpreteert dat ze de schuldeiser van een verschuldigde geldsom verhindert de vergoeding te verkrijgen van de schade veroorzaakt door de kosten en honoraria van een advocaat, terwijl die vergoeding toegelaten wordt voor de schuldeiser van een waardeschuld, en zulks ofschoon de tekortkoming van de schuldenaar hem zowel ten aanzien van de schuldeiser van een verschuldigde geldsom als ten aanzien van een schuldeiser van een waardeschuld verbindt. B.3.
- Volgens artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst de rechter, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, in ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de gerechtskosten. Krachtens artikel 1018 omvatten die kosten onder meer de in artikel 1022 bepaalde rechtsplegings- en uitgavenvergoeding, die de vergoeding beoogt van de in het gelijk gestelde partij voor de materiële akten die in de loop van de rechtspleging worden verricht door haar advocaat. B.3.
- Het honorarium en de kosten van een advocaat behoren, volgens de wil van de wetgever, niet tot de gerechtskosten die van de in het ongelijk gestelde partij kunnen worden gevorderd. Artikel 1023 van het Gerechtelijk Wetboek staat eraan in de weg dat partijen overeenkomen dat het bedrag van de schuldvordering wordt verhoogd met het honorarium dat aan een advocaat verschuldigd is voor het voeren van een rechtspleging ter invordering van het verschuldigde bedrag (Cass., 7 april 1995, Arr. Cass., 1995, p. 390). B.3.
- Op grond van de regels van het Gerechtelijk Wetboek draagt derhalve iedere procespartij, behoudens de rechtsplegingsvergoeding, in beginsel zelf het honorarium en de kosten van haar advocaat. Enkel wanneer een procespartij haar recht om in rechte te treden uitoefent op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat (Cass., 31 oktober 2003, Pas., 2003, I, p. 1747), kan de tegenpartij een schadevergoeding verkrijgen wegens tergend of roekeloos geding. B.
- Het Hof van Cassatie heeft, in een arrest van 2 september 2004 (C.01.0186.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040902.8), dat een ommekeer in zijn rechtspraak uitmaakt, evenwel geoordeeld dat « het honorarium en de 8 kosten van een advocaat of van een technisch raadsman die de benadeelde van een contractuele fout heeft betaald, een vergoedbaar element van zijn schade kunnen vormen, in zoverre zij [een] noodzakelijk[e] karakter vertonen ». B.
- De verwijzende rechter, die zich aansluit bij die interpretatie, stelt vast dat artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek eraan in de weg staat dat de in B.4 beschreven oplossing wordt uitgebreid tot de verbintenissen « die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom », vermits voor die verbintenissen « de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering nooit in iets anders bestaat dan in de wettelijke interest, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen ». Hij verzoekt het Hof, om inzake contractuele aansprakelijkheid, de situatie van de schuldeiser van een verschuldigde geldsom te vergelijken met die van een schuldeiser van een waardeschuld wat betreft de mogelijkheid om de verhaalbaarheid van de kosten en honoraria van een advocaat te verkrijgen. B.
- De verschuldigde geldsommen zijn verbintenissen die betrekking hebben op de betaling van een geldsom die ab initio wordt vastgesteld of kan worden vastgesteld in de overeenkomst of in de wet, terwijl de waardeschulden verbintenissen zijn die betrekking hebben op een prestatie waarvan het bedrag niet ab initio wordt vastgesteld maar door de rechter moet worden geraamd. B.7.
- In geval van niet-betaling van een verschuldigde geldsom, stelt artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek forfaitair het bedrag vast van de schadevergoeding die voortvloeit uit de vertraging in de uitvoering van een verbintenis tot het betalen van een geldsom (de « moratoire » schadevergoeding), door dit bedrag enkel op de wettelijke interesten vast te stellen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. B.7.
- In geval van niet-betaling van een waardeschuld, zal de rechter op grond van de artikelen 1149 tot 1151 van het Burgerlijk Wetboek en rekening houdend inzonderheid met het beginsel van het integraal herstel van het nadeel, het bedrag van de verschuldigde prestatie (de « compensatoire » schadevergoeding) moeten vaststellen, door de waarde van het verschuldigde in geld te ramen « aan de hand van de wettelijk ingestelde munteenheid op het ogenblik waarop uitspraak wordt gedaan » (Cass., 26 februari 1931, Pas., 1931, I, p. 94). 9 B.7.
- Nadat de rechter het integrale herstel heeft geraamd van de schade die, volgens de in B.4 vermelde rechtspraak, het bedrag zal bevatten van de kosten en honoraria van een advocaat, in zoverre zij een noodzakelijk karakter vertonen, zet hij de waardeschuld om in een verschuldigde geldsom, waarop vervolgens artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek kan worden toegepast. B.7.
- Het onderscheid tussen verschuldigde geldsommen en waardeschulden maakt het dus mogelijk de toepassingssfeer af te bakenen van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek, vermits, onder het in B.7.3 vermelde voorbehoud, artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is op waardeschulden, maar enkel op geldschulden (Cass., 28 september 1995, Pas., 1995, I, p. 860). B.
- De forfaitaire wijze van schadevergoeding bepaald in artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek beantwoordt aan de praktische noodzaak om de moeilijkheden te verhelpen bij het ramen van de schade die voortvloeit uit een vertraging in de betaling van een som, rekening houdend met inzonderheid de munterosie of met het mogelijke door de schuldeiser geleden verlies omwille van de bestemming die hij aan de verschuldigde geldsom had kunnen geven, wanneer er geen vertraging was vanwege de schuldenaar. Dat forfaitair bedrag stelt aldus de schuldeiser ervan vrij zijn schade te bewijzen, vermits de schadevergoeding verschuldigd is « zonder dat de schuldeiser enig verlies hoeft te bewijzen ». Bovendien heeft dat forfait een suppletief karakter en wordt het slechts toegepast bij ontstentenis van een andersluidend beding in de overeenkomst. B.
- Dat forfait is echter enkel van toepassing indien de wet niet heeft voorzien in een uitzondering, zoals wordt gepreciseerd in artikel 1153, eerste lid, in fine. B.
- De wetgever heeft voorzien in een uitzondering op het forfait van artikel 1153 door de toelaatbaarheid aan te nemen van het strafbeding dat, luidens artikel 1226 van het Burgerlijk Wetboek « een beding [is] waarbij een persoon zich voor het geval van niet-uitvoering van de overeenkomst verbindt tot betaling van een forfaitaire vergoeding van de schade die kan worden geleden ten gevolge van de niet-uitvoering van de overeenkomst ». Hij heeft bovendien aan de rechter een bevoegdheid tot herziening toegekend binnen de in artikel 1231 van het Burgerlijk 10 Wetboek beschreven perken. Die bepalingen zijn van toepassing op de verschuldigde geldsommen en de waardeschulden. B.
- De wetgever heeft met de aanneming van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, in een andere uitzondering voorzien. Artikel 6 van die wet staat, binnen de bij artikel 2 afgebakende toepassingssfeer van de wet, de schuldeiser onder bepaalde voorwaarden en beperkingen toe van de schuldenaar « alle relevante invorderingslasten ontstaan door de betalingsachterstand » te vorderen. De parlementaire voorbereiding in verband met die bepaling vermeldt : « Wat betreft de kosten en erelonen van de advocaat van de schuldeiser kan worden verduidelijkt dat hiervoor, net zoals voor andere kosten, de rechter soeverein beoordeelt of en in welke mate deze tot de vergoedbare schade behoren » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1827/001, p. 11). De Minister van Justitie heeft gepreciseerd : « Het lichten van de rechtsplegingsvergoeding uit het ontwerp, is te wijten aan het feit dat wordt bepaald dat de totaliteit van de advocatenkosten kan worden teruggevorderd. Deze kosten bevatten ook de rechtsplegingsvergoeding, die de kosten betreffen van de materiële akten van de advocaat. Men moet voorkomen dat de rechtsplegingsvergoeding dubbel zou worden gerecupereerd » (Parl. St., Senaat, 2001-2002, nr. 2-1232/2, p. 12). De parlementaire voorbereiding geeft nog aan dat die wet « in belangrijke mate [afwijkt] van de algemene regels opgenomen in artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek » (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1827/005, p. 7 en Parl. St., Senaat, 2001-2002, nr. 2-1232/2, p. 5). B.
- De in B.10 en B.11 vermelde bepalingen zijn niet van toepassing op de voor de verwijzende rechter hangende geschillen en die leidt daaruit af dat artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek hem verbiedt het herstel toe te kennen van de schade ingevolge de kosten en honoraria van een advocaat, waardoor het verschil in behandeling ontstaat dat in de aan het Hof gestelde vragen wordt aangeklaagd. 11 B.
- Dat verschil in behandeling is niet te wijten aan het systeem van het forfait waarin werd voorzien in artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek in een tijdperk waarin noch de wet, noch de rechtspraak het beginsel van de verhaalbaarheid van de kosten en honoraria van een advocaat aannamen. Dat verschil vloeit voort uit het feit dat, sinds het arrest van het Hof van Cassatie van 2 september 2004, de wetgever niet heeft voorzien in de verhaalbaarheid van de kosten en honoraria van een advocaat, wat het mogelijk had gemaakt de verschillen in behandeling te vermijden waartoe de toepassing van de nieuwe rechtspraak enkel op waardeschulden, kan leiden. B.
- Het staat aan de wetgever om te oordelen hoe en in welke mate de verhaalbaarheid van de kosten en honoraria van een advocaat moet worden georganiseerd. Het Hof kan, inzake de verschuldigde geldsommen van contractuele oorsprong, niet het in artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde forfait veroordelen, zonder een andere discriminatie in het leven te roepen ten nadele van de partijen op wie artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is en die zich niet kunnen beroepen op de in het arrest van het Hof van Cassatie van 2 september 2004 verankerde beginselen. Het antwoord op de aan het Hof gestelde vragen kan slechts worden gevonden in een algehele oplossing waarin enkel de wetgever kan voorzien met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- Uit wat voorafgaat vloeit voort dat het in de prejudiciële vragen aangeklaagde verschil in behandeling zijn oorsprong niet vindt in artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek zodat die vragen ontkennend dienen te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 14 juni
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.095 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040902.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div