id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.099 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060614.1 Arrest- Rolnummer: 99/2006;3811 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-08-29 Raadplegingen: 203 - laatst gezien 2026-06-30 14:59 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 34, ,§ 2, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 34, ,§ 2, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Dinant. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 10-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994027116 Grondwet 1994 - 10-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994027116 Wet - 25-06-1992 - 34,§2 - 32 ELI link Pub nr 1992011257 Tekst van de beslissing Rolnummer 3811 Arrest nr. 99/2006 van 14 juni 2006 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 34, § 2, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Dinant. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 16 november 2005 in zake B. Masson tegen de n.v. Axa Royale Belge, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 18 november 2005, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Dinant de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 34, § 2, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de rechtstreekse vordering van het slachtoffer tegen de verzekeraar inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de buitencontractuele fout die zijn schade heeft veroorzaakt, verjaart na verloop van vijf jaar te rekenen vanaf het schadeverwekkende feit, of, indien het om een misdrijf gaat, vanaf de dag waarop dat is gepleegd, of vanaf de dag waarop het slachtoffer kennis heeft gekregen van zijn recht ten aanzien van de verzekeraar, zonder dat de termijn, in dat laatste geval, meer mag bedragen dat tien jaar te rekenen vanaf het schadeverwekkende feit, terwijl, volgens artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, de vordering van het slachtoffer tegen de schadeverwekker verjaart na een termijn van hoogstens twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop de schade zich heeft voorgedaan ? ». Memories zijn ingediend door : - B. Masson, wonende te 5660 Couvin, rue de Lisbonne 7; - de n.v. Axa Belgium (voorheen n.v. Axa Royale Belge), waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1170 Brussel, Vorstlaan 25; - de Ministerraad. B. Masson en de n.v. Axa Belgium hebben memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 26 april 2006 : - zijn verschenen : . Mr. B. Castaigne, advocaat bij de balie te Dinant, voor B. Masson; . Mr. L. Schuermans, advocaat bij de balie te Turnhout, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil B. Masson, die op 4 februari 1989 het slachtoffer is geweest van een verkeersongeval veroorzaakt door een paard, heeft op 7 april 1993 en 11 februari 2000 van de Rechtbank van eerste aanleg te Dinant verkregen dat A. Slachmuylders, die voor het ongeval verantwoordelijk is geacht, ertoe werd veroordeeld hem de bedragen van 241.125 frank en 408.374 frank te betalen. De vordering tot vrijwaring die A. Slachmuylders had gericht aan zijn verzekeraar, de n.v. Axa Royale Belge, werd onontvankelijk verklaard, terwijl de eerstgenoemde volkomen insolvabel bleek. Op 6 maart 2001 heeft B. Masson de n.v. Axa Royale Belge (thans de n.v. Axa Belgium) voor de verwijzende rechter gedagvaard om een schadevergoeding voor het geleden nadeel te verkrijgen. De verwijzende rechter is van mening dat het geschil wordt geregeld bij de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en stelt vast dat artikel 86 ervan het slachtoffer een rechtstreeks vorderingsrecht toekent tegen de verzekeraar van de schadeverwekker, maar dat artikel 34, § 2, van dezelfde wet die vordering onderwerpt aan een verjaringstermijn van vijf jaar, termijn die onder sommige voorwaarden tien jaar wordt. Indien er een strafbaar feit is gepleegd (wat volgens de verwijzende rechter te dezen het geval is), begint de verjaringstermijn te lopen vanaf het ogenblik waarop het misdrijf is gepleegd. De verwijzende rechter stelt overigens vast dat, sinds de wet van 10 juni 1998, artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, dat voorziet in een termijn van vijf jaar voor de rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid te rekenen vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde ervan kennis heeft gekregen, in zijn derde lid bepaalt dat die rechtsvordering in ieder geval verjaart door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het schadeverwekkende feit zich heeft voorgedaan. Hij merkt op dat de wet van 10 juni 1998 is aangenomen naar aanleiding van het arrest nr. 25/95 van het Arbitragehof, dat heeft geoordeeld dat de redenen om in strafzaken in bijzondere verjaringstermijnen te voorzien, niet verantwoordden dat de burgerlijke rechtsvordering tot vergoeding van de door die feiten teweeggebrachte schade na vijf jaar verjaart, ongeacht de aanpassingen die door de wet en de rechtspraak werden aangebracht, terwijl de vergoeding van de schade teweeggebracht door een burgerlijke fout, die minder zwaar is dan een fout die de wetgever als strafbaar heeft aangemerkt, gedurende dertig jaar kan worden gevorderd. Hij merkt ook op dat in het arrest nr. 98/2003 is geoordeeld dat artikel 11 van de wet van 10 juni 1998 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schond in zoverre het, bij wijze van overgangsmaatregel, tot gevolg heeft dat artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek en de verjaringstermijn van dertig jaar ervan van toepassing blijven op de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf die, hoewel het verjaard is, op het ogenblik van de inwerkingtreding van de nieuwe wet niet het voorwerp is geweest van een in kracht van gewijsde gegane beslissing. Ten slotte merkt hij op dat de rechtspraak, waarbij hij verwijst naar het arrest van 1995, de termijn van dertig jaar op de burgerlijke rechtsvorderingen toepast. Hij leidt hieruit een ongelijkheid af tussen die elementen en de korte verjaringstermijn van vijf jaar bedoeld in artikel 34, § 2, van de wet van 25 juni 1992 en stelt, in de door B. Masson voorgestelde bewoordingen, de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof. 4 III. In rechte -A- Ten aanzien van de prejudiciële vraag A.
- De Ministerraad stelt voor de prejudiciële vraag te herformuleren om aan te geven dat niet artikel 34, § 2, maar artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst de rechtstreekse rechtsvordering invoert waarnaar in de vraag wordt verwezen, en om erop te wijzen dat de termijn van twintig jaar bedoeld in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek niet begint te lopen vanaf de dag volgend op die waarop de schade zich heeft voorgedaan, maar vanaf de dag volgend op die van het schadeverwekkende feit. Ten gronde A.2.
- B. Masson, eiser voor de verwijzende rechter, zet de regels uiteen die zijn vervat in de artikelen 34, § 2, en 86 van de wet van 25 juni
- Hij merkt op dat, ten aanzien van het strafbaar feit dat de schade heeft veroorzaakt waarop de schadeloosstelling betrekking heeft, artikel 34, § 2, niet preciseert of het gaat om een strafbaar feit dat door de strafrechter wordt bestraft dan wel of de rechter in burgerlijke zaken het al dan niet strafbare karakter van het aan hem voorgelegde gedrag moet kwalificeren. Hij herinnert tevens aan artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek en aan het arrest nr. 25/95 van het Hof en is van mening dat de wijziging, naar aanleiding van dat arrest, van de verjaringstermijn bedoeld in het voormelde artikel 2262bis had moeten leiden tot de wijziging van de termijn van vijf jaar waarin artikel 34, § 2, van de in het geding zijnde wet voorziet. Daar een dergelijke wijziging niet heeft plaatsgehad, bestaat er een discriminatie tussen het slachtoffer dat optreedt tegen de persoon die voor de schade aansprakelijk is, waarvoor het beschikt over een maximumtermijn van twintig jaar vanaf de dag volgend op die van het schadeverwekkende feit, en het slachtoffer dat optreedt tegen de verzekeraar inzake burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de schadeverwekker, wiens vordering verjaart na vijf jaar vanaf het schadeverwekkende feit of, indien een strafbaar feit is gepleegd, vanaf de dag waarop het is gepleegd, of vanaf de dag waarop het slachtoffer kennis heeft gekregen van zijn recht ten aanzien van de verzekeraar, zonder dat die termijn, in dat laatste geval, meer mag bedragen dat tien jaar te rekenen vanaf het schadeverwekkende feit. A.2.
- In zijn memorie van antwoord voegt B. Masson eraan toe dat de schade dateert van vóór de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 1992 en bijgevolg van vóór de invoering van het eigen recht van het slachtoffer tegen de verzekeraar; de wet van 11 juni 1874 voorzag niet in iets dergelijks. De n.v. Axa Belgium (die in de rechten treedt van De Luikse Verzekering) die zich achter de schadeverwerker heeft gesteld en hem derhalve moest verzekeren, heeft voor hem een verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd (7 april 1993) en is vrijwillig tussengekomen (5 april 1994) om zich achter haar verzekerde te stellen wat het beginsel van diens aansprakelijkheid betreft, en te ontkennen dat haar vrijwaring verworven was. Bij een arrest van 6 oktober 2000 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de bij de wet van 25 juni 1992 ingevoerde rechtstreekse rechtsvordering ook van toepassing was op de schadegevallen die zich hebben voorgedaan vóór de inwerkingtreding ervan (1 januari 1993), in tegenstelling tot een brede stroming in de rechtspraak. B. Masson is zijn vordering dus blijven richten tegen alleen de schadeverwekker en heeft, doordat die persoon insolvabel was, de n.v. Axa Belgium laten dagvaarden bij exploot van 6 maart
- A.3.
- De n.v. Axa Belgium is van mening dat de regels die zijn vastgelegd in de twee in de prejudiciële vraag beoogde bepalingen geen twee categorieën van slachtoffers invoeren die verschillende rechten zouden hebben. Alle slachtoffers van een quasidelictuele fout hebben het recht een schadevergoeding te eisen van de aansprakelijke (artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek) en van de verzekeraar van de quasidelictuele burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de voormelde aansprakelijke (artikel 86 van de wet van 25 juni 1992). De slachtoffers behoren dus tot eenzelfde categorie van personen die beschikken over twee onderscheiden rechtsvorderingen, die aan onderscheiden voorwaarden beantwoorden. Het verschil in situatie vloeit dus niet voort uit de wet zelf, maar uit de wijze waarop die rechtsvorderingen worden uitgevoerd. Te dezen is het de eiser voor de verwijzende rechter die ervoor heeft gekozen om niet tegen de verzekeraar op te treden. 5 Het verschil met betrekking tot de verjaringsregels (die alleen het aanvangspunt van de termijnen, de schorsing en stuiting ervan betreffen) is verantwoord omdat het precies gaat om twee rechtsvorderingen die elkaar niet vervangen, maar aan elkaar worden toegevoegd. Het enige verschil in behandeling dat hieruit zou kunnen voortvloeien, zou bestaan tussen de aansprakelijke voor het ongeval en diens verzekeraar, maar dat verschil is verantwoord door het verschil tussen de situaties waarin de ene en de andere zich bevinden en komt in de vraag overigens niet aan bod. A.3.
- De n.v. Axa Belgium voegt eraan toe dat het arrest nr. 25/95 betrekking had op een verschil in behandeling onder slachtoffers en niet onder rechtsvorderingen. De eiser voor de verwijzende rechter vergelijkt de situatie van het slachtoffer dat optreedt tegen de aansprakelijke, met die van het slachtoffer dat tegen diens verzekeraar optreedt, maar het Hof zal vaststellen dat het om hetzelfde slachtoffer gaat en dat er dus geen sprake is van discriminatie als gevolg van de conceptie van twee of meer categorieën van personen. Het gebrek aan logica, op het vlak van de berekeningswijze van de verjaringstermijnen, dat door de eiser voor de verwijzende rechter wordt aangeklaagd, is een vraag die niet onder de bevoegdheid van het Hof valt. A.3.
- De n.v. Axa Belgium geeft in haar antwoord op de memorie van de eiser voor de verwijzende rechter toe dat de vroegere wet op de verzekeringen (11 juni 1874) niet voorzag in een rechtstreekse vordering, maar een koninklijk besluit van 12 januari 1984 (opgeheven bij de inwerkingtreding van de in het geding zijnde wet) voorzag in een vordering krachtens een beding ten behoeve van een derde (artikel 7) in het kader van de waarborg die wordt verleend in de polissen betreffende de familiale burgerrechtelijke aansprakelijkheid. A.4.
- De Ministerraad, wiens analyse door de n.v. Axa Belgium wordt gedeeld, verwijst naar de arresten nrs. 3/91, 7/91 en 120/99 en voert aan dat het verschil in behandeling niet bestaat, omdat de in het geding zijnde bepalingen dezelfde personen beogen, namelijk diegenen die schade lijden waarvoor een derde aansprakelijk is geacht. Het eigen recht dat wordt ingevoerd bij artikel 86 van de wet van 25 juni 1992 (en waarvan het procedurele gevolg - het rechtstreekse vorderingsrecht - niet wordt geregeld bij artikel 34, noch bij artikel 86 van die wet) maakt geen enkel onderscheid op grond van de aard van de in het geding zijnde aansprakelijkheden en is rechtmatig onderworpen aan de beperkingen bepaald in de artikelen 86, derde lid, 87, § 1, eerste lid, en § 2, eerste lid, van de voormelde wet. Het heeft niet tot gevolg dat de aansprakelijkheidsverzekeraar zich in de plaats stelt van de aansprakelijke voor de schade, en het slachtoffer behoudt al zijn rechten ten aanzien van de laatstgenoemde, beoogd in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek. A.4.
- De Ministerraad voert ook aan dat de situaties bedoeld in het voormelde artikel 34, § 2, en in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek niet vergelijkbaar noch analoog zijn; artikel 2262bis handelt over het vermoeden inzake buitencontractuele aansprakelijkheid, terwijl artikel 86 geen enkele aansprakelijkheid ten laste van een verzekeraar instelt, de soort van aansprakelijkheid niet bepaalt en alleen tot doel heeft de benadeelde te steunen. A.4.
- Hij voert aan dat het onderscheid tussen de termijnen waarin het voormelde artikel 2262bis en artikel 34, § 2, van de wet van 25 juni 1992 voorzien, redelijk en verantwoord is, in zoverre het voortvloeit uit de aard zelf van die bepalingen; bovendien is de termijn van vijf jaar waarin in het tweede geval is voorzien, verantwoord door het van het gemeen recht afwijkende karakter van de toekenning van een eigen recht, door de moeilijkheden in verband met het bewijs van de feiten die de benadeelde aanvoert ter ondersteuning van zijn rechtsvordering tegen de verzekeraar na een termijn van vijf jaar, door de bijzondere aandacht van de wetgever voor de verlenging van de termijn (tien jaar), door de verplichtingen ten aanzien van de verzekeraar inzake de vorming van reserves en technische voorzieningen en door de beperkingen die de internationale herverzekeringsmarkt oplegt. Mocht het Hof van oordeel zijn dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te dezen van toepassing zijn (quod non), dan nog houdt het in het geding zijnde verschil in behandeling geen enkele schending van die bepalingen in. A.5.
- In zijn memorie van antwoord voert B. Masson aan dat er twee categorieën van slachtoffers zijn : diegenen die optreden tegen de aansprakelijke voor de schade (die niet noodzakelijk verzekerd is, maar insolvabel kan zijn) en diegenen die optreden tegen diens verzekeraar (die bepaalde excepties aan het slachtoffer kan tegenwerpen). Zij handelen altijd met het oog op het verkrijgen van een schadevergoeding. De invoering van het eigen recht beantwoordt aan de zorg om de benadeelde een solvabele partner te geven, zonder dat een initiatief van de verzekerde vereist is, terwijl dat vroeger wel het geval was (onder voorbehoud van de rechtspraak die de rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar aanvaardde 6 indien de eerstgenoemde tegelijk de aansprakelijke dagvaardde of indien hij diens veroordeling reeds had verkregen). Het arrest nr. 25/95 van het Hof heeft het verschil in behandeling onder de slachtoffers in geval van buitencontractuele aansprakelijkheid (intussen afgeschaft bij de wet van 10 juni 1998) afgekeurd, maar het verschil in behandeling tussen die personen en de slachtoffers die optreden tegen de verzekeraar, dat bestaat sinds de wet van 25 juni 1992, is blijven bestaan en wordt versterkt door de overgangsbepalingen van de artikelen 10 en 12 van de wet van 10 juni 1998, op grond waarvan de rechtsvordering van de eiser voor de verwijzende rechter niet zou zijn verjaard indien de beslissing inzake de aansprakelijkheid van de schadeverwerker na de inwerkingtreding van die wet (27 juli 1998) zou zijn genomen. A.5.
- B. Masson voert ook aan dat een wet van 22 augustus 2002 met name de in het geding zijnde wet heeft gewijzigd om, in artikel 35, § 3bis, een bepaling op te nemen die tot dan toe alleen bestond in artikel 15, § 3, van de wet van 21 november 1989 inzake de motorrijtuigverzekering teneinde erin te voorzien dat de stuiting of de schorsing van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen een verzekerde de stuiting of de schorsing van zijn rechtsvordering tegen de verzekeraar tot gevolg heeft. De stuiting of de schorsing van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen de verzekeraar heeft de stuiting of de schorsing van zijn rechtsvordering tegen de verzekerden tot gevolg. Die bepaling weerspiegelt de wil van de wetgever om de verjaringstermijn van de rechtsvordering tegen de verzekeraar af te stemmen op die van de rechtsvordering tegen de verzekerde. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 augustus 2002 blijkt evenzo dat de wetgever, door artikel 15, § 3, van de wet van 21 november 1989 (dat de eisen om te beslissen over het voorbehoud dat door een in kracht van gewijsde gegane eindbeslissing in aanmerking is genomen, onderwerpt aan een verjaringstermijn van dertig jaar) op te heffen, heeft opgemerkt dat die bepaling soortgelijk was aan die in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek (algemene regel die van toepassing is zolang de wet op de verzekeringen daarvan niet afwijkt) en dus heeft beschouwd dat de rechtsvordering van het slachtoffer tegen de verzekeraar vergelijkbaar was met een rechtsvordering tot vergoeding van de geleden schade. Het is dus niet verantwoord die verschillend te behandelen. -B- B.
- Artikel 34, § 2, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt : « Onder voorbehoud van bijzondere wettelijke bepalingen, verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86 door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd. Indien de benadeelde evenwel bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar hij verstrijkt in elk geval na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd ». B.
- Artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « §
- Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar. In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon. 7 De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan. §
- Indien een in kracht van gewijsde gegane beslissing over een vordering tot vergoeding van schade enig voorbehoud heeft erkend, dan is de eis die strekt om over het voorwerp van dat voorbehoud vonnis te doen wijzen, ontvankelijk gedurende twintig jaar na de uitspraak ». B.
- Uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag en de motivering van het verwijzende vonnis blijkt dat het Hof wordt gevraagd of artikel 34, § 2, van de voormelde wet van 25 juni 1992 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het een verschil in behandeling zou invoeren tussen de slachtoffers van bij die wet gedekte schade die met het oog op het verkrijgen van een schadevergoeding een eigen recht tegen de verzekeraar uitoefenen, en de slachtoffers van schade die voortvloeit uit een buitencontractuele fout die een rechtsvordering tot vergoeding van schade instellen tegen de persoon die de fout heeft begaan : terwijl de rechtsvordering van de eerstgenoemden, op grond van het voormelde artikel 34, § 2, is onderworpen aan een verjaringstermijn van vijf jaar of, indien het slachtoffer het bestaan van het eigen recht op het ogenblik van het schadeverwekkende feit of het misdrijf niet kende, aan een maximumtermijn van tien jaar te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of vanaf de dag waarop het misdrijf is gepleegd, is de rechtsvordering van de laatstgenoemden, op grond van artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek, onderworpen aan een verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de in het tweede lid van die bepaling gedefinieerde dag en in elk geval aan een maximumtermijn van twintig jaar vanaf de dag volgend op die van het schadeverwekkende feit. In de motivering van het verwijzende vonnis wordt aangegeven dat de verwijzende rechter in het bijzonder de tienjarige verjaring bepaald in artikel 34, § 2, tweede lid, van de wet van 25 juni 1992 en de termijn van twintig jaar bepaald in artikel 2262bis, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek beoogt. In die motivering wordt eveneens opgemerkt dat de rechtspraak, ten aanzien daarvan en bij wijze van overgangsmaatregel, aanvaardt dat de burgerlijke rechtsvordering die voortvloeit uit een misdrijf dat, hoewel het verjaard is, op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een in kracht van gewijsde gegane beslissing, onderworpen blijft aan de vroegere termijn bepaald in het 8 Burgerlijk Wetboek (dertigjarige verjaring, voormalig artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek). B.
- In tegenstelling tot wat de Ministerraad voorhoudt, vormen de in B.3 gedefinieerde categorieën van personen vergelijkbare categorieën, vermits het in beide gevallen gaat om personen die worden geconfronteerd met verjaringstermijnen betreffende rechtsvorderingen die als gevolg van schadeverwekkende feiten zijn ontstaan. B.
- Bij de totstandkoming van artikel 34 van de wet van 25 juni 1992 heeft de wetgever op het volgende gewezen : « Paragraaf 2 betreft de verjaring van de vordering die voorvloeit uit een eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar. Het principe van de vijfjaarlijkse verjaringstermijn werd behouden, onder voorbehoud van de toepassing van afwijkende termijnen zoals voorzien in bijzondere wetten. Het ontwerp voert het beginsel in dat de verjaring niet loopt tegen wie zijn recht tegen de verzekeraar niet kent » (Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1586/1, p. 36). B.
- Zowel artikel 34, § 2, van de wet van 25 juni 1992 als artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek stellen het beginsel van een vijfjarige verjaring in. Alleen indien de benadeelde (door een burgerlijke fout of door een strafbaar feit) bedoeld in artikel 34bis het bestaan van zijn eigen recht ten aanzien van de verzekerde niet kende, wordt de maximale verjaringstermijn gebracht op tien jaar, terwijl artikel 2262bis voorziet in een maximumtermijn van twintig jaar. B.
- Hoewel het juist is dat artikel 34, § 2, tot gevolg heeft dat de situatie van een persoon die als gevolg van een fout schade heeft geleden, op het vlak van de verjaringstermijn minder gunstig is wanneer die persoon het eigen recht aanwendt dat hij tegen de verzekeraar kan uitoefenen, dan wanneer hij de aansprakelijkheidsvordering tegen de schadeverwekker instelt, vloeit hieruit niet voort dat de in het geding zijnde bepaling strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Enerzijds, omdat de tienjarige verjaring waarin die bepaling voorziet, van toepassing is op de uitoefening van het eigen recht tegen de verzekeraar wanneer de verzekerde aansprakelijk is voor zowel een buitencontractuele burgerlijke fout als een strafbaar feit; 9 hieruit volgt dat artikel 34, § 2, een regel instelt die zonder onderscheid van toepassing is op de slachtoffers van een strafbaar feit en de slachtoffers van een burgerlijke fout. Anderzijds, omdat de rechtsvorderingen bedoeld in artikel 34, § 2, rechtsvorderingen zijn tegen de verzekeraar van de aansprakelijke voor de schade, terwijl diegene die bedoeld zijn in artikel 2262bis worden gericht tegen de aansprakelijke zelf. De wetgever vermocht redelijkerwijs ervan uit te gaan dat het voorwerp van die vorderingen verschillend was en derhalve niet vereiste dat zij aan identieke verjaringstermijnen zouden worden onderworpen. Hij vermocht in dat opzicht ervan uit te gaan dat het niet nodig was het slachtoffer in staat te stellen een eigen recht uit te oefenen dat de wet hem toekent tegen de verzekeraar gedurende een periode die even lang is als die waarin het slachtoffer een aansprakelijkheidsvordering kan instellen die de fout van de verzekerde voor hem doet ontstaan. Het gegeven dat de bepalingen van de wet van 22 augustus 2002 « houdende diverse bepalingen betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen » zouden aangeven dat de wetgever, inzake de schorsing en de stuiting van de verjaring en inzake de verjaring van de vorderingen die ertoe strekken over een voorbehoud uitspraak te doen, aan de rechtsvorderingen tegen de schadeverwekker en aan die tegen de verzekeraar een soortgelijke behandeling zou hebben willen voorbehouden, houdt niet in dat vroegere bepalingen, die een verschillend voorwerp hebben en de in het geding zijnde rechtsvorderingen verschillend behandelen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden schenden. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 34, § 2, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en in het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 14 juni
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.099 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div