← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.101

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.101 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060621.2 Arrest- Rolnummer: 101/2006;3701 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-08-29 Raadplegingen: 220 - laatst gezien 2026-06-30 13:05 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 700 en 861 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de rechtsvordering die personen bij een verzoekschrift instellen in een geval waarbij de wet die vorm van rechtsingang niet uitdrukkelijk toestaat, onontvankelijk is, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 700 en 861 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 700 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 861 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3701 Arrest nr. 101/2006 van 21 juni 2006 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 700 en 861 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 28 april 2005 in zake het openbaar centrum voor maatschappelijke welzijn van Sint-Joost-ten-Node tegen het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV), waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 11 mei 2005, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :

  1. « Schenden de artikelen 700 en 861 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de rechtsvordering die personen bij verzoekschrift instellen in een geval waarbij de wet die vorm van rechtsingang niet uitdrukkelijk toestaat, onontvankelijk is, zelfs indien de onregelmatigheid de verwerende partij geenszins heeft benadeeld, terwijl de vordering die personen instellen door middel van een dagvaarding die door een vormgebrek is aangetast, alleen onontvankelijk wordt verklaard indien de onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die deze opwerpt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? »;
  2. « Schendt artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de rechtsvordering die personen bij verzoekschrift instellen in een geval waarbij de wet die vorm van rechtsingang niet uitdrukkelijk toestaat, onontvankelijk is, zonder dat die personen hun vordering opnieuw kunnen instellen binnen een nieuwe termijn, terwijl personen die een vordering instellen door middel van een akte van rechtsingang die wegens schending van de wet op het gebruik der talen nietig is verklaard, met toepassing van artikel 40, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 een nieuwe termijn genieten om hun vordering opnieuw in te stellen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». Memories zijn ingediend door : - het openbaar centrum voor maatschappelijke welzijn van Sint-Joost-ten-Node, waarvan de kantoren zijn gevestigd te 1210 Brussel, Verbiststraat 88; - de Ministerraad. De Ministerraad heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 1 maart 2006 : - zijn verschenen : . Mr. M. Krings, advocaat bij de balie te Brussel, voor het openbaar centrum voor maatschappelijke welzijn van Sint-Joost-ten-Node; . Mr. G. Uyttendaele loco Mr. D. Gérard en Mr. M. Mareschal, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het O.C.M.W. van Sint-Joost-ten-Node vraagt de Arbeidsrechtbank te Brussel de beslissing te vernietigen die het RIZIV op 2 december 2003 heeft genomen betreffende de eindafrekening 2001 in het kader van de financiering van de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan. Het RIZIV voert de onontvankelijkheid van het beroep aan. Het is van menging dat beroep bij dagvaarding had moeten worden ingesteld. De vordering bij verzoekschrift zou zijn ingesteld met schending van artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek, dat, volgens het RIZIV, « onder de rechterlijke organisatie ressorteert », zodat het verzoekschrift onontvankelijk zou moeten worden verklaard, los van de ontstentenis van een geleden nadeel. Bij vonnis van 26 november 2004 stelt de Rechtbank vast dat de vordering van het O.C.M.W. van Sint- Joost-ten-Node bij dagvaarding en niet bij verzoekschrift moest worden ingediend. Zij merkt evenwel op dat, indien het beroep om die redenen onontvankelijk zou worden verklaard, dit het O.C.M.W. definitief het recht zou ontnemen om van het RIZIV sommige financiële tegemoetkomingen te eisen in het kader van de financiering van de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan voor het jaar
  3. De Arbeidsrechtbank te Brussel stelt zich vragen bij het verschil in behandeling dat ten aanzien van de sanctieregeling bestaat tussen de eiser die zijn vordering bij verzoekschrift instelt terwijl dat bij dagvaarding had moeten gebeuren, en diegene die zijn vordering instelt door middel van een dagvaarding die door nietigheid is aangetast of die is opgesteld met schending van de wet op het gebruik der talen. Na de heropening van de debatten te hebben bevolen en de opmerkingen van de partijen te hebben gehoord over de vraag of het opportuun is het Hof te ondervragen, beslist de Rechtbank twee prejudiciële vragen aan het Hof te stellen. III. In rechte -A– Memorie van de Ministerraad A.1.
  4. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag wijst de Ministerraad erop dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de vormregels, waarvan de niet-naleving door de rechter kan worden bestraft met toepassing van de artikelen 860 tot 867 van het Gerechtelijk Wetboek, en de grondregels, waarvan de niet-naleving ontsnapt aan het toepassingsgebied van die artikelen. Uit de artikelen 700 en 1034bis van het Gerechtelijk Wetboek zou blijken dat een hoofdvordering alleen bij dagvaarding kan worden ingesteld en dat elke afwijking van dat beginsel door een bijzondere tekst moet worden bepaald. De Ministerraad merkt op dat het Hof van Cassatie, bij een arrest van 27 mei 1994, heeft geoordeeld dat artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek een regel van rechterlijke organisatie zou zijn. Het gebruik van het verzoekschrift buiten de bij de wet bepaalde gevallen leidt bijgevolg tot de onontvankelijkheid van de vordering, zelfs indien geen teksten de sanctie voorschrijven. Een cassatiearrest van 30 oktober 1997 zou die rechtspraak hebben bevestigd. De Ministerraad voert aan dat de eerste prejudiciële vraag erop neerkomt het Hof te ondervragen over de omvang van het toepassingsgebied van de nietigheidsleer zoals het uit artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek voortvloeit. De vraag beoogt echter alleen de artikelen 700 en 861 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij zou dus zonder voorwerp zijn. 4 A.1.
  5. In ondergeschikte orde voegt de Ministerraad eraan toe dat, indien het Hof zijn toetsing zou uitbreiden tot artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek, zou moeten worden vastgesteld dat het in het geding zijnde verschil in behandeling in overeenstemming is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Terwijl de artikelen 860 tot 867 van het Gerechtelijk Wetboek betrekking hebben op de vorm van de proceshandelingen, vestigt artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek aldus een grondregel. Het verschil in behandeling zou bijgevolg op een objectief criterium berusten. De sanctie voor het niet-naleven van artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek zou pertinent zijn ten aanzien van de zorg om de goede werking van het gerecht, aangezien het instellen van een vordering bij verzoekschrift wanneer de wet niet erin voorziet, de werking van de organen van het gerecht kan verstoren. Zij zou bovendien geenszins op onevenredige wijze afbreuk doen aan het recht van toegang tot een rechter dat aan de rechtzoekenden wordt gewaarborgd, aangezien artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek aangeeft in welke gevallen gebruik kan worden gemaakt van het verzoekschrift om zijn zaak voor de rechtscolleges te brengen. De Ministerraad voegt eraan toe dat men, in geval van vergissing, het recht om in rechte te treden niet zou verliezen, vermits de vordering opnieuw zou kunnen worden ingesteld door middel van een adequate proceshandeling. A.1.
  6. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, preciseert de Ministerraad dat artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken een stelsel van nietigheid invoert dat van toepassing is wanneer de bij de wet bepaalde regels worden geschonden, en dat de bij de artikelen 860 tot 867 van het Gerechtelijk Wetboek geregelde nietigheidsleer bijgevolg geen toepassing wordt. Hij voegt eraan toe dat de regels inzake het gebruik der talen in gerechtszaken onder de rechterlijke organisatie ressorteren en dat de schending ervan ambtshalve door de rechter moet worden uitgesproken. De Ministerraad voert aan dat de ontstentenis van een wettelijke bepaling die voorziet in een stuiting van de verjaringstermijnen of van de op straffe van verval gestelde termijnen ten grondslag ligt aan het verschil in behandeling, zodat de vraag geen betrekking heeft op een norm die het Hof vermag te toetsen. Memorie van het O.C.M.W. van Sint-Joost-ten-Node A.2.
  7. Volgens de eiser voor de verwijzende rechter voert de interpretatie van het Hof van Cassatie die erin bestaat de schending van de regels van rechterlijke organisatie strenger te bestraffen dan de schending van de procedureregels of van de wet op het gebruik der talen, een discriminatie in tussen twee categorieën van rechtzoekenden die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Er zou op onevenredige wijze afbreuk zijn gedaan aan de rechten van de eiser die zijn vordering bij verzoekschrift instelt in plaats van bij dagvaarding, aangezien hij, in dat geval, geen enkele mogelijkheid meer zou hebben zijn rechten te doen gelden. Hij voert eveneens aan dat het aldus ingevoerde onderscheid tussen de zogeheten procedureregels van rechterlijke organisatie en de andere procedureregels op geen enkel objectief criterium berust en uit geen enkele wettekst voortvloeit. De veranderlijkheid van de sancties voor de schending van de zogeheten procedureregels van rechterlijke organisatie zou bovendien de rechtszekerheid in het gedrang kunnen brengen. A.2.
  8. Het O.C.M.W. van Sint-Joost-ten-Node wijst erop dat het instellen van een vordering bij verzoekschrift voor beide partijen gunstig is, aangezien dat de procedurekosten beperkt, kosten die in fine zullen worden gedragen door de partij die in het ongelijk wordt gesteld. Het voegt eraan toe dat de daaraan verbonden sanctie indruist tegen de zorg van de wetgever om het gebruik van het verzoekschrift op tegenspraak voor de arbeidsgerechten te bevorderen. A.2.
  9. De eiser voor de verwijzende rechter verwijst naar artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek, dat toestaat om gebruik te maken van het verzoekschrift in plaats van de dagvaarding en dat in het Gerechtelijk Wetboek zou zijn ingevoegd in het kader van het deformaliseren van het sociaal procesrecht, met als doel het uitsparen van gerechtsdeurwaarderskosten, het behoud van de soepele wijze van inleiding, gangbaar voor de administratieve rechtscolleges, en het vermijden van de rechtspleging voor rechtsbijstand. 5 De wetgever zou die beginselen hebben aangewend waneer hij het de verzekeringsinstellingen mogelijk heeft gemaakt de terugvorderingen van onverschuldigde betalingen bedoeld in artikel 164 van de wet van 14 juli 1994 « betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen » bij de arbeidsrechtbank in te leiden door middel van een verzoekschrift. In dat opzicht wijst het O.C.M.W. erop dat de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals de verzekeringsinstellingen inzake gezondheidszorg, beschikken over beperkte budgetten die rechtvaardigen dat zij hun vordering bij verzoekschrift instellen. A.2.
  10. Het O.C.M.W. vraagt het Hof de twee prejudiciële vragen te beantwoorden in de interpretatie die de verwijzende rechter aan de getoetste norm heeft gegeven. Het wijst overigens erop dat de arresten van het Hof nrs. 29/2002 en 120/2002, waarnaar het RIZIV voor de verwijzende rechter verwijst, losstaan van de onderhavige zaak. Zij zouden immers andere normen betreffen en geen betrekking hebben op de sancties verbonden aan het gebruik van een verzoekschrift wanneer een dagvaarding was vereist. Memorie van antwoord van de Ministerraad A.3.
  11. De Ministerraad voert aan dat het algemeen beginsel volgens hetwelk een beroep bij verzoekschrift kan worden ingesteld alleen wanneer de wet daarin voorziet, niet kan worden genegeerd door de personen die een rechtsvordering wensen in te stellen. Hij onderstreept voorts dat het aangeklaagde verschil in behandeling berust op een objectief criterium en dat het gegeven dat dat verschil niet berust op een wettekst, aan de in het geding zijnde bepaling geen onevenredig karakter toekent. A.3.
  12. Ten aanzien van het feit dat dit geen afbreuk zou doen aan de rechten van verdediging van de verweerder, beweert de Ministerraad dat de in het geding zijnde bepaling niet tot doel heeft het billijke karakter van de rechtspleging te verzekeren, maar wel de openbare dienst van het gerecht in te richten. A.3.
  13. Ten slotte, in verband met de vergelijking die het O.C.M.W. maakt met de verzekeringsinstellingen inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, voert de Ministerraad aan dat het alleen de wetgever toekomt de openbare centra in staat te stellen hun rechtsvorderingen bij verzoekschrift in te stellen. De Ministerraad herinnert eraan dat de prejudiciële vragen geen betrekking hebben op de keuze van de wetgever om de openbare centra voor maatschappelijk welzijn niet in staat te stellen hun vorderingen voor de arbeidsrechtbank bij verzoekschrift in te stellen, maar wel op de sanctie verbonden aan de niet-naleving van de regel van artikel
  14. -B– B.
  15. Het Hof wordt door de verwijzende rechter ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 700 en 861 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de rechtsvordering die personen bij verzoekschrift instellen in een geval waarbij de wet die vorm van rechtsingang niet uitdrukkelijk toestaat, onontvankelijk is, zelfs indien de onregelmatigheid de verwerende partij geenszins heeft benadeeld, terwijl de vordering die personen instellen door middel van een dagvaarding die door een vormgebrek is aangetast, alleen dan onontvankelijk wordt verklaard indien de onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die deze opwerpt. 6 Het Hof wordt eveneens ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de voormelde grondwettelijke bepalingen, van artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de rechtsvordering die personen bij verzoekschrift instellen in een geval waarbij de wet die vorm van rechtsingang niet uitdrukkelijk toestaat, onontvankelijk is, zonder dat die personen hun vordering opnieuw kunnen instellen binnen een nieuwe termijn, terwijl personen die een vordering instellen door middel van een akte van rechtsingang die wegens schending van de wet op het gebruik der talen nietig is verklaard, met toepassing van artikel 40, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 een nieuwe termijn genieten om hun vordering opnieuw in te stellen. B.
  16. Artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Hoofdvorderingen worden bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift ». Artikel 861 van hetzelfde Wetboek bepaalt : « De rechter kan een proceshandeling alleen dan nietig verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt ». Artikel 40, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken luidt : « […] De akten, nietig verklaard wegens overtreding van deze wet, stuiten de verjaring alsmede de termijnen van rechtspleging toegekend op straf van verval. […] ». Wat de exceptie betreft B.3.
  17. Volgens de Ministerraad komt de eerste prejudiciële vraag erop neer het Hof te ondervragen over de omvang van het toepassingsgebied van de nietigheidsleer zoals die uit de bewoordingen van artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek voortvloeit, terwijl die vraag 7 alleen de artikelen 700 en 861 van het Gerechtelijk Wetboek beoogt. De vraag zou dus zonder voorwerp zijn. B.3.
  18. Artikel 860, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Wat de verzuimde of onregelmatig verrichte vorm ook zij, geen proceshandeling kan nietig worden verklaard, indien de wet de nietigheid ervan niet uitdrukkelijk heeft bevolen ». In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, wordt het Hof geenszins gevraagd zich uit te spreken over het toepassingsgebied van de sanctie van nietigheid vervat in artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek. Uit de bewoordingen van de eerste prejudiciële vraag blijkt immers duidelijk dat het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling tussen twee categorieën van rechtzoekenden, dat voortvloeit uit de automatische toepassing van de sanctie van onontvankelijkheid van de vordering, zonder enig nadeel voor de verwerende partij, wanneer die vordering bij verzoekschrift wordt ingesteld buiten de gevallen waarin de wet voorziet, terwijl het nadeel moet vaststaan voor diegene die aanspraak maakt op de onontvankelijkheid van de vordering wanneer de dagvaarding door een vormgebrek is aangetast. B.3.
  19. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.
  20. Bij arrest van 27 mei 1994 heeft het Hof van Cassatie overwogen : « dat, krachtens artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek, de hoofdvordering bij dagvaarding voor de rechter wordt gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift; Dat de artikelen 860 en 861 van hetzelfde wetboek niet kunnen worden toegepast op de miskenning van deze regel die onder de rechterlijke organisatie ressorteert; » (Arr. Cass., 1994, p. 534, bevestigd bij arrest van 30 oktober 1997, Arr. Cass., 1997, p. 1052). Uit het aldus geïnterpreteerde artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek vloeit voort dat, wanneer een rechtzoekende een rechtsvordering bij verzoekschrift instelt in een geval waarbij de wet niet uitdrukkelijk in die vorm van rechtsingang voorziet, de vordering onontvankelijk 8 dient te worden verklaard, zelfs wanneer de onregelmatigheid de verwerende partij op geen enkele wijze heeft benadeeld. Het bestaan van een dergelijk nadeel moet daarentegen worden aangetoond wanneer een dagvaarding door een vormgebrek is aangetast (artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek). B.
  21. Een vordering die een rechtspleging op tegenspraak inleidt, wordt in de regel ingesteld door middel van een dagvaarding bij gerechtsdeurwaardersexploot. Van een verzoekschrift kan slechts gebruik worden gemaakt wanneer de wet dit toestaat of voorschrijft. B.6.
  22. Het verschil in behandeling tussen beide in de eerste prejudiciële vraag bedoelde categorieën van rechtzoekenden berust op een objectief criterium : de aard van de regel waarvan de schending de onontvankelijkheid van de vordering met zich meebrengt. Artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek bevestigt immers een grondregel die onder de rechterlijke organisatie ressorteert, terwijl artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek alleen op de vormgebreken van toepassing is. Het Hof moet echter nog nagaan of artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek, door als gevolg te hebben dat de vordering onontvankelijk is wanneer zij bij verzoekschrift is ingesteld in een geval waarbij de wet daarin niet uitdrukkelijk voorziet, zelfs wanneer de onregelmatigheid de verwerende partij op geen enkele wijze heeft benadeeld, redelijk is verantwoord. B.6.
  23. Bij de aanneming van het Gerechtelijk Wetboek in 1967 heeft de wetgever de dagvaarding bij gerechtsdeurwaardersexploot als middel om een procedure op tegenspraak op gang te brengen, tot algemene regel verheven. Het verzoekschrift bedoeld in artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek is evenwel, op verzoek van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, als middel om de vordering voor de arbeidsgerechten in te stellen in het ontwerp van Gerechtelijk Wetboek ingevoegd (Parl. St., Senaat, 1964-1965, nr. 170, p. 123) in het kader van het « deformaliseren » van het sociaal procesrecht, met als doel het uitsparen van gerechtsdeurwaarderskosten, het behoud van een soepele wijze van inleiding, gangbaar voor de administratieve rechtscolleges, en het vermijden van de rechtspleging voor rechtsbijstand. 9 Vervolgens zijn verschillende wetswijzigingen aangebracht, respectievelijk bij de wetten van 30 juni 1971, 22 december 1977 en 23 november 1998, om het toepassingsgebied van artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek uit te breiden tot andere betwistingen die onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank ressorteren. Artikel 4 van de wet van 13 december 2005 « houdende bepalingen betreffende de termijnen, het verzoekschrift op tegenspraak en de procedure van collectieve schuldregeling » (Belgisch Staatsblad, 21 december 2005) heeft artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek als volgt vervangen: « §
  24. Voor de arbeidsrechtbank kunnen de hoofdvorderingen ingeleid worden bij verzoekschrift op tegenspraak, overeenkomstig de artikelen 1034bis tot 1034sexies, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning, de rechtspleging op eenzijdig verzoekschrift en de procedures die speciaal worden geregeld door niet uitdrukkelijk opgeheven wettelijke bepalingen. §
  25. In de in de artikelen 508/16, 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10° en 11°, 581, 2°, 582, 1° en 2° en 583, opgesomde zaken worden de vorderingen ingeleid bij een verzoekschrift dat ter griffie van de arbeidsrechtbank neergelegd wordt of bij aangetekende brief aan die griffie wordt gezonden; de partijen worden door de griffie opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. De oproeping vermeldt het voorwerp van de vordering. De bepalingen van § 1 en van het vierde deel, boek II, titel Vbis, de artikelen 1034bis tot 1034sexies inbegrepen, zijn niet van toepassing. §
  26. In de in artikel 578 opgesomde zaken kan de werkgever worden gedagvaard of opgeroepen bij verzoekschrift op tegenspraak op de mijn, de fabriek, het werkhuis, het magazijn, het kantoor en in het algemeen op de plaats die bestemd is voor de exploitatie van de onderneming, de uitoefening van het beroep door de werknemer of de werkzaamheid van de vennootschap, de vereniging of de groepering. In dit geval mag de dagvaarding of de gerechtsbrief aan een aangestelde van de werkgever of aan een van zijn bedienden worden overhandigd. §
  27. In de in dit artikel opgesomde zaken kan het verzet evenzeer naar gelang van het geval worden gedaan in de vormen bedoeld in § 1 of § 2 ». Luidens artikel 34 van dezelfde wet treedt het voormelde artikel 4 in werking op de datum bepaald bij koninklijk besluit en uiterlijk op 1 september
  28. B.
  29. Uit die laatste wetswijziging zou kunnen worden afgeleid dat, voor de geschillen die onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbanken ressorteren, de wetgever het verzoekschrift als akte van gedinginleiding heeft willen toelaten met ingang uiterlijk op 1 september
  30. 10 Het Hof stelt evenwel ook vast dat de wetgever artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek niet heeft gewijzigd. Zolang die nieuwe beleidskeuze van de wetgever niet in werking is getreden, dient nog steeds ervan te worden uitgegaan dat de algemene regel van de dagvaarding, vervat in artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek, van toepassing blijft. Die algemene regel ressorteert, overeenkomstig de in B.4 vermelde rechtspraak van het Hof van Cassatie, onder de rechterlijke organisatie. B.
  31. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. B.
  32. Met de tweede prejudiciële vraag ondervraagt de verwijzende rechter het Hof over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 700 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de rechtsvordering die personen bij verzoekschrift instellen in een geval waarbij de wet die vorm van rechtsingang niet uitdrukkelijk toestaat, onontvankelijk is, zonder dat die personen hun vordering opnieuw kunnen instellen binnen een nieuwe termijn, terwijl personen die een vordering instellen door middel van een akte van rechtsingang die wegens schending van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken nietig is verklaard, met toepassing van artikel 40, derde lid, van die wet een nieuwe termijn genieten om hun vordering opnieuw in te stellen. B.
  33. Bij de regeling van het taalgebruik in gerechtszaken dient de wetgever de individuele vrijheid van de rechtsonderhorige om zich van de taal van zijn keuze te bedienen te verzoenen met de goede werking van de rechtsbedeling. Bovendien dient de wetgever daarbij rekening te houden met de taalverscheidenheid die bevestigd is in artikel 4 van de Grondwet, dat vier taalgebieden vastlegt, waarvan er één tweetalig is. Hij kan dan ook de individuele vrijheid van de rechtsonderhorige ondergeschikt maken aan de goede werking van de rechtsbedeling. B.
  34. Het is redelijk verantwoord de mogelijkheid van artikel 40, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 enkel voor te behouden voor inbreuken op die wet en ze niet uit te breiden tot de categorie van personen die een vordering inleiden door middel van een verzoekschrift in een geval waarbij de wet die vorm van rechtsingang niet uitdrukkelijk toestaat. 11 B.
  35. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 700 en 861 van het Gerechtelijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat de rechtsvordering die personen bij een verzoekschrift instellen in een geval waarbij de wet die vorm van rechtsingang niet uitdrukkelijk toestaat, onontvankelijk is, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 juni
  36. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.101 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.