← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.102

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.102 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060621.5 Arrest- Rolnummer: 102/2006;3737 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 189 - laatst gezien 2026-06-30 14:45 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 299 van de programmawet van 27 december 2004 (" Interpreterende bepaling van artikel 12bis, ,§ 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit "), ingesteld door N. Matondo. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-12-2004 - 299 - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Waalse Ambtenarencode - 28-06-1984 - 12bis,§1,L1,3$ - 35 ELI link Pub nr 1984900065 Tekst van de beslissing Rolnummer 3737 Arrest nr. 102/2006 van 21 juni 2006 ___________ In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 299 van de programmawet van 27 december 2004 (« Interpreterende bepaling van artikel 12bis, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit »), ingesteld door N. Matondo. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 21 juni 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 juni 2005, heeft N. Matondo, wonende te 1080 Brussel, Vanderstichelenstraat 76, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 299 van de programmawet van 27 december 2004 (« Interpreterende bepaling van artikel 12bis, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit »), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2004, tweede editie. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 1 maart 2006 : - zijn verschenen : . Mr. M. Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de verzoekende partij; . Mr. G. Uyttendaele loco Mr. D. Gérard en Mr. V. Rigodanzo, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1.

  1. De verzoekende partij beweert te doen blijken van een belang om in rechte te treden, in zoverre de aangevochten norm op negatieve wijze een geschil heeft beïnvloed waarbij zij partij was. Het Hof van Cassatie zou immers vanwege de bestreden bepaling de door de verzoekende partij ingestelde voorziening hebben verworpen. Bovendien zouden de artikelen 15 en 16 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof het mogelijk maken een nieuwe voorziening in cassatie in te stellen of een procedure tot intrekking waarbij een beslissing die op een vernietigde wet is gegrond wordt betwist. A.1.
  2. De verzoekende partij leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 84 daarvan en met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre de aangevochten norm een retroactieve bepaling vormt die niet kan worden verantwoord. 3 A.1.
  3. Volgens de verzoekende partij vormt de aangevochten norm geen interpretatieve bepaling van artikel 12bis, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Zelfs indien, als gevolg van de bestreden bepaling, de nieuwe draagwijdte van de wet zou moeten worden geacht in overeenstemming te zijn met de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever, zou de betekenis van de geïnterpreteerde bepaling niet kunnen worden veranderd door verklaringen die de aanneming van die bepaling zijn voorafgegaan boven de duidelijke tekst van die bepaling te laten gaan. Uit de rechtspraak die de bestreden wet voorafgaat, blijkt dat artikel 12bis, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit redelijkerwijze anders kon worden begrepen dan op de wijze die is aangegeven in de aangevochten bepaling. Ten slotte zou een dergelijke interpretatie noch worden verantwoord door buitengewone omstandigheden, noch absoluut noodzakelijk zijn om een doelstelling van algemeen belang te verwezenlijken. A.1.
  4. De verzoekende partij is van mening dat de aangevochten bepaling de personen die gedurende zeven jaar hun hoofdverblijf in België hebben gehad, met terugwerkende kracht het recht op toegang tot de Belgische nationaliteit ontzegt, terwijl ze niet over een bewijs van wettig verblijf beschikken dat de totaliteit van die periode dekt, en wier aanvraag aan het onderzoek door de rechterlijke macht is onderworpen. De bestreden bepaling zou voorts tot gevolg hebben dat de afloop van gerechtelijke procedures in een bepaalde zin wordt beïnvloed. Te dezen zou het retroactieve optreden van de wetgever echter niet absoluut noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, noch door buitengewone omstandigheden worden verantwoord. A.1.
  5. De verzoekende partij is tevens van mening dat krachtens de aangevochten bepaling het begrip « hoofdverblijf » anders wordt geïnterpreteerd in artikel 12bis, § 1, eerste lid, 1° en 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. A.2.
  6. De Ministerraad is, zijnerzijds, van oordeel dat, ofschoon artikel 12bis, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit niet uitdrukkelijk preciseert dat de aanvrager gedurende zeven jaar wettelijk in België moet hebben verbleven, de parlementaire voorbereiding van die bepaling hieromtrent duidelijke aanwijzingen bevat. Bovendien zouden heel wat gerechtelijke beslissingen uitdrukkelijk verwijzen naar die parlementaire voorbereiding teneinde te vereisen dat het verblijf wordt gedekt door een wettige verblijfstitel. Er zou zich niettemin een minderheidsrechtspraak hebben ontwikkeld in tegenovergestelde zin. In een arrest van 16 januari 2004 zou het Hof van Cassatie artikel 12bis, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit echter zo hebben geïnterpreteerd dat het niet vereist dat het verblijf van de vreemdeling regelmatig is geweest. Dat arrest zou in de rechtsleer worden beschouwd als het definitieve eindpunt van de controverse die er ter zake bestond. A.2.
  7. De filosofie die zowel ten grondslag zou liggen zowel aan de totstandkoming van het Wetboek van de Belgische nationaliteit als aan de wet van 1 maart 2000 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit, zou erin hebben bestaan de toegang tot de Belgische nationaliteit te vergemakkelijken en tegelijkertijd de clandestiene immigratie te bestrijden. Die beginselen werden duidelijk opnieuw bevestigd in de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 maart 2000 alsmede in de omzendbrief van 25 april 2000 betreffende die wet. De verwijzing naar het woord « onbeperkt » in artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit zou ook de stelling bevestigen volgens welke de vreemdeling gedurende zeven jaar wettig in België moet hebben verbleven teneinde de Belgische nationaliteit door verklaring te kunnen verkrijgen. De voorwaarde in verband met het bezit van een toelating tot onbeperkt verblijf op het ogenblik van de verklaring zou immers verschillend zijn van de voorwaarde in verband met het regelmatige karakter van het verblijf gedurende een voorafgaande periode van zeven jaar. 4 Het tegendeel beweren zou, volgens de Ministerraad, erop neerkomen het bestaan te erkennen van rechten die voortvloeien uit een onwettige situatie. A.2.
  8. Het Wetboek van de Belgische nationaliteit zou bovendien geen enkele definitie geven van wat moet worden verstaan onder het begrip hoofdverblijfplaats. Er zou dus moeten worden verwezen naar de gangbare betekenis, die wordt toegelicht in de parlementaire voorbereiding. In de parlementaire voorbereiding van 1 maart 2000 zou echter worden gepreciseerd dat onder het begrip « hoofdverblijfplaats » enkel een verblijf op grond van een regelmatige verblijfstitel moet worden verstaan. Bovendien zouden verscheidene amendementen die bestemd waren om de inaanmerkingneming van elk onwettig verblijf expliciet uit te sluiten, zijn verworpen, omdat de Regering van oordeel was dat zulks een nutteloze precisering was. Bijgevolg zou voorrang moeten worden gegeven aan een verzoenende interpretatie van artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en zou moeten worden geoordeeld dat dit artikel, vanaf de aanneming ervan, vereiste dat het verblijf door een geldige verblijfstitel wordt gedekt. A.2.
  9. De Ministerraad is voorts van mening dat het te dezen toepasbare recht onzeker was. Er zou niet redelijkerwijze kunnen worden ontkend dat onzekerheid in de rechtspraak ter zake de rechtszekerheid in het gedrang zou brengen. A.2.
  10. Bovendien zou de aangevochten bepaling gevolgen hebben voor alle nog hangende gevallen en zou ze dus niet tot enige of voornaamste doelstelling hebben de afloop van sommige jurisdictionele procedures te beïnvloeden. A.2.
  11. De door de verzoekster gemaakte lezing van artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit zou bovendien een discriminatie in omgekeerde zin in het leven roepen door de vreemdelingen die regelmatig op het nationale grondgebied verblijven, enerzijds, en diegenen die daar onregelmatig verblijven, anderzijds, op dezelfde wijze te behandelen. A.3.
  12. In haar memorie van antwoord is de verzoekende partij van mening dat, ofschoon het juist is dat vóór het arrest van het Hof van Cassatie van 16 januari 2004 tegenstrijdige beslissingen werden uitgesproken, de rechtsrust een feit was sinds de uitspraak van dat arrest. A.3.
  13. Het begrip hoofdverblijfplaats zou moeten worden gezien als een feitelijk begrip. Bovendien zou de aan de vreemdeling, op het tijdstip van zijn verklaring, opgelegde verplichting om gemachtigd te zijn tot een onbeperkt verblijf op het nationale grondgebied niet raken aan de aard van de andere voorwaarden bedoeld in artikel 12bis, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek. A.3.
  14. Volgens de verzoekende partij werden de tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 maart 2000 voorgestelde amendementen onterecht verworpen. Er was geen eensgezinde rechtspraak ter zake. Voor het overige kan een ministeriële omzendbrief niet bepalen hoe een wettekst moet worden geïnterpreteerd. Hoe dan ook, het zou geenszins mogelijk zijn met zekerheid te besluiten dat, door die amendementen te verwerpen, de wetgever zou hebben bevestigd dat de vreemdeling gedurende zeven jaar wettig in België moest hebben verbleven om een verklaring tot verkrijging van de nationaliteit neer te leggen. A.3.
  15. Bovendien zou het arrest van het Hof van Cassatie van 16 januari 2004 volstaan om aan te tonen dat de daarin afgewezen interpretatie niet de enige redelijke interpretatie van artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit was. De verzoekende partij stelt vast dat, in een arrest van 20 juni 2005, het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de aangevochten wet wel degelijk een interpretatieve wet was. De partij is evenwel van oordeel dat het Arbitragehof niet gebonden is door de rechtspraak van het Hof van Cassatie hieromtrent. Zij brengt overigens de tegenstrijdige rechtspraak in herinnering van de afdeling wetgeving van de Raad van State volgens welke de wetgever niet een interpretatieve wet kan aannemen om de enkele reden dat hij de rechtspraak inopportuun vindt. 5 A.3.
  16. De omstandigheid dat de bestreden bepaling gevolgen heeft voor alle hangende geschillen zou niet toestaan dat ze van haar onregelmatige karakter wordt ontheven. Het zou immers volstaan dat de retroactieve bepaling de beïnvloeding van hangende geschillen tot gevolg heeft, opdat ze voor kritiek vatbaar zou zijn. A.3.
  17. De verzoekende partij is bovendien van oordeel dat het aan het Hof voorgelegde geschil niet betrekking heeft op de mogelijke discriminatie die er zou bestaan tussen de vreemdelingen met regelmatig verblijf en diegenen die onregelmatig op het nationale grondgebied verblijven, maar ertoe strekt te bepalen of de retroactieve werking van de aangevochten bepaling al dan niet verantwoord is. A.4.
  18. In zijn memorie van wederantwoord is de Ministerraad van mening dat niet redelijkerwijze kan worden beweerd dat door de amendementen te verwerpen die bestemd waren om in de tekst van artikel 12bis de voorwaarde van het regelmatige karakter van het verblijf in te voegen, de parlementaire meerderheid aan de personen die illegaal op het grondgebied verblijven dezelfde rechten heeft willen verlenen als aan diegenen die wettig op het grondgebied verblijven. Het beleid inzake toegang tot het grondgebied en het verblijf van vreemdelingen zou falen wanneer de vreemdelingen die onwettig in België verblijven aan dezelfde voorwaarden werden onderworpen als diegenen die wettig in het land verblijven. A.4.
  19. Volgens de Ministerraad kan de retroactieve werking worden verantwoord in zeer bijzondere omstandigheden, onder meer wanneer het onzekere karakter van het recht rechtsonzekerheid teweegbrengt. Zulks zou te dezen het geval zijn. Het arrest van het Hof van Cassatie van 16 januari 2004 zou immers geen einde hebben gemaakt aan de gerechtelijke controverse. A.4.
  20. Voor het overige zou de redenering van de verzoekende partij neerkomen op de ontkenning van het grondwettelijk recht van de wetgever om de wettelijke normen te interpreteren wanneer die tegen zijn wil worden toegepast. -B- Ten aanzien van de bestreden bepaling en de wordingsgeschiedenis ervan B.1.
  21. De aangevochten bepaling heeft betrekking op de procedure van verkrijging van de Belgische nationaliteit door verklaring, bedoeld in artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Zoals het bij de wet van 1 maart 2000 « tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit » is gewijzigd, bepaalt dat artikel : « §
  22. De Belgische nationaliteit kunnen verkrijgen door een verklaring af te leggen overeenkomstig § 2 van dit artikel, indien zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt : 1° de in België geboren vreemdeling, die er sedert zijn geboorte zijn hoofdverblijf heeft; 2° de in het buitenland geboren vreemdeling van wie een ouder op het tijdstip van de verklaring de Belgische nationaliteit bezit; 6 3° de vreemdeling die sedert ten minste zeven jaar zijn hoofdverblijf in België heeft gevestigd en die, op het tijdstip van de verklaring gemachtigd is of toegelaten werd tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of toegelaten werd om er zich te vestigen. […] ». B.1.
  23. Nadat artikel 12bis, § 1, 3°, in de rechtspraak uiteenlopend werd geïnterpreteerd, heeft het Hof van Cassatie in een arrest van 16 januari 2004, gewezen op de andersluidende conclusies van het openbaar ministerie, in verband met die bepaling beslist : « Overwegende dat ingevolge artikel 12bis, § 1, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, een vreemdeling de Belgische nationaliteit kan verkrijgen door een verklaring af te leggen overeenkomstig paragraaf 2 van dat artikel, indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en indien hij sedert ten minste zeven jaar zijn hoofdverblijf in België heeft gevestigd en, op het tijdstip van de verklaring gemachtigd is of toegelaten werd tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of toegelaten werd om er zich te vestigen; Overwegende dat het arrest, dat de nationaliteitsverklaring van eiseres verwerpt op grond dat haar hoofdverblijf in België niet ‘ gedekt wordt door verblijfsvergunningen gedurende ten minste zeven jaar ’ aan de wettekst een voorwaarde toevoegt die daarin niet voorkomt en de voornoemde wetsbepaling schendt » (Cass., 16 januari 2004, C.03.03.70.F). B.1.
  24. In de programmawet van 27 december 2004 heeft de wetgever vervolgens een afdeling IX ingevoegd, die luidt : « Afdeling IX. – Interpreterende bepaling van artikel 12bis, § 1, eerste lid, 3° van het Wetboek van de Belgische nationaliteit Artikel
  25. Artikel 12bis, § 1, eerste lid, 3° van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, vervangen bij de wet van 1 maart 2000 wordt uitgelegd in de zin dat het alleen van toepassing is op de vreemdelingen die zich kunnen beroepen op zeven jaar hoofdverblijfplaats gedekt door een wettelijk verblijf ». Dit is de bestreden bepaling. Ten aanzien van het enige middel B.2.
  26. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 8 en 84 ervan en met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. 7 Volgens de verzoekende partij is de bestreden bepaling geen interpretatieve bepaling, maar een retroactieve wijzigende bepaling die ertoe strekt de afloop van de hangende procedures te beïnvloeden en die door geen enkele buitengewone omstandigheid wordt verantwoord. B.2.
  27. In het bijzonder verwijt de verzoekende partij de bestreden bepaling dat ze, met terugwerkende kracht, het recht op toegang tot de Belgische nationaliteit ontzegt aan de personen die gedurende zeven jaar hun hoofdverblijf in België hebben gevestigd, doch niet over een wettige verblijfstitel beschikten die de totaliteit van die periode dekt, en wier aanvraag aan het onderzoek van de rechterlijke macht is onderworpen. De bestreden bepaling zou daardoor tot gevolg hebben dat de afloop van gerechtelijke procedures in een bepaalde zin wordt beïnvloed. B.3.
  28. De parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling stelt ten aanzien van het voormelde arrest van het Hof van Cassatie : « Deze jurisprudentie verschaft aan artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit een draagwijdte die verder gaat dan wat het Parlement er aan wilde geven toen het werd aangenomen. Deze jurisprudentiële interpretatie komt er in feite op neer dat men het illegale verblijf van vreemdelingen op het vlak van het bekomen van de Belgische nationaliteit valoriseert. Dit is niet alleen niet in overeenstemming te brengen met de duidelijk verwoorde bedoeling van de wetgever, maar het is bovendien moeilijk te rechtvaardigen op het principiële vlak » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1437/001 en DOC 51-1438/001, p. 173); B.3.
  29. Dezelfde parlementaire voorbereiding voegt, in verband met de bestreden bepaling, daaraan toe : « Het voorwerp van deze bepaling is de aanvankelijke interpretatie van artikel 12bis tot regel te verheffen, zoals hernomen in de memorie van toelichting van de wet, door gebruik te maken van de authentieke interpretatie bepaald in artikel 84 van de Grondwet » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1437/001 en DOC 51-1438/001, p. 173). en : « Met het oog op de rechtszekerheid moet aan deze bepaling dus dringend een uniforme interpretatie worden gegeven en dat is die welke duidelijk gewenst was door de wetgever, toen de wet van 1 maart 2000 deze bepaling wijzigde » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1437/026, p. 18). 8 B.4.
  30. De parlementaire voorbereiding van de wet van 1 maart 2000 becommentarieerde artikel 12bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit in deze bewoordingen : « Onder het begrip ‘ hoofdverblijfplaats ’ moet worden verstaan een verblijf op grond van verschillende verblijfsvergunningen, te weten een vestigingsmachtiging, een machtiging of een toelating tot verblijf voor onbepaalde duur, dan wel een machtiging of een toelating tot verblijf voor bepaalde duur. Een hoofdverblijfplaats in België die niet is gegrond op een wettelijke verblijfsvergunning biedt de vreemdeling geenszins de mogelijkheid om een nationaliteitsverklaring af te leggen. Ten minste wordt geëist dat de vreemdeling het bewijs kan leveren van voorlopige verblijfsvergunningen die betrekking hebben op de vereiste duur (sedert de geboorte in het kader van 1° en sedert ten minste zeven jaar in het kader van 3°) opdat hij, onder voorbehoud van de naleving van de andere gestelde voorwaarden, een nationaliteitsverklaring kan afleggen. Vanzelfsprekend kan een onwettig verblijf niet in aanmerking worden genomen » (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0292/001, pp. 10 en 11). « Een hoofdverblijf in België dat niet zou zijn gedekt door een wettelijke verblijfsvergunning zal de vreemdeling dus in geen geval in staat stellen een nationaliteitsverklaring af te leggen. Vanzelfsprekend kan een onwettig verblijf niet in aanmerking worden genomen » (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0292/007, p. 7). « Een hoofdverblijfplaats in België die niet is gegrond op een wettelijke verblijfsvergunning biedt de vreemdeling niet de mogelijkheid om een nationaliteitsverklaring af te leggen. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 102 van het Burgerlijk Wetboek, op artikel 36 van het Gerechtelijk Wetboek en op de wet van 19 juni 1991 » (Parl. St., Kamer, 1999-2000, DOC 50-0292/007, p. 46, verklaring van de bevoegde Minister). « […] een hoofdverblijf in België dat niet door een wettelijke verblijfsvergunning gedekt wordt, zal de vreemdeling in geen geval in staat stellen een nationaliteitsverklaring af te leggen; vanzelfsprekend kan een onwettig verblijf niet in aanmerking worden genomen » (Parl. St., Senaat, 1999-2000, nr. 2-308/3, p. 6). B.4.
  31. Ook uit andere verklaringen afgelegd tijdens de parlementaire voorbereiding blijkt de wil van de wetgever om uit te sluiten dat een onwettig verblijf in aanmerking zou worden genomen voor de berekening van de vereiste verblijfsduur. Dat enkel een wettig verblijf in aanmerking werd genomen om de Belgische nationaliteit door verklaring te verkrijgen, werd door de Minister van Justitie als vanzelfsprekend beschouwd zodat het overbodig werd geacht dit expliciet in de tekst op te nemen. De Minister stelt bij herhaling dat het begrip « hoofdverblijfplaats » moet worden begrepen zoals verduidelijkt in de omzendbrief van 8 november 1991 betreffende de wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit 9 (Parl. St., Kamer, 1999-2000, nr. 292/7, pp. 84, 88 en 94). Die omzendbrief stelt : « Vanzelfsprekend kan een onwettig verblijf niet in aanmerking worden genomen » (Belgisch Staatsblad, 7 december 1991). De omzendbrief verwijst daarbij naar verklaringen die de bevoegde Minister heeft afgelegd tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 juni 1991 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en van de artikelen 569 en 628 van het Gerechtelijk Wetboek. B.5.
  32. De bestreden bepaling werd aangenomen omdat in een deel van de rechtspraak aan artikel 12bis, eerste lid, 3°, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit een interpretatie werd gegeven die niet overeenstemde met de betekenis die de wetgever daaraan had willen geven bij de totstandkoming ervan. B.5.
  33. Naar luid van artikel 84 van de Grondwet kan alleen de wet een authentieke uitlegging van de wetten geven. Het behoort tot het wezen van een interpretatieve wet dat, onder voorbehoud van het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel, zij terugwerkt tot op de datum van inwerkingtreding van de wetsbepalingen die zij interpreteert. Een interpretatieve wet is immers een wet die aan een wetsbepaling de betekenis geeft die de wetgever bij de aanneming ervan heeft willen geven en die zij redelijkerwijze kon krijgen. Een interpretatieve wet vermag evenwel geen afbreuk te doen aan in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen. De waarborg van de niet-retroactiviteit van de wetten zou niet kunnen worden omzeild door het enkele feit dat een wet met terugwerkende kracht als een interpretatieve wet zou worden voorgesteld. B.
  34. Uit wat is uiteengezet in B.3 en B.4 volgt dat de bestreden wet wel degelijk een interpretatieve wet is. De rechtsonderhorigen konden overigens niet verhopen te mogen blijven rekenen op een voor hen gunstige rechtspraak die inging tegen de bedoeling van de wetgever. 10 B.
  35. Het enige middel kan niet worden aangenomen. 11 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 juni
  36. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.102 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.