← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.104

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.104 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060621.7 Arrest- Rolnummer: 104/2006;3790 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 870 - laatst gezien 2026-07-03 19:19 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt in artikel 29, ,§ 3, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, het tweede, derde en vierde lid, alsmede, in het vijfde lid, de woorden " of waarvan de onttrekking niet werd uitgesproken op grond van het vorige lid "; - handhaaft definitief, onder de gevolgen van de vernietigde bepalingen, diegene die hebben geleid tot een onttrekking van de zaak aan de Belgische rechtscolleges wanneer geen enkele klager een in België erkend vluchteling was op het ogenblik waarop de strafvordering werd ingesteld. Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 29, ,§ 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, ingesteld door Aung Maw Zin. Wettelijke bepalingen: Wet - 05-08-2003 - 29,§3,L5 - 32 ELI link Pub nr 2003021182 Wet - 05-08-2003 - 29,§3,L4 - 32 ELI link Pub nr 2003021182 Wet - 05-08-2003 - 29,§3,L3 - 32 ELI link Pub nr 2003021182 Wet - 05-08-2003 - 29,§3,L2 - 32 ELI link Pub nr 2003021182 Tekst van de beslissing Rolnummer 3790 Arrest nr. 104/2006 van 21 juni 2006 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, ingesteld door Aung Maw Zin. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 oktober 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 oktober 2005, heeft Aung Maw Zin, die keuze van woonplaats doet te 1000 Brussel, de Wynantsstraat 23, ingevolge het arrest van het Hof nr. 68/2005 van 13 april 2005 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 mei 2005), beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2005 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht. Memories zijn ingediend door : - de vennootschap naar Frans recht Total S.A. (voorheen TotalFinaElf S.A.), die keuze van woonplaats doet te 1180 Brussel, Winston Churchilllaan 253, T. Desmarest en H. Madeo, die keuze van woonplaats doen te 1000 Brussel, Renaissancelaan 34/1; - de Ministerraad. De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de vennootschap naar Frans recht Total S.A. heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 27 april 2006 : - zijn verschenen : . Mr. A. Deswaef en Mr. G. Chapelle, tevens loco Mr. V. van der Plancke, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. B. Cambier, Mr. L. Cambier, Mr. N. Angelet, Mr. A. de Schoutheete en Mr. E. Verbruggen, advocaten bij de balie te Brussel, voor de vennootschap naar Frans recht Total S.A.; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A– Standpunt van de verzoeker, Aung Maw Zin A.

  1. De verzoeker vordert de vernietiging van artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, in zoverre dat artikel zo wordt geïnterpreteerd dat de bewoordingen « er […] één Belgische klager was op het ogenblik van het instellen van de strafvordering » niet tegelijkertijd de klagers van Belgische nationaliteit en de in België gevestigde erkende vluchtelingen beogen. A.
  2. De verzoeker zet uiteen dat hij een klacht heeft neergelegd op grond van de vroegere wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht. Met toepassing van artikel 29, § 3, tweede en vierde lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, die met name de voormelde wet van 16 juni 1993 opheft, heeft de federale procureur aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie een verslag overgezonden volgens hetwelk de zaak van de verzoeker hem niet in overeenstemming scheen met de criteria bedoeld in de artikelen 6, 1°bis, 10, 1bis, en 12bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering. Met toepassing van artikel 29, § 3, vierde lid, van de voormelde wet van 5 augustus 2003, heeft de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges gevorderd. Bij arrest van 5 mei 2004 heeft het Hof van Cassatie aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag gesteld in verband met de bestaanbaarheid, met de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, van artikel 29, § 3, tweede lid, van de voormelde wet van 5 augustus 2003, in die zin geïnterpreteerd dat het de onttrekking aan het Belgische gerecht zou opleggen, ook al heeft één klager het statuut van vluchteling op het ogenblik van het instellen van de strafvordering, terwijl het de onttrekking niet oplegt wanneer één van de klagers op datzelfde ogenblik Belg was. Bij arrest nr. 68/2005 van 13 april 2005, heeft het Hof op die vraag geantwoord en voor recht gezegd : «
  3. - In zoverre het de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges zou opleggen, ofschoon een klager een in België erkend vluchteling is op het ogenblik van het instellen van de strafvordering, schendt artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet ». Bij zijn arrest van 29 juni 2005 heeft het Hof van Cassatie niettemin beslist om de zaak aan het Belgische gerecht te onttrekken. De verzoeker is bijgevolg van mening dat hem, niettegenstaande de bewoordingen van het arrest nr. 68/2005, het recht op onderzoek van zijn klacht wordt ontzegd. A.
  4. De verzoeker doet gelden dat zijn verzoekschrift ontvankelijk is ratione temporis op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari
  5. Hij voegt daaraan toe dat hij klaarblijkelijk een belang heeft bij de vernietiging van de aangevochten norm, enerzijds, omdat hij voor het Hof van Cassatie partij was bij het geding dat aanleiding heeft gegeven tot de prejudiciële vraag en, anderzijds, omdat hij een politiek vluchteling is die een klacht heeft neergelegd op grond van de vroegere wet van 16 juni 1993 en als dusdanig het slachtoffer is van de in het voormelde arrest nr. 68/2005 aangeklaagde discriminatie, en ten slotte omdat op hem de discriminerend verklaarde norm werd toegepast, vermits het Hof van Cassatie de onttrekking heeft uitgesproken. Hij zet uiteen dat enkel een vernietiging door het Arbitragehof hem in staat kan stellen een intrekking te genieten van het arrest van het Hof van Cassatie van 29 juni 2005, met toepassing van de artikelen 10 en 11 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. A.
  6. De verzoeker leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 10 , 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 16.2 van het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, door artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003, indien de bewoordingen « er […] één Belgische klager was op het ogenblik van het instellen van de strafvordering » zo worden geïnterpreteerd dat zij niet tegelijkertijd de klagers met Belgische nationaliteit en de in België gevestigde erkende vluchtelingen beogen. Hij verwijst voor de uiteenzetting van het middel naar het arrest nr. 68/
  7. Standpunt van de Ministerraad A.
  8. De Ministerraad gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof in verband met de aan het geschil te geven oplossing en vestigt daarbij de aandacht van het Hof op de omstandigheid dat een vernietiging die verder gaat dan diegene die wordt gevorderd, andere zaken die thans ter onderzoek voorliggen, in gevaar zou brengen, 4 aangezien de aangevochten bepaling een overgangsbepaling vormt die België in staat stelt bepaalde klachten te blijven behandelen die niet langer onder de nieuwe criteria vallen inzake de extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische hoven en rechtbanken. Standpunt van de vennootschap Total S.A., en van Thierry Desmarest en Hervé Madeo A.6.
  9. Na een breedvoerige uiteenzetting van de context van deze zaak waarbij de feiten, de wetgeving en de rechtspraak ter zake worden geschetst, wordt door de tussenkomende partijen een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep tegengeworpen. A.6.
  10. De tussenkomende partijen doen in de eerste plaats gelden dat het verzoek op het gezag van gewijsde stuit dat zowel is toegekend aan het op prejudiciële vraag gewezen arrest van het Arbitragehof, als aan de op 5 mei 2004 en 29 juni 2005 gewezen arresten van het Hof van Cassatie. Wat betreft het gezag van het prejudicieel arrest van het Arbitragehof zijn de tussenkomende partijen van mening dat, in zoverre het verzoek gebaseerd is op het uitgangspunt dat een verschillende interpretatie, waarbij de grondwettigheid van de bestreden bepaling wordt verzekerd, mogelijk zou zijn, het op het gezag stuit van het arrest waarin werd geoordeeld dat de in het geding zijnde bepaling duidelijk was, in zoverre zij de politieke vluchteling uitsluit, reden waarom die bepaling strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Wat betreft het gezag van de arresten van het Hof van Cassatie, zouden die arresten verbieden de erin vervatte overwegingen, volgens welke de bestreden bepalingen onder het materieel strafrecht vallen, opnieuw in het geding te brengen. De door het Arbitragehof opgemerkte lacune zou niet kunnen worden opgevuld door het Hof van Cassatie, noch door het Arbitragehof, noch door de wetgever zelf, althans wat betreft het verleden. A.6.
  11. De tussenkomende partijen doen vervolgens gelden dat het Arbitragehof het verzoek niet kan inwilligen zonder schending van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet en inbreuk op de bevoegdheden van de wetgevende macht, vermits een arrest tot vernietiging/uitbreiding het Hof ertoe zou brengen een keuze te maken uit de verschillende mogelijkheden die de wetgever worden geboden om de discriminerende lacune te verhelpen. Bovendien doen zij opmerken dat een vernietiging door het Hof in het beste geval enkel betrekking zou kunnen hebben op het tweede deel van artikel 29, § 3, tweede lid, dit wil zeggen op de uitzondering op de onttrekking, vermits de discriminatie vervat is in die uitzondering. De verzoeker heeft evenwel geen enkel belang bij het verkrijgen van het feit dat de uitzondering waarin wordt voorzien voor de klager van Belgische nationaliteit wordt afgeschaft. A.6.
  12. De tussenkomende partijen zijn voorts van oordeel dat het beroep onontvankelijk is, omdat de verzoeker de hoedanigheid heeft van partij in het geding dat aanleiding heeft gegeven tot de prejudiciële vraag. Krachtens artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 moet het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld zich voegen naar het arrest van het Hof. Bovendien moet artikel 4, laatste lid, van de wet van 6 januari 1989 ervoor zorgen dat de ongrondwettigheidsvaststelling die, krachtens artikel 28, slechts gevolg inter partes heeft, gevolg erga omnes heeft. Het beroep bedoeld in artikel 4, laatste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 vertoont enkel een belang voor de derden bij het geschil dat aanleiding heeft gegeven tot de prejudiciële procedure, terwijl de verzoeker thans geen belang daarbij meer heeft. A.6.
  13. Ten slotte zijn de tussenkomende partijen van mening dat de verzoeker geen intrekking van het arrest van het Hof van Cassatie waarbij de onttrekking is uitgesproken zou kunnen genieten. Zij zetten uiteen dat uit de combinatie van de artikelen 11 tot 14 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat in strafzaken het beroep tot intrekking beperkt is tot definitieve beslissingen waarbij de beklaagde wordt veroordeeld tot een straf of waarbij de schorsing wordt gelast van de uitspraak van de veroordeling of de internering van de beklaagde, wat tot logisch gevolg heeft dat de burgerlijke partij niet bevoegd is om de intrekking te vorderen van een strafrechtelijke beslissing. Zij besluiten daaruit dat de vernietiging van de bestreden bepaling geen aanleiding kan geven tot de intrekking van het arrest van 29 juni 2005 van het Hof van Cassatie, zodat de verzoeker niet doet blijken van een belang om de vernietiging te verkrijgen van de door hem aangevochten norm. A.
  14. De tussenkomende partijen zijn van oordeel dat, zelfs mocht het beroep ontvankelijk worden geacht, het niettemin ongegrond zou zijn. Zij leiden uit hun analyse van het verzoekschrift af dat dit gebaseerd is op het uitgangspunt dat een andere interpretatie van de bestreden bepaling mogelijk zou zijn, wat strijdig zou zijn met de arresten van het Arbitragehof en het Hof van Cassatie waarin telkens werd vastgesteld dat de tekst duidelijk was en geen aanleiding gaf tot interpretatie. 5 Ten slotte voegen zij daaraan toe dat, mocht het Hof de bestreden bepaling vernietigen, die vernietiging geen terugwerkende kracht zou kunnen hebben, gelet op het beginsel van de wettigheid van de misdrijven en van de straffen en het beginsel van de niet-retroactiviteit van de strafwet. Antwoord van de verzoeker, Aung Maw Zin A.
  15. Nadat de verzoeker de door de tussenkomende partijen voorgestelde feitelijke gegevens heeft gepreciseerd en aangevuld, bevestigt hij, wat betreft zijn belang om in rechte te treden, de bewoordingen van zijn verzoekschrift. Hij voegt daaraan toe dat in artikel 10 van de bijzondere wet op het Arbitragehof niet de aard wordt gepreciseerd van de strafrechtelijke beslissingen die het voorwerp kunnen uitmaken van een vordering tot intrekking en, bijgevolg, niet uitgesloten wordt dat het openbaar ministerie de intrekking van het arrest van 29 juni 2005 kan vorderen. A.9.
  16. Ten gronde is de verzoeker van mening dat uit het arrest van het Hof nr. 68/2005 voortvloeit dat de weigering om het voordeel van de bij artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 ingevoerde regel uit te breiden tot de situatie van de klager die als vluchteling is erkend, een schending vormt van de Grondwet, in samenhang gelezen met het internationaal recht, en dat die uitsluiting moest worden beschouwd als niet tegenstelbaar aan de verzoeker. Hij doet gelden dat de federale procureur, zowel in zijn schriftelijke opmerkingen als in zijn mondeling verslag voor het Hof van Cassatie, heeft gesteld dat de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges niet kon worden uitgesproken in de zaak die hem aanbelangt. De verzoeker is van mening dat het geen enkele twijfel leidt dat het arrest van 29 juni 2005 van het Hof van Cassatie de Grondwet schendt, in zoverre het is gebaseerd op een letterlijke interpretatie van artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003, een ongrondwettige interpretatie die strijdig is met de door het Arbitragehof aangegeven verzoenende interpretatie. Hij is van oordeel dat, teneinde artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 in overeenstemming te brengen met de Grondwet, dat artikel in zijn letterlijke interpretatie moet worden vernietigd, zodat de intrekking van de beslissing van 29 juni 2005 mogelijk wordt gemaakt. A.9.
  17. De verzoeker analyseert het arrest nr. 68/2005 en leidt uit de in dat arrest gebruikte bewoordingen af dat het Hof, na een redenering die nauw aansluit bij de « verzoenende interpretatie » duidelijk heeft aangegeven hoe de in het geding zijnde bepaling diende te worden geïnterpreteerd en dat het de vaststelling van ongrondwettigheid heeft beperkt tot de letterlijke interpretatie van de bepaling. De verzoeker wijst erop dat het wetsvoorstel dat in de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd ingediend op 30 juni 2005 getuigt van de wil van de wetgever om de inhoud van de aangevochten bepaling in die zin te bekrachtigen. Hij preciseert vervolgens dat het Hof in zijn arrest nr. 68/2005 geenszins heeft vastgesteld dat die verzoenende interpretatie een schending zou vormen van het beginsel van de wettigheid van de vervolging. De verzoeker oordeelt dat de tussenkomende partijen, net zoals het Hof van Cassatie in zijn arrest van 29 juni 2005, het geval van de vaststelling van ongrondwettigheid van een wetskrachtige norm in het prejudicieel contentieux verwarren met de vaststelling van een ongrondwettige lacune in de wetgeving, en dat het geen twijfel lijdt dat de door het Arbitragehof voorgestelde verzoenende interpretatie de gewone rechtscolleges moest binden. A.9.
  18. De verzoeker doet vervolgens gelden dat door de letterlijke toepassing van de in het geding zijnde bepaling het Hof van Cassatie een beslissing tot onttrekking heeft genomen die, naast de Grondwet, artikel 16 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen schendt, een bepaling die rechtstreeks van toepassing is in het interne recht. A.9.
  19. De verzoeker oordeelt dat het Hof, met de vernietiging van artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003, uitsluitend in zoverre het zo wordt geïnterpreteerd dat de bewoordingen « er […] één Belgische klager was op het ogenblik van het instellen van de strafvordering » niet tegelijkertijd de Belgische klagers en de in België gevestigde erkende vluchtelingen beogen, geenszins afbreuk zou doen aan artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 15.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarin het legaliteitsbeginsel in strafzaken is verankerd. Hij doet gelden dat, in tegenstelling tot wat wordt betoogd in het arrest van het Hof van Cassatie van 29 juni 2005 en het arrest nr. 73/2005 van het Arbitragehof (dat is gewezen in een andere zaak die niets te maken heeft met deze zaak), in de rechtsleer overvloedig en bedachtzaam wordt gesteld dat de regel waarbij de rechtsmacht van de Belgische strafgerechten inzake misdaden en misdrijven die zijn gepleegd buiten het 6 grondgebied van het Rijk wordt uitgebreid of beperkt, een regel van de strafrechtspleging is en niet een regel van materieel strafrecht. Te dezen beoogt de bepaling noch de depenalisering van humanitaire inbreuken, noch de vermindering van de straf die daaraan is verbonden : zij beperkt zich ertoe de bevoegdheid te wijzigen van het rechtscollege dat kennis moet nemen van feiten die onverminderd strafbaar blijven. Het beginsel van de onmiddellijke of retroactieve toepassing van de mildere strafwet kan dus niet worden toegepast want die had van meet af aan de verplichte onttrekking moeten teweegbrengen van alle eerder ingediende klachten. De verzoeker is bijgevolg van mening dat de toepassing in de tijd van de nieuwe regels van extraterritoriale bevoegdheid in artikel 3 van het Gerechtelijk Wetboek moet worden geregeld. Uitzonderingen op dat beginsel zijn toegestaan, maar dienen de internationale verplichtingen van België in acht te nemen. A.9.
  20. In verband met het legaliteitsbeginsel beklemtoont de verzoeker dat het geen twijfel lijdt dat de tussenkomende partijen het strafbare karakter van de ten laste gelegde feiten kenden op het ogenblik waarop ze werden gepleegd, vermits die feiten zowel in het Belgisch strafrecht als in het internationaal strafrecht strafbaar waren gesteld. Hij zet bovendien het standpunt van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uiteen dat werd uitgedrukt in het arrest K.-H. W. t/ Duitsland van 22 maart 2001, volgens hetwelk het vereiste van artikel 7 van het Verdrag niet verplicht is wanneer flagrante schendingen van het internationaal recht in het geding zijn. Ten slotte preciseert hij dat, ofschoon het beginsel van voorspelbaarheid nog enige betekenis behoudt wat betreft de procedure doordat de inwerkingstelling ervan een confrontatie met de individuele rechten en vrijheden impliceert, dat beginsel daarentegen geen enkele betekenis heeft wanneer er sprake is van een plotselinge en discriminerende beperking van de draagwijdte van eerder in werking gestelde regels van extraterritoriale bevoegdheid. De verzoeker preciseert voorts dat, in tegenstelling tot de omstandigheden van het arrest nr. 73/2005, in deze zaak de tussenkomende partijen niet kunnen betogen dat op het ogenblik waarop zij de feiten waarvan zij worden verdacht, zouden hebben gepleegd, er in België geen wettelijke basis bestond, opdat zij wegens die feiten voor de Belgische strafgerechten zouden kunnen worden vervolgd en gevonnist. De hervatting van het onderzoek naar aanleiding van een arrest tot intrekking zou bijgevolg geen schending vormen van het beginsel van niet-retroactiviteit dat inherent is aan het legaliteitsbeginsel. Hij onderstreept dat het geval van de misdaad tegen de menselijkheid in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 7.2) wordt beoogd als een van de uitzonderingen op het beginsel van niet-retroactiviteit. A.
  21. De verzoeker beklemtoont ten slotte het belang om de vernietiging van artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 te beperken tot de letterlijke interpretatie ervan, zodat die bepaling blijft bestaan in de interpretatie ervan overeenkomstig de Grondwet, teneinde andere zaken, die thans worden onderzocht, niet in gevaar te brengen. Repliek van de vennootschap Total S.A., en van Thierry Desmarest en Hervé Madeo A.11.
  22. De tussenkomende partijen bevestigen hun overtuiging dat het beroep wegens ontstentenis van belang van de verzoeker onontvankelijk is, om redenen die zijn afgeleid uit het feit dat het voor hen onmogelijk is de intrekking van het arrest van het Hof van Cassatie van 29 juni 2005 te verkrijgen. A.11.
  23. Wat betreft het argument dat door de verzoeker wordt afgeleid uit het gebruik van de voorwaardelijke wijs in het beschikkend gedeelte van het arrest nr. 68/2005 teneinde een verzoenende interpretatie van de in het geding zijnde bepaling voor te stellen, doen de verzoekende partijen gelden, enerzijds, dat het onnatuurlijk is het beschikkend gedeelte los van de eraan verbonden motieven te lezen, motieven waaruit blijkt dat het Hof heeft geoordeeld dat de tekst van de bepaling duidelijk was en niet anders kon worden geïnterpreteerd, en, anderzijds, dat het Hof de voorwaardelijke wijs heeft gebruikt om de vraag te beantwoorden die door het Hof van Cassatie eveneens in de voorwaardelijke wijs werd gesteld. A.11.3.
  24. Wat betreft artikel 16 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, zijn de tussenkomende partijen van mening dat, indien die bepaling een rechtstreekse werking had, het Hof van Cassatie niet ertoe zou zijn gebracht de prejudiciële vraag te stellen die aanleiding heeft gegeven tot het arrest nr. 68/
  25. Zij leiden daaruit af dat de stelling van de rechtstreekse werking van artikel 16 van het Verdrag indruist tegen het gezag van gewijsde dat is verbonden aan het arrest van het Hof van Cassatie waarbij de vraag aan het Arbitragehof wordt gesteld. Zij voegen daaraan toe dat uit het arrest nr. 68/2005 kan worden afgeleid dat, 7 ofwel het Hof heeft geoordeeld dat artikel 16 van het Verdrag niet tot rechtstreeks gevolg heeft dat de uitzondering die toepasbaar is op de Belgische klagers wordt uitgebreid tot de klagers die erkende vluchtelingen zijn, ofwel dat het Hof aan het Hof van Cassatie de zorg heeft overgelaten om zich uit te spreken over de vraag of artikel 16 van het Verdrag rechtstreekse werking kon hebben. In de beide gevallen zou de verzoeker in de onderhavige procedure tot vernietiging niet kunnen doen gelden dat artikel 16 van het Verdrag met rechtstreekse werking het strafgerecht van de verdragspartijen zou vaststellen. A.11.3.
  26. De tussenkomende partijen zijn van mening dat « de rechtsingang » die het voorwerp uitmaakt van artikel 16.2 van het Verdrag moet worden onderscheiden van de strafrechtsmacht van de Staten. Zij zijn van oordeel dat de rechtsmacht van de strafgerechten, die is geënt op de toepasbaarheid van het materieel strafrecht, een voorafgaande voorwaarde is voor de toegang van de burgerlijke partijen tot de strafrechtspleging. Zij doen gelden dat het Hof in het arrest nr. 68/2005 zich ertoe heeft beperkt rekening te houden met artikel 16.2 van het Verdrag, maar dat het daaraan geen rechtstreekse werking heeft verleend. Zij voegen daaraan toe dat, zelfs indien moest worden geoordeeld dat het Hof zich zou hebben uitgesproken over de draagwijdte van artikel 16 van het Verdrag, het aan dat artikel een vernieuwende interpretatie zou hebben gegeven die verder gaat dan datgene wat het recht op rechtsingang traditioneel geacht wordt te dekken, zodat die interpretatie geen rechtstreeks gevolg zou kunnen hebben. Zij besluiten daaruit dat de verzoeker niet rechtmatig kan stellen dat artikel 16.2 van het Verdrag tot rechtstreeks gevolg heeft dat de klager-vluchteling wordt gelijkgesteld met de in de bestreden bepaling bedoelde Belgische klager. A.11.3.
  27. De verzoekende partijen doen vervolgens gelden dat de rechtstreekse werking van artikel 16.2 van het Verdrag niet als grondslag zou kunnen dienen voor een verzoenende interpretatie van de in het geding zijnde bepaling, want de rechtstreekse werking en de conforme interpretatie zijn fundamenteel verschillende technieken die elkaar uitsluiten. Ten slotte zijn zij van mening dat, mocht worden geoordeeld dat artikel 16 van het Verdrag, met rechtstreekse werking de omvang vaststelt van de in de bestreden bepaling verankerde passieve personele rechtsmacht, de draagwijdte van elke bepaling in verband met de passieve personele rechtsmacht van de Belgische rechtbanken zou kunnen worden betwist, niet alleen ten aanzien van artikel 16 van het Verdrag maar ook via de rechtstreekse werking van de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. A.11.
  28. Wat betreft de juridische kwalificatie van de regels vervat in artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003, zijn de tussenkomende partijen van mening dat die kwestie definitief is beslecht door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 29 juni 2005, en dat het beroep tot vernietiging geen rechtsmiddel tegen dat arrest kan vormen. Bovendien zijn zij van oordeel dat de nationaliteitsvoorwaarde geen voorwaarde van toegang tot de rechter vormt, maar een materieel bestanddeel van het misdrijf, want het feit dat men het bestaan van een misdrijf laat afhangen van specifieke vereisten valt onder het materieel strafrecht waarvan de totstandkoming is onderworpen aan het legaliteitsbeginsel. Ten slotte voegen zij daaraan toe dat, zelfs indien de in het geding zijnde bepaling zou worden beschouwd als een regel van strafprocedurerecht, zulks niet eraan in de weg zou staan dat die bepaling eveneens een regel van materieel strafrecht vormt. A.11.
  29. De tussenkomende partijen zijn ten slotte van mening dat de argumentering van de verzoeker volgens welke het legaliteitsbeginsel niet kan worden toegepast, vermits de gelijkstelling van de vluchtelingen met de Belgische onderdanen geen afbreuk zou doen aan het beginsel van voorspelbaarheid, zowel in rechte als in feite op een onjuiste analyse berust. Zij brengen in herinnering dat volgens de rechtspraak van het Arbitragehof enkel een democratisch verkozen beraadslagende vergadering kan beslissen om strafrechtelijk te vervolgen en zij besluiten daaruit dat het Hof in casu niet zou kunnen verklaren dat artikel 29, § 3, tweede lid, moet worden uitgebreid teneinde de in België gevestigde erkende vluchtelingen te beogen zonder afbreuk te doen aan het legaliteitsbeginsel. Bovendien doen zij gelden dat de door de verzoeker voorgestelde interpretatie zich verzet tegen de rechtspraak van het Hof inzake interpretatieve wetgeving, die niet kan worden toegepast in strafzaken : de wetgever kan te dezen geen interpretatieve wet aannemen, en zulks geldt a fortiori voor het Hof. Ten slotte doen de tussenkomende partijen gelden dat de inachtneming van het beginsel van voorspelbaarheid door de verzoeker ten onrechte wordt aangevoerd. Zij zetten uiteen dat laatstgenoemde Birma heeft verlaten in 1998, terwijl de wet van 16 juni 1993 destijds enkel oorlogsmisdaden beoogde. Zij besluiten daaruit dat op het ogenblik van de feiten waarvan de verzoeker en de andere klagers verklaren het slachtoffer te zijn, die feiten nog niet strafbaar waren gesteld in het Belgisch recht. Zij voegen daaraan toe dat niets kon laten vermoeden dat de verzoeker het statuut van politiek vluchteling in België zou aanvragen, waardoor zij de bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges in die zaak niet konden voorzien. 8 -B- B.1.
  30. De verzoeker vordert de gedeeltelijke vernietiging van artikel 29, § 3, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 7 augustus
  31. Bij arrest nr. 68/2005 van 13 april 2005, gewezen in antwoord op een prejudiciële vraag, heeft het Hof met name voor recht gezegd : « In zoverre het de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges zou opleggen, ofschoon een klager een in België erkend vluchteling is op het ogenblik van het instellen van de strafvordering, schendt artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet ». B.1.
  32. De verzoeker was partij bij de procedure tot onttrekking voor het Hof van Cassatie en hij is tussengekomen in de prejudiciële procedure die aanleiding heeft gegeven tot het voormeld arrest nr. 68/
  33. Naar aanleiding van dat arrest heeft het Hof van Cassatie op 29 juni 2005 een arrest gewezen waarbij het aan het Belgische rechtscollege de zaak onttrekt die door de onderzoeksrechter te Brussel werd behandeld op grond van een klacht die onder meer werd ingediend door de verzoeker. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep B.2.
  34. Het arrest nr. 68/2005 van 13 april 2005 is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 mei
  35. Het beroep, ingesteld op 13 oktober 2005, is ontvankelijk ratione temporis op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari
  36. B.2.
  37. De vennootschap Total S.A. en twee van haar bestuurders, tussenkomende partijen voor het Hof, betwisten het belang van de verzoeker. Zij zijn van mening, enerzijds, dat, aangezien laatstgenoemde partij is geweest bij de prejudiciële procedure die aanleiding 9 heeft gegeven tot het arrest nr. 68/2005, hij door die procedure geen belang meer zou hebben en, anderzijds, dat het voor hem, in geval van vernietiging van de in het geding zijnde bepaling, onmogelijk zou zijn de intrekking te verkrijgen van het op 29 juni 2005 door het Hof van Cassatie gewezen arrest waarbij de door de verzoeker ingestelde zaak aan de Belgische rechtscolleges is onttrokken. B.2.
  38. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.2.
  39. Het bij artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereiste belang verschilt niet van datgene dat wordt vereist in artikel 2 van dezelfde wet. B.2.
  40. De status van vluchteling is door de bevoegde Belgische overheid aan de verzoeker toegekend in
  41. Na die erkenning heeft hij bij een Belgische onderzoeksrechter klacht neergelegd op grond van de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht. Bij een arrest van 29 juni 2005 heeft het Hof van Cassatie, met toepassing van de aangevochten bepaling, de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges gelast van de door de verzoeker neergelegde klacht, niettegenstaande de bewoordingen van het in die zaak gewezen prejudicieel arrest nr. 68/
  42. De aangevochten bepaling kan de situatie van de verzoeker rechtstreeks en ongunstig raken, hetgeen ook het geval blijft na het door het Hof gewezen prejudicieel arrest en het nadien door het Hof van Cassatie gewezen arrest van 29 juni
  43. De in dat arrest uitgesproken onttrekking aan de Belgische rechtscolleges toont aan dat de verzoeker zijn belang bij het vorderen van de vernietiging van de in het geding zijnde bepaling niet ten volle heeft uitgeput. B.2.
  44. De omstandigheid dat de aangevochten bepaling de situatie van de verzoeker rechtstreeks en ongunstig kan raken, volstaat om aan te tonen dat hij het bij de bijzondere wet van 6 januari 1989 vereiste belang heeft. Het Hof dient zich voor het overige niet af te vragen welke kansen de verzoeker heeft om, in geval van vernietiging, de intrekking van het arrest 10 van het Hof van Cassatie van 29 juni 2005 te verkrijgen, want er kan niet worden beweerd dat het belang om de vernietiging te verkrijgen van een norm waartegen bezwaar bestaat, beperkt zou zijn tot de mogelijkheden van latere aanwending van de procedure tot intrekking. B.2.
  45. Bovendien hebben de overwegingen van de tussenkomende partijen in verband met de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de door de verzoeker bij de onderzoeksrechter neergelegde klacht met burgerlijke partijstelling niets te maken met onderhavig beroep en vallen ze onder de beoordelingsbevoegdheid van de strafgerechten. B.2.
  46. Ten slotte hebben de motieven van onontvankelijkheid van het beroep, die door de tussenkomende partijen worden afgeleid uit het gezag van gewijsde dat is verbonden aan het prejudicieel arrest nr. 68/2005 alsmede aan het arrest van het Hof van Cassatie van 29 juni 2005, betrekking op de interpretatie en de draagwijdte van de in het geding zijnde bepaling en zullen ze worden behandeld bij het onderzoek ten gronde. Ten gronde B.
  47. Bij de wet van 5 augustus 2003 wordt de wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, die was gewijzigd bij de wetten van 10 februari 1999, 10 april en 23 april 2003, opgeheven en worden de bepalingen van die wet, waaronder sommige in geamendeerde vorm, ingevoegd in het Strafwetboek, in de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en in het Wetboek van Strafvordering. Artikel 16, 2°, van de wet van 5 augustus 2003 voegt artikel 10, 1°bis, in de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering in, dat bepaalt : « Een vreemdeling, behoudens deze genoemd in de artikelen 6 en 7, § 1, kan in België vervolgd worden wanneer hij zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt : […] 1°bis. aan een ernstige schending van het internationaal humanitair recht, in boek II, titel Ibis van het Strafwetboek omschreven, gepleegd tegen een persoon die, op het moment 11 van de feiten, een Belgische onderdaan is of een persoon die sedert minstens drie jaar effectief, gewoonlijk en wettelijk in België verblijft ». Die bepaling heeft tot gevolg dat, in vergelijking met de vroegere situatie, de mogelijkheden voor de slachtoffers van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht om hun zaak aanhangig te maken bij de Belgische rechtscolleges worden beperkt door het passieve personaliteitsbeginsel te verankeren. B.
  48. De wetgever heeft, met de aanneming van artikel 29, § 3, van die wet, dat het voorwerp uitmaakt van onderhavig beroep, het lot geregeld van de klachten die vóór de inwerkingtreding van de wet van 5 augustus 2003 werden ingediend, en waarvoor op dat ogenblik het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek nog liep. Die overgangsbepaling luidt als volgt : « De aanhangige rechtsgedingen waarvoor een opsporingsonderzoek loopt op datum van de inwerkingtreding van deze wet en die betrekking hebben op misdrijven zoals omschreven in boek II, titel Ibis, van het Strafwetboek, worden geseponeerd door de federale procureur binnen dertig dagen na de inwerkingtreding van deze wet wanneer ze niet beantwoorden aan de criteria als bedoeld in de artikelen 6, 1°bis, 10, 1°bis en 12bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. De aanhangige rechtsgedingen waarvoor een gerechtelijk onderzoek loopt op datum van de inwerkingtreding van deze wet en die betrekking hebben op misdrijven zoals omschreven in boek II, titel Ibis, van het Strafwetboek, worden binnen dertig dagen na de inwerkingtreding van deze wet door de federale procureur overgezonden aan de procureur- generaal bij het Hof van Cassatie, met uitzondering van de zaken waarvoor een onderzoeksdaad was gesteld op datum van de inwerkingtreding van deze wet, op voorwaarde dat er ofwel tenminste één Belgische klager was op het ogenblik van het instellen van de strafvordering, ofwel tenminste één vermoedelijke dader in België zijn hoofdverblijfplaats heeft op datum van de inwerkingtreding van deze wet. Binnen dezelfde termijn zendt de federale procureur een verslag over betreffende ieder van de overgezonden zaken, waarin hij hun non-conformiteit aangeeft met de criteria als bedoeld in de artikelen 6, 1°bis, 10, 1°bis en 12bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. Binnen vijftien dagen na deze overdracht, vordert de procureur-generaal het Hof van Cassatie de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges uit te spreken binnen de dertig dagen, na de federale procureur en, op hun vraag, de klagers en diegenen die in beschuldiging zijn gesteld door de in de zaak geadieerde onderzoeksrechter te hebben gehoord. Het Hof van Cassatie doet uitspraak op grond van de criteria als bedoeld in de artikelen 6, 1°bis, 10, 1°bis en 12bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. 12 De Belgische rechtscolleges blijven bevoegd voor de zaken die niet zijn geseponeerd op grond van § 3, eerste lid, van dit artikel, of waarvan de onttrekking niet werd uitgesproken op grond van het vorige lid ». B.
  49. De verzoeker leidt een enig middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 16.2 van het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, in zoverre de overgangsbepaling, die voorziet in de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges van de rechtsgedingen waarvoor een gerechtelijk onderzoek loopt, van toepassing is, zelfs wanneer één van de klagers als vluchteling was erkend op het ogenblik van het instellen van de strafvordering, terwijl ze niet van toepassing is wanneer ten minste één van de klagers op datzelfde ogenblik Belg was. B.
  50. In verband met de uitzondering waarin is voorzien in de overgangsregeling van onttrekking die het voorwerp uitmaakt van het beroep, en volgens welke de procedure tot onttrekking niet wordt toegepast wanneer er ten minste één Belgische klager is « op het ogenblik van het instellen van de strafvordering » in een zaak waarvoor een onderzoeksdaad is gesteld vóór de datum van inwerkingtreding van de wet van 5 augustus 2003, stelt de memorie van toelichting dat de wetgever de draagwijdte van de afwijking heeft willen beperken tot uitsluitend die zaken die, op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet « een duidelijk aanknopingspunt met België » vertoonden (Parl. St., Kamer, B.Z. 2003, DOC 51-0103/001, p. 10). Wanneer de wetgever artikel 10, 1°bis, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering heeft aangenomen omdat personen die geen enkel aanknopingspunt hadden met België, een beroep deden op de wet van 16 juni 1993 om redenen die vreemd zijn aan een goede rechtsbedeling en de doelstellingen van die wet, vermocht hij een overgangsmaatregel te nemen ten voordele van personen die met België verbonden zijn door de juridische band van de nationaliteit. Een dergelijke overgangsmaatregel is pertinent ten opzichte van de doelstelling van de wetgever. B.
  51. Artikel 16.2 van het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen bepaalt : « Een vluchteling geniet in de Verdragsluitende Staat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, dezelfde behandeling als een onderdaan, wat betreft rechtsingang, […] ». 13 B.8.
  52. Die bepaling heeft rechtstreekse gevolgen in de Belgische rechtsorde : zij is voldoende precies en volledig zodat de toepassing ervan mogelijk is zonder bijkomende uitvoeringsmaatregel. Krachtens dat « rechtstreeks toepasbare » karakter, stond ze, om reden van de identieke behandeling met de personen die op dat ogenblik de Belgische nationaliteit hadden, eraan in de weg dat de Belgische rechtscolleges zich onttrokken aan de klachten die werden ingediend door personen die, op het ogenblik van het instellen van de strafvordering, de hoedanigheid hadden van erkend vluchteling. B.8.
  53. Het Hof neemt echter akte van het feit dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 5 mei 2004 waarbij één van de prejudiciële vragen wordt gesteld die aanleiding hebben gegeven tot het arrest nr. 68/2005, op impliciete wijze - en in zijn arrest van 29 juni 2005 op expliciete wijze - heeft geoordeeld dat artikel 16.2 van het Verdrag van 28 juli 1951 « niet tot gevolg heeft de overgangsregeling van het voormelde artikel 29, § 3, tweede lid, toepasbaar te maken wanneer een klager, die zijn gewoonlijke verblijfplaats in België heeft, er het statuut van vluchteling heeft ». B.
  54. Het rechtstreeks toepasbare karakter van artikel 16.2 van het Verdrag van 28 juli 1951 legde de verplichting op om de aangevochten bepaling op een dusdanige wijze toe te passen dat ze in overeenstemming werd gebracht met dat Verdrag. Zoals de bestreden bepaling is geformuleerd, stelt ze de erkende vluchtelingen echter niet in staat op dezelfde wijze toegang te hebben tot de rechtbanken als de klagers met Belgische nationaliteit. Het Hof dient dus te onderzoeken of de aangevochten bepaling de door de verzoeker aangevoerde bepalingen schendt. De wetgever is immers ertoe gehouden de internationale verbintenissen die door België worden aangegaan, in acht te nemen en het staat, in voorkomend geval, aan het Hof de tekortkomingen van de wetgever af te keuren wanneer die eveneens een schending vormen van een bepaling waarvoor het Hof, krachtens artikel 142 van de Grondwet, de naleving ervan verzekert. B.
  55. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 5 augustus 2003 blijkt niet dat de wetgever aandacht zou hebben gehad voor de situatie van de klagers met de status van vluchteling, noch dat hij erover zou hebben gewaakt ten aanzien van hen de verplichtingen na te leven die voor hem voortvloeien uit artikel 16.2 van het Verdrag van 28 juni
  56. 14 B.
  57. Uit wat voorafgaat volgt dat, doordat de wetgever heeft voorzien in de onttrekking aan de Belgische rechtscolleges van de klachten die op grond van de wet van 18 juni 1993 zijn neergelegd door personen met de hoedanigheid van in België erkend vluchteling op het ogenblik van het instellen van de strafvordering, terwijl de klachten neergelegd door personen die op datzelfde ogenblik de Belgische nationaliteit hadden, niet het voorwerp konden uitmaken van een onttrekking, hij de artikelen 10, 11, en 191 van de Grondwet heeft geschonden, in samenhang gelezen met artikel 16.2 van het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen. B.
  58. Het middel is gegrond. Ten aanzien van de omvang en de draagwijdte van de vernietiging B.
  59. Artikel 29, § 3, tweede lid, van de wet van 5 augustus 2003, dat de in B.11 beoogde discriminatie veroorzaakt, voorziet in het beginsel van de onttrekking, en gaat gepaard met een uitzondering die de door Belgen neergelegde klachten beoogt. Een vernietiging die uitsluitend betrekking heeft op die uitzondering waarin de Belgen worden beoogd, zou tot gevolg hebben dat de door de Belgen neergelegde klachten aan de rechtscolleges kunnen worden onttrokken, wat strijdig zou zijn met hetgeen de wetgever heeft nagestreefd en door het Hof in zijn arrest nr. 68/2005 als legitiem werd beschouwd. Een dergelijke vernietiging zou bovendien verstoken zijn van enig nuttig resultaat voor de personen met de status van vluchteling, die het slachtoffer zijn van de door het Hof vastgestelde discriminatie. B.
  60. Bijgevolg dient in de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, artikel 29, § 3, tweede lid, integraal te worden vernietigd, alsmede het derde en vierde lid, en in het vijfde lid, de woorden « of waarvan de onttrekking niet werd uitgesproken op grond van het vorige lid » die daarmee onlosmakelijk zijn verbonden. B.
  61. De tussenkomende partijen betogen dat de vernietiging van die bepalingen, in zoverre zij tot gevolg zou hebben dat aan de Belgische rechtscolleges, in voorkomend geval, opnieuw klachten kunnen worden voorgelegd die met toepassing van de vernietigde bepaling 15 aan hen onttrokken zijn geweest of hadden moeten worden, strijdig is met artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, artikel 7.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 15.1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarin de beginselen van wettigheid en niet-retroactiviteit in strafzaken zijn vastgelegd. B.
  62. De vernietigde bepaling roept geen enkele strafbaarstelling in het leven en legt geen enkele straf op, en heeft uitsluitend tot doel de bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges vast te stellen. De vernietiging van die bepaling heeft evenmin tot gevolg dat een nieuwe strafbaarstelling in het leven wordt geroepen of een straf wordt vastgesteld, noch dat een opgeheven strafbaarstelling of straf opnieuw worden ingevoerd. De vernietiging heeft immers enkel betrekking op de bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges en zij heeft tot gevolg dat een bevoegdheidsregel die door een verkozen beraadslagende vergadering werd aangenomen vooraleer de ten laste gelegde feiten werden gepleegd, opnieuw wordt ingevoerd. In tegenstelling tot de omstandigheden beschreven in het arrest nr. 73/2005, waarin het Hof heeft geoordeeld dat de in het geding zijnde wet een bepaling van het materieel strafrecht was omdat zij een wettelijke basis verleende aan een in België uitgevoerde vervolging, terwijl er voorheen geen wettelijke basis voor vervolging en bestraffing in België bestond voor de in het buitenland gepleegde feiten die de verzoekster ten laste werden gelegd, heeft te dezen de uitgesproken vernietiging niet tot gevolg dat feiten vervolgbaar of strafbaar worden die in België niet strafbaar waren op het ogenblik waarop zij zouden zijn gepleegd. Op het ogenblik waarop de feiten die het voorwerp uitmaken van de bij de Belgische onderzoeksrechter neergelegde klacht zouden zijn gepleegd, en onder voorbehoud van het nazicht, waarvoor de strafgerechten bevoegd zijn, dat die feiten werden beoogd in de wet van 16 juni 1993, waren de Belgische rechtscolleges immers bevoegd om daarvan kennis te nemen, zodat de daders ervan de mogelijke gevolgen van hun daden konden voorspellen op het ogenblik waarop zij ze zouden hebben gepleegd. B.
  63. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat, in tegenstelling tot wat de tussenkomende partijen beweren, de in het geding zijnde bepaling geen regel van materieel strafrecht uitmaakt en de vernietiging ervan niet erop zou neerkomen dat een zodanige regel zou worden ingevoerd. 16 De omstandigheid dat de zaak op een bepaald ogenblik aan de Belgische rechtscolleges onttrokken is geweest en dat die eventueel opnieuw bij hen aanhangig zou kunnen worden gemaakt, doet, ofschoon zij weliswaar tot gevolg heeft dat zij de hoop verijdelt die de tussenkomende partijen vermochten te koesteren naar aanleiding van de inwerkingtreding van de wet van 5 augustus 2003, geen afbreuk aan hun fundamenteel recht op inachtneming van het legaliteitsbeginsel van het strafrecht. Ten aanzien van de handhaving van sommige gevolgen teweeggebracht door de vernietigde bepaling B.
  64. De vernietigde bepaling is een overgangsbepaling die enkel gevolg heeft gehad in verband met de zaken waarvoor op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan nog een gerechtelijk onderzoek liep, en die geen gevolg meer heeft, doordat, naar gelang van de gevallen, de zaak aan de Belgische rechtscolleges werd onttrokken of de bevoegdheid van die rechtscolleges voor de op dat ogenblik hangende zaken werd gehandhaafd. B.
  65. Met toepassing van die bepaling werden die zaken aan de Belgische rechtscolleges onttrokken die, hetzij niet het voorwerp hadden uitgemaakt van een onderzoeksdaad op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 5 augustus 2003, hetzij werden ingesteld door klagers die op het ogenblik van het instellen van de strafvordering een vreemde nationaliteit hadden, hetzij gericht waren tegen vermoedelijke daders die geen hoofdverblijfplaats in België hadden op de datum van inwerkingtreding van de wet van 5 augustus
  66. B.
  67. Bij het arrest nr. 68/2005 heeft het Hof aangenomen dat de wetgever voorziet in de onttrekking van de zaak aan de Belgische rechtscolleges wanneer de klager noch Belg, noch in België erkend vluchteling was. De vernietiging kan dus niet tot gevolg hebben dat wordt toegelaten dat bij de Belgische rechtscolleges opnieuw alle klachten kunnen worden aanhangig gemaakt die, met toepassing van de vernietigde bepaling, aan hen werden onttrokken. Bijgevolg dient met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet 17 van 6 januari 1989 te worden aangegeven welke gevolgen van de vernietigde bepaling als definitief moeten worden beschouwd, zodat de vernietiging enkel betrekking heeft op de zaken waarin ten minste één van de klagers een in België erkend vluchteling was op het ogenblik waarop de strafvordering werd ingesteld. 18 Om die redenen, het Hof - vernietigt in artikel 29, § 3, van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, het tweede, derde en vierde lid, alsmede, in het vijfde lid, de woorden « of waarvan de onttrekking niet werd uitgesproken op grond van het vorige lid »; - handhaaft definitief, onder de gevolgen van de vernietigde bepalingen, diegene die hebben geleid tot een onttrekking van de zaak aan de Belgische rechtscolleges wanneer geen enkele klager een in België erkend vluchteling was op het ogenblik waarop de strafvordering werd ingesteld. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 juni
  68. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.104 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.075 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.