id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.108 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060628.1 Arrest- Rolnummer: 108/2006;3741 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-09-21 Raadplegingen: 221 - laatst gezien 2026-06-30 15:19 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 203, ,§ 1, van het Burgerlijk Wetboek schendt noch de artikelen 10 en 11, noch artikel 22 van de Grondwet. Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende artikel 203, ,§ 1, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 203,§1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3741 Arrest nr. 108/2006 van 28 juni 2006 ___________ In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 28 juni 2005 in zake A. Morano tegen C. Aleo, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 30 juni 2005, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1°) Schendt artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, zoals het wordt geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie in zijn […] arresten van 16 april 2004 en 2 mei 2005, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die burgerrechtelijke bepaling van openbare orde een discriminatie in het leven roept tussen de kinderen wier vader en moeder gescheiden zijn en diegenen die samenleven met hun niet gescheiden vader en moeder, doordat – teneinde de middelen van de vader en de moeder vast te stellen naar evenredigheid waarvan een raming wordt gemaakt van de kosten voor de eerstgenoemden, en van het voor hen door één van hun gescheiden ouders, vader of moeder, verschuldigde onderhoudsgeld - de rechter ‘ rekening [zou moeten] houden met de lasten die op een van hen rusten ’, ook al zijn die lasten niet van fiscale, sociale, professionele of uitzonderlijke aard, enerzijds, en doordat – door de samenwoning van de laatstgenoemden met hun niet gescheiden vader en moeder – de kosten voor die kinderen steeds een aandeel in alle lasten van hun vader en moeder omvatten die niet van fiscale, sociale, professionele of uitzonderlijke aard zijn, anderzijds, wat erop neerkomt dat de lasten van de gescheiden ouders die niet van fiscale, sociale, professionele of uitzonderlijke aard zijn, worden bevoorrecht ten aanzien van de uitgaven in verband met de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen, terwijl dat voorrecht niet bestaat in de gevallen waarin de kinderen met hun niet gescheiden vader en moeder samenwonen ? 2°) Schendt artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, zoals het wordt geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie in zijn […] arresten van 16 april 2004 en 2 mei 2005, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre - in de veronderstelling dat teneinde de middelen van de vader en de moeder vast te stellen naar evenredigheid waarvan de kosten voor het kind moeten worden geraamd, de rechter daadwerkelijk ‘ rekening moet houden met de lasten die op een van hen rusten ’, ook al zijn die lasten niet van fiscale, sociale, professionele of uitzonderlijke aard – die burgerrechtelijke bepaling een discriminatie in het leven roept tussen verschillende vaders en moeders die over dezelfde nettomiddelen beschikken, doordat het begrip ‘ lasten ’ en de uitdrukking ‘ rekening houden met ’ niet zijn gedefinieerd, hetgeen, doordat enkel de rechter beoordelingsbevoegdheid heeft in verband met de definitie van een last en de wijze waarop daarmee rekening dient te worden gehouden in een aangelegenheid van openbare orde, tot gevolg heeft dat het lot dat zal worden voorbehouden aan een vordering die door een vader of een moeder wordt ingesteld op grond van artikel 203bis van het Burgerlijk Wetboek, door die schending, een verbreking van de gelijkheid kan vormen in vergelijking met het lot dat wordt voorbehouden aan een vordering die op dezelfde grond wordt ingesteld door een andere vader of moeder ? 3°) Schendt artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek artikel 22 van de Grondwet, in zoverre die burgerrechtelijke bepaling, zoals ze door het Hof van Cassatie wordt geïnterpreteerd in zijn […] arresten van 16 april 2004 en 2 mei 2005, doordat ze aan de rechter de verplichting oplegt om rekening te houden met bepaalde lasten van de vader en moeder teneinde hun respectieve middelen vast te stellen – ook al zijn die lasten niet van fiscale, sociale, professionele of uitzonderlijke aard – hem tegelijkertijd de verplichting oplegt zich in het privé-leven van zowel de vader als de moeder te mengen, door - op grond van niet objectief gedefinieerde criteria – te oordelen over het al dan niet gepaste karakter van de 3 uitgaven die, als lasten, moeten worden aangenomen of verworpen, teneinde de proportionele kosten voor het kind te verminderen, met miskenning van de vrijheid van de vader en de moeder om het leven te leiden waarvoor zij hebben gekozen, terwijl die inmenging van de rechter niet noodzakelijk is om de kosten voor het kind te berekenen noch om het voor hem verschuldigde onderhoudsgeld vast te stellen ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 27 april 2006 : - is verschenen : Mr. E. Jacubowitz loco Mr. D. Gérard en Mr. M. Mareschal, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De partijen voor de verwijzende rechter zijn feitelijk gescheiden sinds 1 september 2002 en zijn in termen van echtscheiding sinds 11 september
- Het geschil waarbij ze tegenover elkaar staan voor het Hof van Beroep te Bergen betreft, enerzijds, het bedrag van het onderhoudsgeld vanwege de appellant in de kosten die, voor de gemeenschappelijke kinderen van de partijen « voortvloeien » uit artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek en, anderzijds, het bedrag van de onderhoudsbijdrage die de appellant verschuldigd is aan de geïntimeerde. Wat betreft het onderhoudsgeld voor de kinderen, stelt de verwijzende rechter vast dat artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek zich ertoe beperkt de evenredigheid van de « middelen » van de moeder en de vader aan te geven als enig criterium voor de vaststelling van de « kosten » voor de kinderen, waarbij niet wordt geantwoord op de vraag welk aandeel van het gezinsbudget moet worden besteed aan de kosten voor huisvesting, levensonderhoud, toezicht, opvoeding en opleiding van hun kinderen. Daaruit zou een aanzienlijk risico van rechtsonzekerheid voortvloeien dat is verbonden aan het risico dat de rechter een empirische, zelfs intuïtieve en subjectieve raming maakt van de kosten voor de kinderen. De rechter stelt evenwel vast dat teneinde die situatie te verhelpen de hedendaagse rechtspraak verwijst naar de evenredigheidscoëfficiënten die op wetenschappelijke wijze zijn vastgesteld door de socioloog Roland Renard. Hij stelt eveneens vast dat artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek geen enkel onderscheid maakt tussen de kinderen die samenleven met hun beide ouders en diegenen wier vader en moeder gescheiden zijn. Hij is van mening dat het aandeel van de kosten voor een kind niet op een verschillende wijze dient te worden vastgesteld naar gelang het gezin verenigd, ontwricht of opnieuw samengesteld is. Teneinde het bedrag van het onderhoudsgeld te berekenen verwijst de verwijzende rechter naar het begrip « middelen » van de ouders, waarbij wordt gepreciseerd dat de door de ouders gedane uitgaven voor huisvesting, levensonderhoud, toezicht, opvoeding en opleiding van hun kinderen een « percentage » zijn van de bronnen van inkomsten van de ouders. Het kind zou aldus recht hebben op een levensstandaard en een opvoeding die in verhouding staan tot de samengevoegde inkomsten van zijn ouders, waardoor de beoordeling of de door de ouders gedane uitgaven opportuun zijn, nutteloos zou worden en waardoor het objectieve karakter van de kosten voor het kind kracht wordt bijgezet. 4 Het Hof van Beroep te Bergen vermeldt twee arresten van het Hof van Cassatie die zijn gewezen op 16 april 2004 en 2 mei 2005, waarin het hoge rechtscollege heeft beslist dat « de rechter, om de respectieve middelen van de vader en de moeder te bepalen, onder meer rekening moet houden met de lasten die op een van hen rusten ». Het Hof van Beroep doet echter opmerken dat het Hof van Cassatie geen objectief criterium heeft gegeven aan de hand waarvan het begrip « lasten » kan worden gedefinieerd en niet heeft gepreciseerd in welke mate daarmee rekening dient te worden gehouden. De verwijzende rechter beslist bijgevolg aan het Hof drie prejudiciële vragen te stellen in verband met artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek. III. In rechte -A- Memorie van de Ministerraad A.1.
- Wat betreft de eerste prejudiciële vraag betoogt de Ministerraad dat die zonder voorwerp is. Aldus zou men niet inzien welk verschil in behandeling tussen de twee in de vraag bedoelde categorieën van personen de rechtspraak van het Hof van Cassatie zou hebben teweeggebracht met zijn arresten van 16 april 2005 en 2 mei
- Het Hof van Cassatie zou immers, door te oordelen dat, teneinde met toepassing van artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek de respectieve middelen van de ouders te bepalen, de rechter onder meer rekening moet houden met de lasten die op een van hen wegen, geen onderscheid hebben vastgesteld naargelang de ouders al dan niet feitelijk gescheiden zijn. A.1.
- De Ministerraad betoogt tevens dat, mocht de vraag zo worden gelezen dat ze een vergelijking inhoudt van de twee in de vraag beoogde categorieën van kinderen, met dien verstande dat het kind dat samenwoont met zijn ouders geen enkele vordering instelt bij het gerecht, de vraag naar de raming door een rechter van de kosten voor het kind en de evenredige financiering ervan door elk van zijn ouders, niet zou rijzen. Hij beklemtoont tevens dat de niet feitelijk gescheiden ouders hun inkomsten aan de behoeften van het gezin, met inbegrip van het onderhoud van de kinderen, besteden volgens een wijze van budgetbeheer die zij in alle opportuniteit vaststellen. Er zou dus voor het gezinsbudget geen enkel model van uitgavenbesteding bestaan waarnaar pertinent zou kunnen worden verwezen. De Ministerraad leidt uit die elementen af dat men de beide in de prejudiciële vragen beoogde categorieën van personen niet op dienstige en relevante wijze zou kunnen vergelijken. A.1.
- In ondergeschikte orde beweert de Ministerraad dat de bestreden bepaling geen discriminerend verschil in behandeling in het leven roept. Er wordt betoogd dat het evenredigheidsbeginsel, wat betreft de verplichting tot onderhoud vanwege de ouders ten aanzien van hun kinderen, ontegenzeglijk wettig is. Het feit dat met de lasten die op een van de ouders rusten, rekening wordt gehouden door de rechter die moet beoordelen welke middelen elke ouder heeft om bij te dragen in de verplichting tot levensonderhoud van hun kind, zou tot doel hebben concreet vast te stellen welke economische draagkracht iedere ouder heeft om bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van het kind. De Ministerraad beklemtoont het feit dat de lasten die door het Hof van Cassatie in aanmerking worden genomen in zijn arrest van 16 april 2004, uitsluitend buitengewone en onreduceerbare lasten zijn die op algemene wijze de levensstandaard van de betrokken ouder raken en dus zijn draagkracht om bij te dragen in het levensonderhoud van het kind. Aangezien die lasten een weerslag hebben op de levensstandaard van de ouder welke die lasten moet dragen, zou het, volgens de Ministerraad, absurd zijn daarmee geen rekening te houden, gelet op de door de wetgever nagestreefde doelstelling. A.2.
- Wat betreft de tweede prejudiciële vraag verwijst de Ministerraad naar de uiteenzetting die hij aan de eerste prejudiciële vraag heeft gewijd. 5 A.2.
- Hij betoogt voor het overige dat de vraag erop neerkomt aan het Hof te vragen welke graad van precisie van de wet wordt vereist door het beginsel van rechtszekerheid. De burgerlijke wet kan echter geen absolute graad van precisie hebben vermits dit een nadelige starheid teweeg zou brengen voor de wet en ze niet zou kunnen worden toegepast op alle situaties die zij geacht wordt te regelen. A.
- Wat betreft de derde prejudiciële vraag, onderstreept de Ministerraad eens te meer dat de door de wetgever nagestreefde doelstelling wettig is. Het zou noodzakelijk zijn dat de ouder die van mening is dat zijn aandeel in het levensonderhoud van het kind zijn economische draagkracht overschrijdt, de onreduceerbare lasten voorlegt die op hem rusten. Het feit dat met die lasten rekening wordt gehouden, zou de rechter immers in staat stellen de draagkracht van de ouders op een eerlijkere wijze te beoordelen. Het zou geenszins erom gaan de rechter in staat te stellen het al dan niet betamelijke karakter te beoordelen van een uitgave die een onreduceerbare last vormt en geen courante last ten aanzien waarvan de ouder over een vrije keuze beschikt. -B– B.
- Artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « De ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen ». B.
- In een eerste prejudiciële vraag verzoekt de verwijzende rechter het Hof zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de voormelde bepaling, zoals ze door het Hof van Cassatie wordt geïnterpreteerd in zijn arresten van 16 april 2004 en 2 mei 2005, in zoverre zij een discriminerend verschil in behandeling in het leven zou roepen ten aanzien van de kinderen die samenleven met hun niet gescheiden vader en moeder en voor wie door de samenwoning nooit rekening is gehouden met de kostprijs van de lasten die op een van de ouders wegen, ook al zijn die lasten niet van fiscale, sociale, professionele of uitzonderlijke aard, terwijl de rechter met dergelijke lasten wel rekening zou houden wanneer hij de middelen van de gescheiden vader en moeder inschat en de verhouding waarin zij respectievelijk bijdragen in de financiering van het onderhoudsgeld. B.3.
- Volgens de Ministerraad zou de eerste prejudiciële vraag zonder voorwerp zijn omdat er geen verschil in behandeling zou bestaan tussen de beide erin beoogde categorieën van kinderen. Het Hof van Cassatie zou immers geen onderscheid hebben ingesteld naargelang de ouders al dan niet feitelijk gescheiden zijn. B.3.
- In zijn arrest van 16 april 2004 heeft het Hof van Cassatie voor recht gezegd : 6 « Overwegende dat de ouders, luidens artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, naar evenredigheid van hun middelen dienen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen; Dat de rechter, om de respectieve middelen van de ouders te bepalen, onder meer rekening moet houden met de lasten die op een van hen rusten; Overwegende dat eiseres in haar conclusie aanvoerde dat zij door de voortdurende verergering van haar gezondheidstoestand genoodzaakt werd dokters- en apothekerskosten te maken ; Overwegende dat het arrest van 24 april 2002, dat van oordeel is dat, bij de vaststelling van de voor een kind verschuldigde onderhoudsbijdrage ‘ de bedragen van de lasten van het dagelijks leven van de ouders niet van de netto-inkomsten afgetrokken dienen te worden ’, aangezien ‘ lasten van het dagelijks leven aftrekken van de inkomsten van een van de ouders, in werkelijkheid erop zou neerkomen een gedeelte van die inkomsten uit te wissen, dat wil zeggen een wezenlijk gegeven van de kosten van het kind die men nu net aan de hand van de hierboven vermelde methode wil berekenen ’, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt; » (Cass., 16 april 2004, Pas., 2004, p. 628). In zijn arrest van 2 mei 2005 (C.04.0375.F) heeft het Hof van Cassatie, in verband met het bestaan van onreduceerbare, met name hypothecaire kosten en lasten eveneens geoordeeld dat « door te beslissen ‘ dat de bedragen van de lasten van het dagelijks leven van de ouders niet van de netto-inkomsten afgetrokken dienen te worden ’ aangezien ‘ lasten van het dagelijks leven aftrekken van de inkomsten van een van de ouders, in werkelijkheid erop zou neerkomen een gedeelte van die inkomsten uit te wissen, dat wil zeggen een wezenlijk gegeven van de kosten van het kind die men nu net aan de hand van de methode [Renard] wil berekenen ’, het arrest van het Hof van Beroep zijn beslissing niet naar recht verantwoordt » (eigen vertaling). Uit die beide arresten blijkt dat de rechter een onwettige beslissing zou wijzen, indien hij, teneinde de draagkracht van de vader en de moeder te ramen, geen rekening zou houden met de lasten van medische en farmaceutische aard alsmede met de onreduceerbare, met name hypothecaire, lasten die op één van hen wegen. B.3.
- Artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek maakt geen enkel onderscheid tussen de kinderen die samenleven met hun beide ouders en diegenen wier vader en moeder feitelijk gescheiden zijn. De prejudiciële vraag gaat dus uit van een interpretatie die geen steun kan vinden in de wet. 7 De omstandigheid dat de arresten van het Hof van Cassatie zijn gewezen naar aanleiding van geschillen waarbij gescheiden vaders en moeders betrokken waren, maakt het niet mogelijk te besluiten dat de erin aangenomen interpretatie van artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek verschillend zou zijn in het geval van niet-gescheiden ouders. B.
- Aangezien artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, zoals het wordt geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie in zijn arresten van 16 april 2004 en 2 mei 2005, geen enkel verschil in behandeling invoert onder de kinderen naargelang hun ouders al dan niet gescheiden zijn, dient de eerste prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. B.
- In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de ontstentenis van definitie van het begrip « lasten » en de uitdrukking « rekening houden met » in artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek wat, omwille van de aan de rechter gelaten beoordelingsbevoegdheid, tot gevolg zou hebben dat een discriminatie mogelijk wordt tussen vaders en moeders die over dezelfde nettomiddelen beschikken en een vordering zouden instellen op grond van artikel 203bis van het Burgerlijk Wetboek. B.6.
- Met de aanneming van de wet van 13 april 1995 betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, heeft de wetgever het principe willen invoeren dat beide ouders na de echtscheiding de verantwoordelijkheid voor hun kinderen blijven dragen, terwijl tot dan toe alleen de ouder die de materiële bewaring over het kind had, het ouderlijk gezag uitoefende in geval van scheiding (Parl. St., Kamer, 1994-1995, nr. 1430/4-93/94, p. 3). In die optiek heeft de wetgever artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek gewijzigd teneinde uitdrukkelijk te bepalen dat de ouders naar evenredigheid bijdragen in de huisvesting, het onderhoud, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen (ibid., pp. 9 en 10). B.6.
- Vanwege het beginsel zelf van de algemeenheid van de wetten kunnen de bewoordingen ervan vaak geen absolute precisie vertonen. Er kan de wetgever, in naam van de rechtszekerheid, niet worden verweten dat hij te dezen geen criteria heeft vastgesteld die dermate precies zijn dat de rechter over geen enkele beoordelingsbevoegdheid meer zou beschikken in een aangelegenheid die wordt gekenmerkt door zeer uiteenlopende situaties. Het is immers enkel in het raam van een concreet onderzoek van de situatie van de ouders dat de verhouding kan worden vastgesteld waarin zij zouden moeten bijdragen in de kosten voor levensonderhoud van hun kinderen. De mogelijke discrepanties in de rechtspraak die zouden 8 kunnen voortvloeien uit de ontstentenis van wettelijke criteria, kunnen worden bijgestuurd door de beschikbare beroepen. B.
- Daaruit volgt dat de tweede prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. B.
- Met de derde prejudiciële vraag ondervraagt de verwijzende rechter het Hof over de mogelijke schending van artikel 22 van de Grondwet door artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, zoals het wordt geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie in zijn arresten van 16 april 2004 en 2 mei 2005, in zoverre het aan de rechter die het bedrag van het onderhoudsgeld dient vast te stellen dat door de ouders is verschuldigd aan hun kinderen, de verplichting zou opleggen zich in het privé-leven van zowel de vader als de moeder te mengen, teneinde hun respectieve middelen vast te stellen. B.9.
- Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». B.9.
- De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet worden gewaarborgd, zijn niet absoluut. Hoewel artikel 22 van de Grondwet aan eenieder het recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven toekent, voegt die bepaling daaraan immers onmiddellijk toe : « behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald ». De voormelde bepalingen vereisen dat elke overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privé-leven en het gezinsleven wordt toegelaten door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig is met de nagestreefde wettige doelstelling. B.9.
- In die zin geïnterpreteerd dat het de rechter toestaat rekening te houden met de lasten van uitzonderlijke en onreduceerbare aard die op de ouders kunnen wegen teneinde de middelen vast te stellen waarover zij beschikken om bij te dragen in de kosten van hun 9 kinderen, doet artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek niet op onverantwoorde wijze afbreuk aan het recht op de eerbiediging van het privé-leven van de ouders, rekening houdend met de in B.6.1 beschreven doelstelling. B.
- De derde prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek schendt noch de artikelen 10 en 11, noch artikel 22 van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 28 juni
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.108 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div