← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.112

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 juni 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.112 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060628.6 Arrest- Rolnummer: 112/2006;3793 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 195 - laatst gezien 2026-06-30 15:03 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - wijst de afstand van beroep van de eerste en de vijfde verzoekende partij toe; - verwerpt het beroep. Vrije woorden: Beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 17 februari 2005 " tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 en van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen ", ingesteld door L. Lamine en anderen. Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-2005 - 62 ELI link Pub nr 2005000599 Tekst van de beslissing Rolnummer 3793 Arrest nr. 112/2006 van 28 juni 2006 In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 17 februari 2005 « tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 en van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen », ingesteld door L. Lamine en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 oktober 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 oktober 2005, is beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de wet van 17 februari 2005 « tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 en van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 oktober 2005, tweede editie) door L. Lamine, wonende te 3110 Rotselaar, Steenweg op Wezemaal 90, J. Donny, wonende te 3150 Haacht, Bukenstraat 21, M. Weemaes, wonende te 3110 Rotselaar, Steenweg op Wezemaal 90, I. Billen, wonende te 3150 Haacht, Bukenstraat 21, en M. Elincx, wonende te 3020 Herent, Bijlokstraat

  1. Bij het arrest nr. 24/2006 van 15 februari 2006 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 maart 2006) heeft het Hof de vordering tot schorsing van dezelfde wet, ingesteld door L. Lamine en M. Weemaes, verworpen. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 31 mei 2006 : - is verschenen : Mr. D. D’Hooghe, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1.
  2. In hun hoedanigheid van tweede opvolger voor de gemeenteraad (eerste verzoeker), effectief verkozen gemeenteraadsleden (tweede en derde verzoeker) en actieve leden (vierde en vijfde verzoeker) van de politieke partij Vlaams Belang vorderen de verzoekende partijen de vernietiging – geheel of gedeeltelijk - van de wet van 17 februari 2005 « tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 en van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen », die in het Belgisch Staatsblad van 13 oktober 2005 is verschenen. Ter staving van hun belang voeren de verzoekende partijen aan dat zowel het Hof van Beroep te Gent in het arrest van 21 april 2004 als het Hof van Cassatie in het arrest van 9 november 2004 artikel 3 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden verkeerd hebben toegepast. Dit heeft volgens hen tot gevolg dat een belangrijke overweging van het Hof in het arrest nr. 10/2001 van 7 februari 2001 aan « een corrigerende en in ieder geval nuancerende verklaring toe is » (p. 12 van het verzoekschrift). Zij zijn van mening dat het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 21 april 2004, bevestigd door het Hof van Cassatie op 9 november 2004, het « waarschijnlijk » maakt dat het hun « partij is die (als eerste) het voorwerp zal uitmaken van een procedure die met inachtneming van de bestreden bepalingen zal in werking worden gesteld » (p. 10 verzoekschrift). Zij menen dat het Vlaams Belang in zijn geheel zal worden getroffen door die « drooglegging », en vast en zeker de kleinere afdelingen, waartoe zij behoren. Om de redenen die zij uiteenzetten, verklaren zij overigens voormelde arresten te bestrijden voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en zijn zij « het grondig oneens met de nationale leiding van hun partij, die, omwille van in hun ogen duistere politieke of onbegrijpelijke juridische redenen, weigert een verzoekschrift aan het EHRM te laten toekomen ter bestrijding van het Gentse arrest » (p. 17 van het verzoekschrift). Vervolgens menen zij rechtstreeks en ongunstig door de bestreden norm te kunnen worden geraakt, in zoverre die op basis van hun vroegere uitspraken als kandidaat of van hun interventies in de gemeenteraad zou toestaan dat een volgens hen ongrondwettige procedure in gang zou kunnen worden gezet. Aldus verklaart de eerste verzoeker dat hij in het verleden openlijk het zogenaamde « 70-puntenprogramma » heeft verdedigd en hij vreest dat zijn uitspraken ter sprake zullen worden gebracht tijdens de procedure waarin de bestreden wet voorziet. Ten slotte voeren de verzoekende partijen aan dat de vrijheid van meningsuiting en het recht om deel te nemen aan vrije verkiezingen een dermate essentieel recht is dat zij als natuurlijke persoon een voortdurend belang hebben bij het bestrijden van wetten die grondrechten schenden. A.1.
  3. De Ministerraad is van mening dat geen van de verzoekende partijen doet blijken van een rechtstreeks en persoonlijk belang bij de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet. De Ministerraad verwijst naar het arrest nr. 10/2001 van 7 februari 2001, waarin het Hof oordeelde dat, aangezien de dotatie de politieke partij toekomt en niet de individuele leden ervan, deze laatsten zelf niet persoonlijk en rechtstreeks kunnen worden beklemtoont door artikel 15ter van de wet van 4 juli
  4. De Ministerraad beklemtoont dat, vermits geen van de verzoekende partijen verkozen is in een parlementaire assemblee, zij geen beroep kunnen doen op de uitzondering voor individuele partijleden die verkozen zijn in een parlementaire vergadering. De Ministerraad wijst vervolgens erop dat het belang voldoende zeker dient te zijn, hetgeen niet het geval is : de vraag of en de omvang waarmee de teksten en de uitspraken van de verzoekers opnieuw onder de publieke aandacht zullen worden gebracht, is afhankelijk van diverse nog af te wachten ontwikkelingen. Bovendien lijkt het veeleer waarschijnlijk dat een procedure gebaseerd zal worden op de officiële teksten van de partij. Ten slotte stelt de Ministerraad dat de habeas corpus-rechtspraak van het Hof zich onderscheidt van de voorliggende situatie doordat niet de individuele vrijheid van de burger maar slechts de situatie van een politieke partij kan worden geraakt. 4 A.1.
  5. In hun memorie van antwoord herhalen de verzoekende partijen hun stelling en beklemtonen zij dat zij kiesgerechtigde burgers zijn. Zij menen dat het gelijkheidsbeginsel ook voor het Arbitragehof geldt zodat wanneer het Hof het recht op persoonlijke vrijheid anders behandelt dan het recht op deelname aan vrije verkiezingen, dit dient te worden verantwoord. A.1.
  6. De Ministerraad is in zijn memorie van wederantwoord van mening dat de verzoekende partijen geen enkel nieuw element aanvoeren en handhaaft dienaangaande zijn standpunt. Ten gronde A.2.
  7. De verzoekende partijen argumenteren voorafgaandelijk dat de sanctie van artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 als een straf in de zin van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dient te worden beschouwd, hetgeen volgens hen tot gevolg heeft dat tal van waarborgen verbonden aan de strafprocedure van toepassing zouden moeten zijn op de geschillen met toepassing van voormeld artikel 15ter. A.2.
  8. De Ministerraad is het niet eens met die stelling en wijst erop dat het Hof reeds in het arrest nr. 10/2001 de kwalificatie « strafsanctie » heeft afgewezen. A.
  9. In hoofdorde vorderen de verzoekende partijen de gehele vernietiging van de wet en zij voeren hiertoe drie middelen aan. Een eerste middel (« voorafgaand middel », p. 24 van het verzoekschrift) houdt verband met de schending van de bevoegdheidverdelende regels en met name de « schending van de artikelen 127 tot 134 van de Grondwet en van de artikelen 6, § 1, VIII, inzonderheid 1°, en 4°, 17 en 44 van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot hervorming der instellingen », doordat de bestreden wet een aangelegenheid regelt die, voor het Vlaamse Gewest, toebehoort aan het Vlaams Parlement voor zijn eigen leden en voor de leden van de provincieraden en de gemeenteraden. Een tweede middel (« bijgevoegd middel », p. 51 van het verzoekschrift) is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 19 en 25 van de Grondwet doordat de bestreden wet geen rekening houdt met andere gevallen die aanleiding zouden moeten geven tot het opleggen van een soortgelijke maatregel. In een derde middel (« slotmiddel », p. 52 van het verzoekschrift) wordt de schending aangevoerd van dezelfde grondwetsartikelen aangezien de bestreden wet « de rechtspleging regelt van een ongrondwettelijke wetsbepaling » doordat « artikel 15ter op willekeurige en niet objectief verantwoorde wijze beperkt blijft tot één ongetwijfeld laakbare reeks handelingen, maar niet uitgebreid werd tot andere handelingen die ten minste even erg zijn ». A.
  10. In ondergeschikte orde vorderen zij de vernietiging van de artikelen 5 en 9 van de bestreden wet. Hierbij voeren zij diverse middelen aan, die telkens zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 12, 13, 14, 19 en 25 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1, 7, 10, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 2 van het Zevende Aanvullend Protocol bij dat Verdrag alsook met artikel 14.5 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten. A.
  11. De Ministerraad onderzoekt elk van de middelen opgeworpen door de verzoekende partijen en komt tot de conclusie dat zij niet ontvankelijk en in ieder geval ongegrond zijn. A.
  12. In hun memorie van antwoord beklemtonen de verzoekende partijen dat artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 wel degelijk als een straf dient te worden aangezien. A.
  13. Bij brieven van 18 respectievelijk 24 mei 2006 vragen de eerste en de vijfde verzoekende partij afstand van geding. Zij stellen dat na het arrest van het Hof nr. 24/2006 van 15 februari 2006 waarbij de vordering tot schorsing werd verworpen, en vooral na de beslissing van het Comité van de eerste afdeling van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om hun verzoekschrift nr. 34462/04 onontvankelijk te verklaren (zie A.1.1 in fine), elke grond voor het beroep tot vernietiging is verdwenen. 5 -B- B.
  14. Bij brieven van 18 en 24 mei 2006 hebben de eerste en de vijfde verzoekende partij het Hof laten weten dat zij afstand doen van het beroep. Niets verzet zich te dezen ertegen dat het Hof die afstand toewijst. B.2.
  15. De andere verzoekende partijen vorderen de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 17 februari 2005 (Belgisch Staatsblad van 13 oktober 2005) « tot wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973 en van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen ». B.2.
  16. Artikel 15 van de voormelde wet van 4 juli 1989 bepaalt dat een politieke partij die in één van de federale wetgevende kamers door ten minste één rechtstreeks verkozen parlementslid is vertegenwoordigd, aanspraak kan maken op een jaarlijkse dotatie. Artikel 15ter van de dezelfde wet, zoals ingevoegd bij de wet van 12 februari 1999, voorziet in een stelsel dat ertoe strekt die dotatie te onttrekken aan een politieke partij die « door eigen toedoen of door toedoen van haar componenten, lijsten, kandidaten of gekozenen, duidelijk en door middel van verscheidene, met elkaar overeenstemmende tekenen, aantoont dat ze vijandig staat » tegenover de rechten en vrijheden die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, volgens een procedure waarvan de aangevochten bepalingen modaliteiten regelen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep B.
  17. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. 6 B.
  18. De verzoekende partijen beroepen zich op hun hoedanigheid van effectief verkozen gemeenteraadsleden (tweede en derde verzoeker) en actief lid (vierde verzoeker) van het Vlaams Belang. B.
  19. De bestreden wet strekt ertoe de uitvoering mogelijk te maken van het bepaalde in artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989, door de beginselen van de rechtspleging voor de Raad van State nader te regelen. Met dat doel past de bestreden wet de gecoördineerde wetten op de Raad van State aan en wijzigt zij tevens het voormelde artikel 15ter teneinde hetzij een aantal procedureaspecten te regelen, hetzij aan andere bepalingen een wettelijke basis te geven. Hierbij worden geen fundamentele wijzigingen aangebracht in het bepaalde in artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989, wat de politieke partijen zelf betreft. B.
  20. De dotatie bedoeld in hoofdstuk III van de wet van 4 juli 1989 komt de politieke partijen toe en niet de individuele leden ervan. Te dezen blijkt uit het verzoekschrift tot vernietiging duidelijk dat de verzoekende partijen uit eigen naam optreden. Bijgevolg, en mede gelet op hetgeen in B.5 is uiteengezet, worden de verzoekende partijen in hun hoedanigheid van respectievelijk effectief verkozen gemeenteraadsleden en actief lid van het Vlaams Belang niet rechtstreeks door de bestreden wet geraakt. B.
  21. Het beroep tot vernietiging is niet ontvankelijk. 7 Om die redenen, het Hof - wijst de afstand van beroep van de eerste en de vijfde verzoekende partij toe; - verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 28 juni
  22. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.112 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.