← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.117

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.117 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060705.2 Arrest- Rolnummer: 117/2006;3835 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 219 - laatst gezien 2026-06-30 13:06 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 2, ,§ 4, van het koninklijk besluit nr. 464 van 25 september 1986 " tot consolidering van de maatregelen inzake matiging van de inkomsten der zelfstandigen ", schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de apothekers-biologen wier erelonen zijn onderworpen aan de overeenkomst die in het kader van de wet van 9 augustus 1963 " tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekteen invaliditeitsverzekering " is gesloten, niet beoogt. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 2, ,§ 4, van het koninklijk besluit nr. 464 van 25 september 1986 " tot consolidering van de maatregelen inzake matiging van de inkomsten der zelfstandigen ", bekrachtigd bij de wet van 15 december 1986, gesteld door het Arbeidshof te Luik. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 464 - 25-09-1986 - 2,§4 - 32 ELI link Pub nr 1986021170 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3835 Arrest nr. 117/2006 van 5 juli 2006 ___________ In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2, § 4, van het koninklijk besluit nr. 464 van 25 september 1986 « tot consolidering van de maatregelen inzake matiging van de inkomsten der zelfstandigen », bekrachtigd bij de wet van 15 december 1986, gesteld door het Arbeidshof te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 20 december 2005 in zake J.-P. Jacquemin tegen het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (R.S.V.Z.), waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 23 december 2005, heeft het Arbeidshof te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 2, § 4, van het koninklijk besluit nr. 464 van 25 september 1986 tot consolidering van de maatregelen inzake matiging van de inkomsten der zelfstandigen (besluit bekrachtigd bij de wet van 15 december 1986) niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de apothekers-biologen wier erelonen aan de overeenkomst zijn onderworpen, niet beoogt, terwijl de verbonden geneesheren, onder wie de geneesheren-biologen, de bijdragevermindering genieten ? ». Memories zijn ingediend door : - J.-P. Jacquemin, wonende te 5500 Dinant, Sentier de Meez 4; - de Ministerraad. De Ministerraad heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 31 mei 2006 : - zijn verschenen : . Mr. G. De Reytere, advocaat bij de balie te Dinant, voor J.-P. Jacquemin; . Mr. M. Rigo loco Mr. F. Gosselin, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Jean-Pol Jacquemin, apotheker-bioloog, stelt hoger beroep in tegen twee vonnissen van de Arbeidsrechtbank te Namen van 22 januari en 28 mei 2001 waarmee hij ertoe wordt veroordeeld aan het R.S.V.Z. een bedrag te betalen dat overeenstemt met de consolideringsbijdragen van de jaren 1987 en

  1. Voor het Arbeidshof te Luik voert de appellant aan dat het tarief van de bijdrage die voor de jaren 1987 en 1988 is verschuldigd, moest worden verminderd, zoals voor de verbonden geneesheren, overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 oktober 1986 « tot uitvoering van artikel 2, § 4, van het koninklijk besluit nr. 464 van 25 september 1986 tot consolidering van de maatregelen inzake matiging van de inkomsten der 3 zelfstandigen ». Het Arbeidshof merkt op dat de situatie van de apothekers-biologen identiek lijkt aan die van de geneesheren-biologen ten aanzien van de matiging van hun inkomsten, die eveneens aan de overeenkomst zijn onderworpen. Het Arbeidshof stelt vast dat het koninklijk besluit van 21 oktober 1986 artikel 2, § 4, van het koninklijk besluit nr. 464 getrouw uitvoert en vraagt zich bijgevolg af of die bepaling, die alleen een afwijking in het voordeel van de verbonden geneesheren aanvaardt, in overeenstemming is met het gelijkheidsbeginsel. Het stelt het Hof bijgevolg de hiervoor weergegeven vraag. III. In rechte -A- A.
  2. Jean-Pol Jacquemin, appellant voor het Arbeidshof te Luik, voert aan dat de hele ziekenhuiswetgeving (koninklijk besluit van 10 augustus 1987 « tot vaststelling van de regels met betrekking tot de samenstelling en de werking van de medische raad in uitvoering van de artikelen 24, 25 en 26 van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen », artikel 1, 2°) de apothekers en licentiaten in de scheikundige wetenschappen die ertoe zijn gemachtigd analyses van klinische biologie te verrichten en onder bepaalde voorwaarden in een ziekenhuis werkzaam zijn, volkomen gelijkstelt met de ziekenhuisgeneesheren. Hij preciseert dat de overeengekomen beperking van de erelonen op dezelfde wijze is opgelegd aan de ziekenhuisgeneesheren-biologen en aan de apothekers-biologen, en voert aan dat de compensatie voor de vermindering van de erelonen bestaat in het gunstigere tarief voor de berekening van de in het geding zijnde bijdragen. Volgens hem is het feit dat de apothekers-biologen dat gunstigere tarief niet genieten, te wijten van een vergetelheid van de wetgever, vergetelheid die voor die beroepscategorie discriminerende gevolgen heeft. A.2.
  3. De Ministerraad voert aan dat het koninklijk besluit nr. 464 het mogelijk maakt de overheidsuitgaven te beperken door de verminderingen te compenseren die zullen worden toegepast op de subsidies van de Staat in het sociaal statuut van de zelfstandigen, en dat uit het verslag aan de Koning blijkt dat de bijzondere afwijkende regeling waarin paragraaf 4 van artikel 2 voorziet, alleen de geneesheren beoogt die tot de overeenkomst geneesheren-ziekenfondsen voor het jaar 1986 waren toegetreden en die een specifieke categorie van personen vormen, daar alleen die geneesheren door die overeenkomst zijn gebonden. Met het oog op de inachtneming van het evenwicht van die overeenkomst heeft de Regering beslist de daartoe toegetreden geneesheren vrij te stellen van de matigingsbijdrage ten belope van 2 pct. voor het jaar
  4. Hij besluit hieruit dat de apothekers-biologen, doordat zij een categorie vormen die objectief gezien onderscheiden is van die van de verbonden geneesheren die tot de voormelde overeenkomst zijn toegetreden, niet dezelfde regeling als die geneesheren kunnen genieten. Hij betwist bovendien de bewering van Jean-Pol Jacquemin volgens welke de hele ziekenhuiswetgeving een volledige gelijkstelling tussen de ziekenhuisgeneesheren en de apothekers zou inhouden. Hij preciseert, enerzijds, dat het sociaal statuut van de apothekers is ingevoerd bij het koninklijk besluit van 18 maart 1971, terwijl dat van de geneesheren is geregeld bij het koninklijk besluit van 31 maart 1983 en, anderzijds, dat de apothekers-biologen en de geneesheren-biologen vallen onder verschillende commissies voor het sluiten van overeenkomsten geneesheren-apothekers en overeenkomsten geneesheren-ziekenfondsen. A.2.
  5. De Ministerraad voegt eraan toe dat de afwijkende regeling voor uitsluitend de verbonden geneesheren reeds is opgenomen in het koninklijk besluit nr. 12 van 26 februari 1982 « houdende de sociale solidariteitsbijdrage ten laste van de genieters van bedrijfsinkomsten die niet aan de index van de consumptieprijzen gebonden zijn », en dat in het verslag aan de Koning dat aan dat besluit voorafgaat, erop wordt gewezen dat de verbonden apothekers zijn uitgesloten van het voordeel van de afwijking waarin het voorziet, wegens het geringe belang van de geconventioneerde prestaties van de apothekers. Hij merkt op dat het onderscheid tussen apothekers en geneesheren objectief verantwoord is gelet op de specifieke bepalingen die voor de laatstgenoemden gelden. De beoefenaars van de geneeskunde zijn immers uitgesloten van het toepassingsgebied van de bepalingen betreffende de solidariteitsbijdragen, aangezien hun bijzondere situatie het voorwerp uitmaakt van specifieke bepalingen en eigen voorwaarden. A.2.
  6. De Ministerraad is daarnaast van mening dat het niet denkbaar is, gelet op de wil van de wetgever om een economisch herstel en besparingen in de openbare lasten tot stand te brengen door het koninklijk besluit nr. 464 aan te nemen, de verbonden apothekers het verminderde percentage toe te kennen waarin voor de 4 verbonden geneesheren is voorzien, aangezien de financiële massa die de eerstgenoemden voortbrengen door hun geconventioneerde prestaties onvoldoende bepalend en groot is om het verlaagde percentage te compenseren waarin de wetgeving uitsluitend voor de verbonden geneesheren voorziet, gelet op het belang van de geconventioneerde prestaties van die laatstgenoemden. Hij merkt overigens op dat de afdeling wetgeving van de Raad van State geen enkel bezwaar heeft geuit betreffende de afwijkende regeling waarin de in het geding zijnde bepaling uitsluitend voor de verbonden geneesheren voorziet. -B- B.
  7. Artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 464 van 25 september 1986 « tot consolidering van de maatregelen inzake matiging van de inkomsten der zelfstandigen » legt ten laste van de laatstgenoemden, voor de jaren 1987 en 1988, een zogenaamde consolideringsbijdrage op, waarvan het bedrag is vastgelegd op 6,12 pct. van hun beroepsinkomsten van het jaar
  8. Paragraaf 4 van dat artikel, dat het onderwerp van de prejudiciële vraag uitmaakt, bepaalt : « De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, in afwijking van de bepalingen van §§ 1, 2 en 3, voor het jaar 1987, de bijdragen vaststellen verschuldigd door de geneesheren die gebonden zijn door een akkoord zoals bedoeld in Titel III, Hoofdstuk IV, van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering ». Ter uitvoering van die bepaling legt het koninklijk besluit van 21 oktober 1986 het bedrag van de bijdrage die door de zogenaamde verbonden geneesheren is verschuldigd, vast op 4,04 pct. van hun beroepsinkomsten van het jaar
  9. Het voormelde koninklijk besluit nr. 464 van 25 september 1986 is bekrachtigd bij artikel 14, 2°, van de wet van 15 december 1986 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten vastgesteld ter uivoering van artikel 1 van de wet van 27 maart 1986 tot toekenning van bepaalde bijzondere machten aan de Koning ». B.
  10. Het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling tussen geneesheren-biologen en apothekers-biologen : de geneesheren genieten als enigen de vermindering, terwijl de apothekers dezelfde bijdrage als alle andere zelfstandigen moeten betalen. Dat verschil in behandeling is ten uitvoer gelegd door het koninklijk besluit van 21 oktober 1986, maar vindt zijn oorsprong in artikel 2, § 4, van het koninklijk besluit nr. 464 5 van 25 september 1986, dat de in het geding zijnde afwijking alleen toestaat voor de zogenaamde verbonden geneesheren. B.
  11. Zoals het in de prejudiciële vraag daartoe wordt verzocht, onderzoekt het Hof de specifieke situatie van de apothekers-biologen die, in een ziekenhuisomgeving, prestaties van klinische biologie verrichten en om die reden op relevante wijze kunnen worden vergeleken met geneesheren-biologen die dezelfde prestaties onder dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde tarieven verrichten. B.
  12. Het koninklijk besluit nr. 464 van 25 september 1986 heeft tot doel « de inkomensmatiging van de zelfstandigen […] te consolideren ». Het strekt ertoe « het parallellisme te verzekeren met de inspanning tot matiging die aan de werknemers en aan de personeelsleden van de openbare diensten reeds gevraagd werd (twee indexsprongen) of nog zal gevraagd worden (derde indexsprong) » (Verslag aan de Koning, Belgisch Staatsblad, 18 oktober 1986, p. 14421). Daartoe wordt aan alle zelfstandigen een bijdrage gevraagd die in verhouding tot een percentage van de inkomsten is vastgelegd, maar evenwel niet hoger mag liggen dan het verschil tussen de beroepsinkomsten van het beschouwde jaar en de geïndexeerde inkomsten van
  13. De bijzondere regeling waarin paragraaf 4 van artikel 2 voor de zogenaamde verbonden geneesheren voorziet, wordt als volgt verantwoord : « Het ontwerp van akkoord geneesheren-ziekenfondsen voor het dienstjaar 1986 houdt in dat de geneesheren die tot de termen van dit akkoord toetreden, zouden vrijgesteld worden van de supplementaire matigingsbijdrage van 2 pct., voorzien voor 1986 in het kader van het koninklijk besluit nr. 289 van 31 maart
  14. De zeer forse vertraging van de inflatie heeft echter meegebracht dat deze supplementaire matigingsbijdrage door niemand moet betaald worden (koninklijk besluit nr. 444 van 14 augustus 1986). Om het evenwicht, dat in het voormelde ontwerp-akkoord geneesheren-ziekenfondsen zit ingebouwd, te respecteren, ligt het in de bedoeling van de Regering om de vrijstelling van matigingsbijdrage ten belope van 2 pct., welke dus in 1986 zonder voorwerp is, toe te staan voor het jaar
  15. Uiteraard zal deze vrijstelling enkel gelden voor de geneesheren die tot de termen van het akkoord 1986 zijn toegetreden en onder voorwaarde dat het akkoord definitief wordt goedgekeurd » (Verslag aan de Koning, Belgisch Staatsblad, 18 oktober 1986, p. 14421). 6 B.
  16. Uit het verwijzingsvonnis en de gegevens van het geding blijkt dat de apothekers-biologen die in een ziekenhuisomgeving prestaties van klinische biologie verrichten, zoals de geneesheren-biologen die dezelfde prestaties verrichten, kunnen toetreden tot de overeenkomsten geneesheren-ziekenfondsen, wat voor hen een beperking van hun inkomsten inhoudt die dezelfde is als die van de zogenaamde verbonden geneesheren. B.
  17. Zonder dat moet worden stilgestaan bij alle gelijkenissen en verschillen ten aanzien van het statuut tussen de geneesheren-biologen en de apothekers-biologen, volstaat het op te merken dat ten aanzien van, enerzijds, de inkomsten die de grondslag van de berekening van de in het geding zijnde bijdrage vormen en, anderzijds, de aan de begunstigden opgelegde matiging van die inkomsten, de verbonden geneesheren en de apothekers-biologen die tot de overeenkomst zijn toegetreden zich in een identieke situatie bevinden. Het is derhalve niet verantwoord de bijdrage van de geneesheren te verminderen door rekening te houden met de inspanning tot matiging van hun inkomsten die zij leveren door tot de overeenkomst toe te treden, en de bijdrage van de apothekers-biologen die dezelfde inspanning hebben geleverd door tot dezelfde overeenkomst toe te treden, niet op dezelfde wijze te verminderen. B.
  18. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2, § 4, van het koninklijk besluit nr. 464 van 25 september 1986 « tot consolidering van de maatregelen inzake matiging van de inkomsten der zelfstandigen », schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de apothekers-biologen wier erelonen zijn onderworpen aan de overeenkomst die in het kader van de wet van 9 augustus 1963 « tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering » is gesloten, niet beoogt. Aldus uitgesproken in het Frans en in het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 5 juli
  19. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.117 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.