id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.118 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060705.1 Arrest- Rolnummer: 118/2006;3975 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-09-27 Raadplegingen: 228 - laatst gezien 2026-06-30 14:40 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verklaart het beroep tot vernietiging onontvankelijk. Vrije woorden: Beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 2 van de wet van 19 september 2005 tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, ingesteld door R. Poulus. Wettelijke bepalingen: Wet - 07-12-1998 - 31 ELI link Pub nr 1998021488 Wet - 19-09-2005 - 2 - 39 ELI link Pub nr 2005000685 Tekst van de beslissing Rolnummer 3975 Arrest nr. 118/2006 van 5 juli 2006 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 2 van de wet van 19 september 2005 tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, ingesteld door R. Poulus. Het Arbitragehof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter A. Arts en de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en P. Martens, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 mei 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 mei 2006, heeft R. Poulus, wonende te 3800 Brustem, Vliegveldlaan 130, beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van artikel 2 van de wet van 19 september 2005 « tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 november 2005). Op 9 mei 2006 hebben de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en P. Martens, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij vastgesteld wordt dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk onontvankelijk is. De verzoekende partij heeft een memorie met verantwoording ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
- De verzoeker vordert de gedeeltelijke vernietiging van artikel 2 van de wet van 19 september 2005 « tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet » naar luid waarvan de politieraad is gemachtigd te onteigenen ten algemenen nutte, zoals bedoeld in artikel 61, § 1, van de programmawet van 6 juli
- A.
- In hun conclusies genomen met toepassing van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 hebben de rechters-verslaggevers gemeend dat zij het Hof zouden kunnen vragen het beroep onontvankelijk te verklaren omdat de verzoeker niet doet blijken van het rechtens vereiste belang. A.
- In zijn memorie met verantwoording stelt de verzoeker dat hij als eigenaar van een pand gelegen in een meergemeentepolitiezone een belang heeft om de vernietiging te vorderen van de bestreden bepaling omdat zij de politieraden ertoe machtigt te onteigenen ten algemenen nutte, en hen dus ertoe machtigt daarbij artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens te schenden. 3 -B- B.1.
- De verzoeker vordert de gedeeltelijke vernietiging van artikel 2 van de wet van 19 september 2005 « tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet » (wet tot wijziging van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, wat betreft de bevoegdheid van de comités tot aankoop van onroerende goederen voor meergemeentezones), dat stelt : « Artikel 11, eerste lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, wordt aangevuld als volgt : ‘ De politieraad is ook gemachtigd te onteigenen te algemenen nutte, zoals bedoeld in artikel 61, § 1, van de programmawet van 6 juli
- ’ ». B.1.
- Die bepaling werd tijdens de parlementaire voorbereiding toegelicht als volgt : « De politiehervorming begint in de praktijk te functioneren. Deze praktijkwerking brengt ook een aantal onvolkomenheden in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus aan het licht. Zo worden meergemeentezones, die gebouwen wensen aan te kopen of te verkopen, geconfronteerd met het gegeven dat de aankoopcomités niet willen optreden. Dat is wel het geval voor de eengemeentezones. Voor deze gemeenten treedt het aankoopcomité op basis van de programmawet van 6 juli 1989 (artikel 61 en de daarin opgenomen onteigeningsbevoegdheid) wel op. De argumentatie om niet op te treden voor de meergemeentezones is dat uit de wet van 7 december 1998 nergens kan afgeleid worden dat de meergemeentezones gerechtigd zijn om tot onteigening over te gaan en bijgevolg buiten het toepassingsgebied van het genoemde artikel 61 van de programmawet van 1989 vallen. Naar onze mening is dat niet de bedoeling geweest van de wetgever. Dat kan afgeleid worden uit de lezing van artikel 11 van de wet van 7 december
- Dat artikel vermeldt evenwel niet uitdrukkelijk de onteigeningsbevoegdheid. Daarenboven gaat het om een duidelijke discriminatie tussen enerzijds de eengemeentezones en de meergemeentezones. Dit voorstel wenst daar dan ook een mouw aan te passen. Concreet stellen wij voor het hierboven aangehaalde artikel 11 van de wet van 7 december 1998 aan te vullen » (Parl. St., Senaat, B.Z. 2003, nr. 3-131/1, pp. 1 en 2). 4 B.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt; bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. B.
- De verzoeker meent dat hij doet blijken van het rechtens vereiste belang om de vernietiging van de bestreden bepaling te vorderen, omdat hij bewoner en eigenaar is van een pand dat is gelegen op het grondgebied van een meergemeentepolitiezone. Zijn belang zou aldus ook verschillen van dat van de inwoners van een eengemeentepolitiezone. B.
- Het door de verzoeker aangevoerde belang verschilt niet van het belang dat iedere persoon erbij heeft dat de wettigheid in alle aangelegenheden in acht wordt genomen. De enkele hoedanigheid van eigenaar van een woning die is gelegen in een meergemeentepolitiezone, volstaat te dezen niet om het rechtens vereiste belang op te leveren. De verzoeker toont niet aan hoe hij rechtstreeks en ongunstig kan worden geraakt door een bepaling die zich ertoe beperkt de politieraden in algemene bewoordingen te machtigen tot onteigeningen ten algemenen nutte; de nadelen die hij bij de ontwikkeling van zijn middelen aanvoert, vloeien niet voort uit die bepaling, maar uit de wetten die bepalen op welke wijze een overheid kan overgaan tot een onteigening ten algemenen nutte. B.
- Daaruit volgt dat het beroep kennelijk onontvankelijk is. 5 Om die redenen, het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verklaart het beroep tot vernietiging onontvankelijk. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 5 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div