id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 12 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.119 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060712.2 Arrest- Rolnummer: 119/2006;3806 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 732 - laatst gezien 2026-07-04 06:47 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 3bis, ,§ 2, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 " betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen " schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de in die bepaling beoogde gefailleerden geen enkele maatregel tot verzachting van het verbod kunnen genieten. Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 3bis, ,§ 2, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering, gesteld door de Rechtbank van Koophandel te Namen. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 22 - 24-10-1934 - 3bis,§2 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3806 Arrest nr. 119/2006 van 12 juli 2006 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 3bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering, gesteld door de Rechtbank van Koophandel te Namen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 28 oktober 2005 in zake het openbaar ministerie tegen C. Bastin, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 10 november 2005, heeft de Rechtbank van Koophandel te Namen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 3bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1978, dat het een rechtbank van koophandel mogelijk maakt een beroepsverbod gedurende een periode van drie tot tien jaar uit te spreken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre ten aanzien van de voor de rechtbank van koophandel gedagvaarde gefailleerde een regeling wordt toegepast die verschilt van die welke wordt toegepast ten aanzien van de voor de correctionele rechtbank gedagvaarde gefailleerde, tegen wie de correctionele rechtbank een beroepsverbod kan uitspreken op grond van de artikelen 1 en 1bis van hetzelfde koninklijk besluit nr. 22 ? ». Memories zijn ingediend door : - C. Bastin, wonende te 5000 Namen, rue des Brasseurs 11; - de Ministerraad. C. Bastin heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 31 mei 2006 : - zijn verschenen : . Mr. G. Druez, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. V. Effinier, advocaat bij de balie te Namen, voor C. Bastin; . Mr. J. Sautois loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en A. Alen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De procureur des Konings vordert, voor de Rechtbank van Koophandel te Namen, op grond van artikel 3bis van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 « betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde 3 veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen », het beroepsverbod gedurende tien jaar ten aanzien van C. Bastin, wiens faillissement op 28 november 2002 is uitgesproken en geen strafrechtelijk gevolg heeft gehad. De verweerder voert met name aan dat die bepaling in zijn nadeel een onverantwoord verschil in behandeling teweegbrengt ten opzichte van de rechtzoekende tegen wie voor de correctionele rechtbank een beroepsverbod wordt gevorderd met toepassing van artikel 1bis van het voormelde koninklijk besluit nr. 22, aangezien de laatstgenoemde, indirect, een maatregel van uitstel of opschorting van de uitspraak zou kunnen genieten. De verwijzende rechter is van mening dat het in artikel 1bis bedoelde beroepsverbod niet automatisch is en in de tijd is beperkt; hij stelt vast dat, volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie, het beroepsverbod bedoeld in artikel 1 een bijkomende straf is en dat de rechter die bijgevolg gepaard kan doen gaan met een uitstel of een opschorting van de uitspraak, maar, volgens de rechtsleer, geen beroepsverbod kan uitspreken wanneer de beklaagde een opschorting van de uitspraak geniet. Hij heeft bijgevolg vragen bij het verschil in behandeling ten aanzien van de persoon tegen wie voor de rechtbank van koophandel een beroepsverbod wordt gevorderd : indien de rechter kennelijke grove fouten vaststelt, kan hij de maatregel van het beroepsverbod niet gepaard doen gaan met enige vorm van uitstel of opschorting, terwijl de strafrechter een maatregel van volledig of gedeeltelijk uitstel van de straf - hoofdstraf en/of bijkomende straf - zou kunnen toekennen waardoor de duur van het beroepsverbod bijvoorbeeld tot minder dan drie jaar wordt beperkt. Hij acht het dus relevant de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de prejudiciële vraag A.1. Na te hebben herinnerd aan de feiten van de zaak en de draagwijdte van de in het geding zijnde bepalingen te hebben uiteengezet, voert de Ministerraad aan dat de vraag niet aangeeft welke discriminatie wordt bekritiseerd. Uit de motivering blijkt dat de verwijzende rechter de behandeling, door artikel 3bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934, van de « voor de rechtbank van koophandel gedagvaarde gefailleerde » vergelijkt met de behandeling, door de artikelen 1 en 1bis van hetzelfde besluit, van de « voor de correctionele rechtbank gedagvaarde gefailleerde », in het bijzonder wat elke vorm van uitstel of opschorting van de uitspraak betreft. Ten aanzien van de vergelijkbaarheid A.2.1. De Ministerraad voert aan dat de in de prejudiciële vraag bedoelde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn : de enen worden bestraft met bijkomende strafrechtelijke sancties bovenop een hoofdveroordeling, de anderen met burgerrechtelijke sancties; de enen wordt verboden bepaalde functies uit te oefenen (artikel 1), de anderen enig koopmansbedrijf uit te oefenen (artikel 3bis). A.2.2. Hij voert ook aan dat het verbod om enig koopmansbedrijf uit te oefenen (artikel 3bis) een gefailleerde treft, terwijl het verbod om bepaalde functies (artikel 1) of een koopmansbedrijf (artikel 1bis) uit te oefenen, een veroordeelde persoon treft die niet noodzakelijk failliet is. Hieruit volgt dat, hoewel artikel 3bis van het koninklijk besluit nr. 22 wel degelijk de « voor de rechtbank van koophandel gedagvaarde gefailleerde » betreft, artikel 1 van hetzelfde besluit niet de « voor de correctionele rechtbank gedagvaarde gefailleerde » betreft, maar de persoon ten aanzien van wie een of meer van de in die bepaling vermelde strafrechtelijke hoofdveroordelingen zijn uitgesproken. Er kan dus geen discriminatie bestaan tussen de « voor de rechtbank van koophandel gedagvaarde gefailleerde » en de « voor de correctionele rechtbank gedagvaarde gefailleerde » op grond van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22, daar de personen van de tweede categorie niet noodzakelijk failliet zijn. 4 A.2.3. De vraag zou volgens de Ministerraad alleen zin kunnen hebben indien men het erover eens wordt onder « voor de correctionele rechtbank gedagvaarde gefailleerde » de persoon te begrijpen die failliet zou zijn, voor minstens voor een van de in de artikelen 489, 489bis, 489ter en 492bis van het Strafwetboek omschreven strafbare feiten zou zijn veroordeeld, bovenop de strafrechtelijke hoofdveroordeling een bijkomend verbod zou zijn opgelegd om persoonlijk of door een tussenpersoon een koopmansbedrijf uit te oefenen en een uitstel of een opschorting van de uitspraak zou hebben genoten die het beroepsverbod tot nul herleidt of de duur ervan tot minder dan drie jaar beperkt. De situatie van die persoon zou moeten worden vergeleken met die van de voor de rechtbank van koophandel gedagvaarde gefailleerde. Ook hier zijn de categorieën echter niet vergelijkbaar, vermits de gefailleerde die op grond van artikel 1bis de uitoefening van enig koopmansbedrijf zou worden verboden, een dergelijk verbod niet in zijn hoedanigheid van gefailleerde zou worden opgelegd, maar omdat de rechter hem op grond van de artikelen 489, 489bis, 489ter en 492bis van het Strafwetboek heeft veroordeeld en dientengevolge dat verbod heeft uitgesproken. Ten gronde A.3. C. Bastin herinnert aan de feiten van de zaak en aan zijn standpunt over de grond van het geschil; hij verwijst naar de auteurs die het verschil in behandeling hebben afgekeurd dat de in het geding zijnde bepaling teweegbrengt, en is van mening dat dat verschil niet objectief en redelijk verantwoord is, noch evenredig is met het door de wetgever nagestreefde doel, vermits diegene die een strafbaar feit zou hebben gepleegd, het voordeel van de opschorting van de uitspraak en bijgevolg, gelet op de rechtspraak van het Hof van Cassatie, van het beroepsverbod zou kunnen genieten, terwijl de niet in eer herstelde gefailleerde, die alleen kennelijke grove fouten zou hebben gepleegd, waardoor hij tot het faillissement zou hebben bijgedragen, dat niet zou kunnen genieten; hem wordt aldus op discriminerende wijze een voorkeursbehandeling ontzegd. A.4.1. De Ministerraad is in ondergeschikte orde van mening dat er geen verschil in behandeling bestaat, vermits het verbod om enig koopmansbedrijf uit te oefenen, wordt uitgesproken door de rechter voor een duur van minstens drie jaar en hoogstens tien jaar, ongeacht of het de strafrechter (artikel 1bis) of de handelsrechter (artikel 3bis, § 4) betreft. A.4.2. In nog meer ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat het verschil in behandeling niet voortvloeit uit de in het geding zijnde bepalingen, maar uit de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, op grond waarvan de persoon die door de strafrechter wordt verboden enig koopmansbedrijf uit te oefenen, in concreto een vermindering van de duur van dat verbod kan genieten indien hij een volledig of gedeeltelijk uitstel van de straf verkrijgt. Hij besluit dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft of ontkennend dient te worden beantwoord. A.5. In zijn memorie van antwoord is C. Bastin van mening dat de wet van 29 juni 1964 geen gevolgen heeft; hij voegt eraan toe dat, terwijl aan de voor de strafrechter vervolgde personen bepaalde vormen van beroepsverbod (artikel 1) of het verbod om enig koopmansbedrijf uit te oefenen, kunnen worden opgelegd, het door de rechtbank van koophandel uitgesproken verbod betrekking heeft op het koopmansbedrijf; de fout die het bestraft, is in beginsel minder zwaar dan de strafrechtelijke fout. Daar de rechtzoekenden zich in verschillende situaties bevinden, zouden de sancties verschillend moeten zijn, terwijl het door de rechtbank van koophandel uitgesproken verbod gelijkwaardig is aan het verzwaarde verbod dat kan worden opgelegd aan de rechtzoekende die voor een tenlastelegging in verband met de staat van faillissement is veroordeeld. Nochtans zou een gunstigere behandeling moeten worden voorbehouden aan de rechtzoekende die voor de rechtbank van koophandel verschijnt. 5 -B- B.1. De artikelen 1, 1bis en 3bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, bepalen : « Artikel 1. Onverminderd bijzondere verbodsbepalingen kan de rechter die, hetzij in België, hetzij in de gebieden die onder Belgisch gezag of bestuur hebben gestaan, een persoon veroordeelt, zelfs voorwaardelijk, als dader van of medeplichtige aan een van de volgende strafbare feiten of poging daartoe :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.