id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 28 juli 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.125 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060728.3 Arrest- Rolnummer: 125/2006;3781 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-05 Raadplegingen: 219 - laatst gezien 2026-06-30 15:45 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 42, ,§ 1, tweede lid, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, vóór de vervanging ervan bij artikel 404 van de programmawet (I) van 24 december 2002, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 42, ,§ 1, tweede lid, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, vóór de vervanging ervan bij artikel 404 van de programmawet (I) van 24 december 2002, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet - 26-03-1999 - 42,§1,L2 - 30 ELI link Pub nr 1999012205 Wet - 24-12-2002 - 404 - 31 ELI link Pub nr 2002021488 Tekst van de beslissing Rolnummer 3781 Arrest nr. 125/2006 van 28 juli 2006 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 42, § 1, tweede lid, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, vóór de vervanging ervan bij artikel 404 van de programmawet (I) van 24 december 2002, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 16 september 2005 in zake M. Roosen tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 10 oktober 2005, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 42, § 1, tweede lid, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, zoals dit luidde vóór de wijziging door artikel 404 van de programmawet (I) van 24 december 2002 de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet doordat de werknemers aan wie door de werkgever een aandelenoptie wordt toegekend op dezelfde wijze belast worden, ongeacht of zij de mogelijkheid hebben de optie uit te oefenen ? ». M. Roosen, wonende te 3210 Lubbeek-Linden, Hertoglaan 31, en de Ministerraad hebben ieder een memorie en een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 21 juni 2006 : - is verschenen : Mr. S. Van Eetveldt, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. K. Geerts, advocaat bij de balie te Leuven, voor M. Roosen; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J. Spreutels verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De eiser voor het verwijzende rechtscollege werd in 2003 (voor het aanslagjaar 2002) belast op het aangegeven bedrag van aandelenopties die hij als werknemer had ontvangen in
- Die opties konden worden uitgeoefend vanaf 26 maart
- In geval van ontslag kon het op het ogenblik van het ontslag uitoefenbare gedeelte van die opties ook nog effectief worden uitgeoefend binnen negentig dagen na het ontslag. De eiser werd ontslagen op 31 januari 2002, maar aangezien de opties op dat ogenblik nog niet uitoefenbaar waren, kwamen zij te vervallen. Op grond van artikel 42, § 1, van de wet van 26 maart 1999 leverden de aandelenopties een fiscaal belastbaar beroepsinkomen op, vermits de opties worden geacht te zijn toegekend op de zestigste dag die volgt op de datum van het aanbod en dit ongeacht of ze ook daadwerkelijk door de belastingplichtige kunnen worden uitgeoefend. Op het bedrag van die opties werd een correcte aanslag gevestigd, doch in werkelijkheid werd de eiser belast zonder dat hij een financieel voordeel had, en zelfs zonder dat hij de mogelijkheid had om een financieel voordeel te hebben, vermits de optie pas kon worden uitgeoefend vanaf 26 maart
- Het door de eiser ingediende bezwaar werd door de gewestelijke directeur afgewezen. De eiser legde daarop een verzoekschrift op tegenspraak neer bij de Rechtbank van eerste aanleg. 3 De Rechtbank herinnert eraan dat het gelijkheidsbeginsel kan zijn geschonden wanneer personen die zich in verschillende situaties bevinden, op dezelfde wijze worden behandeld. De in het geding zijnde bepaling leidt ertoe dat de eiser, die door omstandigheden onafhankelijk van zijn wil, nooit de kans heeft gehad om een financieel voordeel te halen uit een hem toegekende optie omdat ze niet kon worden uitgeoefend, op dezelfde wijze wordt behandeld als de belastingplichtige die wel de mogelijkheid had de optie uit te oefenen. Dat rechtvaardigt volgens de Rechtbank het stellen van de prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Standpunt van de Ministerraad A.
- De Ministerraad belicht allereerst een aantal feitelijkheden van het bodemgeschil en citeert uitvoerig uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling. Volgens de Ministerraad is er geen sprake van enige discriminatie. Op het belastbare ogenblik, namelijk op de zestigste dag volgend op het aanbod, bevinden alle betrokkenen zich immers in dezelfde situatie en worden ze op gelijke wijze behandeld. Zij hebben immers expliciet gekozen om deel te nemen aan het optieplan steunende op hun kennis van de onderneming en rekening houdend met de te betalen forfaitaire belasting, waarbij zij ervan uitgaan een meerwaarde te kunnen verwerven door het lichten van de optie die zelf vrijgesteld zal zijn van belasting. A.
- De Ministerraad wijst op de principes van de fiscale regeling voor het geldende aanslagjaar en verwerpt de verwijzing naar rechtspraak die betrekking heeft op de behandeling van aandelenopties toegekend vóór 1 januari
- Het door de in het geding zijnde bepaling beheerste systeem bestaat erin dat de belastingplichtige wordt belast op zijn « kans op winst » die heeft bestaan bij de toekenning van de opties. Het betreft aldus een belasting op de winst die de werknemer zou kunnen verwezenlijken ten gevolge van zijn deelneming aan een aandelenoptieplan. De optie heeft steeds een zekere waarde die afhankelijk is van de waarde van de aandelen waarop die opties betrekking hebben. Het gaat derhalve om een voordeel van alle aard verkregen vanaf de toekenning van de optie, ongeacht of de optie wordt gelicht of niet. Dat voordeel wordt aan een redelijke (forfaitaire) belasting onderworpen. Bovendien kunnen de gerechtigden het optieaanbod weigeren. Als de optie wordt uitgeoefend, vormen de daaruit voortvloeiende voordelen geen belastbare beroepsinkomsten, voor zover de opties niet worden aangewend voor de uitoefening van een beroepsactiviteit. De Ministerraad beklemtoont dat het stelsel, door het lage basistarief van 15 pct. en het gunsttarief van 7,5 pct., zeer redelijk is, terwijl een substantiële en onbelaste meerwaarde kan worden verwezenlijkt op het ogenblik van de uitoefening van de opties. Over de verwezenlijking van een meerwaarde bestaat geen zekerheid doch de betrokkene weegt dat af bij de beslissing om al dan niet in te gaan op het optieplan; hij dient zich derhalve ervan bewust te zijn dat het slechts om een kans op winst gaat. A.
- De wettelijke fictie dat de opties worden geacht te zijn toegekend op de zestigste dag volgend op de datum van het aanbod ongeacht eventuele opschortende of ontbindende voorwaarden, leidt ertoe dat eenzelfde stelsel wordt toegepast voor belastingplichtigen die zich in eenzelfde situatie bevinden op het ogenblik van de aanslag, vermits alle werknemers beschikken over dezelfde kans op winst op het ogenblik van het aanvaarden van het aanbod. Het loutere feit dat men later niet over de effectieve mogelijkheid heeft kunnen beschikken om de optie uit te oefenen, zelfs in omstandigheden onafhankelijk van zijn wil, doet hieraan geen afbreuk. De regeling biedt de nodige rechtszekerheid voor de begunstigden, voor wie op het belastbare tijdstip van aanvaarding van het optieplan, de kans op winst daadwerkelijk bestaat en als dusdanig wordt ingeschat. Zij waarborgt bovendien de rechtsgelijkheid in de toepassing. De juridische fictie creëert met andere woorden fiscale gelijkheid. Voor zoveel als nodig voegt de Ministerraad verder eraan toe dat ook de belastingplichtigen die de optie verkrijgen zonder voorwaarden, in een positie kunnen verkeren dat zij niet effectief willen of kunnen overgaan tot uitoefening van hun verwervingsrecht. 4 A.
- De Ministerraad erkent dat de programmawet van 24 december 2002 het vermoeden van artikel 42, § 1, tweede lid, van de wet van 26 maart 1999 heeft omgekeerd, zodat thans het vermoeden geldt dat de optie werd geweigerd tenzij de begunstigde ze vóór het verstrijken van de termijn van zestig dagen uitdrukkelijk heeft aanvaard. Die wetswijziging is zowel in rechte als in feite niet relevant, enerzijds, omdat de nieuwe regeling niet van kracht was tijdens het aanslagjaar 2002 en, anderzijds, omdat de betrokkene het optieplan heeft aanvaard binnen een termijn van zestig dagen, zodat hij steeds belast zou zijn geweest op het ogenblik van de toekenning van de opties. A.
- Volgens de Ministerraad moet de prejudiciële vraag dan ook ontkennend worden beantwoord. Standpunt van de eiser voor het verwijzende rechtscollege A.
- De eiser voor het verwijzende rechtscollege wijst erop dat sedert 1 januari 1999, door de invoering van de in het geding zijnde bepaling, het voordeel van een aandelenoptie - het recht om gedurende een welbepaalde termijn (uitoefenperiode) een bepaald aantal aandelen aan te kopen of, naar aanleiding van de verhoging van het kapitaal van een vennootschap, op een bepaald aantal aandelen in te schrijven tegen een vastgestelde of nog vast te stellen prijs (de uitoefenprijs) - forfaitair wordt belast op het ogenblik dat de optie wordt toegekend aan het personeelslid. De later werkelijk gerealiseerde voordelen bij het lichten van de optie en het verhandelen van de aandelen, zijn geen belastbare beroepsinkomsten meer. Het belastbaar tijdstip wordt bepaald aan de hand van een fictie, namelijk dat de optie wordt geacht te zijn toegekend op de zestigste dag volgend op het schriftelijk aanbod van een aandelenoptieplan aan de begunstigde, die uitdrukkelijk diende te weigeren om dat te vermijden. Die partij ziet niet in waarom diegene die, om redenen buiten zijn wil, om de optie niet kan uitoefenen en bijgevolg geen financieel voordeel ermee kan verkrijgen, toch belasting moet betalen op inkomen dat hij nooit verwezenlijkt heeft. Zulks druist volgens haar in tegen de basisprincipes van de Belgische inkomstenbelasting, die het totale netto-inkomen als belastbare basis heeft en derhalve de realiteit betreft, en geen juridische fictie. De fiscale definitie van « toekenning » in de in het geding zijnde bepaling, lijkt strijdig te zijn met de realiteit, op grond waarvan de aandelenoptie slechts is toegekend wanneer de belastingplichtige daadwerkelijk zijn optie kan uitoefenen. In de rechtspraak werd reeds geoordeeld dat de toekenning van de aandelenoptie slechts gebeurt op het ogenblik dat de optie daadwerkelijk kan worden uitgeoefend. A.
- De eiser onderschrijft de stelling dat belastingplichtigen een verschillende effectieve fiscale behandeling krijgen, naargelang ze een optie krijgen zonder of met voorwaarden en ze die optie bijgevolg al dan niet kunnen uitoefenen. Het fiscale gelijkheidsbeginsel is geschonden in zoverre diegenen die een optie niet kunnen lichten om redenen buiten hun wil - en aldus geen voordeel ermee kunnen verkrijgen -, eveneens belasting dienen te betalen op nooit verworven inkomen. De schending van het fiscale gelijkheidsbeginsel is volgens hem dan ook gelegen in de eenvormige bepaling van het begrip « toekenning » voor alle belastingplichtigen. De fiscale behandeling is voor iedereen gelijk, ongeacht het risico, terwijl de facto slechts sommigen een financieel voordeel zullen verkrijgen. A.
- Volgens die partij miskent de Ministerraad de werkelijkheid wanneer hij stelt dat elke werknemer vrij is in te gaan op het aanbod van opties uitgaande van de werkgever, en bijgevolg alle risico’s en nadelen ervan vrij kan afwegen, zodat er geen enkel probleem zou zijn met de in het geding zijnde juridische fictie van belasting van een vrij door de belastingplichtige in te schatten « kans op winst » van de optie die vanuit fiscaal oogpunt wordt geacht te zijn toegekend op de zestigste dag die volgt op de datum van het aanbod. Zeker in de Angelsaksische bedrijfscultuur is de druk om dergelijke opties te aanvaarden zeer groot, zodat er geen sprake kan zijn van een gelijkheid voor een « kans op winst ». A.
- Die partij wijst ook erop dat ingevolge de programmawet van 24 december 2002 de belasting kan worden uitgesteld tot bij het lichten van de optie en dat het bedrag van het belastbare voordeel voor iedereen dan gelijk is, terwijl het effectieve voordeel voor iedereen verschillend zal zijn. Het begrip « toekenning » wordt aldus gedefinieerd naar gelang van de effectieve realisatie van de opties en neemt wel de fiscale gelijkheid in acht. A.
- De eiser voor het verwijzende rechtscollege nodigt het Hof uit de prejudiciële vraag bevestigend te beantwoorden. 5 -B- B.
- De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of artikel 42, § 1, tweede lid, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, in zijn oorspronkelijke versie, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de werknemers aan wie door de werkgever een aandelenoptie wordt toegekend, op dezelfde wijze worden belast, ongeacht of zij al dan niet de mogelijkheid hebben de optie uit te oefenen. B.
- Artikel 42, § 1, van de voormelde wet van 26 maart 1999, zoals het van toepassing is op het geschil voor de verwijzende rechter, luidde als volgt : « De voordelen van alle aard verkregen uit hoofde of naar aanleiding van de beroepswerkzaamheid van de begunstigde, onder de vorm van al dan niet kosteloze toekenning van een optie, vormen voor deze laatste een beroepsinkomen dat belastbaar is op het ogenblik van de toekenning ervan, wanneer hij die optie niet heeft aangewend voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid. De optie wordt uit fiscaal oogpunt geacht te zijn toegekend op de zestigste dag die volgt op de datum van het aanbod, zelfs indien aan de uitoefening van de optie opschortende of ontbindende voorwaarden zijn verbonden, tenzij de begunstigde, voor het verstrijken van die termijn, aan de aanbieder zijn weigering om het aanbod te aanvaarden schriftelijk te kennen heeft gegeven ». De prejudiciële vraag betreft het tweede lid, vóór de vervanging ervan, met ingang van 10 januari 2003, bij artikel 404 van de programmawet (I) van 24 december 2002 (Belgisch Staatsblad, 31 december 2002). Thans luidt het tweede lid : « Wanneer de begunstigde het aanbod ten laatste op de zestigste dag die volgt op de datum van het aanbod, schriftelijk heeft aanvaard, wordt de optie uit fiscaal oogpunt geacht op die zestigste dag te zijn toegekend, zelfs indien aan de uitoefening van de optie opschortende of ontbindende voorwaarden zijn verbonden. De begunstigde die voor het verstrijken van die termijn de aanbieder niet schriftelijk de aanvaarding van het aanbod heeft medegedeeld, wordt geacht het aanbod te hebben geweigerd ». B.
- De wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen voert een nieuwe regeling van het belastingstelsel voor aandelenopties in. De tot dan geldende fiscale behandeling van aandelenopties was ontoereikend gebleken. Allereerst waren de toepassingsvoorwaarden van 6 het specifieke wettelijke kader zodanig stringent dat de regeling in de praktijk weinig toepassing kende. Bovendien bestond een grote rechtsonzekerheid over de fiscale behandeling van de aandelenopties die niet binnen het toepassingsgebied van die regeling vielen (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1912/8, p. 2). B.
- Artikel 42 van de wet van 26 maart 1999 bepaalt het fiscaal statuut van de voordelen van alle aard die worden verkregen uit hoofde of naar aanleiding van de beroepswerkzaamheid van de begunstigde, in de vorm van de - al dan niet kosteloze - toekenning van een optie. Aldus beoogde de wetgever de gewenste rechtszekerheid te bieden omtrent het fiscaal statuut van die opties, zoals blijkt uit de in B.3 vermelde parlementaire voorbereiding. In het tweede lid van voormeld artikel wordt bepaald wanneer de optie vanuit fiscaal oogpunt wordt geacht te zijn toegekend, namelijk op de zestigste dag die volgt op de datum van het aanbod. Het wettelijke vermoeden van toekenning op de aldus bepaalde dag geldt, luidens die bepaling, zelfs indien aan de uitoefening van de optie opschortende of ontbindende voorwaarden zijn verbonden, zodat begunstigden op dezelfde wijze worden belast, ongeacht of zij de optie al dan niet kunnen uitoefenen. B.
- De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie verzetten zich ertegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de in het geding zijnde maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de in het geding zijnde maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Het Hof dient derhalve na te gaan of voor de gelijke fiscale behandeling van alle werknemers aan wie door de werkgever een aandelenoptie wordt toegekend, ongeacht of zij al dan niet de mogelijkheid hebben om de optie uit te oefenen, een redelijke verantwoording bestaat. 7 B.
- De voordelen van alle aard die worden verkregen uit hoofde of naar aanleiding van de beroepswerkzaamheid van de begunstigde, in de vorm van de - al dan niet kosteloze - toekenning van een optie, vormen een beroepsinkomen dat belastbaar is op het ogenblik van de toekenning ervan, wanneer de begunstigde die optie niet heeft aangewend voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid. De begunstigde wordt geacht het hem gedane aanbod te hebben aanvaard indien hij niet voor het verstrijken van de zestig dagen die volgen op de datum van het aanbod, zijn weigering ter kennis heeft gebracht van diegene die de optie aanbiedt. In dat geval wordt de optie geacht te zijn toegekend de zestigste dag. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd beklemtoond : « Het [wetsontwerp] voorziet in een redelijke belastingheffing op de voordelen van alle aard die de opties zijn, zodanig dat iedereen, zowel de belastingplichtige als de overheid, bij de situatie wint. Voor de belastingplichtige wordt de fiscale behandeling van opties transparant en voorspelbaar; de overheid is zeker van redelijke belastingontvangsten » (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1912/8, p. 3). De fiscale regeling betreffende de toekenning van opties leidt ertoe dat het negatieve effect van de onmiddellijke belasting van het verkregen voordeel in de vorm van een aandelenoptie, op het ogenblik van de toekenning ervan, vervat in artikel 42, § 1, van de wet van 26 maart 1999 - overigens tegen het voordelige tarief bepaald in artikel 43, §§ 5 en 6, van die wet - onlosmakelijk samengaat met de niet-belasting van alle rechtstreekse of niet- rechtstreekse voordelen die uit de toegekende optie kunnen voortvloeien, een maatregel waarin artikel 42, § 2, van die wet voorziet. In de memorie van toelichting werd ter zake gesteld : « Met het oog op het nastreven van rechtszekerheid, maar zonder daarmee een uitspraak te doen over het fiscale stelsel van deze voordelen, in de huidige stand van het gemeen recht, is dit principe van niet-belasting uitdrukkelijk bepaald. […] Aan de tekst die door de Raad van State werd voorgesteld, werd het principe van vrijstelling van de voordelen bekomen naar aanleiding van een vervreemding van een optie toegevoegd, want in die toestand werd het voordeel eveneens definitief belast op het ogenblik van de toekenning van de optie » (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1912/1, p. 26). B.
- Het risico dat aan de fiscale regeling is verbonden, door de belasting van de toekenning van een optie die misschien nooit kan worden uitgeoefend, kan de begunstigde niet onbekend zijn, vermits het uitdrukkelijk uit de tekst van het tweede lid van artikel 42, § 1, voortvloeit. 8 Daaruit blijkt immers dat het wettelijke vermoeden van toekenning zelfs geldt indien aan de uitoefening van de optie opschortende of ontbindende voorwaarden zijn verbonden. De afdeling wetgeving van de Raad van State, die de redactie van de in het geding zijnde bepaling heeft voorgesteld, heeft bovendien de aard van het voordeel dat de optie is, en de (ook fiscale) gevolgen van toekenning ervan voldoende beklemtoond : « De principes die ten grondslag liggen aan het ontwerp vormen dus een loutere bevestiging van het gemeen recht: de voordelen die voortvloeien uit het kosteloze toekennen van de optie uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid vormen belastbare beroepsinkomsten op het ogenblik van de toekenning ervan, waarbij het er alleen nog om gaat het bedrag van dat belastbaar voordeel te bepalen. Zodra de optie aan de begunstigde natuurlijke persoon is toegekend, maakt ze deel uit van zijn privé-vermogen; de uitoefening ervan en de latere verwezenlijking van een meerwaarde op de aandelen zijn normale verrichtingen van beheer van een privé-vermogen waarop overeenkomstig het gemeen recht geen belasting geheven wordt » (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1912/1, p. 104). Bij de parlementaire voorbereiding werd eveneens gewezen op het mogelijke (fiscale) risico dat voortvloeit uit de toekenning van een aandelenoptie (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1912/8, p. 5). Daaruit vloeit voort dat de begunstigde kan weten dat de - vóór de wijziging bij de programmawet (I) van 24 december 2002 - zelfs stilzwijgende aanvaarding van het aanbod een risico inhoudt en dat hij in voorkomend geval de gevolgen zal dragen van het verlies van een vermogensbestanddeel bij onmogelijkheid om de optie ook daadwerkelijk uit te oefenen. B.
- Ten slotte dient te worden vastgesteld dat het de begunstigde vrij staat het aanbod te weigeren en aldus te verzaken aan het fiscaal voordelige stelsel waaraan de toekenning van aandelenopties is onderworpen. Wanneer hem werd gewezen op het mogelijke fiscale risico dat aan de toekenning van de aandelenopties is verbonden, heeft de Minister van Financiën eveneens eraan herinnerd dat de werknemer niet verplicht is een dergelijke optie te aanvaarden (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1912/8, p. 5, en Senaat, 1988-1999, nr. 1282/4, p. 6). Noch de omstandigheid dat de aanvaarding wordt vermoed indien de begunstigde niet binnen zestig dagen na het aanbod de aanbieder schriftelijk kennis heeft gegeven van zijn weigering om het aanbod te aanvaarden, noch het feit dat een dergelijke weigering zou ingaan tegen een bepaalde bedrijfscultuur, doen afbreuk aan het vrijwillig karakter van de aanvaarding van het aanbod dat leidt tot de toekenning van de optie en de belastbaarheid ervan. De omstandigheid dat bij de 9 programmawet (I) van 24 december 2002 een vermoeden van weigering van het aanbod is ingevoerd, indien de begunstigde de aanbieder niet schriftelijk de aanvaarding van het aanbod heeft meegedeeld, is niet van die aard dat het thans in het geding zijnde wettelijke vermoeden zijn redelijk karakter wordt ontnomen. B.
- De door de wetgever nagestreefde doelstelling om rechtszekerheid te bieden inzake het fiscaal statuut van de toekenning van aandelenopties, het fiscaal gunstige stelsel, de voldoende bekendheid van de mogelijke gevolgen van de toekenning ervan en het vrijwillig karakter van de aanvaarding van het aanbod, vormen een voldoende redelijke verantwoording voor de gelijke behandeling van alle werknemers aan wie door de werkgever een aandelenoptie wordt toegekend, ongeacht of zij al dan niet de mogelijkheid hebben om die optie ook daadwerkelijk uit te oefenen. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 42, § 1, tweede lid, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, vóór de vervanging ervan bij artikel 404 van de programmawet (I) van 24 december 2002, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 28 juli
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.125 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div