id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 augustus 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.134 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060829.1 Arrest- Rolnummer: 134/2006;4034 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-16 Raadplegingen: 211 - laatst gezien 2026-06-30 14:49 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Vrije woorden: Vordering tot schorsing van het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 juni 2006 " tot regeling van het aantal studenten in sommige cursussen van de eerste cyclus van het hoger onderwijs ", ingesteld door N. Bressol en anderen. Wettelijke bepalingen: Decreet Franse Gemeenschap - 16-06-2006 - 35 ELI link Pub nr 2006029091 Tekst van de beslissing Rolnummer 4034 Arrest nr. 134/2006 van 29 augustus 2006 In zake : de vordering tot schorsing van het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 juni 2006 « tot regeling van het aantal studenten in sommige cursussen van de eerste cyclus van het hoger onderwijs », ingesteld door N. Bressol en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 augustus 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 9 augustus 2006, is een vordering tot schorsing ingesteld van het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 juni 2006 « tot regeling van het aantal studenten in sommige cursussen van de eerste cyclus van het hoger onderwijs » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 juli 2006) door N. Bressol, A. Wolf, C. Helie en V. Jabot, die keuze van woonplaats doen te 1180 Brussel, Brugmannlaan 403, C. Keusterickx, wonende te 1060 Brussel, Kemmelberglaan 25, D. Wilmet, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Ahornbomenlaan 6, C. Meurou, wonende te 1020 Brussel, Emile Bockstaellaan 288, D. Bacquart, wonende te 1421 Ophain, rue des Combattants 11, A. Arslan, wonende te 1040 Brussel, Veldlaan 110, Y. Busegnies, wonende te 1200 Brussel, Moonensstraat 15, S. Clement, wonende te 1480 Tubeke, chaussée de Mons 432, S. Gelaes, wonende te 4420 Saint-Nicolas, rue de la Fontaine 84, E. Dubuisson, wonende te 1050 Brussel, Elizastraat 36, C. Kinet, wonende te 1180 Brussel, Klipveldstraat 20, D. Peeters, wonende te 1070 Brussel, Dokter Jacobsstraat 74, R. Lontie, wonende te 1460 Itter, rue du Croiseau 38, Y. Homerin, wonende te 1160 Brussel, Meunierstraat 58, I. Pochet, wonende te 1780 Wemmel, De Raedemaekerlaan 1, W. Salem, wonende te 1090 Brussel, Dikkebeuklaan 22/104, K. Van Loon, wonende te 1180 Brussel, Horzelstraat 383, O. Leduc, wonende te 1200 Brussel, Tiendagwandlaan 26, A. Van Wallendael, wonende te 1040 Brussel, Antoine Gautierstraat 97, D. Van Eecke, wonende te 1000 Brussel, Franklinstraat 27, O. Ducruet, wonende te 1200 Brussel, Brand Whitlocklaan 108, C. Hinck, wonende te 1401 Baulers, avenue Reine Astrid 4, N. Arpigny, wonende te 1410 Waterloo, avenue du Clair Pré 8, E. De Gunsch, wonende te 1090 Brussel, Rommelaerelaan 213, T. De Mesmaeker, wonende te 1410 Waterloo, Allée des Grillons 4, M. Ezquer, wonende te 7331 Baudour, avenue Goblet 108, C. Balestra, wonende te 1420 Eigenbrakel, Chemin des Voiturons 107, P. Delince, wonende te 1380 Lasne, Chemin du Bonnier 5, M. Merche, wonende te 1180 Brussel, Reisdorfflaan 32, J.-P. Saliez, wonende te 1420 Eigenbrakel, avenue Wellington 25 A, V. de Mahieu, wonende te 1450 Cortil-Noirmont, rue du Tilleul 1, P. Meeus, wonende te 1860 Meise, Zerlegem 27, M. Alard, wonende te 1150 Brussel, Van Der Meerschenlaan 23/4, D. Collard, wonende te 1180 Brussel, Edouard Michielsstraat 54, P. Castelein, wonende te 1160 Brussel, Pauwenstraat 14, D. De Crits, wonende te 1040 Brussel, Baron Lambertstraat 52, A. Antoine, wonende te 1040 Brussel, Camille Josetlaan 21/3, C. Antierens, wonende te 1030 Brussel, Wijnheuvelenstraat 270, B. Debert, wonende te 1440 Kasteelbrakel, rue Landuyt 147, V. Leloux, wonende te 1400 Nijvel, Faubourg de Namur 55, P. Parmentier, wonende te 1170 Brussel, Théophile Vander Elststraat 66, en M. Simon, wonende te 1200 Brussel, Watermanlaan
- De verzoekende partijen vorderen eveneens de vernietiging van hetzelfde decreet. Op de openbare terechtzitting van 22 augustus 2006 : - zijn verschenen : . Mr. M. Snoeck en Mr. M. Mareschal loco Mr. J. Troeder, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen; 3 . Mr. M. Nihoul, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Franse Gemeenschapsregering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang A.1.
- De eerste vier verzoekende partijen verklaren de Franse nationaliteit te hebben en tot geen enkele van de in artikel 1 van het decreet van 16 juni 2006 « tot regeling van het aantal studenten in sommige cursussen van de eerste cyclus van het hoger onderwijs » bedoelde categorieën te behoren. Zij verantwoorden hun belang bij het vorderen van de vernietiging van dat decreet door aan te voeren dat het hun nadeel berokkent in zoverre het hun mogelijkheden beperkt om zich in te schrijven voor de door hen gekozen studierichtingen. N. Bressol, houder van een « maîtrise en chimie », heeft, met het oog op een heroriëntering van zijn loopbaan, zijn werk opgezegd dat hij vijf jaar lang in de chemische industrie in Frankrijk heeft uitgeoefend, teneinde in België kinesitherapie te studeren. A. Wolf verklaart zich kandidaat te hebben gesteld om toegelaten te worden tot de « Haute Ecole de la Communauté française Paul-Henri Spaak ». C. Helie, sinds drie jaar houder van een « baccalauréat en série scientifique », voert aan dat hij, met het oog op het aanvatten van een studie in de podologie, zich kandidaat heeft gesteld om toegelaten te worden tot de « Haute Ecole Libre de Bruxelles - Ilya Prigogine » (HELB-IP). Hij verklaart zijn keuze door het feit dat het beroep van podoloog in België een grotere erkenning geniet dan in Frankrijk. Hij merkt ook op dat zijn broer in België werkt na er verschillende opleidingen te hebben gevolgd. J. Lefevre - minderjarige, die te dezen door haar moeder V. Jabot wordt vertegenwoordigd - verklaart dat zij een passie voor paarden heeft en door een Franse dierenarts ertoe is aangemoedigd in België te gaan studeren, gelet op de competentie van het Belgische onderwijs op het vlak van paarden. Zij zou zich aldus kandidaat hebben gesteld om toegelaten te worden tot de cursus diergeneeskunde aan de « Université libre de Bruxelles ». A.1.
- De vijfde en de zesde verzoekende partij zijn « gastprofessoren » aan het « Institut d’enseignement supérieur paramédical de la Communauté Française » (ISEK) van de « Haute Ecole Paul-Henri Spaak ». Zij verantwoorden hun belang om het decreet van 16 juni 2006 te bestrijden, door aan te voeren dat de toepassing ervan hun betrekking rechtstreeks en onmiddellijk bedreigt. Zij merken daartoe op dat dit decreet zal leiden tot een daling van het aantal studenten dat aan de voormelde hogeschool is ingeschreven, dat hun betrekking rechtstreeks afhangt van dat aantal studenten en dat zij niet worden beoogd door de artikelen 11 tot 15 van het bestreden decreet. A.1.
- De zevende verzoekende partij is tijdelijk aangesteld aan het ISEK en haar « overeenkomst » vervalt op 14 september
- 4 De achtste, de negende, de tiende, de elfde en de twaalfde verzoekende partij zijn tijdelijk aangeworven voor bepaalde duur door de HELB-IP. Zij verantwoorden allen hun belang bij het bestrijden van het decreet van 16 juni 2006 door aan te voeren dat de toepassing ervan hun betrekking rechtstreeks en onmiddellijk bedreigt. Zij merken op dat, indien het aantal studenten als gevolg van het decreet afneemt, hun aanwerving of aanstelling niet zal worden hernieuwd en dat zij, wegens hun anciënniteit van minder dan twee jaar, de maatregel niet kunnen genieten waarin artikel 12 van het bestreden decreet voorziet. A.1.
- De dertiende, de veertiende en de vijftiende verzoekende partij zijn tijdelijk voor onbepaalde duur aan het ISEK aangesteld. Zij verantwoorden hun belang bij het vorderen van de vernietiging van het decreet van 16 juni 2006 door aan te voeren dat de toepassing ervan hun betrekking rechtstreeks en onmiddellijk bedreigt. Zij merken op dat, indien het aantal studenten als gevolg van het decreet afneemt, hun betrekking rechtstreeks zal worden bedreigd en dat zij, wegens hun anciënniteit van minder dan twee jaar, de maatregel niet kunnen genieten waarin artikel 12 van dat decreet voorziet. A.1.
- De zestiende, de zeventiende, de achttiende, de negentiende, de twintigste, de eenentwintigste, de tweeëntwintigste, de drieëntwintigste en de vierentwintigste verzoekende partij zijn tijdelijk voor onbepaalde duur aan het ISEK aangesteld en genieten een anciënniteit van meer dan twee jaar. De vijfentwintigste, de zesentwintigste, de zevenentwintigste en de achtentwintigste verzoekende partij bevinden zich, aan de HELB-IP, in een vergelijkbare situatie. Zij verantwoorden hun belang bij het vorderen van de vernietiging van het decreet van 16 juni 2006 door aan te voeren dat de toepassing ervan hun betrekking rechtstreeks bedreigt vanaf het academiejaar 2007-2008, vermits de maatregel waarin artikel 12 van dat decreet voorziet, slechts uitwerking heeft tijdens het academiejaar 2006-
- A.1.
- De negenentwintigste, de dertigste, de eenendertigste, de tweeëndertigste, de drieëndertigste, de vierendertigste en de vijfendertigste verzoekende partij zijn vast benoemd aan het ISEK. De laatste tien verzoekende partijen bevinden zich, aan de HELB-IB, in een vergelijkbare situatie. Zij erkennen dat hun betrekking niet rechtstreeks en onmiddellijk wordt bedreigd. Zij verantwoorden niettemin hun belang bij het vorderen van de vernietiging van het bestreden decreet. Zij merken daartoe op dat de daling van het aantal studenten op termijn ertoe zal leiden dat zij in disponibiliteit zullen worden gesteld, wat hen zal beletten het beroep waarvoor zij worden bezoldigd daadwerkelijk uit te oefenen. Hun indisponibiliteitstelling zou bovendien aanzienlijke financiële gevolgen met zich meebrengen. Zij merken in dat opzicht op dat het statuut van de leraren van de Franse Gemeenschap erin voorziet dat, in geval van indisponibiliteitstelling, hun wedde met twintig procent per jaar vermindert en na vijf jaar volledig wordt afgeschaft. Dezelfde verzoekende partijen voeren aan dat hun opdracht en de aard van de te geven cursussen kunnen veranderen en dat hun cursussen wellicht volledig zullen moeten worden herzien, vermits zij ertoe zullen worden gebracht specifieke vakken te geven die voordien waren toevertrouwd aan leraren die tijdelijk waren aangeworven of aangesteld. Zij voeren aan dat een en ander heel wat extra werk en een vermindering van de kwaliteit van het verstrekte onderwijs zal teweegbrengen. A.1.
- Alle verzoekende partijen voeren ten slotte een gemeenschappelijk belang aan : de verdediging van een kwaliteitsvol wetenschappelijk onderwijs dat aan de officiële scholen wordt verstrekt. Zij verzetten zich tegen de wijze waarop de Franse Gemeenschapsregering de huidige situatie van dat onderwijs, in het bijzonder op het gebied van de kinesitherapie en de ergotherapie, beoordeelt. Zij onderstrepen in dat opzicht dat de toevloed van studenten naar België voor die richtingen voortvloeit uit de buitengewone internationale faam van het onderwijs en dat dit - zeer oude - fenomeen de kwaliteit van het onderwijs nooit heeft aangetast. De verzoekende partijen zijn van mening dat dat aanzienlijke aantal buitenlandse studenten de ontwikkeling van een dergelijk kwaliteitsvol onderwijs en die reputatie mogelijk heeft gemaakt, dankzij de contacten die die studenten met de onderwijsinstellingen houden na het aanvatten van hun professionele, wetenschappelijke en academische loopbaan. 5 Ten aanzien van het eerste middel afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 5 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met de artikelen 12, eerste alinea, 18, 149 en 150 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap A.2.
- Het eerste onderdeel van het middel beoogt de eerste zin van artikel 4, derde lid, en die van artikel 8, derde lid, van het decreet van 16 juni 2006, in zoverre een discriminerend verschil in behandeling wordt ingevoerd tussen de « verblijvende » studenten en de « niet-verblijvende » studenten in de zin van artikel 1 van dat decreet, bij de uitoefening van hun rechten die met name worden gewaarborgd bij artikel 18 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. De verzoekende partijen zijn van mening dat uit de memorie van toelichting van het ontwerp van decreet dat het decreet van 16 juni 2006 is geworden - in het bijzonder de overwegingen met betrekking tot de diergeneeskunde - blijkt dat dat verschil in behandeling, zo niet uitsluitend, op zijn minst in hoofdzaak de buitenlandse studenten beoogt. Zij leiden hieruit af dat dat decreet, op zijn minst indirect, een discriminatie op grond van de nationaliteit, in de praktijk hoofdzakelijk de Franse nationaliteit, invoert. Een dergelijke discriminatie zou echter alleen kunnen worden aanvaard indien zij beantwoordt aan een gewettigd doel en ten aanzien van dat doel adequaat en evenredig is. Volgens de verzoekende partijen zijn de bekritiseerde maatregelen niet aangepast aan de te dezen nagestreefde doelstellingen. A.2.
- De verzoekende partijen geven toe dat de eerste twee doelstellingen die de wetgever nastreeft - de vrijwaring van het systeem van open toegang tot het onderwijs en die van de kwaliteit ervan - niet voor kritiek vatbaar zijn. Zij zijn daarentegen van mening dat de derde nagestreefde doelstelling - de vrije toegang van de studenten van de Franse Gemeenschap tot het door die Gemeenschap ingerichte onderwijs waarborgen - niet gewettigd is en verwijzen hieromtrent naar de uiteenzetting van het tweede middel. A.2.
- De verzoekende partijen zijn vervolgens van mening dat de decreetgever een analysefout begaat wanneer hij beweert dat het grote aantal buitenlandse studenten de toegang tot het onderwijs in het gedrang brengt en de kwaliteit ervan aantast. Zij onderstrepen in de eerste plaats dat de bekritiseerde maatregelen de toegang tot het onderwijs beperken. Zij herinneren vervolgens eraan dat de financiering van de hogescholen steunt op een systeem van « gesloten enveloppe », zodat de toegekende begroting niet varieert volgens het aantal studenten en de stijging van dat aantal leidt tot een daling van de financiering per student. Dat fenomeen zou de hogescholen ertoe brengen het aantal studenten dat zij aanvaarden, zelf te beperken. De verzoekende partijen leiden hieruit af dat de beperking van de toegang tot het onderwijs niet voortvloeit uit het aantal buitenlandse studenten, maar uit de ontoereikende financiering van de hogescholen. Zij zijn bovendien van mening dat de verantwoording voor de beperking van het aantal studenten door de noodzaak om met die ontoereikende financiering rekening te houden, alleen kan worden aanvaard indien die beperking niet discriminerend is en indien wordt aangetoond dat de toestroom van « niet- verblijvende » studenten de hogescholen ertoe heeft gebracht de inschrijving van « verblijvende » studenten te weigeren. De verzoekende partijen verklaren dat, met uitzondering van het geval van de diergeneeskunde, die tweede voorwaarde niet is vervuld, dat het aantal Belgische studenten kinesitherapie toeneemt en dat niets aantoont dat een vermeende daling van dat aantal - die zou kunnen leiden tot een tekort aan kinesitherapeuten in de Franse Gemeenschap - te wijten zou zijn aan de toestroom van « niet-verblijvende » studenten. In verband met de kwaliteit van het onderwijs, merken de verzoekende partijen op dat tussen die kwaliteit en het aantal studenten geen objectief verband bestaat en dat, indien het bestreden decreet die kwaliteit beïnvloedt, het het tegenovergestelde effect zal hebben ten opzichte van datgene dat wordt beoogd. Zij voeren in de eerste plaats aan dat het grote aantal « niet-verblijvende » studenten voor de cursussen kinesitherapie - hetgeen een oud fenomeen is - de Belgische scholen voor kinesitherapie niet heeft belet een benijdenswaardige internationale faam te verkrijgen. De verzoekende partijen merken vervolgens op dat een daling van het aantal studenten noodzakelijkerwijze zal leiden tot het ontslag of de indisponibiliteitstelling van een groot aantal leraren, wat drie gevolgen zal hebben : de verhouding tussen het aantal leraren en het aantal studenten zal, indien die varieert, dalen, zodat de begeleiding niet groter zal worden; in de eerste plaats zal het gespecialiseerde personeel dat vanwege zijn zeer specifieke competenties werd aangeworven, worden ontslagen; de vermindering van het personeel dreigt de hogescholen te dwingen tot een hergroepering van bepaalde cursussen - zoals de cursus anatomie, die thans in de cursussen podologie, kinesitherapie en ergotherapie wordt gegeven -, die hierdoor algemener zullen worden en hun specifieke kenmerken eigen aan de cursussen in het kader waarvan zij worden gegeven, zullen verliezen. 6 A.3.
- Het tweede onderdeel van het middel beoogt de artikelen 3 en 7 van het decreet van 16 juni 2006 en klaagt een identieke behandeling van alle in die bepalingen beoogde cursussen aan, terwijl in de memorie van toelichting van het voorontwerp van decreet wordt erkend dat de situatie van de studie in de diergeneeskunde fundamenteel verschilt van die van de andere beoogde studierichtingen en terwijl de beperking van de toegang tot die studie, volgens die memorie van toelichting, voornamelijk steunt op het grote aantal buitenlandse studenten dat aan de toegangsexamens voor de studie in de diergeneeskunde deelneemt en op het daaruit voortvloeiende vermeende risico van een tekort aan dierenartsen die in België werkzaam zijn. A.3.
- De verzoekende partijen beweren dat het gegeven dat de « niet-verblijvende » studenten - voornamelijk van Franse nationaliteit -, de meeste beschikbare plaatsen bezetten, omdat die beter slagen voor het toegangsexamen dan de « verblijvende » studenten - voornamelijk van Belgische nationaliteit - specifiek is voor de studie in de diergeneeskunde en voortvloeit uit het toegangsexamen voor die studie. Zij merken op dat de situatie daarvan zeer specifiek is en volkomen verschillend is van die van de andere in het decreet beoogde cursussen, vooral omdat voor die cursussen geen toegangsexamen bestaat. De verzoekende partijen merken bovendien op dat de bekritiseerde maatregelen, zelfs in zoverre zij de studie in de diergeneeskunde betreffen, inadequaat zijn. Zij zijn immers van mening dat het oordeelkundiger zou zijn de examenvereisten te herzien om ze beter af te stemmen op de in België verstrekte opleiding of die te verbeteren teneinde de « verblijvende » - met name Belgische - kandidaten even goed te laten presteren als de « niet- verblijvende » - in het bijzonder Franse - studenten. Ten slotte zijn zij van mening dat de uitsluiting van de beste studenten op grond van het verblijf - in feite van de nationaliteit - in het voordeel van de minst goed presterende studenten, indruist tegen de doelstelling van een kwaliteitsvol onderwijs. A.4.
- Het derde onderdeel van het eerste middel betreft artikel 4, tweede lid en derde lid, eerste zin, en artikel 8, tweede lid en derde lid, eerste zin, van het decreet van 16 juni
- De verzoekende partijen zijn van mening dat de keuze voor het vastgestelde percentage niet wordt gemotiveerd en niet evenredig is met het nagestreefde doel, temeer omdat die limiet wordt berekend in verhouding tot het aantal ingeschrevenen van het voorgaande academiejaar. A.4.
- De verzoekende partijen merken op dat die limiet is vastgesteld op basis van het gegeven dat die drie keer hoger ligt dan het Europese gemiddelde van het aantal studenten die hun studie in het buitenland volgen. Volgens de verzoekende partijen wordt die limiet niet verantwoord door andere objectieve elementen waardoor zij als adequaat en evenredig met de nagestreefde doelstellingen zou kunnen worden beschouwd. Zij voegen eraan toe dat niets erop wijst dat de uitgesloten « niet-verblijvende » studenten door « verblijvende » studenten zullen worden vervangen. A.4.
- Met cijfervoorbeelden ter ondersteuning wijzen de verzoekende partijen vervolgens erop dat, indien het totale aantal studenten niet toeneemt en de uitgesloten « niet-verblijvende » studenten niet worden vervangen door « verblijvende » studenten, het aantal « niet-verblijvende » studenten elk jaar geleidelijk zal afnemen. Zij onderstrepen dat, ook al leidt de daling van het aantal « niet-verblijvende » studenten tot een stijging van het aantal « verblijvende » studenten - wat, zo benadrukken de verzoekende partijen, niet is aangetoond -, de gevolgen van de bekritiseerde maatregel alleen zouden worden geneutraliseerd indien die stijging even groot is als de voormelde daling. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat, in die hypothese - die volgens hen weinig waarschijnlijk is -, het totale aantal studenten niet zou afnemen en de maatregel geen enkel effect zou hebben op de kwaliteit van het onderwijs. Zij leiden hieruit af dat, indien de bekritiseerde maatregel niet onevenredig is, hij inadequaat is. De verzoekende partijen merken ten slotte op dat die maatregel het aantal buitenlandse studenten in die mate zal doen afnemen dat het lager zal liggen dan het Europese gemiddelde van tien procent, waarnaar is verwezen om de vastgestelde limiet te verantwoorden, zodat die maatregel in elk geval onevenredig is. A.5.
- Het vierde onderdeel van het eerste middel betreft de artikelen 5 en 9 van het decreet van 16 juni 2006 en bekritiseert het verschil tussen, enerzijds, de « niet-verblijvende » studenten die door loting worden geselecteerd en, anderzijds, de « niet-verblijvende » studenten die zich, na die loting, niet kunnen inschrijven voor de door hen gekozen studie. De verzoekende partijen voeren aan dat die bepalingen het recht van de niet-verblijvende personen om de opleiding van hun keuze te volgen en hun recht op vrij verkeer op niet-voorzienbare wijze beperken, wat bijgevolg een onevenredige beperking van hun fundamentele rechten vormt en een discriminerend verschil in behandeling teweegbrengt. 7 A.5.
- De verzoekende partijen herinneren eraan dat die selectiewijze tijdens de parlementaire voorbereiding het systeem « eerst aangekomene, eerst ingeschrevene » heeft vervangen dat, volgens de Franse Gemeenschapsregering, de motivatie van de studenten nochtans beter waarborgde. De verzoekende partijen onderstrepen in de eerste plaats dat de beperkingen van de fundamentele vrijheden, zoals het vrij verkeer en de vrije toegang tot het onderwijs - alsook de afwijking van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie - voorzienbaar moeten zijn, terwijl het gekozen systeem op toeval is gebaseerd. Vervolgens zijn zij van mening dat het voormelde verschil in behandeling berust op een criterium van onderscheid dat niet relevant, noch adequaat is, omdat de selectie steunt op toeval en niet op de bekwaamheid van de studenten, die nochtans een bepalend element is voor de kwaliteit van het onderwijs, waarvan de vrijwaring een van de doelstellingen van het decreet is. Ten slotte stellen de verzoekende partijen dat dat criterium van onderscheid niet evenredig is, omdat het de betrokken studenten niet in staat stelt te gelegener tijd te weten of zij voor het onderwijs van hun keuze zullen worden toegelaten en of zij bijgevolg moeten overwegen zich op het grondgebied van het Rijk te vestigen of hun academische plannen te herbekijken. Zij verwijzen in dat opzicht naar het vijfde lid van de artikelen 5 en 9 van het bestreden decreet. Ten aanzien van het tweede middel afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 12, eerste alinea, 18, 149 en 150, lid 2, derde streepje, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap A.6.
- Het tweede middel betreft de artikelen 1, 4 en 8 van het decreet van 16 juni 2006, in zoverre zij, op zijn minst indirect, een discriminatie op grond van de nationaliteit invoeren voor de toegang tot sommige door de Franse Gemeenschap georganiseerde studierichtingen. De verzoekende partijen voeren aan dat, volgens de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 12 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, discriminatie op grond van de nationaliteit verboden is op het gebied van de toegang tot het onderwijs, beoogd in de artikelen 149 en 150, lid 2, derde streepje, van dat Verdrag, zodat het ingevoerde verschil in behandeling een discriminatie vormt op het vlak van het genot van de rechten die dat Verdrag toekent aan de onderdanen van de Europese Unie, discriminatie die objectief noch redelijk verantwoord is en bovendien niet evenredig is met het nagestreefde doel. A.6.
- De verzoekende partijen merken op dat het bestreden decreet tot doel heeft een ruime en democratische toegang tot een kwaliteitsvol hoger onderwijs voor de bevolking van de Franse Gemeenschap te waarborgen en dat het zou steunen op de vaststelling dat meer dan zeventig procent van de studenten die zich voor sommige in dat decreet beoogde cursussen hebben ingeschreven, van Franse nationaliteit zijn, wat volgens de wetgever drie gevolgen zou hebben : de toegang tot die studie verhinderen voor de studenten die hun diploma secundair onderwijs in de Franse Gemeenschap hebben behaald; de kwaliteit van het onderwijs in het gedrang brengen, door een stijging van het aantal studenten boven de opvangcapaciteit van de betrokken instellingen; en een tekort veroorzaken in de betrokken beroepen, « in het bijzonder mocht men een numerus clausus invoeren ». A.6.
- De verzoekende partijen verwijzen naar verschillende arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en merken vervolgens op dat artikel 12, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap niet alleen, in beginsel, de openlijke discriminaties verbiedt die rechtstreeks steunen op de nationaliteit, maar ook alle verhulde vormen van discriminatie die in feite, indirect, tot hetzelfde resultaat leiden door op andere criteria van onderscheid te steunen. Uit de parlementaire voorbereiding en het bij het verzoekschrift gevoegde persdossier leiden zij met name af dat het decreet een dergelijke indirecte discriminatie vormt, vermits de omschrijving van het nagestreefde doel uitsluitend steunt op het aandeel Franse studenten. Zij voegen eraan toe dat dit decreet ook indruist tegen de doelstellingen van de Europese Gemeenschap vervat in de artikelen 149, lid 1 en lid 2, tweede streepje, en 150, lid 2, derde streepje, van het voormelde Verdrag. De verzoekende partijen erkennen evenwel dat het verbod van die discriminaties niet absoluut is. Zij stellen vast dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verschillen in behandeling aanvaardt op voorwaarde dat zij steunen op objectieve overwegingen, die losstaan van de nationaliteit van de betrokken personen en evenredig zijn met de door de nationale reglementering nagestreefde wettige doelstelling (H.v.J., 24 november 1998, Bickel en Franz, C-274/96; H.v.J., 11 juli 2002, D’Hoop, C-224/98; H.v.J., 2 oktober 2003, Garcia Avello, C-148/02). Zij preciseren dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in een arrest van 7 juli 2005 bovendien lijkt te vereisen dat de situatie van de lidstaat die aan een dergelijke discriminerende maatregel ten grondslag 8 ligt, kenmerkend is voor die lidstaat en niet met andere lidstaten van de Europese Unie wordt gedeeld (H.v.J., 7 juli 2005, Commissie t. Oostenrijk, C-147/03). De verzoekende partijen onderstrepen dat de bewijslast berust op de lidstaat die een discriminerende maatregel wil aannemen. Uit verschillende arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen leiden zij af dat de nationale overheden die afwijken van het fundamentele beginsel van het vrij verkeer van personen in elk geval moeten aantonen dat hun reglementeringen ten aanzien van het nagestreefde doel noodzakelijk en evenredig zijn en dat een analyse - op grond van nauwkeurige en controleerbare elementen - van de doeltreffendheid en de evenredigheid van de beperkende maatregel hun motieven moet ondersteunen (H.v.J., 13 november 2003, Lindman, C-42/02; H.v.J., 18 maart 2004, Leichtle, C-8/02). A.6.
- Volgens de verzoekende partijen is het in A.6.2 vermelde doel niet wettig, vermits het in strijd is met de doelstellingen en opdrachten van de Europese Gemeenschap, zoals die met name voortvloeien uit de artikelen 149 en 150 van het voormelde Verdrag. Het zou overigens discriminerend zijn, vermits het ertoe strekt de bevolking van de Franse Gemeenschap te bevoordelen ten koste van de « Europese bevolking ». De wettigheid van de wens om een ruime en democratische toegang tot een kwaliteitsvol onderwijs te waarborgen, zou het niet mogelijk maken die waarborg voor te behouden aan de bevolking van een lidstaat, zonder in strijd te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zo nodig in samenhang gelezen met artikel 191 van de Grondwet, met artikel 12 van het voormelde Verdrag en in het bijzonder met de artikelen 149 en 150 van dat Verdrag. A.6.
- De verzoekende partijen zijn van mening dat, om dezelfde redenen, het argument dat is afgeleid uit het gegeven dat het grote aantal « niet-verblijvende » - in het bijzonder Franse - studenten de toegang zou belemmeren van de « verblijvende » - in het bijzonder Belgische – studenten, niet ontvankelijk of op zijn minst niet aangetoond is voor de andere studierichtingen dan die welke leiden tot de graad van « bachelor in de diergeneeskunde » en die in het bestreden decreet worden beoogd. Het gevaar dat de kwaliteit van het onderwijs afneemt, is evenmin aangetoond en lijkt bovendien door de feiten te worden tegengesproken. Sommige van de voormelde cursussen zouden immers tot de beste van Europa behoren, terwijl het grote aantal buitenlandse studenten een oud fenomeen is. Dat zou die studierichtingen zelfs in staat hebben gesteld een internationaal academisch en wetenschappelijk netwerk uit te bouwen dat aan de basis van de kwaliteit van dat onderwijs ligt. De verzoekende partijen voeren voorts aan dat het risico van een tekort voor de betrokken beroepen evenmin is aangetoond en dat het slechts denkbaar is indien een numerus clausus wordt ingevoerd. A.6.
- De verzoekende partijen merken ten slotte op dat, ook al is het nagestreefde doel gewettigd en zijn de vaststellingen waarop het steunt, ontvankelijk en bewezen, de Franse Gemeenschapsregering geen enkel bewijselement aanvoert voor het evenredige en adequate karakter van de aangenomen maatregel. De verzoekende partijen verwijzen naar de uiteenzettingen in A.4.1 tot A.4.3 en hebben in dat opzicht vragen bij de relevantie van het percentage van dertig procent. Ten aanzien van het derde middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11, 24 en 191 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met artikel 13 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en met de artikelen 3, lid 1, onder q), 12, eerste alinea, 18, lid 1, 149, lid 1 en lid 2, tweede streepje, en 150, lid 1 en lid 2, derde streepje, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap A.7.
- De verzoekende partijen zijn van mening dat de artikelen 10 tot 15 van het decreet van 16 juni 2006 dienen te worden vernietigd, in zoverre zij het onmiddellijke verlengde vormen van de artikelen 1 tot 9 van hetzelfde decreet, die in het middel worden beoogd. Zij zijn van mening dat die laatste bepalingen de toegang tot het onderwijs beperken van de « niet-verblijvende » - in het bijzonder Franse - studenten die niet behoren tot het in het decreet vastgestelde quotum. Zij zouden het fundamentele recht van die studenten op het vrij verkeer van de studenten op onevenredige wijze beperken en een indirecte discriminatie op grond van de nationaliteit tot stand brengen, zodat zij hun recht op het volgen van het onderwijs en de beroepsopleiding van hun keuze op discriminerende wijze zouden beperken. A.7.
- De verzoekende partijen preciseren dat dat middel het bestreden decreet bekritiseert, in zoverre het een onevenredige beperking vormt van het recht op onderwijs dat in artikel 24, §§ 3 en 4, van de Grondwet wordt gewaarborgd. 9 Uit die bepaling, artikel 191 van de Grondwet, B.5.4 van het arrest nr. 106/2003, artikel 2 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 13, lid 2, onder c), van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten leiden zij af dat iedere persoon, al dan niet verblijfhouder, recht heeft op onderwijs met inachtneming van de fundamentele rechten en vrijheden, in het bijzonder die welke zijn opgenomen in de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap die in het middel worden beoogd en die het onderwijs en de beroepsopleiding betreffen. Zij verwijzen naar de arresten nrs. 32/97 (B.4.2), 35/98 (B.4.2) en 47/97 (B.3.2) en herinneren eraan dat de wetgever, bij het regelen van de toegang tot het onderwijs, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in acht moet nemen dat in de artikelen 10, 11 en 24, § 4, van de Grondwet wordt gewaarborgd. Zij voeren ook aan dat elke schending van een grondrecht dat door een internationaalrechtelijke norm die België bindt, is erkend, ipso facto een schending van dat beginsel inhoudt. De te dezen bekritiseerde maatregel zou een discriminatie vormen op grond van de nationaliteit, alsook een discriminerende belemmering van het vrij verkeer van personen en een onevenredige beperking van het recht van de « niet-verblijvende » studenten dat in artikel 24 van de Grondwet wordt gewaarborgd. A.7.
- De verzoekende partijen merken op dat, volgens het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, de voorwaarden inzake de toegang tot de beroepsopleiding vallen onder het toepassingsgebied van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (H.v.J., 13 februari 1985, Gravier, C-293/83), en dat de discriminaties op grond van de nationaliteit, verboden bij artikel 12 van dat Verdrag, de uitoefening van het vrij verkeer van personen belemmeren. Zij verwijzen ook naar twee arresten van dat Hof betreffende de toegang tot het hoger onderwijs (H.v.J., 11 juli 2002, D’Hoop, C-224/98; H.v.J., 7 juli 2005, Commissie t. Oostenrijk, C-147/03). Vervolgens voeren zij aan dat het recht op vrij verkeer van personen en het verbod van elke discriminatie op grond van de nationaliteit fundamentele rechten zijn die door hetzelfde Verdrag worden gewaarborgd. Volgens de verzoekende partijen beperkt de bestreden maatregel in wezen het vrij verkeer van de Franse « niet-verblijvende » studenten en voert hij bijgevolg een verschil in behandeling in op grond van de nationaliteit. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 16 juni 2006 zou blijken dat die maatregel een verhulde vorm van discriminatie is die tot hetzelfde resultaat leidt door andere criteria van onderscheid dan de nationaliteit aan te wenden. De verzoekende partijen zijn van mening dat die indirecte discriminatie niet in overeenstemming is met de vereisten van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (H.v.J., 24 november 1998, Bickel en Franz, C-274/96; H.v.J., 11 juli 2002, D’Hoop, C-224/98; H.v.J., 7 juli 2005, Commissie t. Oostenrijk, C-147/03). A.8.4.
- De verzoekende partijen tonen aan dat de bekritiseerde maatregel bijdraagt tot het nastreven van een onrechtmatig doel. Zij zijn van mening dat het waarborgen van een ruime en democratische toegang tot een kwaliteitsvol hoger onderwijs voor alleen de bevolking van de Franse Gemeenschap niet verenigbaar is met het Europees recht. Zij voegen eraan toe dat de wil om de studenten die geen deel uitmaken van die bevolking, met andere woorden de onderdanen van de andere lidstaten van de Europese Unie, te benadelen, in strijd is met de voormelde fundamentele rechten. De verzoekende partijen weigeren om, zoals de auteurs van de bestreden tekst, aan te nemen dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, met zijn voormelde arrest van 7 juli 2005, voor de lidstaten van de Europese Unie zelfs impliciet het recht heeft erkend de toegang tot het hoger onderwijs te beperken tot de personen die werkelijk in hun samenleving zijn geïntegreerd. Zij voeren aan dat de uitzonderingen op het vrij verkeer van de studenten die het Hof van Justitie in zijn arrest van 15 maart 2005 (H.v.J., 15 maart 2005, Bidar, C-209/03) heeft aanvaard, alleen betrekking hebben op het domein van de volksgezondheid en niet op het gebied van onderwijs kunnen worden aangevoerd. In dat opzicht merken zij op dat het arrest van 7 juli 2005 geen betrekking had op een reglementering die verblijfsvoorwaarden bevatte en dat het, ondanks het antwoord dat het op de argumenten van Oostenrijk geeft, in het rechtstreekse verlengde ligt van de vroegere rechtspraak, die met name werd gekenmerkt door een arrest van 1 juli 2004 (H.v.J., Commissie t. België, 1 juli 2004, C-65/03). De verzoekende partijen bekritiseren ten slotte de wil om de « omzeilingsmobiliteit » te bestrijden. Zij onderstrepen dat de student die toegang wenst te hebben tot een soepeler onderwijsstelsel in een buurland teneinde de door zijn lidstaat van oorsprong opgelegde beperkingen te vermijden - met de intentie er terug te keren om er na zijn studies te werken -, zijn vrijheid van verkeer uitoefent en over dezelfde rechten beschikt als diegene die in het 10 buitenland gaat studeren om reden van de kwaliteit van de studie die er wordt aangeboden. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 juli 2005 zou blijken dat het hier niet gaat om een misbruik van de uitoefening van die vrijheid. A.8.4.
- De verzoekende partijen zijn bovendien van mening dat de bestreden maatregel niet op relevante criteria van onderscheid berust. Zij bekritiseren in de eerste plaats het criterium dat steunt op het gegeven dat, in de cursussen die in het decreet van 16 juni 2006 wordt beoogd, meer dan veertig procent van de studenten die voor de eerste keer zijn ingeschreven, hun diploma secundair onderwijs in het buitenland hebben behaald. Zij voeren aan dat, in zoverre hij betrekking heeft op de cursussen die leiden tot de in de artikelen 3, 1°, en 7 van dat decreet beoogde academische graden en niet alleen de diergeneeskunde beoogt, die maatregel van preventieve aard is en niet verenigbaar is met de in het middel beoogde bepalingen. Ze zijn van mening dat de wetgever geen enkel nauwkeurig element voorlegt om aan te tonen dat de stijging van het aantal studenten die het recht op vrij verkeer uitoefenen dat in het voormelde Verdrag wordt gewaarborgd, leidt tot een daling van de kwaliteit van die studie en tot een tekort aan beroepsmensen in de Franse Gemeenschap. Zij betwisten ook de verantwoording die steunt op het gegeven dat de « niet-verblijvende » studenten de plaats innemen van de « verblijvende » studenten in de cursussen die leiden tot de graden van de paramedische categorie. De verzoekende partijen klagen vervolgens de criteria aan die worden aangewend om de « verblijvende » studenten te onderscheiden van de « niet-verblijvende » studenten. Zij voeren aan dat het voorbehoud dat de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft gemaakt bij artikel 1, eerste lid, 7°, van het decreet van 16 juni 2006, geldt voor de andere categorieën van studenten die in artikel 1 van dat decreet worden gedefinieerd, omdat het decreet ervan uitgaat dat de vrije toegang tot de hogere studie die het beoogt, niet kan worden gewaarborgd aan al wie geen werkelijke band met de Belgische samenleving vertoont. De verzoekende partijen herinneren eraan dat niet kan worden aanvaard dat de overwegingen van het arrest van het Hof van Justitie van 15 maart 2005 betreffende de volksgezondheid ook gelden op het gebied van onderwijs. De verzoekende partijen beweren ten slotte dat het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de « niet- verblijvende » studenten die door loting zijn geselecteerd en, anderzijds, de « niet-verblijvende » studenten die door loting niet zijn geselecteerd, berust op een criterium van onderscheid dat objectief noch relevant is. Het percentage van dertig procent zou op willekeurige wijze zijn vastgesteld en niet op redelijke wijze zijn verantwoord. Zij onderstrepen dat de loting de volgorde bepaalt van de studenten die wensen deel uit te maken van het quotum van dertig procent en dat die selectiewijze niet beantwoordt aan de vereiste van voorzienbaarheid van een beperking van het recht op het vrij verkeer van de « niet-verblijvende » studenten, vermits de betrokken studenten zullen moeten wachten tot de eerste werkdag die volgt op 2 september om te weten of zij zich kunnen inschrijven voor een van de in het decreet beoogde cursussen. A.8.4.
- De verzoekende partijen voeren vervolgens aan dat de in het geding zijnde maatregel niet noodzakelijk is om het voormelde doel te bereiken en dat hij dus van preventieve aard is. De wetgever zou geen precieze cijfermatige gegevens hebben voorgelegd zoals het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dat vereist. Volgens de verzoekende partijen betreft het enige nuttige cijfer dat is voorgelegd, de samenstelling van de voor de betrokken cursussen ingeschreven studentenpopulatie. De noodzaak van de maatregel, in zoverre die de paramedische studie beoogt, zou daarentegen niet verantwoord zijn, aangezien de daling van de kwaliteit van het onderwijs niet is aangetoond en het tekort aan stageplaatsen voor elk van de beoogde afdelingen niet is bewezen. Hetzelfde geldt voor het risico van een tekort aan beroepsmensen in de Franse Gemeenschap. De verzoekende partijen wijzen in dat opzicht op de ontstentenis van cijfermateriaal betreffende het aantal gediplomeerden die hun beroep in hun Staat van oorsprong uitoefenen. A.8.4.
- De verzoekende partijen voeren ten slotte aan dat de in het geding zijnde maatregel niet evenredig is met het nagestreefde doel. Zij verwijzen naar de argumenten die in A.4.1 tot A.4.3 en in A.6.1 tot A.6.6 zijn uiteengezet. Zij voegen eraan toe dat de onvoorzienbaarheid van een afwijking van het grondrecht van het vrij verkeer van personen niet aanvaardbaar is, ermee rekening houdend dat de « niet-verblijvende » studenten regelingen moeten kunnen treffen naar gelang van de voorwaarden waarin zij tot het onderwijs van hun keuze toegang kunnen hebben. Zij merken ten slotte op dat de in het geding zijnde maatregel de toegang tot het onderwijs beperkt in het stadium van de inschrijving en dat de onmogelijkheid voor een « niet-verblijvende » student om 11 zich, ondanks die beperking, in te schrijven door zelf in te staan voor de financiering van de studie die hij wenst te volgen (door hoger collegegeld, door een beurs, enz.), die student op discriminerende wijze uitsluit. A.
- De verzoekende partijen leiden uit hetgeen voorafgaat af dat de bestreden maatregel een discriminatie inhoudt die door het gemeenschapsrecht verboden is en bijgevolg een onevenredige beperking is van het recht op onderwijs dat door de Grondwet wordt gewaarborgd. Ten aanzien van het ernstige karakter van de middelen A.
- De verzoekende partijen verwijzen naar B.2.3 van het arrest nr. 60/92 en B.2 van het arrest nr. 30/93 en merken op dat, opdat de eerste voorwaarde vervuld is die in artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 wordt bedoeld, het voldoende is dat een van de aangevoerde middelen ernstig is. In dat opzicht voeren zij aan dat een beknopt onderzoek van de eerste twee middelen het Hof in staat stelt onmiddellijk te oordelen dat de door de bestreden wetgeving nagestreefde doelstellingen alsook het adequate karakter en de evenredigheid van die wetgeving ten aanzien van die doelstellingen ernstig kunnen worden betwist. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.11.
- De eerste vier verzoekende partijen beweren dat de onmiddellijke toepassing van het decreet van 16 juni 2006, vanaf de aanvang van het academiejaar 2006-2007, hun het voordeel van een studiejaar of zelfs dat van twee studiejaren dreigt te ontnemen, gelet op de termijn voor de behandeling van een beroep tot vernietiging. Zij verwijzen in dat opzicht naar B.7 en B.8 van het arrest nr. 32/97 van het Hof. Zij beklemtonen ook het, zo niet onherstelbare, toch op zijn minst moeilijk te herstellen karakter van dat nadeel, gelet op de onzekerheid in de rechtsleer en de rechtspraak omtrent de mogelijkheid om de wetgevende macht van de deelentiteiten aansprakelijk te stellen op grond van een vernietigingsarrest van het Hof. A.11.
- De vijfde, de zesde, de zevende, de achtste, de negende, de tiende, de elfde, de twaalfde, de dertiende, de veertiende en de vijftiende verzoekende partij preciseren dat zij niet worden beoogd door de artikelen 11 tot 15 van het decreet van 16 juni
- Zij voeren allen aan dat de onmiddellijke en aanzienlijke daling van het aantal studenten noodzakelijkerwijze onmiddellijk een einde zal maken aan hun onderwijsmandaat en dus aan de inning van de desbetreffende bezoldiging, op zijn minst gedurende een jaar of zelfs twee jaar, gelet op de gebruikelijke termijn voor de behandeling van een beroep tot vernietiging door het Hof. Zij zijn van mening dat het gaat om een ernstig nadeel dat tevens, zo niet onherstelbaar, op zijn minst moeilijk te herstellen is, gelet op de voormelde onzekerheid in de rechtsleer en de rechtspraak (A.11.1). -B- Ten aanzien van de draagwijdte van de bestreden bepalingen B.
- De artikelen 2, 3, 6 en 7 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 juni 2006 « tot regeling van het aantal studenten in sommige cursussen van de eerste cyclus van het hoger onderwijs » verplichten de universiteiten en de hogescholen van de Franse Gemeenschap ertoe het aantal studenten te beperken dat zich voor de eerste keer inschrijft voor de cursussen die 12 leiden tot de negen vastgestelde academische graden. De artikelen 1, 4, 5, 8, 9 en 10 van hetzelfde decreet bevatten de regels inzake de voorwaarden en de procedure betreffende die beperking. De artikelen 11, eerste lid, 13 en 14 van het decreet van 16 juni 2006 wijzigen de regels inzake de financiering van de hogescholen. Artikel 11, tweede lid, van het decreet van 16 juni 2006 wijzigt een bepaling van het financieel statuut van de leden van het onderwijzend personeel die, op datum van 1 januari 2006, vast benoemd of definitief aangeworven zijn voor een hoofdambt naar verhouding van minstens 80 pct. van hun opdracht voor de cursussen die leiden tot de in artikel 7 van het bestreden decreet bedoelde graden of tot de graad van master in de kinesitherapie, en die, tussen 1 september 2006 en 1 september 2010, in disponibiliteit worden gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Artikel 12 van het decreet van 16 juni 2006 voegt een nieuwe statutaire regel in die, tijdens het academiejaar 2006-2007, van toepassing is op de leden van het onderwijzend personeel die tijdelijk aangeworven zijn en een anciënniteit van minstens twee jaar genieten in de afdelingen die de in artikel 7 van hetzelfde decreet bedoelde opleidingen inrichten. Artikel 15 van het decreet van 16 juni 2006 geeft aan wanneer de voormelde bepalingen in werking treden. Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen B.
- Daar de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, moet de ontvankelijkheid van het beroep, en met name het bestaan van het vereiste belang met het oog op het instellen ervan, reeds worden behandeld bij het onderzoek van de vordering tot schorsing. B.
- De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar. 13 B.4.
- Geen enkele verzoekende partij voert een element aan waaruit, in het huidige stadium van de rechtspleging, zou blijken dat zij beschikken over het vereiste belang om de artikelen 11 tot 14 van het decreet van 16 juni 2006 te bestrijden. B.4.
- Tussen de bestreden normen en de situatie van de verzoekende partijen, in zoverre zij een mogelijke aantasting van de kwaliteit van het door officiële hogescholen verstrekte wetenschappelijk onderwijs aanklagen, bestaat geen voldoende geïndividualiseerd verband. Het beroep dient bijgevolg, in die mate, als een actio popularis te worden beschouwd, die onontvankelijk is. B.4.
- Uit de verklaringen ter terechtzitting blijkt dat de eerste verzoekende partij van het vereiste belang lijkt te doen blijken om de artikelen 1 tot 10 en 15 van het decreet van 16 juni 2006 te bestrijden, in zoverre zij betrekking hebben op de cursus die tot de in artikel 7, 5°, van dat decreet beoogde academische graad van « bachelor in de kinesitherapie » leidt. De derde en de vierde verzoekende partij lijken te doen blijken van het vereiste belang om diezelfde artikelen te bestrijden, in zoverre zij betrekking hebben op de cursussen die tot de academische graad van « bachelor in de podologie-podotherapie » en tot die van « bachelor in de diergeneeskunde » leiden, die respectievelijk in artikel 7, 4°, en in artikel 3, 2°, van hetzelfde decreet worden beoogd. B.4.
- De tweede verzoekende partij beperkt zich ertoe te verklaren dat zij zich wenst in te schrijven aan de « Haute Ecole Paul-Henri Spaak », zonder te preciseren welke cursus zij wenst te volgen. Uit bijlage 2.b van het besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 9 juli 1996 « tot vaststelling van de lijst van de hogescholen, overeenkomstig artikel 55, § 3, van het decreet van 5 augustus 1995 houdende de algemene organisatie van het hoger onderwijs in hogescholen » blijkt dat die instelling voor hoger onderwijs cursussen aanbiedt die leiden tot de uitreiking van andere academische graden dan die welke door het decreet van 16 juni 2006 worden beoogd. 14 Daar zij niet preciseert voor welke cursus zij zich wenst in te schrijven, doet de tweede verzoekende partij niet blijken van het vereiste belang om de vernietiging te vorderen van de artikelen 1 tot 10 en 15 van het decreet van 16 juni
- B.4.
- De andere verzoekende partijen maken deel uit van het onderwijzend personeel van de « Haute Ecole Paul-Henri Spaak » of de « Haute Ecole Libre de Bruxelles - Ilya Prigogine ». Uit bijlage 2.b en bijlage 7.b van het voormelde besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 9 juli 1996 blijkt echter dat geen van beide instellingen voor hoger onderwijs de cursussen verstrekt die leiden tot de academische graden van « bachelor in de logopedie », « bachelor in de audiologie » en « opvoeder gespecialiseerd in de psycho- opvoedende begeleiding », bedoeld in artikel 7, 3°, 6° en 7°, van het decreet van 16 juni
- B.4.
- Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing heeft kunnen overgaan, in het huidige stadium van de rechtspleging blijkt dat die vordering ontvankelijk is wat de artikelen 1 tot 10 en 15 van het decreet van 16 juni 2006 betreft, in zoverre zij van toepassing zijn op de cursussen die tot de in artikel 3, 2°, en in artikel 7, 1°, 2°, 4° en 5°, van dat decreet opgesomde academische graden leiden. Ten aanzien van de grondvoorwaarden van de vordering tot schorsing B.
- Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd, moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden regel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. 15 Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat een van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.
- Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de personen die een vordering tot schorsing instellen, in hun verzoekschrift aan het Hof concrete en precieze feiten moeten uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepalingen waarvan zij de vernietiging vorderen, hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Die personen moeten met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepalingen aantonen. B.7.
- De dertien verzoekende partijen die tijdelijk voor onbepaalde duur in een hogeschool zijn aangeworven of aangesteld en wier anciënniteit meer dan twee jaar bedraagt, alsook de zeventien verzoekende partijen die in dezelfde onderwijsinrichtingen vast benoemd of definitief aangeworven zijn, voeren niet aan dat het bestreden decreet hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. B.7.
- In zoverre de vordering tot schorsing, wat de tweede verzoekende partij betreft, niet ontvankelijk is, houdt het Hof geen rekening met het door die laatstgenoemde aangevoerde nadeel. B.
- Het door de eerste, derde en vierde verzoekende partij aangevoerde nadeel bestaat in het verlies van één studiejaar aan een door de Franse Gemeenschap ingerichte of gesubsidieerde instelling voor hoger onderwijs waaraan zij zich wensen in te schrijven. Die verzoekende partijen, die geen verblijf houden in België, maken het weliswaar aannemelijk dat de kans dat zij toegelaten zullen worden tot het onderwijs van hun keuze binnen de Franse Gemeenschap afneemt. Om te beoordelen of zij al dan niet een risico lopen op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ten gevolge van de onmiddellijke toepassing van 16 het bestreden decreet dient evenwel rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat zij in een ander land verblijven. Zij tonen geenszins aan dat zij noch in het land waarin zij verblijf houden, noch in een ander land, noch in een andere gemeenschap van België, de door hen beoogde studie zouden kunnen aanvatten, mochten zij niet worden toegelaten tot een universiteit of hogeschool die onder de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap valt. Bijgevolg kan het nadeel dat zij van het bestreden decreet kunnen ondervinden, niet worden beschouwd als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari
- B.9.
- Het door de vijfde, zesde, zevende, achtste, negende, tiende, elfde, twaalfde, dertiende, veertiende en vijftiende verzoekende partij aangevoerde nadeel bestaat in het onmiddellijke verlies van hun betrekking en van de daaraan gekoppelde bezoldiging. B.9.
- Noch de uiteenzetting van het nadeel in het verzoekschrift, noch de stukken die daarbij gevoegd zijn, bevatten elementen waaruit kan blijken dat de onmiddellijke toepassing van de artikelen 1 tot 10 en 15 van het decreet van 16 juni 2006, in zoverre zij van toepassing zijn op de cursussen die tot de in artikel 7, 1°, 2°, 4° en 5°, van hetzelfde decreet beoogde graden leiden, zou kunnen leiden tot het verdwijnen van de betrekking van al die verzoekende partijen. B.9.
- Die verzoekende partijen leggen evenmin elementen voor waaruit kan blijken dat de onmiddellijke toepassing van die bepalingen - die wellicht zal leiden tot een daling van het aantal studenten die voor de eerste keer zijn ingeschreven voor de cursussen die tot de voormelde graden leiden - vanaf het academiejaar 2006-2007 de betrekking van de ene of de andere individueel beschouwde verzoekende partij zou kunnen doen verdwijnen. Het Hof kan overigens uit geen enkel stuk van het dossier precies opmaken in welke cursus elke verzoekende partij les geeft. In die omstandigheden kan het Hof niet nagaan of het aangevoerde nadeel werkelijk bestaat. B.9.
- Die verzoekende partijen zijn bovendien ofwel « gastprofessoren », ofwel tijdelijk aangeworven of aangestelde docenten, zodat hun statuut onzeker is en zij niet kunnen beweren dat zij een recht hebben verworven om vast te worden benoemd in de betrekking die zij thans uitoefenen. Het nadeel dat de onmiddellijke toepassing van het decreet hun zou kunnen 17 berokkenen, zou erin bestaan dat zij een kans verliezen om opnieuw te worden aangeworven, opnieuw te worden aangesteld of te worden benoemd en zou in wezen een geldelijk nadeel zijn, dat van nature niet onherstelbaar is. B.
- Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat geen enkele verzoekende partij voldoende aantoont dat de onmiddellijke toepassing van de artikelen 1 tot 10 en 15 van het decreet van 16 juni 2006 haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. B.
- Aangezien niet is voldaan aan een van de voorwaarden vereist bij artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, dient de vordering tot schorsing te worden verworpen. 18 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 29 augustus 2006, door rechter P. Martens, ter vervanging van voorzitter M. Melchior, wettig verhinderd zijnde de uitspraak van dit arrest bij te wonen. De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux P. Martens PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.134 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div