← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.136

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.136 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060914.6 ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060914.5 Arrest- Rolnummer: 136/2006;3760 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-07 Raadplegingen: 187 - laatst gezien 2026-06-30 15:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 301, ,§ 5, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 301, ,§ 5, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Vrederechter van het kanton Vielsalm, La Roche-en-Ardenne en Houffalize. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 301,§5 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3760 Arrest nr. 136/2006 van 14 september 2006 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 301, § 5, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Vrederechter van het kanton Vielsalm, La Roche-en-Ardenne en Houffalize. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 1 augustus 2005 in zake M. Goncalves Fernandes tegen M. Renard, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 8 augustus 2005, heeft de Vrederechter van het kanton Vielsalm de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 301, § 5, van het Burgerlijk Wetboek de grondwettelijke bepalingen betreffende de gelijkheid van de Belgen voor de wet, in zoverre het de uitkeringsplichtige echtgenoot toestaat de kapitalisatie van de uitkering tot onderhoud op elk ogenblik toe te kennen, maar diezelfde mogelijkheid niet aan de onderhoudsgerechtigde toekent ? ». Memories zijn ingediend door : - M. Goncalves Fernandes, wonende te 6690 Vielsalm, Ville du Bois 94; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 28 juni 2006 : - is verschenen : Mr. S. Naeije loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en A. Alen verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil M. Goncalves Fernandes huwt op 31 maart 1984 met de heer Renard. Het samenleven van beide echtgenoten eindigt in de loop van het jaar

  1. M. Goncalves Fernandes verkrijgt de echtscheiding op 6 november
  2. Bij verzoekschrift van 15 juni 2004 vordert zij de veroordeling van de heer Renard tot betaling van een uitkering op grond van artikel 301, § 1, van het Burgerlijk Wetboek. De laatstgenoemde, die zijn betrekking bij het gemeentebestuur is kwijtgeraakt, stelt een tegenvordering in om een vermindering te verkrijgen van zijn bijdrage in de kosten voor huisvesting, onderhoud, toezicht, opvoeding en vorming van zijn drie kinderen. M. Goncalves Fernandes, die vreesde dat de insolventie van de heer Renard de betaling van de voormelde uitkering in gevaar zou brengen, vordert eveneens de kapitalisatie ervan, wat de heer Renard weigert. De verwijzende rechter beslist bijgevolg, op verzoek van M. Goncalves Fernandes - en met instemming van de verweerder, die opmerkt dat het dossier niet in staat van wijzen is, zowel wat het beginsel als het bedrag van de gevorderde uitkering betreft -, de hiervoor weergegeven vraag aan het Hof te stellen. 3 III. In rechte -A- A.
  3. Volgens M. Goncalves Fernandes is het door artikel 301, § 5, van het Burgerlijk Wetboek ingevoerde verschil in behandeling tussen de uitkeringsplichtige en de uitkeringsgerechtigde discriminerend, in zoverre die bepaling de uitkeringsgerechtigde verbiedt de kapitalisatie van de uitkering te vragen. Het zou niet verantwoord zijn het recht op kapitalisatie voor te behouden aan de tot uitkering gehouden echtgenoot. M. Goncalves Fernandes voert aan dat het niet pertinent is de uitkeringsgerechtigde echtgenoot een recht te ontzeggen. In dat opzicht merkt zij op dat het Hof, in B.9 van het arrest nr. 137/2000, de verplichting tot bijstand en hulp van de tot uitkering gehouden echtgenoot erkent. Zij verwijst naar het arrest nr. 105/2002 en voegt eraan toe dat het Hof eveneens de verplichting om rekening te houden met de behoeften en de bestaansmiddelen van de partijen heeft erkend. Ten slotte citeert zij uit B.4.2 van het arrest nr. 118/2004 en merkt zij op dat het Hof nadrukkelijk wijst op het belang van de onderhoudsplicht en de noodzaak om de rechten van de onderhoudsgerechtigde te beschermen. A.2.
  4. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de situatie van de begunstigde van een onderhoudsuitkering die na een echtscheiding verschuldigd is, niet vergelijkbaar is met die van de tot die uitkering gehouden persoon. Hij onderstreept dat de uitkeringsgerechtigden en de uitkeringsplichtigen geen vergelijkbare categorieën zijn, vermits zij niet dezelfde rechten, noch dezelfde bescherming genieten. Hij merkt op dat de uitkeringsgerechtigde de zijdelingse vordering kan instellen waarin artikel 1166 van het Burgerlijk Wetboek voorziet, of een rechtstreekse vordering die het een schuldeiser, in de bij de wet bepaalde gevallen, mogelijk maakt een door zijn schuldenaar gesloten overeenkomst aan te voeren om tegen de schuldenaar van die laatstgenoemde een vordering in te stellen. De Ministerraad wijst, onder de beschermende maatregelen die de schuldenaars genieten, op de waarborgen die voortvloeien uit de artikelen 1108 en 1109 van het Burgerlijk Wetboek. A.2.
  5. De Ministerraad is in ondergeschikte orde van mening dat het verschil in behandeling tussen de uitkeringsgerechtigde echtgenoot en de uitkeringsplichtige echtgenoot dat uit de in het geding zijnde bepaling voortvloeit, op rechtvaardige motieven steunt. Uit artikel 301, § 1, van het Burgerlijk Wetboek leidt hij af dat een onderhoudsuitkering kan worden toegekend aan de behoeftige echtgenoot die de echtscheiding heeft verkregen ten nadele van zijn vroegere echtgenoot, rekening houdend met diens mogelijkheden. De onderhoudsuitkering zou ook een vergoedend karakter hebben, in zoverre zij is voorbehouden aan de vroegere echtgenoot die tijdens de echtscheidingsprocedure onschuldig is verklaard. De Ministerraad merkt evenwel op dat de voor de onschuldige echtgenoot financieel voordelige regeling die de wet van 9 juli 1975 betreffende de uitkering na echtscheiding heeft ingevoerd, gepaard gaat met maatregelen tot bescherming van de onderhoudsplichtige. Hij verwijst in dat opzicht naar artikel 301, § 3, tweede en derde lid, en naar artikel 301, § 4, van het Burgerlijk Wetboek en onderstreept dat de uitkeringsplichtige over de nodige financiële middelen moet beschikken om zijn vroegere echtgenoot te helpen en dat de rechter de situatie zal beoordelen op grond van de levensstandaard van de echtgenoten tijdens het samenleven. De Ministerraad voert aan dat de in het geding zijnde bepaling - die het resultaat is van uiteenlopende standpunten tijdens de parlementaire voorbereiding - een van die beschermende maatregelen vormt en ertoe strekt te voorkomen dat de onderhoudsgerechtigde ertoe wordt aangezet de kapitalisatie aan te vragen wanneer hij een nieuw huwelijk of « een blijvende verhouding » overweegt. De Ministerraad merkt ten slotte op dat de schuldeiser van een onderhoudsuitkering over andere middelen dan de kapitalisatie beschikt om de betaling van die uitkering te verkrijgen, wanneer de insolvente schuldenaar de kapitalisatie weigert, terwijl een derde voor zijn rekening een groot bedrag in zijn bezit heeft dat die verrichting mogelijk zou maken. De uitkeringsgerechtigde met een uitvoerbare titel die hem een recht op een onderhoudsuitkering toekent, zou, op grond van artikel 1494, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen overgaan tot een uitvoerend derdenbeslag in handen van een houder van een kapitaal dat toebehoort aan de persoon die tot die uitkering is gehouden en die niet betaalt. Die mogelijkheid zou het de uitkeringsgerechtigde mogelijk maken de betaling van die uitkering te verkrijgen op elke vervaldag, ten laste van het kapitaal dat die derde in zijn bezit heeft. 4 -B- B.
  6. De echtgenoot die de echtscheiding verkrijgt, kan, uit de goederen en de inkomsten van de andere echtgenoot, een uitkering genieten die hem in staat stelt, rekening houdend met zijn inkomsten en mogelijkheden, in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven (artikel 301, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij artikel 1 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de uitkering na echtscheiding). Artikel 301, § 5, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 9 juli 1975, bepaalt : « De uitkering kan te allen tijde door een kapitaal worden vervangen op grond van een overeenkomst tussen de partijen gehomologeerd door de rechtbank. De rechtbank kan ook de kapitalisatie te allen tijde toekennen op aanvraag van de tot uitkering gehouden echtgenoot ». B.
  7. In de prejudiciële vraag wordt het Hof verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van de tweede zin van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de uitkeringsgerechtigde en de uitkeringsplichtige verschillend behandelt, doordat alleen de laatstgenoemde de rechtbank mag vragen om na te gaan of het opportuun is de kapitalisatie van die uitkering aan zijn voormalige echtgenoot op te leggen. B.3.
  8. De in het geding zijnde bepaling regelt de uitvoering van een verplichting. B.3.
  9. De kapitalisatie van de uitkering die in de in het geding zijnde bepaling wordt bedoeld, maakt het mogelijk « de betrekkingen tussen de vroegere echtgenoten voor goed te beëindigen » en « alle verdere wrijvingen tussen hen […] te vermijden » (Parl. St., Kamer, 1974-1975, 603, nr. 2, p. 45). B.3.3.
  10. Artikel 301, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 9 juli 1975, bepaalt : « Indien de uitkering, ingevolge omstandigheden onafhankelijk van de wil van de uitkeringsgerechtigde, in ruime mate ontoereikend is geworden om de in § 1 bedoelde toestand te waarborgen, kan de rechtbank de uitkering verhogen. 5 Indien de toestand van de uitkeringsgerechtigde een ingrijpende wijziging heeft ondergaan zodat het bedrag van de uitkering niet meer verantwoord is, kan de rechtbank de uitkering verminderen of opheffen. Dit geldt eveneens bij ingrijpende wijziging van de toestand van de uitkeringsplichtige ingevolge omstandigheden onafhankelijk van zijn wil ». Artikel 301, § 4, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 9 juli 1975, bepaalt : « Het bedrag van de uitkering mag in geen geval hoger zijn dan een derde van de inkomsten van de tot uitkering gehouden echtgenoot ». B.3.3.
  11. De kapitalisatie van de uitkering ontneemt de uitkeringsgerechtigde het recht om zich, in de toekomst, te wenden tot de rechtbank, op grond van artikel 301, § 3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek teneinde een verhoging ervan te verkrijgen. Tegelijk ontneemt zij de uitkeringsplichtige het recht om aan de rechtbank een vermindering of zelfs een opheffing van de uitkering te vragen, onder de voorwaarden waarin artikel 301, § 3, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek voorziet. Zij beschermt uiteindelijk beide voormalige echtgenoten tegen de mogelijke toekomstige schommelingen van het bedrag van de uitkering die voor hen nadelig zouden kunnen zijn. B.3.
  12. De kapitalisatie is een manier om een einde te stellen aan een verplichting die voor beide partijen voordelen en nadelen inhoudt. De ontstentenis van het recht voor de uitkeringsgerechtigde om de kapitalisatie aan te vragen, heeft daarom nog geen onevenredige gevolgen, vermits zij hem niet het recht op de periodieke uitbetaling van de uitkering ontneemt. Ermee rekening houdend dat de kapitalisatie, voor het vermogen van de uitkeringsplichtige, onmiddellijke gevolgen kan hebben die overdreven zwaar kunnen zijn om te dragen, vermocht de wetgever, zonder daartoe gehouden te zijn door het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, het initiatief om aan de rechtbank de kapitalisatie van die uitkering aan te vragen, bij ontstentenis van een overeenkomst tussen de voormalige echtgenoten, enkel aan de uitkeringsplichtige voor te behouden. 6 B.
  13. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 301, § 5, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 14 september
  14. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.136 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.