← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.137

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.137 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060914.1 Arrest- Rolnummer: 137/2006;3764 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-10-04 Raadplegingen: 230 - laatst gezien 2026-06-30 15:09 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt artikel 55 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 3 februari 2005 betreffende de economische heropleving en de administratieve vereenvoudiging; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling ten aanzien van de met toepassing van die bepaling uitgereikte vergunningen welke uitvoering hebben gekregen vóór de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad ; - verwerpt het beroep voor het overige. Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 52, 54, 55, 87 en 138 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 3 februari 2005 betreffende de economische heropleving en de administratieve vereenvoudiging, ingesteld door de VZW Inter-Environnement Wallonie. Wettelijke bepalingen: Decreet Waalse Gewest - 03-02-2005 - 52 - 39 ELI link Pub nr 2005027144 Decreet Waalse Gewest - 03-02-2005 - 54 - 39 ELI link Pub nr 2005027144 Decreet Waalse Gewest - 03-02-2005 - 55 - 39 ELI link Pub nr 2005027144 Decreet Waalse Gewest - 03-02-2005 - 87 - 39 ELI link Pub nr 2005027144 Decreet Waalse Gewest - 03-02-2005 - 138 - 39 ELI link Pub nr 2005027144 Tekst van de beslissing Rolnummer 3764 Arrest nr. 137/2006 van 14 september 2006 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 52, 54, 55, 87 en 138 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 3 februari 2005 betreffende de economische heropleving en de administratieve vereenvoudiging, ingesteld door de v.z.w. Inter- Environnement Wallonie. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 31 augustus 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 september 2005, heeft de v.z.w. Inter- Environnement Wallonie, met maatschappelijke zetel te 5000 Namen, boulevard du Nord 6, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 52, 54, 55, 87 en 138 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 3 februari 2005 betreffende de economische heropleving en de administratieve vereenvoudiging (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 maart 2005). De Waalse Regering heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Waalse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 1 maart 2006 heeft het Hof de zaak in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 22 maart 2006 na de verzoekende partij te hebben verzocht zich in een uiterlijk op 17 maart 2006 in te dienen aanvullende memorie – waarvan zij binnen dezelfde termijn een afschrift aan de andere partij dient over te zenden – nader te verklaren over de weerslag, op haar beroep, van de wijziging van artikel 127, § 3, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, bij artikel 5 van het decreet van 27 oktober 2005 tot wijziging van de artikelen 6, 21, 110bis en 127 van dat Wetboek. De verzoekende partij heeft een aanvullende memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 22 maart 2006 : - zijn verschenen : . Mr. J. Sambon, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. F. Haumont, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Het verzoekschrift en het verzoek tot gedeeltelijke afstand A.

  1. De v.z.w. Inter-Environnement Wallonie vorderde, met haar beroep van 31 augustus 2005, de vernietiging van de artikelen 52, 54, 55 en 87 van hoofdstuk V, en van artikel 138 van hoofdstuk VII van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 3 februari 2005 betreffende de economische heropleving en de administratieve vereenvoudiging. Bij brieven van 20 september en 26 oktober 2005, heeft de verzoekende vereniging het Hof ervan in kennis gesteld dat zij afstand doet van haar beroep in zoverre het betrekking heeft op de artikelen 52 en 54 van hoofdstuk V en op artikel 138 van hoofdstuk VII van het voormelde programmadecreet. In haar memorie van antwoord bevestigt de verzoekende partij dat het vernietigingsmiddel beperkt is tot de artikelen 55 en 87 van het vermelde decreet. Het middel tot vernietiging A.
  2. Het enige middel tot vernietiging is gebaseerd op de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet, met artikel 10 van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met de artikelen 3 tot 6 van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, op de schending van de artikelen 7 en 8 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, dat op 25 juni 1998 te Aarhus werd ondertekend en dat op 13 juni 2002 door het Waalse Gewest werd geratificeerd, en op de schending van artikel 23 van de Grondwet. A.3.
  3. Artikel 55 van het decreet wijzigt artikel 34 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (W.W.R.O.S.P.), en maakt een einde aan de verplichting een gemeentelijk plan van aanleg (G.P.A.) op te stellen, waardoor een gebied met industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat (ZADI) rechtstreeks, via vergunningen, kan worden ingericht. Artikel 87 van het decreet wijzigt artikel 127, § 3, van hetzelfde Wetboek door de bevoegdheid uit te breiden van de gemachtigde ambtenaar en van de Waalse Regering om vergunningen uit te reiken, en door toe te staan dat overheidsvergunningen worden toegekend in afwijking van de gewestplannen. De verzoekende partij is van mening dat die wijzigingen artikel 23 van de Grondwet, dat het recht waarborgt op bescherming van een gezond leefmilieu, schenden, en een klaarblijkelijke inperking vormen van het recht op die bescherming. Zij oordeelt overigens dat de aangebrachte wijzigingen tot discriminerende behandelingen leiden die strijdig zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van categorieën van burgers die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. A.3.
  4. Een eerste grief die door de verzoekende partij wordt aangevoerd, is de volgende : de aangevochten bepalingen van het programmadecreet van 3 februari 2005 schaffen het gemeentelijk plan van aanleg af, maar stellen geen enkel ander document voor de inrichting in de plaats, zelfs niet het opstellen van een bestek of van een stedenbouwkundig en leefmilieuverslag. Die afschaffing en dat verzuim zouden tot gevolg hebben dat niet kan worden gewaarborgd dat het ZADI een afzonderingsoppervlakte of -marge bevat. Bovendien kunnen de ZADI’s voortaan worden bestemd voor gemengde activiteiten, en niet meer uitsluitend voor industriële activiteiten. Dat zou ingaan tegen de criteria van artikel 1, § 1, van het W.W.R.O.S.P. - in het bijzonder een zuinig gebruik van de bodem -, die vereisen dat de verschillende functies op het Waalse grondgebied worden ingeplant in samenhang met de eigen kenmerken ervan. De verzoekende partij leidt eruit af dat het hierbij gaat om een achteruitgang op het gebied van de procedurele waarborgen die tot hiertoe zijn toegekend, en dus om een maatregel die leidt tot een gevoelige vermindering van het niveau van het recht op bescherming van een gezond leefmilieu. A.3.
  5. De tweede grief die tegen het bestreden artikel 55 wordt aangevoerd, komt erop neer dat het afbreuk zou doen aan de door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vastgelegde beginselen van gelijkheid en 4 niet-discriminatie, waarvan de omwonenden van een ZADI het voordeel genieten. Die laatsten zouden volgens de verzoekende partij immers niet over een normatieve en reglementaire inrichting beschikken van dat gebied, in de vorm van bestemmingen vastgelegd hetzij in de voorschriften van een gewestplan, hetzij in een goedgekeurd gemeentelijk plan van aanleg. Zij zouden evenmin een milieubeoordeling kunnen verkrijgen van de programmeringsmaatregelen van het vermelde gebied, terwijl die beoordeling vereist wordt door richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001, en verplicht is voor de uitwerking van de gewestplannen en voor de herziening ervan (artikelen 42 en 46 van het W.W.R.O.S.P.), voor de uitwerking en herziening van de gemeentelijke plannen van aanleg (artikelen 49 en 53) en voor de inrichting van reservegebieden (artikel 33 voor de gebieden waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan overleg (ZACC)). Ten slotte zouden de omwonenden niet het voordeel genieten van een procedure voor participatie van de bevolking, voor het bepalen van de inrichting van het gebied, terwijl zulk een participatie vereist wordt door het Verdrag van Aarhus, en is vastgelegd voor de uitwerking of wijziging van de voormelde gewestplannen. A.4.
  6. Wat artikel 87 van het aangevochten programmadecreet betreft, heeft de verzoekende partij in de eerste plaats kritiek op het feit dat het de gevallen uitbreidt waarin een vergunning kan worden uitgereikt, in afwijking van de artikelen 84 en 89 van het W.W.R.O.S.P., door de gemachtigde ambtenaar of door de Regering. Het gaat om het gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen dat bestemd is voor activiteiten van openbaar of algemeen nut; om het geval van de handelingen en werken in de omtrek van een bedrijfsruimte waarover de Regering voorlopig heeft beslist dat zij moet worden gesaneerd of vernieuwd en, ten slotte, om het volgens de verzoekende partij onduidelijke geval van inrichting, die de handelingen en werken omvat die uitgevoerd worden op de wegen of op gronden die bestemd zijn om ingenomen te worden door de wegen, evenals op onroerende goederen die gelegen zijn in de door de Regering erkende omtrek, om ze te ontsluiten voor economische bedrijvigheid. A.4.
  7. De verzoekende partij bekritiseert vervolgens het feit dat artikel 87 van het programmadecreet een dubbele uitbreiding doorvoert van de afwijkingsmogelijkheden van artikel 127, § 3, van het W.W.R.O.S.P. : enerzijds, breidt het de mogelijkheid tot afwijking, die tot dan toe beperkt was tot de handelingen en werken van algemeen nut, uit tot elke vergunningsaanvraag door een publiekrechtelijk rechtspersoon; anderzijds, breidt het de afwijking van de gemeentelijke plannen en reglementen, ten opzichte van de gewestplannen, uit in het kader van artikel 110 van het W.W.R.O.S.P. Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt, bevatten de memorie van toelichting en de artikelsgewijze commentaar geen verantwoording voor de afzwakking van het recht op bescherming van een gezond leefmilieu. Die afzwakking is volgens de verzoekende partij des te meer aangetoond omdat de nieuwe afwijkingen zijn vastgelegd zonder enige begrenzing en zonder enig compenserend mechanisme. Memorie van de Waalse Regering A.5.
  8. Voorafgaandelijk en met betrekking tot het aangevochten artikel 55 van het programmadecreet, stelt de Waalse Regering vast dat het Hof het standstill-beginsel niet heeft erkend in zijn rechtspraak. Zij is bovendien van mening dat de afschaffing van het G.P.A. in geen enkel opzicht een eventuele achteruitgang vormt. Volgens haar was immers het G.P.A. dat van toepassing was op het ZADI een vereenvoudigd G.P.A. dat niet de nauwkeurige bestemming van de gebieden, noch planologische opties moest bevatten. Ook al veronderstelde het vereenvoudigde G.P.A. dat een openbaar onderzoek werd gehouden waarbij de omwonenden hun opmerkingen konden laten gelden met betrekking tot de bestaande en geplande tracés van de verkeerswegen, toch impliceren de stedenbouwkundige vergunningen met een soortgelijk voorwerp eveneens, naar luid van artikel 129 van het W.W.R.O.S.P., dat een openbaar onderzoek wordt georganiseerd. Bovendien is de inrichting van het ZADI afhankelijk van verschillende criteria met betrekking tot de ligging van het gebied, de buurt ervan, de kosten en behoeften van de betrokken regio, de bestaande infrastructuren en het ontwikkelen van de multimodale mogelijkheden en synergieën met aangrenzende gebieden, criteria waaraan moet zijn voldaan bij de uitreiking van de stedenbouwkundige vergunningen. De Waalse Regering is verder nog van mening dat de afschaffing van het G.P.A. geen nadelige invloed heeft op het leefmilieu van de bufferzone of van de afzonderingsmarge die inherent is aan de inrichting van een ZADI. Immers, ook al moet een G.P.A. weliswaar in zulk een bufferzone voorzien, toch kan een vergunning evenzeer verplichtingen opleggen. Ten slotte besluit de Waalse Regering met betrekking tot dit punt dat men geen enkele achteruitgang mag zien in het feit dat het ZADI voortaan mag worden ontsloten voor gemengde economische activiteiten, en niet 5 meer uitsluitend voor industriële activiteiten. De planologische bestemming van de gebieden voor bedrijfsruimten en van de industriegebieden in de bestaande plannen zou reeds lang achterhaald zijn : de aangebrachte wijziging houdt slechts rekening met de sociaaleconomische werkelijkheid en met artikel 1 van het W.W.R.O.S.P. Bovendien zou de toename van de economische activiteiten, volgens de auteur van de memorie, een betere bescherming van het leefmilieu met zich meebrengen. A.5.
  9. Wat de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft, oordeelt de Waalse Regering dat de verzoekende partij zich vergist : alle omwonenden die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, zouden identiek worden behandeld omdat alle omwonenden van een ZADI onderworpen zijn aan dezelfde normatieve en reglementaire regeling vervat in artikel 34 van het W.W.R.O.S.P. A.6.
  10. Wat artikel 87 van het programmadecreet betreft, is de Waalse Regering in de eerste plaats van mening dat de verzoekende partij niet aangeeft welke identieke situaties op discriminerende wijze zouden worden behandeld. Zij oordeelt overigens dat men niet ervan mag uitgaan dat er gelijkheid bestaat tussen de aanvragers van vergunningen voor projecten die gelegen zijn buiten de gebieden vermeld in de drie gevallen die door de verzoekende partij worden beoogd, en de aanvragers van vergunningen voor projecten die in die gebieden zijn gelegen. Volgens haar volstaat immers de rechtens bestaande situatie in elk van die drie gevallen, om het verschil in behandeling tussen de vergunningsaanvragen te rechtvaardigen, zoals dat overigens het geval is op het gehele Waalse grondgebied. Aangezien de ruimte verdeeld is tussen verschillende bodembestemmingen, houdt het feit dat de vergunningsaanvragen worden behandeld naar gelang van de bestemming van de betrokken bodem en de rechtens bestaande situatie, geen schending in van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie omdat er geen objectieve gelijkheid bestaat tussen de verschillende situaties. Subsidiair is de Waalse Regering van mening, met betrekking tot het eerste geval, dat het verschil in behandeling tussen de aanvragers van vergunningen voor handelingen en werken die uit te voeren zijn in een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, en de aanvragers van vergunningen voor dezelfde handelingen en werken die uit te voeren zijn in een ander gebied van het gewestplan, objectief en redelijk verantwoord is. Wat het tweede geval betreft, herinnert de Waalse Regering eraan dat het doel van het programmadecreet impliceerde dat heel snel een aantal concrete stappen zouden worden ondernomen om de herbestemming van afgedankte bedrijfsruimten mogelijk te maken. Bovendien ziet de Waalse Regering niet welke schending van de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie zou kunnen worden aangevoerd. Wat ten slotte de handelingen en werken betreft, bedoeld in het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur, is de Waalse Regering van mening dat de genomen maatregel, in het licht van de doelstellingen van het programmadecreet, verantwoord is en de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie niet schendt. De vergelijking die de verzoekende partij maakt tussen identieke industriële vestigingen die verschillend zouden worden behandeld naargelang zij in een industriezone liggen of niet, is niet pertinent. De impact van de rechtens bestaande situatie en van de bodembestemming is immers doorslaggevend ten opzichte van de verschillende situatie van die aanvragers van vergunningen. A.6.
  11. Wat de schending van artikel 23 van de Grondwet betreft, oordeelt de Waalse Regering dat de tekst is geëvolueerd. Met verwijzing naar adviezen van de afdeling wetgeving van de Raad van State, meent zij dat het onjuist is ervan uit te gaan dat het feit dat aan de gemachtigde ambtenaar de bevoegdheid wordt toevertrouwd voor het uitreiken van de vergunningen die nodig zijn voor de uitvoering van het operationeel optreden van de Regering in het kader van het beleid inzake ruimtelijke ordening, zou leiden tot een vermindering van het beschermingsniveau van het leefmilieu. Het zou daarentegen leiden tot een betere bescherming. De Waalse Regering voert overigens aan dat dit type van afwijking reeds mogelijk was vóór het aangevochten decreet. Memorie van antwoord van de verzoekende partij A.7.
  12. Wat het standstill-effect betreft, is de verzoekende partij van mening dat het Hof die problematiek niet heeft moeten aansnijden (en niet : die problematiek nog niet heeft erkend) om de beroepen tot vernietiging te beslechten of de prejudiciële vragen te beantwoorden, waarbij een schending van artikel 23 van de Grondwet werd aangevoerd. Zij verwijst niettemin naar de parlementaire voorbereiding van die bepaling, naar de rechtsleer en naar adviezen van de afdeling wetgeving van de Raad van State om erop te wijzen dat decreten kunnen leiden tot een schending van die grondwettelijke bepaling. A.7.
  13. De verzoekende partij geeft vervolgens enige verduidelijking over de juridische regeling van artikel 34 van het W.W.R.O.S.P., vóór de wijziging ervan door het aangevochten programmadecreet. Zij poogt 6 vervolgens aan te tonen hoe artikel 34 van het W.W.R.O.S.P., zoals gewijzigd bij artikel 55 van het bestreden decreet, een « achteruitgang » inhoudt op het vlak van de procedurele waarborgen. Volgens haar impliceert de inrichting van een ZADI immers niet langer de voorafgaande uitwerking van een gemeentelijk plan van aanleg, en kan zij worden volbracht door de uitreiking van gewone stedenbouwkundige vergunningen. Zij wijst op de procedurele waarborgen die gekoppeld zijn aan het gemeentelijk plan van aanleg, en die voortaan niet meer gewaarborgd zijn voor de belanghebbende derden. In de parlementaire voorbereiding wordt de bestaansreden van die afschaffing niet toegelicht. De Waalse Regering laat twee soorten overwegingen gelden : de eerste zou zijn dat de uitreiking van de stedenbouwkundige vergunningen voor de verkeerswegen aan een openbaar onderzoek zou zijn onderworpen; de tweede, dat stedenbouwkundige vergunningen moeten worden uitgereikt met naleving van de criteria die zijn vastgelegd in het nieuwe vierde lid van artikel
  14. Die verantwoordingen worden weerlegd door de verzoekende partij die van mening is dat een openbaar onderzoek over een beperkt voorwerp niet gelijkstaat met een onderzoek over een globaal plan van aanleg. Zij voegt eraan toe dat de criteria van artikel 34 vaag en algemeen zijn. Wat de uitbreiding van de bestemmingen van het ZADI betreft, herbevestigt de verzoekende partij dat het een « megagebied voor bedrijfsruimten » wordt. Zij illustreert dit met twee voorbeelden : dat van de gedeeltelijke herziening van het gewestplan Luik met betrekking tot de reconversie van het ZADI, dat gelegen is op het grondgebied van de gemeente Wezet, tot een gebied voor gemengde bedrijfsruimten, en vervolgens dat van een ontwerp van gemeentelijk plan van aanleg dat afwijkt van het gewestplan Namen. Wat ten slotte de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft, is het antwoord van de Waalse Regering, volgens de verzoekende partij, formeel en onjuist. Het gebied waarvan de inrichting door de gemeente onderworpen is aan overleg (ZACC) impliceert immers steeds de uitwerking van een stedenbouwkundig document, wat niet meer het geval is voor het ZADI. Het gaat om analoge situaties die identiek zouden moeten worden behandeld. A.
  15. Wat vervolgens het bestreden artikel 87 van het Waalse decreet betreft, herinnert de verzoekende partij eraan dat ook hier de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie voortvloeit uit de verschillende behandeling van analoge gevallen. De uitbreiding van het begrip « overheidsvergunning » tot alle geplande handelingen en werken, wijkt af van het gemeen recht. Zulk een uitbreiding zou niet denkbaar zijn zonder dat objectieve karakteristieken worden aangevoerd, zoals de hoedanigheid van de aanvrager of de aard van het project, wat in casu niet het geval is volgens de verzoekende partij. Er is weliswaar een objectief criterium, namelijk de ligging in een gebied of een omtrek bedoeld in artikel 127, § 1, 4° tot 6°, van het W.W.R.O.S.P. Louter de ligging in een specifiek gebied van het gewestplan impliceert echter niet op zich dat men te maken heeft met een overheidsvergunning. Memorie van wederantwoord van de Waalse Regering A.9.
  16. Wat betreft artikel 55 van het bestreden decreet, en in het bijzonder de eraan toegeschreven schending van het standstill-beginsel, wijst de Waalse Regering in de eerste plaats erop dat reeds onder de gelding van de vroegere wetgeving een vereenvoudigd gemeentelijk plan van aanleg volstond voor de inrichting van een ZADI. Zoals het werd gewijzigd, neemt artikel 34 overigens in geen enkel opzicht de waarborg weg van een procedure, voor iedere belanghebbende derde, op grond waarvan hij zich kan uitspreken over het bestaande en geplande tracé van de voornaamste verkeerswegen, de stedenbouwkundige opties en de algemene voorschriften van esthetische aard. Er zou dus geen enkele significante achteruitgang zijn ten opzichte van de vroegere wetgeving. Wat de uitbreiding betreft van de bestemmingen van het ZADI, houdt de Waalse Regering staande dat het in werkelijkheid slechts gaat om een wijziging bij decreet, en niet bij besluit, van de legende van de gewestplannen, een techniek die het Hof volgens de auteur van de memorie heeft goedgekeurd in zijn arresten nrs. 41/95 en 24/96 betreffende decreten van het Vlaamse Gewest. A.9.
  17. Wat betreft de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, die aan datzelfde artikel 55 wordt toegeschreven, toont de Waalse Regering aan dat de situatie van de omwonenden van een ZACC en die van de omwonenden van een ZADI verschillend zijn. Een ZACC kan immers al dan niet voor bebouwing bestemd zijn. Een ZADI kan daarentegen alleen bebouwingsbestemmingen krijgen die beperkt zijn tot gebieden voor bedrijfsruimten, met uitzondering van de agro-economische buurtactiviteiten en de groothandelsdistributie. 7 A.10.
  18. Wat het bestreden artikel 87 van het decreet betreft, is de Waalse Regering van mening dat noch het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, noch de rechtsleer waarop de verzoekende partij zich beroept, stellen dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden zijn geschonden. Zij spreken zich enkel uit over de eventuele schending van het standstill-beginsel. De Waalse Regering oordeelt dat de wijziging van artikel 127 van het W.W.R.O.S.P. door artikel 87 van het bestreden decreet, verantwoord is en dat er een verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel wegens de specifieke context waarin het moet worden gesitueerd, namelijk die van de strategie van het « toekomstcontract » voor Wallonië en van het « hernieuwde toekomstcontract », die vereist dat Wallonië zich economisch herstelt en dat een grote inspanning wordt gedaan om de economische verzwakking ervan te stuiten. Het gaat er in het bijzonder om het scheppen van activiteiten te bevorderen en de economische aantrekkingskracht van die regio te versterken. Het is in die context dat de memorie van toelichting van het bestreden decreet opnieuw moet worden geplaatst. De Waalse Regering onderzoekt vervolgens hoe volgens haar die algemene bekommernis geldt voor de drie nieuwe gevallen waarvan de verzoekende partij de toevoeging bekritiseert. A.10.
  19. Wat de schending van artikel 23 van de Grondwet betreft, wenst de Waalse Regering in de eerste plaats op te merken dat artikel 127, § 3, van het W.W.R.O.S.P. is opgeheven en vervangen bij artikel 5, derde lid, van het decreet van 27 oktober
  20. De bepaling luidt voortaan als volgt : « Op voorwaarde dat de aanvraag vooraf wordt onderworpen aan de door de Regering bepaalde bijzondere maatregelen van openbaarmaking, alsmede aan de in artikel 4, eerste lid, 3°, bedoelde raadpleging, wanneer het gaat om handelingen en werken bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, 2°, 4°, 5° en 7° waarvan hun vestiging de krachtlijnen van het landschap ofwel eerbiedigt ofwel structuur of eenheid verleent, kan de vergunning toegekend worden bij afwijking van een gewestplan, een gemeentelijk plan van aanleg, een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening of een rooiplan ». Onder die voorwaarden, en omdat die nieuwe formulering volgens de Waalse Regering een antwoord biedt op de bezwaren van de verzoekende partij (maatregelen van openbaarmaking, raadpleging bedoeld in artikel 4, eerste lid, 3°, en eerbiediging of het verlenen van structuur of eenheid aan de krachtlijnen van het landschap), mag men zich afvragen welk belang de verzoekende partij nog heeft om die grief te handhaven. Indien de verzoekende partij niet op de hoogte zou zijn van die wijziging, verwijst de Waalse Regering naar hetgeen zij in haar memorie van antwoord aangaf over de moeilijkheden, voor de gemeenten, om de aangelegenheid van de ruimtelijke ordening te beheren, en over de toegenomen waarborgen, in termen van het recht op een gezond leefmilieu, door het feit dat bepaalde bevoegdheden aan de gemachtigde ambtenaar worden toevertrouwd. Aanvullende memorie van de verzoekende partij A.
  21. In haar aanvullende memorie die werd ingediend om te antwoorden op de vraag die het Hof heeft gesteld in de beschikking van ingereedheidbrenging, wijst de verzoekende partij erop dat de wijziging die werd aangebracht bij artikel 5 van het decreet van 27 oktober 2005 prima facie erin bestaat, in artikel 127 van het W.W.R.O.S.P., de regeling van het vroegere artikel 110 van het W.W.R.O.S.P. in te voegen. Volgens haar - en zij baseert zich op de memorie van toelichting van de voormelde bepaling - weerlegt die wijziging echter niet de bezwaren die zij in haar memorie opwerpt in zoverre zij, wat de afwijkingen van het gewestplan betreft, enkel de voorwaarden van artikel 110 en een gedeelte van de voorwaarden van artikel 114 verplaatst naar paragraaf 3 van artikel 127, en eenvoudigweg een einde maakt aan het uitzonderlijke karakter van de afwijkingen van het gewestplan. De verzoekende partij merkt ten slotte op dat het decreet van 27 oktober 2005 werd bekendgemaakt op 23 november 2005, en dat het voor het Hof kan worden aangevochten. -B- Wat betreft het verzoek tot gedeeltelijke afstand en de draagwijdte van het beroep B.
  22. Bij ter post aangetekende brieven van 20 september 2005 en 26 oktober 2005, heeft de verzoekende vereniging het Hof ervan in kennis gesteld dat zij afstand doet van haar 8 beroep in zoverre het betrekking had op de artikelen 52 en 54, alsook op artikel 138 van het programmadecreet van 3 februari 2005 betreffende de economische heropleving en de administratieve vereenvoudiging. B.
  23. Niets belet dat het Hof de afstand toewijst. Het Hof onderzoekt dan ook het beroep alleen in zoverre het de artikelen 55 en 87 van het voormelde programmadecreet beoogt. Wat betreft de wijzigingen die aan het W.W.R.O.S.P. werden aangebracht bij het programmadecreet van 3 februari 2005 B.
  24. Met de invoeging, in het voormelde programmadecreet van 3 februari 2005, van een hoofdstuk dat gewijd is aan de wijzigingen van het W.W.R.O.S.P., heeft het Waalse Gewest volgens de parlementaire voorbereiding over het algemeen « een einde willen maken aan de administratieve belemmeringen voor het scheppen van nieuwe activiteiten ». De doelstellingen die door de Minister van Territoriale Ontwikkeling zijn toegelicht, zijn als volgt bepaald : « het W.W.R.O.S.P. vernieuwen », « de ontwikkeling van het landschap beheersen », « de instrumenten voor het ontwerpen van de inrichting vereenvoudigen », « de procedures voor de aanleg van grote infrastructuur versnellen », « bebouwingsgebieden waarvan de bestemming thans niet vaststaat, ter beschikking stellen », « de procedures voor toekenning van de vergunningen versnellen », « de rechtszekerheid waarborgen », « de zwakke functies beschermen », « de inspraak van de burgers bevorderen », en, ten slotte, de beroepsinstantie in staat stellen om « de beroepen op proactieve wijze aan te pakken » (Parl. St., Waals Parlement, 2004-2005, nr. 74-1, Ontwerp van programmadecreet, Memorie van toelichting, p. 1, en nr. 74-45, Verslag, pp. 13-15). Wat het aangevochten artikel 55 betreft B.4.
  25. Vóór de wijziging ervan bij artikel 55 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 3 februari 2005 betreffende de economische heropleving en de administratieve vereenvoudiging, bepaalde artikel 34 van het W.W.R.O.S.P. : 9 « De gebieden met een industrieel karakter, waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zijn bestemd voor de activiteiten bedoeld in artikel 30, tweede lid, of in artikel
  26. Bedoeld gebied bevat een afzonderingsoppervlakte of -marge. De exploitant of het bewakingspersoneel mogen er gehuisvest worden wanneer de veiligheid of de goede werking van het bedrijf het vereist. De woning maakt noodzakelijk deel uit van de exploitatie. De inrichting van een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, is onderworpen aan een gemeentelijk plan van aanleg voor het hele gebied. Bij ontstentenis kan het gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, niet worden ingericht ». B.4.
  27. Het aangevochten artikel 55 van het voormelde programmadecreet van 3 februari 2005 vervangt artikel 34 van het W.W.R.O.S.P. door de volgende bepaling : « De gebieden met een industrieel karakter, waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zijn bestemd voor de activiteiten bedoeld in artikel 30 en artikel 31, met uitzondering van de agro-economische buurtactiviteiten en de groothandelsdistributie. Bedoeld gebied bevat een afzonderingsoppervlakte of -marge. De exploitant of het bewakingspersoneel mogen er gehuisvest worden wanneer de veiligheid of de goede werking van het bedrijf het vereist. De woning maakt noodzakelijk deel uit van de exploitatie. De inrichting van een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, wordt bepaald in functie van de ligging van het gebied, de buurt, de kosten en behoeften van de betrokken regio, de bestaande vervoerinfrastructuren, met het oog op het ontwikkelen van de multimodale mogelijkheden, alsmede de synergieën met aangrenzende gebieden ». B.4.
  28. Die bepaling werd in de memorie van toelichting als volgt verantwoord : « Er wordt voorgesteld om, via een decreet, de gebieden met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, om te zetten in gebieden voor gemengde bedrijfsruimten en gebieden voor bedrijfsruimten met een industrieel karakter. Afhankelijk van de ligging ervan en de buurt, zal overigens elk gebied een gemengd karakter kunnen hebben en kunnen worden onderverdeeld in ‘ subzones ’, en op die manier kunnen worden ontsloten voor industriële en ambachtelijke activiteiten. In ieder geval kunnen agro-economische buurtactiviteiten en groothandelsdistributie er niet worden toegestaan. De keuze voor de ene of de andere optie vervat in artikel 30 van het Wetboek zal definitief worden gemaakt door de economische actor wanneer hij zijn aanvraag indient met betrekking tot de oprichting van de infrastructuur die verbonden is aan de inrichting van het 10 gebied zelf. Zijn keuze zal worden bepaald op grond van de ligging van het gebied, de buurt, de kosten en behoeften voor de betrokken regio, de bestaande vervoersinfrastructuur, met het oog op het ontwikkelen van de multimodale mogelijkheden, alsmede de synergieën met aangrenzende gebieden. Dankzij die maatregel zullen ruimten met een bebouwingsbestemming kunnen worden vrijgemaakt voor het ontwikkelen van de activiteiten van kleine en middelgrote ondernemingen, en zelfs voor de vestiging van performante industriecentra die werkgelegenheid scheppen, maar zal eveneens de strategische positionering van het Waalse Gewest binnen de Europese Unie kunnen worden gewaarborgd, en dat met inachtneming van het beginsel van een zuinig gebruik van de bodem, en van bescherming van de zwakke functie die kenmerkend is, inzake ruimtelijke ordening, voor het geheel van de gebieden die niet mogen worden bebouwd » (Parl. St., Waals Parlement, 2004-2005, nr. 74-1, p. 28). B.
  29. De verzoekende partij bekritiseert de bestreden decreetsbepaling in die zin dat zij het gemeentelijk plan van aanleg (G.P.A.) afschaft als instrument voor de inrichting van het gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat (ZADI), en geen enkel vergelijkbaar document in de plaats stelt. Die afschaffing en dat verzuim zouden een achteruitgang vormen op het gebied van de procedurele waarborgen en zouden aldus de standstill-verplichting inzake het recht op een gezond leefmilieu schenden, zoals het is gewaarborgd bij artikel 23 van de Grondwet. Bovendien zouden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet eveneens zijn geschonden in zoverre de omwonenden van een ZADI niet over een normatieve en reglementaire inrichting van dat gebied zouden beschikken, noch enige milieubeoordeling zouden kunnen verkrijgen van de programmeringsmaatregelen van het vermelde gebied, noch, ten slotte, enige inspraak bij het bepalen van de inrichting van dat gebied zouden hebben. B.
  30. Uit het aangevochten artikel 55 van het programmadecreet volgt dat, in tegenstelling tot de benaming ervan, de inrichting van het gebied « waarvan de bestemming nog niet vaststaat », niet meer wordt uitgesteld : de inrichting van het gebied is immers niet langer onderworpen, zoals artikel 34 van het W.W.R.O.S.P. bepaalde vóór de wijziging ervan bij artikel 55 van het aangevochten decreet, aan de goedkeuring van een gemeentelijk plan van aanleg of van een gelijkwaardig document. Overigens wordt de bestemming van dat gebied dat, net zoals in de periode vóór die wijziging, bestemd blijft voor bebouwing van economische aard, uitgebreid tot alle economische activiteiten, waaronder niet alleen industriële activiteiten, maar ook ambachten, diensten, distributie, onderzoek, niettemin met uitzondering van de agro-economische buurtactiviteiten en de groothandelsdistributie. 11 B.7.
  31. Artikel 23 van de Grondwet impliceert inzake de bescherming van het leefmilieu een standstill-verplichting die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat geboden wordt door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. Onderzocht moet worden of de afschaffing van het gemeentelijk plan van aanleg als voorafgaande voorwaarde voor de inrichting van de betrokken gebieden en de mogelijkheid om de ZADI’s uit te breiden tot andere economische activiteiten dan industriële activiteiten, zonder dat een voorafgaande milieueffectbeoordeling moet plaatsvinden over de inrichting van deze gebieden in hun geheel en zonder dat daaromtrent enig openbaar onderzoek moet worden georganiseerd, afbreuk doen aan artikel 23 van de Grondwet, rekening houdend met de artikelen 3 tot 6 van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, en met de artikelen 7 en 8 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, dat op 25 juni 1998 te Aarhus werd ondertekend en door België op 21 januari 2003 is geratificeerd. B.7.
  32. De voormelde richtlijn 2001/42/EG betreft de milieubeoordeling van plannen en programma’s die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben. Luidens artikel 3, lid 2, onder a), van die richtlijn moeten alle plannen en programma’s die voorbereid worden met betrekking tot ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader kunnen vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen bedoeld in bijlagen I en II bij de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, onderworpen worden aan een milieubeoordeling overeenkomstig de eisen van de eerstvermelde richtlijn. Gelet op de economische bestemming van de bedoelde gebieden, is het geenszins uitgesloten dat in die gebieden projecten zullen worden gerealiseerd als bedoeld in de bijlagen I of II van richtlijn 85/337/EEG en dat bijgevolg de inrichting van dergelijke gebieden onderworpen is aan het in acht nemen van de voorschriften van richtlijn 2001/42/EG. Richtlijn 2001/42/EG stelt de minimumeisen vast waaraan bedoelde milieubeoordeling moet beantwoorden. De milieubeoordeling moet worden uitgevoerd tijdens de voorbereiding en vóór de vaststelling van het desbetreffende plan of programma (artikel 4, lid 1). De beoordeling omvat de opstelling van een milieurapport dat ten minste aan de eisen van 12 artikel 5 moet beantwoorden, de raadpleging van de bevoegde milieu-instanties en het publiek over het ontwerp-plan of ontwerp-programma en het milieurapport (artikel 6) en de verplichting om rekening te houden met het milieurapport en de resultaten van de raadpleging bij de vaststelling van het plan of programma (artikel 8). Artikel 7 van het Verdrag van Aarhus legt de verplichting op om « de voorbereiding van plannen en programma’s betrekking hebbende op het milieu » te onderwerpen aan een inspraakprocedure waarvan het bepaalde modaliteiten vastlegt. Meer bepaald dienen passende praktische en/of andere voorzieningen voor inspraak voor het publiek te worden getroffen, binnen een transparant en eerlijk kader, na het publiek de benodigde informatie te hebben verstrekt. B.7.
  33. Onder de vroegere wetgeving was de inrichting van een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, onderworpen aan een gemeentelijk plan van aanleg voor het hele gebied. Dergelijk gemeentelijk plan van aanleg, ook al nam het de vorm aan van een vereenvoudigd gemeentelijk plan van aanleg (artikel 49, tweede lid, van het W.W.R.O.S.P.), was onderworpen aan de milieueffectbeoordeling overeenkomstig de eisen van de artikelen 50 tot 53 van het W.W.R.O.S.P., met inbegrip van de noodzaak beroep te doen op een erkende ontwerper, de verplichting advies in te winnen van gespecialiseerde instanties, de tussenkomst van de gemeenteraad en de verplichting tot het organiseren van een openbaar onderzoek. Bij ontstentenis van een dergelijk gemeentelijk plan van aanleg, tot stand gekomen met inachtneming van voormelde waarborgen, kon het gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, niet worden ingericht. De waarborgen die de bestreden bepaling daarvoor in de plaats stelt, meer bepaald de motiveringsplicht in het licht van de elementen vermeld in het vierde lid van de bestreden bepaling, kunnen het wegvallen van de inhoudelijke en procedurele waarborgen die verbonden zijn aan de opmaak van een gemeentelijk plan van aanleg niet compenseren. Bijgevolg worden de omwonenden van dergelijke gebieden geconfronteerd met een aanzienlijke achteruitgang van het door de vroegere wetgeving geboden beschermingsniveau, die, op grond van de voormelde Europeesrechtelijke en internationaalrechtelijke bepalingen, niet kan worden verantwoord door de aan de bestreden bepaling ten grondslag liggende redenen van algemeen belang. 13 B.
  34. Het middel is gegrond in zoverre het bestreden artikel 55 niet voorziet in een procedure van milieueffectbeoordeling die beantwoordt aan de eisen van de voormelde richtlijn 2001/42/EG en van artikel 7 van het voormelde Verdrag van Aarhus. B.
  35. Teneinde rechtsonzekerheid te voorkomen, dienen met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, de gevolgen van de vernietigde bepaling te worden gehandhaafd zoals aangegeven in het dictum. Wat het aangevochten artikel 87 betreft B.10.
  36. Op het ogenblik van het instellen van het beroep, bepaalde artikel 127 van het W.W.R.O.S.P., zoals het was gewijzigd bij artikel 87 van het aangevochten programmadecreet, het volgende : « §
  37. In afwijking van de artikelen 84 en 89 wordt de vergunning afgegeven door de Regering of de gemachtigd ambtenaar : 1° wanneer ze wordt aangevraagd door een publiekrechtelijk persoon; 2° wanneer ze betrekking heeft op handelingen en werken van algemeen nut; 3° wanneer ze betrekking heeft op handelingen en werken die zich uitstrekken op het grondgebied van meerdere gemeenten; 4° wanneer ze betrekking heeft op handelingen en werken gelegen in het gebied bedoeld in artikel 28; 5° wanneer ze betrekking heeft op handelingen en werken gelegen in de omtrek bedoeld in de artikelen 168, § 1, eerste lid, en 182; 6° wanneer ze betrekking heeft op handelingen en werken gelegen in de omtrek bedoeld in artikel 1, 5°, van het decreet betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid. De Regering bepaalt : 1° de lijst van de publiekrechtelijke personen bedoeld in deze paragraaf; 2° de lijst van de handelingen en werken van algemeen nut bedoeld in deze paragraaf; 14 3° de lijst van de handelingen en werken van algemeen nut waarvoor er geen machtiging gegeven wordt. […] §
  38. Indien het handelingen en werken betreft bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, 2°, 4° en 5°, kan de vergunning toegekend worden op grond van artikel 110 of bij afwijking van een gemeentelijk plan van aanleg, een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening of een rooiplan ». B.10.
  39. Sedert de indiening van het beroep werd het voormelde artikel 127, § 3, van het W.W.R.O.S.P. vervangen bij artikel 5, derde lid, van het decreet van 27 oktober 2005 tot wijziging van de artikelen 6, 21, 110bis en 127 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium. Het luidt voortaan als volgt : « Op voorwaarde dat de aanvraag vooraf wordt onderworpen aan de door de Regering bepaalde bijzondere maatregelen van openbaarmaking, alsmede aan de in artikel 4, eerste lid, 3°, bedoelde raadpleging, wanneer het gaat om handelingen en werken bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, 2°, 4°, 5° en 7° waarvan hun vestiging de krachtlijnen van het landschap ofwel eerbiedigt ofwel structuur of eenheid verleent, kan de vergunning toegekend worden bij afwijking van een gewestplan, een gemeentelijk plan van aanleg, een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening of een rooiplan ». B.10.
  40. Overigens wordt artikel 110 van het W.W.R.O.S.P. opgeheven bij artikel 3 van hetzelfde decreet van 27 oktober
  41. B.10.
  42. Het Hof onderzoekt artikel 127 van het W.W.R.O.S.P. zoals het werd gewijzigd bij artikel 87 van het programmadecreet en zoals het werd toegepast vóór de nieuwe wijziging ervan door artikel 5, derde lid, van het voormelde decreet van 27 oktober
  43. B.
  44. Artikel 87 van het bestreden decreet werd als volgt verantwoord in de memorie van toelichting : « De ontwerptekst heeft eveneens een administratieve vereenvoudiging tot doel, in het voordeel van de vergunningen die voortvloeien uit of verbonden zijn aan het operationele optreden van de Regering op het gebied van ruimtelijke ordening. Zo wordt het begrip ‘ overheidsvergunning ’ uitgebreid tot alle geplande handelingen en werken, hetzij in de door de Regering erkende omtrek voor de gebieden voor bedrijfsruimten in de zin van het decreet betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid, hetzij in de omtrek van gebieden met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, hetzij in de omtrek van een afgedankte bedrijfsruimte, hetzij nog in een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen van het gewestplan. 15 De ontwerptekst beoogt dat die omtrekken en gebieden, waarbinnen het Gewest aanzienlijke budgetten toestaat, deel kunnen uitmaken van een echt grondbeleid van de Regering door ze open te stellen voor projecten waaraan de specifieke procedure van de overheidsvergunning is verbonden, met inbegrip van de afwijkende mechanismen die daarvoor gelden » (Parl. St., Waals Parlement, 2004-2005, nr. 74-1, pp. 10 en 108). Het ontwerpartikel was het voorwerp van de volgende bespreking : « Artikel 127 regelt de bijzondere procedure voor uitreiking, door de Regering of de gemachtigde ambtenaar, van de vergunningen met betrekking tot openbare werken, of aangevraagd door publiekrechtelijke personen. Er wordt voorgesteld het toepassingsgebied van artikel 127 uit te breiden tot de volgende gevallen :
  45. wanneer handelingen en werken worden gepland in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen;
  46. wanneer het gaat om handelingen en werken gelegen in een afgedankte bedrijfsruimte waarvan de omtrek voorlopig werd vastgelegd, of in een site bestemd voor herontwikkeling wat betreft het landschap en het leefmilieu;
  47. wanneer het gaat om handelingen en werken met betrekking tot de inrichting van een zone voor bedrijfsruimten. Het ontwerp-dispositief vermeldt dat het de Regering toekomt het gewestelijke belang te erkennen van bepaalde handelingen en werken, in welk geval geen machtiging wordt verleend aan de gemachtigde ambtenaar. Het ontwerpartikel geeft gevolg aan het advies van de Raad van State in zoverre het artikel 110 van het Wetboek toepasselijk maakt op de uitreiking van bepaalde vergunningen die in artikel 127 zijn gelijkgesteld met overheidsvergunningen » (ibid., pp. 32 en 126-127). B.
  48. In een eerste onderdeel bekritiseert de verzoekende partij de voormelde bepaling omdat de drie nieuwe gevallen waarin de gemachtigde ambtenaar bevoegd is om een vergunning uit te reiken, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zouden schenden omdat die bevoegdheidstoewijzing niet op een objectieve en redelijke wijze wordt verantwoord. In een tweede onderdeel voert zij aan dat het nieuwe artikel 127, § 3, van het W.W.R.O.S.P., dat voortvloeit uit artikel 87 van het programmadecreet van 3 februari 2005, bepaalt dat, in twee gevallen die in het eerste onderdeel worden beoogd, de gemachtigde ambtenaar of de Regering de vergunning kan uitreiken, hetzij op grond van artikel 110 van het W.W.R.O.S.P., hetzij bij afwijking van een gemeentelijk plan van aanleg, van een 16 gemeentelijke stedenbouwkundige verordening of van een rooiplan. Het bestreden artikel zou eveneens afbreuk doen aan artikel 23 van de Grondwet. B.13.
  49. Tot de wijziging ervan bij artikel 87 van het programmadecreet van 3 februari 2005, bestemde artikel 127 van het W.W.R.O.S.P. de bijzondere regeling van uitreiking van « overheidsvergunningen », die in een lichtere procedure voorziet waarbij de gemeenten een adviserende rol wordt toegekend en waarbij afwijkingen worden vergemakkelijkt, voor drie gevallen : dat van de door de Regering opgesomde vergunningen die worden aangevraagd door een publiekrechtelijk persoon, dat van handelingen en werken van algemeen nut, en dat van handelingen en werken die zich uitstrekken op het grondgebied van meerdere gemeenten. Het bestreden artikel 87 breidt het toepassingsgebied van die vergunningen uit tot drie nieuwe gevallen : dat van de handelingen en werken gelegen in een gebied voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen van het gewestplan, zoals bedoeld in artikel 28 van het W.W.R.O.S.P., dat van de handelingen en werken gelegen in de omtrek van gebieden voor bedrijfsruimten die moeten worden vernieuwd, zoals bedoeld in de artikelen 168, § 1, eerste lid, en 182 van het W.W.R.O.S.P., en ten slotte dat van de handelingen en werken gelegen in de omtrek bedoeld in artikel 1, 5°, van het decreet van 11 maart 2004 betreffende de ontsluitingsinfrastructuur voor economische bedrijvigheid. In die drie gevallen kunnen de werken worden ondernomen en worden zij vaak ondernomen op initiatief van privé-personen. Bovendien breidt dezelfde bepaling het toepassingsgebied van de afwijkingen uit tot die waarin artikel 110 van het W.W.R.O.S.P. voorziet. Zij staat eveneens toe dat wordt afgeweken van de gemeentelijke documenten inzake ruimtelijke ordening (gemeentelijk plan van aanleg, gemeentelijke stedenbouwkundige verordening, rooiplan). B.13.
  50. De dubbele uitbreiding van het toepassingsgebied van artikel 127 van het W.W.R.O.S.P. die wordt doorgevoerd bij het bestreden artikel 87 van het programmadecreet van 3 februari 2005 heeft, zoals erop is gewezen in B.11, een administratieve vereenvoudiging tot doel voor de vergunningen die voortvloeien uit of verbonden zijn aan het operationele optreden van de Regering op het vlak van ruimtelijke ordening. De aangevochten bepaling, die het voordeel van artikel 110 openstelt voor de vergunningsaanvragen die worden beoogd door het nieuwe artikel 127 van het W.W.R.O.S.P., kan niet worden geïnterpreteerd als een gevoelige achteruitgang wat de bescherming betreft van het recht op een gezond leefmilieu omdat, naar luid van artikel 110, de afwijkingen van de 17 gebiedsindeling van het gewestplan reeds waren toegestaan voor « openbare gebouwen en nutsvoorzieningen of gemeenschapsvoorzieningen ». De drie nieuwe gevallen die bij het bestreden artikel 87 zijn ingevoerd, lijken alle drie tot dat type van handelingen en werken te behoren. Daarbij komt nog dat artikel 110 van het W.W.R.O.S.P. eveneens werd gewijzigd en dat het aangeeft dat afwijkingen voor handelingen en werken toegelaten zijn op voorwaarde dat « hun vestiging de krachtlijnen van het landschap ofwel eerbiedigt ofwel structuur of eenheid verleent ». Doordat, ten slotte, artikel 114 van het W.W.R.O.S.P. van toepassing is op artikel 110, is het « uitzonderlijkerwijs » dat, overeenkomstig die bepaling, afwijkingen kunnen worden toegestaan door de Regering met betrekking tot de vestiging van dat type bouwwerken. Het komt de administratieve overheid toe haar beslissingen te motiveren door zich in elke vergunningsaanvraag te baseren op de objectieve elementen op grond waarvan de nieuwe afwijkingsvoorwaarde redelijk kan worden verantwoord. Ten slotte zijn de drie nieuwe gevallen waarin afwijkingen worden toegestaan, redelijk verantwoord rekening houdend met de in B.11 vermelde doelstellingen van de decreetgever, en hebben zij betrekking op voldoende specifieke rechtssituaties om een andere regelgeving toe te staan dan die welke geldt voor de andere situaties waarin het W.W.R.O.S.P. voorziet. B.
  51. In zoverre het artikel 87 beoogt, kan het middel niet worden aangenomen. 18 Om die redenen, het Hof - vernietigt artikel 55 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 3 februari 2005 betreffende de economische heropleving en de administratieve vereenvoudiging; - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling ten aanzien van de met toepassing van die bepaling uitgereikte vergunningen welke uitvoering hebben gekregen vóór de datum van bekendmaking van dit arrest in het Belgisch Staatsblad; - verwerpt het beroep voor het overige. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 14 september
  52. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.137 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.