id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 14 september 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.140 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20060914.4 Arrest- Rolnummer: 140/2006;3855 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-07 Raadplegingen: 223 - laatst gezien 2026-06-30 15:29 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 2253 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 2253 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 2253 - 35 ELI link Pub nr 1804032155 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3855 Arrest nr. 140/2006 van 14 september 2006 ___________ In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2253 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 18 januari 2006 in zake R. Boonen tegen C. Doucet, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 23 januari 2006, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Brengt de in artikel 2253 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde schorsing van de verjaring, ten aanzien van het met dat artikel nagestreefde doel, een onverantwoorde discriminatie teweeg tussen gehuwde personen en niet-gehuwde personen, wanneer de onmin tussen de echtgenoten is vastgesteld bij een gerechtelijke beslissing, aangezien enkel tegen de gehuwde onderhoudsplichtige de verjaring van de bijdragen en onderhoudsgelden niet loopt gedurende de hele periode waarin hij feitelijk gescheiden leeft van zijn echtgenoot zonder uit de echt gescheiden te zijn ? ». Memories zijn ingediend door : - R. Boonen, wonende te 4100 Seraing, rue de la Province 110; - de Ministerraad. R. Boonen heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 28 juni 2006 : - zijn verschenen : . Mr. V. Tombeur, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. J. Jöbses, advocaat bij de balie te Luik, voor R. Boonen; . Mr. S. Naeije loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Ralph Boonen en Carine Doucet zijn uit de echt gescheiden bij vonnis dat is overgeschreven op 17 mei
- Op 16 september 1994 had de Vrederechter van het kanton Grâce-Hollogne, op grond van de artikelen 221 en 223 van het Burgerlijk Wetboek, een ernstige onenigheid tussen de echtgenoten vastgesteld, gescheiden verblijfplaatsen aangewezen, het hoederecht over de drie gemeenschappelijke kinderen toevertrouwd aan C. Doucet, en R. Boonen ertoe veroordeeld aan C. Doucet een som te storten die zijn bijdrage voor de kinderen vertegenwoordigt, waarbij het vonnis gepaard ging met een sommendelegatie. De griffie heeft van dat vonnis 3 kennis gegeven aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (R.V.A.) in zijn hoedanigheid van derde beslagene. Een eerste uitvoerend beslag onder derden werd verricht op 6 augustus
- Dat beslag had uitsluitend betrekking op de verschuldigde achterstallige bedragen van september 1994 tot augustus
- Op 24 maart 2003 liet C. Doucet overgaan tot een tweede uitvoerend derdenbeslag teneinde de bijdrage te verkrijgen van 68 mensualiteiten, van september 1997 tot maart
- De beslagkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Luik, die uitspraak deed op de vordering van R. Boonen die het uitvoerend derdenbeslag van 24 maart 2003 betwist, stelde vast dat zelfs indien er meer dan vijf jaar zijn verlopen tussen de maand september 1997 en 24 maart 2003, dag van het bestreden beslag, de verjaring niet is verworven voor de periode september 1997 tot maart 1998, want die is met toepassing van artikel 2253 van het Burgerlijk Wetboek opgeschort tot de dag waarop het vonnis waarbij de echtscheiding tussen de echtgenoten is uitgesproken, in kracht van gewijsde gegaan. R. Boonen is van mening dat artikel 2253 een discriminatie in het leven roept tussen echtgenoten en niet-gehuwde personen en verzoekt de Rechtbank hieromtrent een vraag te stellen aan het Hof. De Rechtbank is van mening dat zij ertoe gehouden is de prejudiciële vraag te stellen, aangezien de vaststelling van het verschuldigde bedrag op de dag van het beslag afhangt van de in aanmerking te nemen periode van verschuldigdheid en het niet zeker is dat er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. III. In rechte -A- A.
- R. Boonen, eiser voor de verwijzende rechter, is van mening dat artikel 2253 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het de onderhoudsplichtige die niet uit de echt is gescheiden, terwijl de onenigheid tussen de echtgenoten bij een gerechtelijke beslissing is vastgesteld, niet toestaat zich in zijn voordeel te beroepen op het genot van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, terwijl een niet-gehuwde onderhoudsplichtige het genot van de in die bepaling bedoelde verjaring in zijn voordeel zou kunnen aanvoeren. Hij is van oordeel dat geen enkel objectief element die discriminatie verantwoordt, aangezien de huidige tendens erin bestaat geen onderscheid te maken tussen gehuwde paren en niet-gehuwde paren. A.2.
- De Ministerraad is in hoofdorde van mening dat de beide in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn, in zoverre hun verschillend statuut voortvloeit uit de vrije keuze om al dan niet toe te treden tot het instituut van het huwelijk, dat met name de in het primaire stelsel vervatte verplichtingen zoals de plichten van trouw, hulp en bijstand en de overeenstemmende rechten veronderstelt. Hij is bijgevolg van oordeel dat het legitiem is dat op die categorieën van personen een verschillend stelsel wordt toegepast en dat de prejudiciële vraag zonder voorwerp dient te worden verklaard. A.2.
- R. Boonen antwoordt dat de verplichtingen van de ouders jegens hun kinderen, gedefinieerd in de artikelen 203 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, dezelfde zijn, ongeacht of de ouders al dan niet gehuwd zijn. Hij besluit daaruit dat de personen die tot de beide in de prejudiciële vraag bedoelde categorieën behoren, vergelijkbaar zijn, vermits zij gehouden zijn tot dezelfde verplichtingen. A.3.
- In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat het bekritiseerde verschil in behandeling op legitieme motieven berust. Hij doet gelden dat artikel 2253 van het Burgerlijk Wetboek tot doel heeft te vermijden dat een echtgenoot, om reden van het verloop van de tijd, tegen zijn echtgenoot in rechte moet treden, wat tot gevolg zou hebben dat afbreuk wordt gedaan aan de huwelijksband. Hij zet uiteen dat ervan uitgaan, zoals de eiser voor de verwijzende rechter doet, dat zodra de onenigheid tussen de echtgenoten wordt vastgesteld, de opschorting van de verjaring niet langer zou moeten worden gehandhaafd, een schending vormt van de grondslag van het optreden van de vrederechter, die moet optreden wanneer er nog hoop op verzoening bestaat. Hij voegt daaraan toe dat die hoop op verzoening definitief teniet kan worden gedaan, indien de schorsingsgrond van de op artikel 2253 van het Burgerlijk Wetboek gebaseerde verjaring zou ophouden zodra door de vrederechter dringende en voorlopige maatregelen worden genomen. A.3.
- R. Boonen antwoordt dat het argument dat is afgeleid uit de wil van de wetgever om de huwelijksband te vrijwaren, niet relevant is want het is duidelijk dat, wat de bijdrage betreft, er geregeld maatregelen van tenuitvoerlegging tussen echtgenoten worden genomen op grond van beslissingen uitgesproken 4 door vrederechters krachtens de artikelen 221 en 223 van het Burgerlijk Wetboek. Te dezen tonen de feiten van de zaak aan dat sinds 1997 er geen enkele hoop op verzoening kon worden gekoesterd. Ten slotte stelt hij vast, dat, indien de redenering van de Ministerraad wordt gevolgd, de vrederechters niet langer bevoegd zouden zijn wanneer aan hen een vordering zou worden voorgelegd tot veroordeling tot betaling van afdwingbare bijdragen, om reden van het feit dat die maatregelen ipso facto het verlies van de hoop op verzoening teweeg zouden brengen. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 2253 van het Burgerlijk Wetboek, dat wordt vermeld in het hoofdstuk dat de oorzaken behandelt die de loop van de verjaring stuiten of schorsen, en dat bepaalt : « De verjaring loopt niet tussen echtgenoten ». B.
- De Rechtbank van eerste aanleg te Luik stelt aan het Hof een vraag in verband met het verschil in behandeling dat door die bepaling in het leven wordt geroepen tussen gehuwde personen tussen wie de onenigheid is vastgesteld bij gerechtelijke beslissing en personen die niet zijn gehuwd, in zoverre de verjaring wordt opgeschort voor de schuldvorderingen die een van de echtgenoten jegens zijn partner heeft, terwijl zij normaal loopt ten aanzien van de schuldvorderingen die een persoon jegens een andere persoon heeft met wie hij samenwoont of een gezin vormt. Uit het verwijzingsvonnis blijkt dat de te dezen in het geding zijnde schuldvorderingen betrekking hebben op de bijdrage die na de feitelijke scheiding verschuldigd is voor het onderhoud van de gemeenschappelijke kinderen. B.
- Krachtens artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek, dienen de ouders, ongeacht of zij al dan niet zijn gehuwd, ten aanzien van hun kinderen dezelfde plichten na te komen. Zij kunnen zich dus op dezelfde wijze in de situatie bevinden tegen de andere ouder te moeten procederen teneinde de betaling te verkrijgen van de door die ouder verschuldigde bijdrage. In tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt, bevinden de echtgenoten en de niet-gehuwde personen zich bijgevolg in situaties die voldoende vergelijkbaar zijn wat betreft de mogelijkheid om de verjaring van de schuld aan te voeren die een van de ouders ten aanzien van de andere kan hebben met toepassing van artikel 203 van het Burgerlijk Wetboek. 5 B.
- Doordat de wetgever bepaalt dat de verjaring tussen echtgenoten wordt geschorst, heeft hij hen de verplichting willen besparen om gedurende het huwelijk in rechte te treden teneinde de verjaring te stuiten van de schuldvorderingen die zij jegens elkaar kunnen hebben. Hij wilde aldus de stabiliteit van de huwelijksband bevorderen en het risico vermijden dat de relatie zou verslechteren door een gerechtelijk optreden. Een dergelijke doelstelling kan niet onwettig worden geacht en de maatregel is relevant om bij te dragen tot de verwezenlijking ervan. De omstandigheid dat talrijke personen opteren voor andere vormen van samenleving buiten het huwelijk, verbiedt de wetgever niet die doelstelling te blijven nastreven. B.
- De dringende en voorlopige maatregelen die door de vrederechter kunnen worden gelast op grond van artikel 221 en 223 van het Burgerlijk Wetboek, hebben tot doel snel de conflicten op te lossen die ontstaan uit de huwelijksonenigheid en zoveel mogelijk te zorgen voor het herstel van de verstandhouding tussen de echtgenoten zodat het huwelijksleven kan worden hervat. Zij kunnen er niet toe leiden dat een permanente feitelijke scheiding tussen de echtgenoten wordt georganiseerd. De aanneming van die maatregelen maakt dus geen definitief en onherstelbaar einde aan de verbintenis tussen de echtgenoten, zodat het strijdig zou zijn met de in B.4 beschreven doelstelling van de wetgever om een einde te maken aan de schorsing van de verjaring zodra die maatregelen door de vrederechter worden gelast. B.
- Het staat aan de wetgever om te beslissen of de schorsing van de verjaring moet worden uitgebreid tot de niet-gehuwde paren zolang de samenleving duurt. Uit het feit dat hij zulks tot nog toe niet heeft gedaan, kan niet worden afgeleid dat de in het geding zijnde bepaling discriminerend zou zijn ten aanzien van de gehuwde personen op wie ze wordt toegepast. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2253 van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 14 september
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.140 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div