id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.151 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20061018.2 Arrest- Rolnummer: 151/2006;3819;3820 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-07 Raadplegingen: 803 - laatst gezien 2026-07-04 03:28 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof - vernietigt, in artikel 25, derde lid, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, ingevoegd bij artikel 6 van de wet van 3 mei 2005 houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, de woorden : " Behalve wanneer de redenen waarom het verificatiedossier werd samengesteld nog steeds bestaan en dat haar bewaring dus geboden blijft "; - verwerpt de beroepen voor het overige. Vrije woorden: Beroepen tot vernietiging van de wet van 3 mei 2005 houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, en van de wet van 3 mei 2005 houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, ingesteld door de VZW Ligue des droits de l'homme. Wettelijke bepalingen: Wet - 11-12-1998 - 25,L3 - 61 ELI link Pub nr 1999007004 Wet - 03-05-2005 - 6 - 33 ELI link Pub nr 2005009427 Tekst van de beslissing Rolnummers 3819 en 3820 Arrest nr. 151/2006 van 18 oktober 2006 In zake : de beroepen tot vernietiging van de wet van 3 mei 2005 houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, en van de wet van 3 mei 2005 houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, ingesteld door de VZW Ligue des droits de l’homme. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 28 november 2005 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 29 november 2005, heeft de VZW Ligue des droits de l’homme, met maatschappelijke zetel te 1190 Brussel, Alsembergsesteenweg 303, beroep tot vernietiging ingesteld : - van de wet van 3 mei 2005 houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 mei 2005, derde editie); - van de wet van 3 mei 2005 houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 mei 2005, derde editie). Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3819 en 3820 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 28 juni 2006 : - zijn verschenen : . Mr. V. Letellier, tevens loco Mr. A. Krywin, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij; . Mr. J. Bourtembourg en Mr. A. Veulemans, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. In rechte -A- Ten gronde Ten aanzien van het beroep tegen de wet van 3 mei 2005 houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen Ten aanzien van het eerste middel Standpunt van de verzoekende partij A.1.1. De verzoekende partij, de VZW Ligue des droits de l’homme, voert een eerste middel aan tegen artikel 22bis, tweede lid, van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de voormelde wet van 3 mei 2005. Het middel is afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 25 van de Grondwet. A.1.2. De verzoekende partij bekritiseert eerst de delegatie door de bestreden bepaling aan de Koning, die ertoe gemachtigd is de overheden aan te wijzen die over bevoegdheden in het kader van de veiligheid beschikken en « de toegang van een persoon […] tot lokalen, gebouwen of terreinen die een band hebben met functies van publieke overheden of tot een welbepaald nationaal of internationaal, diplomatiek of protocollair evenement, afhankelijk [kunnen stellen] van het bezit van een veiligheidsattest », daar artikel 22ter, tweede lid, van dezelfde wet bepaalde overheden toestaat dat attest zelf af te geven « wanneer het de toegang tot lokalen, gebouwen of terreinen betreft waarvoor zij verantwoordelijk zijn of wanneer het evenementen betreft die zijzelf organiseren ». De verzoekende partij bekritiseert een regeling waarbij de overheid die de verificatie uitvoert, als enige over de opportuniteit ervan oordeelt. Zij ziet hierin een schending van het wettigheidsbeginsel en de uitvloeisels ervan, namelijk de vereisten van ontvankelijkheid en voorzienbaarheid. In haar memorie van antwoord is de verzoekende partij van mening dat, in tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, de omvang van de verantwoordelijkheden van de bedoelde overheden vrijwel onbeperkt is. Zij merkt overigens op dat artikel 22bis, tweede lid, de informatie beoogt vanwege de overheid die over het opportune karakter van een veiligheidsverificatie beslist, aan « de overheid bedoeld in artikel 22ter », zonder te preciseren of het gaat om het eerste of het tweede lid, zodat niet kan worden uitgesloten dat de overheden die ertoe gemachtigd zijn het veiligheidsattest op te leggen, zich richten tot een overheid bedoeld in artikel 22ter, tweede lid, wanneer dat attest betrekking heeft op de toegang tot een lokaal, een gebouw of een terrein « waarvoor zij verantwoordelijk » is. De verzoekende partij preciseert dat het zou kunnen gaan om een commissaris-generaal van de federale politie. De verzoekende partij merkt voorts op dat het mechanisme van de machtiging aan de Koning dat verankerd is in artikel 22bis, tweede lid, in verband met de aanwijzing van de overheden die bevoegd zijn om het veiligheidsattest op te leggen, het de Regering mogelijk heeft gemaakt de hiërarchische overheden te beogen van de overheden die bevoegd zijn om de verificaties uit te voeren en dus de wettigheid van de aanvraag na te gaan. Dat is met name het geval voor de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Justitie ten aanzien van de commissaris-generaal van de federale politie of voor de burgemeester ten aanzien van de korpschef van de lokale politie. In verband met de bewering van de Ministerraad volgens welke de veiligheidsverificatie « slechts bepaalde gegevens beoogt die in de wet limitatief zijn opgesomd », blijkt duidelijk dat die niet overeenstemt met de werkelijkheid van het door de bestreden wet nagestreefde doel. Anders zou het volstaan dat een uittreksel uit het strafregister of, in afwachting van de inwerkingtreding van die regeling, een getuigschrift van goed zedelijk gedrag moet worden voorgelegd. A.1.3. De verzoekende partij bekritiseert vervolgens de keuze van de criteria die het mogelijk maken te oordelen over de opportuniteit van een veiligheidsverificatie. Die criteria zijn, volgens haar, overdreven ruim, vermits het gaat om « redenen » en niet om « vereisten » « van openbare orde, veiligheid of de bescherming van de fysieke integriteit van de […] personen » en, anderzijds, om « een mogelijke dreiging zoals voorzien in artikel 8, 1°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst ». 4 De verzoekende partij betwist eveneens de formeel gekozen oplossing die het de publieke overheden mogelijk maakt bij hun beslissing rekening te houden met de persoon die zij wensen te verifiëren. Wanneer de wettelijke voorwaarden op journalisten worden toegepast, maken zij het volgens de verzoekende partij aldus mogelijk een veiligheidsattest op te leggen om de enige reden dat zij een « mogelijke dreiging » zouden kunnen vormen, vermits zij een « individuele of collectieve activiteit [ontplooien] die verband kan houden met […] extremisme - namelijk de racistische, xenofobe, anarchistische, nationalistische, autoritaire of totalitaire opvattingen of bedoelingen, ongeacht of die een politiek, ideologisch, confessioneel of filosofisch karakter hebben of, in theorie of in de praktijk, in strijd zijn met de beginselen van de democratie of de rechten van de mens, de goede werking van de democratische instellingen of andere grondslagen van de rechtsstaat - […], daarbij inbegrepen de verspreiding van propaganda ». Die criteria maken dus totaal iets anders mogelijk dan het voorkomen van « een mogelijke dreiging » op een plaats of een evenement. Die vaststelling is des te duidelijker, daar de toegang van de journalisten tot de te beschermen evenementen beperkt is tot de perszalen en de specifiek voorbehouden zones. Hierdoor zou de maatregel van de veiligheidsverificatie volgens de verzoekende partij volkomen onevenredig zijn. Standpunt van de Ministerraad A.2.1. De Ministerraad voert in zijn memories aan dat de mogelijkheid om een aanvraag voor een attest te vorderen, gepaard gaat met een aantal beperkingen, waarborgen en controles. Ten eerste kunnen alleen de door de Koning opgesomde overheden die over bevoegdheden in het kader van de veiligheid beschikken, de afgifte van een veiligheidsattest vorderen. Die overheden kunnen die aanvraag alleen doen voor de plaatsen en evenementen die bij de wet zijn beschermd, namelijk de lokalen, gebouwen of terreinen die een band hebben met functies van publieke overheden of de nationale, internationale, diplomatieke of protocollaire evenementen. Het uitzonderlijke karakter van dat veiligheidsattest vloeit ook voort uit de dubbele voorwaarde waaraan het is onderworpen en volgens welke die beslissing alleen kan worden genomen om redenen van openbare orde, veiligheid of bescherming van de fysieke integriteit van de personen; er moet een mogelijke dreiging bestaan in de zin van artikel 8, 1°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst, met andere woorden een dreiging die verband houdt met spionage, inmenging, terrorisme, extremisme, proliferatie, schadelijke sektarische organisaties, criminele organisaties, daarbij inbegrepen de verspreiding van propaganda, de aanmoediging of de rechtstreekse of indirecte steun, onder meer door het verstrekken van financiële, technische of logistieke middelen, het verstrekken van inlichtingen over mogelijke doelwitten, de ontwikkeling van structuren en van actiecapaciteit en de verwezenlijking van de nagestreefde doeleinden. Bovendien wordt de naleving van die dubbele voorwaarde gecontroleerd door de nationale veiligheidsoverheid, die in beginsel bevoegd is om de veiligheidsattesten af te geven. De wet bepaalt uitdrukkelijk dat de nationale veiligheidsoverheid kan weigeren een verificatie te verrichten wanneer zij van mening is dat de aanvraag niet gemotiveerd is door een van de belangen die artikel 22bis wil beschermen. Alleen de in artikel 22ter, tweede lid, bedoelde overheden, namelijk de overheden die de nationale veiligheidsoverheid vormen, kunnen de attesten zelf afgeven, maar zij kunnen die bevoegdheid echter alleen uitoefenen voor de plaatsen waarvoor zij verantwoordelijk zijn of de evenementen die zij zelf organiseren. De verzoekende partij lijkt de wet van 3 mei 2005 te verwijten dat zij niet heeft voorzien in de mogelijkheid, voor die laatstgenoemde overheden, om een aanvraag voor een attest te weigeren dat niet aan de wettelijke vereisten zou beantwoorden. Die grief verwondert de Ministerraad in zekere mate, daar, in de in artikel 22ter beoogde gevallen, de beslissing om een veiligheidsverificatie uit te voeren zou kunnen uitgaan van ofwel een van de overheden die de nationale veiligheidsoverheid vormen, namelijk, in werkelijkheid, de overheid die de verificatie zal verrichten, ofwel een overheid die onderworpen is aan het hiërarchisch toezicht van de overheid waaraan zij de aanvraag voor een attest richt. In dat laatste geval kan de overheid aan wie de aanvraag is gericht, volgens de Ministerraad, weigeren om gevolg te geven aan een aanvraag voor een attest in het kader van zijn hiërarchisch toezicht. Het was dus ondenkbaar of nutteloos erin te voorzien dat de in artikel 22ter, tweede lid, beoogde overheden een aanvraag voor een veiligheidsattest zouden kunnen weigeren dat niet aan de bij de wet gestelde criteria zou voldoen. Elke persoon die doet blijken van een belang kan bovendien en in elk geval beroep instellen bij het beroepsorgaan, zowel tegen een weigering om een attest af te geven als tegen de aanvraag voor een attest. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, is dat beroep een volkomen daadwerkelijk beroep. Daarbij komt nog dat, zo preciseert de Ministerraad, de veiligheidsverificatie betrekking heeft op bepaalde nauwkeurige gegevens die in artikel 22sexies van de wet van 3 mei 2005 limitatief zijn opgesomd. 5 De veiligheidsverificatie vormt dus een veel minder grote inmenging dan die waartoe een veiligheidsonderzoek leidt. In het bijzonder kan de verificatie alleen betrekking hebben op de persoon die door de aanvraag voor een veiligheidsattest wordt beoogd en niet zijn omgeving. A.2.2. De Ministerraad ziet niet in hoe de verzoekende partij uit de bewoordingen van de wet kan afleiden dat een journalist als dusdanig een « mogelijke dreiging » zou kunnen vormen in de zin van artikel 8, 1°, van de wet van 30 november 1998 en alleen omdat hij journalist is het voorwerp van een veiligheidsverificatie zou kunnen uitmaken. De bewoordingen van artikel 22bis geven immers duidelijk aan dat de mogelijkheid om een aanvraag voor een veiligheidsattest te vorderen, afhangt van de toegang tot een beschermde plaats of een beschermd evenement en natuurlijk niet van het beroep van een bepaalde persoon. Zo zal bijvoorbeeld rekening worden gehouden met de inzet van dergelijke internationale vergaderingen of topontmoetingen en in voorkomend geval met de context daarvan om te oordelen of een mogelijke dreiging bestaat, zoals de dreiging van een terroristische activiteit. En op basis van die inzet en die context zullen, indien aan alle voorwaarden is voldaan, veiligheidsverificaties worden uitgevoerd met betrekking tot alle personen die tot die vergadering of die topontmoeting toegang wensen te hebben. Volgens de Ministerraad komt de bewering van de verzoekende partij eigenlijk erop neer dat vermeende bedoelingen worden toegedicht, bewering die overigens onjuist is en wordt tegengesproken in de parlementaire voorbereiding van de wet. Daarin wordt immers uitdrukkelijk onderstreept dat, met name in het kader van internationale vergaderingen, « zowel deelnemers, bezoekers, leveranciers, journalisten, als personen belast met het onthaal […] moeten kunnen gecontroleerd worden ». Het doel van de hier onderzochte bepaling bestaat dus zonder twijfel erin iedere persoon die toegang wenst te hebben tot een beschermde plaats of een beschermd evenement aan een veiligheidsverificatie te onderwerpen en niet iedere persoon met een bepaalde hoedanigheid « te ficheren ». Ten aanzien van het tweede middel Standpunt van de verzoekende partij A.3.1. Het tweede middel betreft artikel 22quinquies van de wet, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de bestreden wet, dat volgens de verzoekende partij in strijd is met artikel 22 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en/of de artikelen 19, 26 en 29 van de Grondwet. De verzoekende partij voert aan dat de regeling van het veiligheidsadvies dat door elke administratieve overheid kan worden gevorderd « voor de toelating tot de uitoefening van een bepaald beroep, functie, opdracht of mandaat, of voor de toelating tot de toegang tot bepaalde lokalen, gebouwen of terreinen, evenals voor het bezit van een bepaalde vergunning, licentie of toelating », een maatregel is die niet evenredig is met de doelstellingen die hij wordt verondersteld na te streven en die niet beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte. De betwiste wet bevat geen enkele definitie van de administratieve overheid die een dergelijke maatregel kan vorderen, wat inhoudt dat het toepassingsgebied van de personen die de uitvoering van een dergelijke maatregel kunnen vorderen, bijzonder ruim is. Het toepassingsgebied ratione materiae is overigens eveneens overdreven ruim, aldus de verzoekende partij, en zelfs zo goed als onbeperkt. A.3.2. In haar memorie van antwoord voert de verzoekende partij aan dat de Ministerraad niet aantoont dat de aantasting van het recht op het privéleven evenredig is met de vereiste van nationale veiligheid. De verzoekende partij is ook verwonderd over het argument dat de Ministerraad aanvoert in verband met de afwijking van de nationaliteitsvoorwaarde voor godsdienstleerkrachten of met de erkenning van de aan de Minister van Justitie voorgedragen leden van de Belgische Moslimexecutieve, met de afgifte van een toelating tot de gevangenissen als aalmoezenier en consulent, of nog, met de toekenning van een verblijfs- of vestigingsvergunning. Volgens het argument van de Ministerraad zou het veiligheidsadvies verplicht moeten zijn ten aanzien van alle directieleden, onderwijzers, leden van het opvoedend hulppersoneel en paramedici van de inrichtingen voor kleuter-, lager, bijzonder, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, en van de internaten en alle personeelsleden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op die inrichtingen. De verzoekende partij is 6 van mening dat die maatregel klaarblijkelijk onevenredig is : de bedoeling van de wetgever, aangegeven in de parlementaire voorbereiding, beantwoordt niet aan een dwingende maatschappelijke behoefte. Standpunt van de Ministerraad A.4.1. De Ministerraad wenst in de eerste plaats te herinneren aan de verschillende beperkingen van de mogelijkheid om een veiligheidsadvies te vorderen. Vooreerst wordt de beoordeling van de noodzaak van een veiligheidsverificatie niet volkomen overgelaten aan het oordeel van de administratieve overheid, maar moet die worden gemotiveerd door de mogelijkheid, voor een persoon, om afbreuk te doen aan sommige belangen van de Staat, door een oneigenlijk gebruik van het recht of van de mogelijkheid waarover hij beschikt. Artikel 22quinquies beoogt dus uitsluitend de situaties waarin de persoon de mogelijkheid waarover hij beschikt, voor een ander doel aanwendt teneinde afbreuk te doen aan de bij de wet beschermde belangen. Die belangen zijn limitatief opgesomd in artikel 22quinquies. Vervolgens wordt de naleving van de vereisten van de wet verzekerd door de nationale veiligheidsoverheid, die kan weigeren om gevolg te geven aan een aanvraag voor een veiligheidsadvies wanneer zij van mening is dat de veiligheidsverificaties niet zijn verantwoord door een van de belangen waaraan artikel 22quinquies een bijzondere bescherming toekent. Bovendien kan de persoon die door de aanvraag voor een veiligheidsverificatie wordt beoogd, daartegen beroep instellen bij het beroepsorgaan, dat zal nagaan of het nagestreefde doel met de wet verenigbaar is en of de aanvraag voor een advies met dat doel evenredig is. De diversiteit van de door artikel 22quinquies gedekte gevallen steunt overigens op meerdere evidente verantwoordingen. Enerzijds, gaat het erom belangen te beschermen die het kader van de interne veiligheid in de strikte betekenis ervan overstijgen en op even fundamentele wijze betrekking hebben op de duurzaamheid van de democratische orde, het wetenschappelijk en economisch beleid en de werking van de beslissingsorganen van de Staat. Anderzijds, moeten aan de overheden de middelen kunnen worden gegeven om zo snel mogelijk te kunnen reageren op nieuwe vormen van dreiging. A.4.2. In zijn memorie van antwoord is de Ministerraad van mening dat de verzoekende partij veel belang hecht aan de situatie van de godsdienstleerkrachten. In zijn eerste memorie heeft hij uiteengezet om welke redenen dat beroep mogelijk een bijzondere bescherming kon vereisen, door met name te steunen op de bewoordingen van het decreet van de Franse Gemeenschap van 27 maart 2002. Dat decreet beoogt in de overgangsbepalingen ervan alleen de leerkrachten islamitische of orthodoxe godsdienst, iets waarop de verzoekende partij op vrij misleidende wijze de nadruk legt. Zij wordt echter eraan herinnerd dat het statuut van de godsdienstleerkrachten onder meer is geregeld bij het koninklijk besluit van 25 oktober 1971, dat in het algemeen en zonder enige beperking bepaalt dat alle godsdienstleerkrachten een onberispelijk gedrag moeten hebben en in beginsel de Belgische nationaliteit moeten hebben. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij laat uitschijnen, bestaat er dus geen specifieke behandeling van de leerkrachten islamitische en orthodoxe godsdienst. Ten aanzien van het derde middel Standpunt van de verzoekende partij A.5.1. De verzoekende partij verwijt artikel 6 van de wet van 3 mei 2005, dat artikel 25 van de wet van 11 december 1998 wijzigt, dat het artikel 22 van de Grondwet schendt. Zij bekritiseert in het bijzonder de behandeling van de ingezamelde gegevens en het latere gebruik ervan. Zij is van mening dat de bestreden bepaling het beginsel bevestigt volgens hetwelk de bewaring van de gegevens noodzakelijk blijkt zolang de redenen blijven bestaan waarom het onderzoek of de verificatie is verricht. A.5.2. In haar memorie betwist de verzoekende partij het argument van de Ministerraad die aanvoert dat de grieven die in het verzoekschrift worden uiteengezet, niet zouden kunnen worden onderzocht door het Hof, in zoverre artikel 6 van de wet van 3 mei 2005 zich ertoe beperkt artikel 25 van de wet van 11 december 1998 aan te vullen en de betwiste beginselen en criteria reeds waren opgenomen in de oorspronkelijke versie van de wet van 11 december 1998. Het Hof is immers bevoegd om kennis te nemen van het middel, vermits daarin een schending van artikel 22 van de Grondwet wordt aangeklaagd. Bij het wijzigen van artikel 25 van de wet van 11 december 7 1998 moest de wetgever de Grondwet naleven. Is dat niet gebeurd, dan gaat het erom een leemte in de wetgeving te bestraffen, wat het Hof overigens al heeft gedaan, met name in zijn arrest nr. 16/2003. Voor het overige is de verzoekende partij van mening dat de Ministerraad de gegrondheid van de aangevoerde grieven bevestigt, vermits hij aanvaardt dat, « in sommige gevallen, de redenen voor een veiligheidsverificatie blijven bestaan, zelfs na het verstrijken van de geldigheidstermijn van het attest of van het advies ». Hij geeft het voorbeeld van « de bij het attest of het advies betrokken persoon die een nieuwe toegang tot een beschermde plaats of beschermd evenement aanvraagt ». Vanuit dat standpunt rijst de vraag van het beoordelingscriterium. Een persoon vraagt de toestemming om toegang te hebben tot een bepaald evenement. Na dat evenement gelden de redenen waarom de gegevens zijn verzameld, niet meer. Nochtans is het mogelijk dat de betrokkene ertoe wordt gebracht te vragen om toegang te verkrijgen tot een later evenement. Indien het criterium voor de beoordeling van die mogelijkheid berust op de persoonlijkheid of het beroep van de betrokkene, dan staat het vast dat het eerste middel gegrond dient te worden verklaard : het doorslaggevende element om de maatregel uit te voeren, zou wel degelijk de gecontroleerde persoonlijkheid zijn en niet het risico dat verbonden is aan een bepaald terrein of evenement. In het omgekeerde geval, indien het doorslaggevende element het risico is dat een bijzonder terrein of evenement met zich meebrengt, rijst de vraag hoe de mogelijkheid kan worden beoordeeld dat een bepaalde persoon in de toekomst zal vragen om ergens toegang te verkrijgen ? De wet voorziet in geen enkel duidelijk en voorzienbaar criterium wat de bewaring van de in het kader van de bestreden wet verzamelde of ontvangen persoonsgegevens betreft. Standpunt van de Ministerraad A.6.1. In de eerste plaats is de Ministerraad van mening dat uit de lezing van de in het middel uiteengezette grieven blijkt dat die betrekking hebben op artikel 25 van de wet van 11 december 1998 en niet op de wet van 3 mei 2005 als dusdanig. Het criterium « met betrekking tot de overweging dat de persoon niet langer aan een veiligheidsonderzoek kan worden onderworpen », dat de verzoekende partij zinloos acht, is immers niet ingevoerd bij de wet van 3 mei 2005. Die grief kan derhalve, volgens de Ministerraad, niet worden onderzocht. In zijn memorie van wederantwoord is de Ministerraad van mening dat de verzoekende partij ten onrechte het bezwaar denkt te kunnen weerleggen door op te merken dat het Hof bevoegd is en bij ontstentenis een leemte in de wetgeving zou moeten bestraffen. De Ministerraad ziet de relevantie niet in van het arrest nr. 16/2003, dat de partijen aanhalen om dat laatste punt te staven. A.6.2. Ten aanzien van de grieven met betrekking tot de beoordelingscriteria die de mogelijkheid bepalen om de bij de verificatie verzamelde gegevens te bewaren, wenst de Ministerraad op te merken dat de verzamelde gegevens strikt vertrouwelijk zijn en in elk geval alleen gekend zijn door de veiligheidsofficieren, die op grond van de wet van 11 december 1998 tot geheimhouding zijn verplicht, op straffe van een strafrechtelijke sanctie. Het is dus in het licht van die precieze context dat de vermeende schending van het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer dient te worden beoordeeld. Overigens, en in tegenstelling tot wat de verzoekende partij laat uitschijnen, gaat het niet erom, ab initio, de redenen aan te geven waarom de gegevens zouden moeten worden bewaard na de wettelijke termijn van twee jaar, maar gewoon, na die twee jaar, na te gaan of er omstandigheden zijn die eventueel zouden verantwoorden dat die gegevens niet worden vernietigd. Bij wijze van voorbeeld zou het aldus denkbaar zijn dat, kort voor het verstrijken van die twee jaar, een persoon, die wegens een toegang tot een beschermde internationale top aan een veiligheidsverificatie is onderworpen, de toegang vraagt tot een internationale vergadering die eveneens het voorwerp van een bijzondere bescherming uitmaakt en die kort na de termijn van twee jaar plaatsheeft. Het zou op zijn minst absurd zijn om in een dergelijk geval van de nationale veiligheidsoverheid te eisen dat zij de gegevens die zij bij de eerste veiligheidsverificatie heeft verzameld, zou vernietigen en bijna gelijktijdig een nieuwe volledige verificatie zou verrichten waarbij die gegevens opnieuw worden verzameld. Een ander voorbeeld maakt het mogelijk aan te tonen dat de toelichting door artikel 6 van de wet van 3 mei 2005 gegrond is : na die twee jaar oefent de persoon nog steeds de functie of de opdracht uit waarvoor een veiligheidsverificatie was vereist. Ook in dat geval kan er geen sprake van zijn de bij de veiligheidsverificatie verzamelde gegevens te vernietigen. 8 Er bestaat geen twijfel over het feit dat de redenen waarom de gegevens na de termijn van twee jaar worden bewaard, nog steeds dezelfde zijn en blijven als die waarin de wet voorziet, zoals de uitoefening van een opdracht die een bijzondere bescherming vereist. Ten aanzien van het beroep tegen de wet van 3 mei 2005 houdende wijzigingen van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen Ten aanzien van het eerste middel Standpunt van de verzoekende partij A.7.1. In het eerste middel wordt artikel 4, 1°, van de wet van 3 mei 2005, dat artikel 3, eerste lid, van de wet van 11 december 1998 heeft gewijzigd, verweten dat het in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het middel heeft in hoofdzaak betrekking op de samenstelling van het beroepsorgaan dat bij de bestreden bepaling is ingevoerd. Volgens de verzoekende partij is niet voldaan aan de vereisten van onpartijdigheid en onafhankelijkheid vervat in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Door de tekortkomingen zouden de indieners van het beroep niet de garantie hebben van een onafhankelijk en onpartijdig rechtscollege, in tegenstelling tot de indieners van een beroep voor de afdeling administratie van de Raad van State. Dat verschil in behandeling leidt volgens de verzoekende partij tot een aantasting van de beginselen vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.7.2. In haar memorie van antwoord herinnert de verzoekende partij eraan dat de vereiste onafhankelijkheid niet alleen ten aanzien van de uitvoerende macht, maar ook ten aanzien van de wetgevende macht geldt. Zij dient tevens te worden gewaarborgd ten aanzien van de partijen in het geding. De onafhankelijkheid sluit elke verhouding van ondergeschiktheid uit, zelfs elke schijn daarvan : « Justice must not only be done, it must be seen te be done ». In zijn memorie merkt de Ministerraad op dat de in de wet betreffende de veiligheidsmachtigingen en -attesten bedoelde overheden organiek gezien onder de uitvoerende macht vallen. Hij merkt op dat, aangezien de leden van het beroepsorgaan van hun kant « door de wetgevende macht zijn gekozen », de vereiste van onafhankelijkheid is gewaarborgd : volgens de verzoekende partij lijkt hij te vergeten dat de voorzitter van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt voorgedragen door de Minister van Justitie. Hij vergeet ook te zeggen dat de hoedanigheid van magistraat bedoeld in de organieke teksten van de Comités P en I en van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de leden van het parket, die organiek gezien onder de uitvoerende macht vallen, niet uitsluit. De waarborgen van onafhankelijkheid worden echter niet geboden wanneer de rechtbank onder meer is samengesteld uit een persoon die zich bevindt in een situatie van ondergeschiktheid ten aanzien van één van de partijen. Standpunt van de Ministerraad A.8.1. In zijn memorie citeert de Ministerraad met name uit het advies van de Raad van State over het voorontwerp van de bestreden wet om aan te tonen dat de nieuwe wet tot oprichting van een beroepsorgaan een aanzienlijke vooruitgang inhoudt ten opzichte van de vroegere. Zelfs ten aanzien van de vroegere wet wenst de Ministerraad overigens te herinneren aan het arrest nr. 14/2006 van het Hof, waarin het heeft geoordeeld dat de vroegere samenstelling van het beroepsorgaan verenigbaar was met het beginsel van onafhankelijkheid. A.8.2. In zijn memorie van antwoord is de Ministerraad van mening dat het argument dat is afgeleid uit de mogelijke hoedanigheid van staande magistraat - lid van het openbaar ministerie - van de leden van het beroepsorgaan om een vermeende objectieve onpartijdigheid aan te klagen, niet kan worden aangenomen. Hoewel het bezwaar kan worden geuit dat artikel 151, § 1, van de Grondwet aan de Minister van Justitie een bevoegdheid van positief bevel toekent, is dat niettemin een uitzondering en bovendien is die injunctiebevoegdheid geenszins van dien aard dat zij kan worden uitgeoefend wanneer een lid van het openbaar ministerie het ambt van voorzitter van het Comité P, het Comité I of zelfs van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer uitoefent. 9 Ten aanzien van het tweede middel Standpunt van de verzoekende partij A.9.1. In een tweede middel bekritiseert de verzoekende partij artikel 10 van de wet van 3 mei 2005 in zoverre tegen de veiligheidsadviezen geen enkel jurisdictioneel beroep mogelijk zou zijn, wat in strijd zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De verzoekende partij is van mening dat, aangezien het gaat om conforme adviezen, een daadwerkelijk beroep mogelijk moet zijn voor een jurisdictionele overheid, namelijk de Raad van State. A.9.2. In haar memorie van antwoord is de verzoekende partij van mening dat de regeling niet kan worden verantwoord, zoals de Ministerraad dat doet, door de bewering volgens welke elke andere oplossing een onverantwoord verschil in behandeling zou teweegbrengen tussen verschillende adressaten van beslissingen van het beroepsorgaan, waarbij sommigen (indirect) kunnen worden onderworpen aan de toetsing door de Raad van State, en anderen niet. Dat argument kan niet worden gevolgd, gelet op de aard van de beslissingen in de met elkaar vergeleken regelingen. Hoewel het beroepsorgaan de hoedanigheid van een rechtscollege heeft wanneer het uitspraak doet over veiligheidsmachtigingen en -attesten, is dat niet het geval wanneer het zich uitspreekt over veiligheidsadviezen. Het gelijkheidsbeginsel kan derhalve niet geschonden zijn, daar er geen twee objectief met elkaar vergelijkbare categorieën zijn. Standpunt van de Ministerraad A.10.1. De Ministerraad merkt op dat de Raad van State in zijn advies heeft gesteld dat de beroepsregeling waarin het ontwerp van de bestreden wet voorziet, voldeed aan de vereisten van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Elke andere regeling zou volgens de Ministerraad discriminaties hebben teweeggebracht. A.10.2. In zijn memorie van wederantwoord verklaart de Ministerraad niet in te zien wat zou kunnen verantwoorden dat tegen het advies van het beroepsorgaan op indirecte wijze beroep zou kunnen worden ingesteld voor de afdeling administratie van de Raad van State, wanneer elke andere beslissing van dat beroepsorgaan in laatste aanleg wordt genomen. Anderzijds, zelfs indien de bevoegdheid die het beroepsorgaan uitoefent ten aanzien van de veiligheidsadviezen slechts een adviserende bevoegdheid is, belet dat niet dat, aangezien de beslissing tot weigering genomen door een administratieve overheid op grond van een negatief advies van dat orgaan zich ertoe beperkt de motieven over te nemen, de activiteit van het orgaan kan worden gelijkgesteld met een activiteit die bestaat in het nemen van beslissingen en derhalve de regels moet volgen die van toepassing zijn op alle gevallen waarin het orgaan bevoegd is om een beslissing te nemen. Een algemene mogelijkheid van beroep inzake veiligheidsadviezen invoeren, zou dus erop neerkomen vergelijkbare situaties verschillend te behandelen en zou bijgevolg in strijd zijn met de in het middel beoogde bepalingen. Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State eraan heeft herinnerd, wordt de beperking van de mogelijkheid om een beroep tot vernietiging of tot schorsing voor de afdeling administratie van de Raad van State in te stellen, tot alleen de gevallen waarin de administratieve overheid die bevoegd is om te beslissen, zich niet ertoe heeft beperkt het advies van het beroepsorgaan over te nemen, verantwoord door de zorg om geen dergelijk beroep te regelen telkens als het beroepsorgaan, rechtstreeks of indirect, een beslissingsbevoegdheid uitoefent. Die handelwijze is geenszins discriminerend. Vervolgens tracht de verzoekende partij ten onrechte een verband te leggen tussen de bestreden wet en de procedures waarin de wetten betreffende de uitoefening van het beroep van privédetective, de exploitatie van een bewakingsonderneming en de toekenning van een licentie als personeelslid van een bewakingsonderneming voorzien. In die gevallen wordt de beslissing die voor de afdeling administratie van de Raad van State kan worden aangevochten, immers genomen door de Minister van Binnenlandse Zaken op advies van de Veiligheid van de Staat. Met andere woorden, geen enkele administratieve overheid onderscheiden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken is ertoe gemachtigd de beslissing te nemen, zodat het perfect logisch is dat dergelijke beslissingen dezelfde procedurele behandeling krijgen als elke administratieve handeling. 10 Ten aanzien van het derde middel Standpunt van de verzoekende partij A.11.1. De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre artikel 12 van de bestreden wet, door geen schorsende werking toe te kennen aan de indiening van een beroep, het daadwerkelijke karakter van dat laatste tenietdoet. De betwisting van de beslissing om aan een veiligheidsverificatie te worden onderworpen, zou aldus niet beletten dat het onderzoek wordt uitgevoerd waaraan de betrokkene volgens hem niet moest worden onderworpen. A.11.2. In haar memorie van antwoord betwist de verzoekende partij het gebruik, door de Ministerraad, van het arrest Rotaru van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zij is van mening dat dat arrest het beginsel bevestigt volgens hetwelk, « inzake geheim toezicht, een objectief controlemechanisme kan volstaan zolang de maatregelen geheim blijven. Pas wanneer de maatregelen bekend worden gemaakt, moeten beroepsmiddelen openstaan voor het individu ». Te dezen regelt de wet echter de voorafgaande inlichting en instemming van de betrokkene, zodat wij ons niet bevinden in het kader van de uitvoering van geheime maatregelen. Vervolgens werpt de Ministerraad tegen dat de verzoekende partij niet zou kunnen aantonen in welke zin de vereiste van een daadwerkelijk beroep, vervat in artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, voor de verzoeker noodzakelijkerwijs de mogelijkheid zou inhouden om de schorsing te eisen van de beslissing waarvan hij het voorwerp uitmaakt. Hij voert aan dat die vereiste niet wordt gesteld door de rechtspraak van het Europees Hof. Die bewering is onjuist, aldus de verzoekende partij. In zijn arrest Conka t. België heeft het Hof immers kunnen verklaren dat « het daadwerkelijke karakter van de beroepen vereist door artikel 13 veronderstelt dat zij de uitvoering kunnen verhinderen van maatregelen die in strijd zijn met het Verdrag en waarvan de gevolgen mogelijk onomkeerbaar zijn. Artikel 13 verzet zich bijgevolg ertegen dat dergelijke maatregelen worden uitgevoerd vóór de afloop van het onderzoek door de nationale overheden van de verenigbaarheid ervan met het Verdrag ». De verzoekende partij is van mening dat dergelijke vereisten voor het Hof « een waarborg vormen, en niet alleen een goed voornemen of een praktische regeling ». De uitvoering van de betwiste maatregelen, zonder de afloop van het beroep af te wachten, doet zonder twijfel op onherstelbare wijze afbreuk aan het recht op de eerbiediging van het privéleven van de betrokkene. De ontstentenis van een schorsend karakter van het beroep druist in tegen de vereiste van een daadwerkelijk beroep. Standpunt van de Ministerraad A.12.1. De Ministerraad is in zijn memorie van mening dat, zelfs indien de wet uitdrukkelijk preciseert dat de indiening van een beroep geen schorsende werking heeft, de onderzoeksprocedure en de besluitvorming strikt gereglementeerd zijn wat de termijnen betreft. De wet verplicht het beroepsorgaan aldus ertoe zich binnen vijftien dagen na de indiening van het beroep uit te spreken en zijn beslissing binnen drie dagen na de uitspraak ter kennis te brengen bij aangetekend schrijven. Daar de beslissing meteen uitvoerbaar is na de kennisgeving ervan, moet een verzoeker slechts hooguit drie weken wachten alvorens te weten welk gevolg aan de aanvraag voor een advies of een attest wordt gegeven. Die termijn lijkt redelijk in het licht van de beschermde belangen. A.12.2. In zijn memorie van wederantwoord preciseert de Ministerraad dat de verzoekende partij lijkt te vergeten dat, in de gevallen bedoeld in de artikelen 22bis en 22ter (veiligheidsattesten), alsook in artikel 22quinquies, de belangen van de persoon voor wie een administratieve overheid het bezit van een veiligheidsattest of -advies vereist, reeds zijn beschermd vóór de indiening van een beroep bij het beroepsorgaan, vermits in elk van die gevallen de veiligheidsoverheid de relevantie en de wettigheid van die vereiste evalueert in het licht van de bij de wet vastgestelde objectieve criteria. Te dezen zou dus niet redelijk kunnen worden aangevoerd dat de beslissing om een veiligheidsattest of -advies toe te kennen of te weigeren, is overgelaten aan het oordeel van om het even welke administratieve overheid. Ten slotte verklaart de Ministerraad niet in te zien welk belang de verzoekende partij heeft bij het betwisten van die procedure. Zij verwijt die immers geen schorsende werking toe te kennen aan de beslissing om een persoon aan een veiligheidsattest of -advies te onderwerpen alvorens toegang te hebben tot bepaalde functies, 11 plaatsen of zelfs materiaal. De uitvoering van een dergelijke beslissing bestaat echter gewoon erin de veiligheidswaarborgen van die persoon te onderzoeken en niet hem de gevraagde toegang of uitoefening definitief te weigeren. Indien de schorsing van die procedure gepaard zou gaan met de indiening van een beroep voor het beroepsorgaan, met toepassing van artikel 12 van de bestreden wet, dan zou dat natuurlijk niet tot gevolg mogen hebben dat die persoon toegang kan krijgen tot de geklassificeerde bronnen of de beschermde plaatsen, anders zouden de veiligheidsadviezen en -attesten volledig worden uitgehold. Het enige verschil zou dan zijn dat de procedure voor de adviezen of attesten pas zou kunnen aanvangen nadat het beroepsorgaan zich heeft uitgesproken. Ten aanzien van de interpretatie van de arresten Rotaru en Conka van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dient te worden erkend, enerzijds, dat het eerste de wettigheid van het doel van de verdediging van de veiligheid van de Staat tot een beginsel verheft wanneer sommige waarborgen worden geboden - wat te dezen zeker het geval is - en, anderzijds, dat het tweede, dat de mogelijkheid om de schorsing van door een administratieve overheid genomen maatregelen te verkrijgen, geenszins tot een absoluut beginsel verheft, niet is uitgesproken in de context van de bescherming van de veiligheid van de Staat - wat reeds volstaat om de pertinentie ervan af te wijzen - en de toepassing ervan heeft beperkt tot de gevallen waarin de uitvoering van sommige maatregelen een onomkeerbare werking heeft. Het spreekt vanzelf dat het aanvatten van een procedure voor een advies of een attest niets onomkeerbaars heeft. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1. Onderwerp van de beroepen tot vernietiging zijn twee wetten van dezelfde datum : de wet van 3 mei 2005 houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen (zaak nr. 3819), enerzijds, en de wet van 3 mei 2005 houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen (zaak nr. 3820), anderzijds. De classificatie biedt een bijzondere bescherming aan informatie, documenten of gegevens, materieel, materialen of stoffen, in welke vorm ook, waarvan de oneigenlijke aanwending schade kan toebrengen aan de verdediging van de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied en van de militaire defensieplannen, de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten, de inwendige veiligheid van de Staat (met inbegrip van het domein van de kernenergie) en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen van België, het wetenschappelijk en economisch potentieel van het land, elk ander fundamenteel belang van de Staat, de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland, de werking van de besluitvormingsorganen van de Staat en de veiligheid van de personen aan wie, krachtens artikel 104, § 2, van het Wetboek van Strafvordering, bijzondere beschermingsmaatregelen 12 worden toegekend (artikel 3 van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen). B.2.1. Om toegang te krijgen tot geclassificeerde informatie, documenten of gegevens, materieel, materialen of stoffen, moet men krachtens artikel 8 van de laatstvermelde wet houder zijn van een veiligheidsmachtiging waarvan het niveau overeenstemt met het classificatieniveau van de informatie, afgegeven door de veiligheidsoverheid na onderzoek door een inlichtingen- en veiligheidsdienst. De veiligheidsmachtiging is een officieel attest, verstrekt op grond van de gegevens verzameld door een inlichtingen- en veiligheidsdienst, naar luid waarvan, om toegang te krijgen tot gegevens waaraan een zekere graad van vertrouwelijkheid is toegekend, een natuurlijke persoon voldoende garanties biedt inzake geheimhouding, loyauteit en integriteit en een rechtspersoon voldoende garanties biedt inzake de materiële en technische middelen en de methoden, gebruikt om die gegevens te beschermen, en inzake de geheimhouding, de loyauteit en de integriteit van zijn organen en aangestelden die in aanmerking komen om toegang te hebben tot die gegevens (artikel 13, 2°, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen). Met toepassing van voormeld artikel 8 kan de toegang tot lokalen, gebouwen of terreinen die geclassificeerde informatie, documenten, gegevens, materieel, materialen of stoffen bevatten, door de overheden die de Koning aanwijst aan dezelfde voorwaarden worden onderworpen. Met toepassing van artikel 12 van dezelfde wet kan de overheid die bevoegd is om de toegang tot een betrekking, een functie of een graad of om het sluiten van een overeenkomst of een overheidsopdracht te regelen, in bepaalde gevallen het bezit van een veiligheidsmachtiging voorschrijven. B.2.2.1. De wet van 3 mei 2005 houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen voert naast de veiligheidsmachtiging twee nieuwe instrumenten van het veiligheidsbeleid in : het veiligheidsattest en het veiligheidsadvies. 13 B.2.2.2. Het veiligheidsattest is krachtens het nieuwe artikel 22bis van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, in twee gevallen vereist. De eerste hypothese betreft de toegang, voor een bepaalde duur (artikel 22quater van dezelfde wet) van een persoon tot lokalen, gebouwen of terreinen die geclassificeerde informatie, documenten, gegevens, materieel, materialen of stoffen bevatten. Het betreft in dat geval een vereenvoudigde regeling die de veiligheidsmachtiging vervangt wanneer er gezien de omstandigheden geen reden is om de omslachtige procedure van het veiligheidsonderzoek te volgen. De tweede hypothese betreft de toegang, voor een beperkte duur, tot lokalen, gebouwen of terreinen die een band hebben met functies van publieke overheden of de toegang tot een welbepaald nationaal of internationaal, diplomatiek of protocollair evenement. In dat geval wordt de vereiste van het bezit van een veiligheidsattest afhankelijk gesteld van twee voorwaarden : enerzijds, het bestaan van « redenen van openbare orde, veiligheid of de bescherming van de fysieke integriteit van de aanwezige personen »; anderzijds, het bestaan van een mogelijke dreiging in de zin van artikel 8, 1°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst, dit wil zeggen : « elke individuele of collectieve activiteit ontplooid in het land of vanuit het buitenland die verband kan houden met spionage, inmenging, terrorisme, extremisme, proliferatie, schadelijke sektarische organisaties, criminele organisaties, daarbij inbegrepen de verspreiding van propaganda, de aanmoediging of de rechtstreekse of onrechtstreekse steun, onder meer door het verstrekken van financiële, technische of logistieke middelen, het verstrekken van inlichtingen over mogelijke doelwitten, de ontwikkeling van structuren en van actiecapaciteit en de verwezenlijking van de nagestreefde doeleinden ». Het veiligheidsattest wordt in principe afgegeven en ingetrokken door de veiligheidsoverheid (artikel 22ter, eerste lid, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen). Overheden die in de wet op limitatieve wijze worden opgesomd, kunnen die bevoegdheid evenwel uitoefenen wanneer het de toegang tot lokalen, gebouwen of terreinen betreft waarvoor zij verantwoordelijk zijn of wanneer het evenementen betreft die zijzelf organiseren (artikel 22ter, tweede lid). 14 Het veiligheidsattest wordt afgegeven op basis van een veiligheidsverificatie die wordt uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van de veiligheidsoverheid (artikel 22quater van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen). Artikel 22sexies van dezelfde wet bepaalt de inhoud van de veiligheidsverificatie. Zij is beperkt tot de raadpleging van bestaande gegevens die alleen betrekking hebben op de betrokken persoon, met uitsluiting van elk proactief « onderzoek ». B.2.2.3. Het veiligheidsadvies wordt eveneens afgegeven nadat een veiligheidsverificatie heeft plaatsgevonden. Behoudens in die gevallen waarin bijzondere wetten voorzien in de raadpleging van een inlichtingen-, veiligheids- of politiedienst, kan een administratieve overheid beslissen dat voor de toelating tot de uitoefening van een bepaald beroep, functie, opdracht of mandaat, of voor de toelating tot de toegang tot bepaalde lokalen, gebouwen of terreinen, alsmede voor het bezit van een bepaalde vergunning, licentie of toelating voorafgaandelijk een veiligheidsverificatie wordt uitgevoerd door de veiligheidsoverheid. Die beslissing kan slechts genomen worden wanneer de uitoefening van een beroep, een functie, een opdracht of mandaat, of de toegang tot lokalen, gebouwen of terreinen, of het bezit van een vergunning, een licentie of een toelating door een oneigenlijk gebruik schade kan toebrengen aan de verdediging van de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied en van de militaire defensieplannen, de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten, de inwendige veiligheid van de Staat, met inbegrip van het domein van de kernenergie, en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen van België, het wetenschappelijk en economisch potentieel van het land, de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland of de werking van de besluitvormingsorganen van de Staat (artikel 22quinquies, § 1, eerste en tweede lid, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen). 15 B.2.3. De veiligheidsoverheid kan weigeren in te gaan op een beslissing om veiligheidsverificaties uit te voeren wanneer zij van oordeel is dat die niet gerechtvaardigd zijn door een van de belangen die respectievelijk in de artikelen 22bis, tweede lid, en 22quinquies, § 1, tweede lid, worden beoogd (artikel 22sexies, § 2, eerste lid, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen). De veiligheidsverificatie die, in tegenstelling tot het veiligheidsonderzoek, alleen de betrokken persoon kan betreffen, bestaat, eveneens in tegenstelling tot het voormelde onderzoek, uitsluitend in de raadpleging en evaluatie van : - de gegevens die zijn opgenomen in het centraal strafregister, het gemeentelijk strafregister, de bevolkings- en vreemdelingenregisters, het rijksregister en het wachtregister van de vreemdelingen; - de politiegegevens die toegankelijk zijn voor de politieambtenaren bij de uitvoering van identiteitscontroles; - de gegevens die zijn ingezameld en overgezonden door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, in overeenstemming met de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst; - de gerechtelijke gegevens die door de politiediensten worden overgezonden middels toelating van de bevoegde gerechtelijke overheden. B.3.1. De wet van 3 mei 2005 houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen vervangt het Vast Comité I, wat de rechtsprekende taak betreft die eraan was opgedragen, door een nieuw beroepsorgaan samengesteld uit drie ter zake gespecialiseerde magistraten, dat als een administratief rechtscollege optreedt. Die drie magistraten zijn de voorzitter van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, de voorzitter van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten en de voorzitter van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. 16 B.3.2. De voormelde wet van 3 mei 2005 breidt het beroep dat in het kader van de regeling van de veiligheidsmachtigingen bestaat, uit tot de veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. Een beroep staat aldus open voor de persoon voor wie het veiligheidsattest is vereist, wanneer de toekenning van het veiligheidsattest wordt geweigerd, wanneer de beslissing niet is genomen of niet ter kennis is gebracht binnen de voorgeschreven termijn, of wanneer het veiligheidsattest wordt ingetrokken (artikel 4, § 2, van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen). De beslissingen van het beroepsorgaan worden in eerste en in laatste aanleg gewezen. Een beroep staat eveneens open voor de persoon die het voorwerp uitmaakt van een negatief veiligheidsadvies. In dat geval brengt het beroepsorgaan evenwel alleen een met redenen omkleed advies uit, dat het negatieve veiligheidsadvies van de veiligheidsoverheid vervangt. De beslissing van de bevoegde administratieve overheid die zich daarvoor uitsluitend op het negatief advies heeft gebaseerd, is niet vatbaar voor beroep (artikel 9bis van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen). B.3.3. Daarnaast voorziet de wet van 3 mei 2005 houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen in de mogelijkheid voor eenieder die van een belang doet blijken om ook de voorafgaande beslissing om een veiligheidsattest te eisen of om een veiligheidsadvies te vragen aan te vechten (artikel 12 van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen). Ten aanzien van de omvang van de beroepen tot vernietiging B.4. Hoewel de verzoekende partij de volledige vernietiging vordert van de twee bestreden wetten van 3 mei 2005, voert zij in werkelijkheid slechts middelen aan tegen bepaalde artikelen van die wetten. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot de werkelijk bestreden bepalingen, namelijk de artikelen 22bis, tweede lid, 22quinquies, en 25, derde lid, van de wet 17 van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, en de artikelen 3, eerste lid, 9bis en 12 van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen. Ten aanzien van de bestreden bepalingen van de wet van 3 mei 2005 houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen B.5.1. Het eerste middel in de zaak nr. 3819 is gericht tegen artikel 22bis, tweede lid, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, zoals ingevoegd bij artikel 4 van de voormelde wet van 3 mei 2005, dat bepaalt : « De door de Koning aangewezen publieke overheden die over bevoegdheden in het kader van de veiligheid beschikken, kunnen, voor redenen van openbare orde, veiligheid of de bescherming van de fysieke integriteit van de aanwezige personen, beslissen dat de toegang van een persoon voor beperkte duur tot lokalen, gebouwen of terreinen die een band hebben met functies van publieke overheden of tot een welbepaald nationaal of internationaal, diplomatiek of protocollair evenement, afhankelijk wordt gesteld van het bezit van een veiligheidsattest in geval van een mogelijke dreiging zoals voorzien in artikel 8, 1°, van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. De beslissing van deze publieke overheid wordt met redenen omkleed en ter kennis gebracht van de overheid bedoeld in artikel 22ter en van de organisatoren van het evenement of van de verantwoordelijken voor de lokalen, gebouwen of terreinen, volgens de nadere regels en binnen de termijnen bepaald door de Koning. De organisatoren of de verantwoordelijken brengen alle betrokken personen op de hoogte van de met redenen omklede beslissing volgens de nadere regels bepaald door de Koning. Zij zenden onmiddellijk volgende gegevens over aan de overheid bedoeld in artikel 22ter :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.