← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.154

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.154 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20061018.3 Arrest- Rolnummer: 154/2006;3844 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-07 Raadplegingen: 191 - laatst gezien 2026-06-30 15:53 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vrije woorden: Beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 19 september 2005 tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, ingesteld door A. Mariën. Wettelijke bepalingen: Wet - 19-09-2005 - 39 ELI link Pub nr 2005000685 Tekst van de beslissing Rolnummer 3844 Arrest nr. 154/2006 van 18 oktober 2006 In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 19 september 2005 tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, ingesteld door A. Mariën. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 9 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 10 januari 2006, heeft A. Mariën, wonende te 2840 Rumst, Lazarusstraat 7, een beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de wet van 19 september 2005 « tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet » (wet tot wijziging van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, wat betreft de bevoegdheid van de comités tot aankoop van onroerende goederen voor meergemeentezones), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 november

  1. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 13 september 2006 : - zijn verschenen : . de verzoekende partij, in eigen persoon; . Mr. D. D’Hooghe, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1.
  2. De verzoeker vordert de gedeeltelijke vernietiging van artikel 2 van de wet van 19 september 2005 tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. Daartoe meent de verzoeker dat hij zowel een algemeen als een bijzonder belang kan doen gelden. Zijn algemeen belang ligt in het feit dat hij eigenaar is van een onroerend goed, waardoor hij mogelijkerwijs door een politieraad zou kunnen worden onteigend, terwijl hij er belang bij heeft dat zijn eigendomsrecht wordt geëerbiedigd en beschermd, en dat hij niet door de politieraad van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling overeenkomstig artikel 16 van de Grondwet. Zijn bijzonder belang vloeit, volgens hem, voort uit de omstandigheid dat hij eigenaar is van een onroerend goed, gelegen in een meergemeentepolitiezone, dat hij geen tweede keer onteigend wil worden volgens een ongrondwettige procedure en dat hij de ongrondwettigheid van de onteigeningswetgeving wil laten vaststellen. 3 A.1.
  3. Om de vernietiging te verkrijgen van artikel 2 van de wet van 19 september 2005 voert de verzoeker tien middelen aan. A.1.2.
  4. Als eerste middel betoogt de verzoeker dat artikel 16 van de Grondwet wordt geschonden, omdat de billijke en voorafgaande schadeloosstelling in de zin van artikel 16 van de Grondwet, een schadeloosstelling moet zijn die definitief en onherroepelijk moet vaststaan op het ogenblik waarop de onteigenaar bezit neemt van het onteigende goed. Artikel 16 van de Grondwet wordt geschonden, omdat de onteigende aan wie een schadeloosstelling wordt uitbetaald, overeenkomstig de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, kan worden verplicht om later (een deel van) die vergoeding terug te betalen. A.1.2.
  5. Vervolgens meent de verzoeker dat artikel 2 van de wet van 19 september 2005 de artikelen 10, 11, 13, 16 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag en met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, schendt, omdat de onteigende op de eventueel terug te betalen schadevergoeding (of een deel ervan) interesten moet betalen die zouden slaan op het tijdstip voordat de veroordeling tot teruggave kracht van gewijsde heeft gekregen en voordat het Hof van Cassatie uitspraak heeft gedaan, voor zover een voorziening in cassatie werd ingesteld. A.1.2.
  6. Als derde middel is de verzoeker van oordeel dat artikel 2 van de wet van 19 september 2005 de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, schendt, omdat de in het ongelijk gestelde partij, zij het de onteigenaar dan wel de onteigende, in een onteigeningszaak steunende op de onteigeningswet van 26 juli 1962, overeenkomstig artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek in de kosten wordt verwezen. A.1.2.
  7. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat onteigeningszaken overeenkomstig de onteigeningswet van 26 juli 1962 niet worden meegedeeld aan het openbaar ministerie, in tegenstelling tot de onteigeningszaken steunende op de wet van 17 april
  8. A.1.2.
  9. Als vijfde middel betoogt de verzoeker dat artikel 2 van de wet van 19 september 2005 de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, schendt, doordat de hoven en rechtbanken op de vorderingen ingesteld overeenkomstig de onteigeningswet van 26 juli 1962 geen uitspraak doen met voorrang boven alle zaken. A.1.2.
  10. De verzoeker voert als zesde middel aan dat artikel 2 van de wet van 19 september 2005 de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag en met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, schendt, doordat de onteigende overeenkomstig de onteigeningswet van 26 juli 1962 drie verschijningen voor de feitenrechter kan ondergaan, en de onteigende op grond van de wet van 17 april 1835 slechts twee keer voor de feitenrechter dient te verschijnen. A.1.2.
  11. Ten zevende meent de verzoeker dat artikel 2 van de wet van 19 september 2005 de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, schendt, doordat een onteigende die een voorziening in cassatie wil instellen een beroep moet doen op een advocaat bij het Hof van Cassatie. A.1.2.
  12. Als achtste middel voert de verzoeker een schending aan van de artikelen 10, 11, 13 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag en met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De besluiten die machtigen tot onteigening moeten, bij toepassing van de onteigeningswet van 26 juli 1962, in tegenstelling tot artikel 190 van de Grondwet, niet worden bekendgemaakt. 4 A.1.2.
  13. Het negende middel leidt de verzoeker af uit de schending van de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag en met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat artikel 7 van de onteigeningswet van 26 juli 1962 erin voorziet dat de aanwezige verweerders, op straffe van verval, gehouden zijn alle excepties die zij menen te kunnen opwerpen, ineens voor te brengen. A.1.2.
  14. Als laatste middel voert de verzoeker een schending aan van de artikelen 10, 11, 13 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 159 van de Grondwet en met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag en met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De verzoeker oordeelt dat het principe luidens hetwelk de Raad van State niet langer bevoegd is om uitspraak te doen over een verzoek tot nietigverklaring van het onteigeningsbesluit indien de onteigenaar de onteigende dagvaardt voor de burgerlijke rechter, ongrondwettig is, vermits andere derden zich wel nog kunnen richten tot de Raad van State. A.1.
  15. In laatste instantie vraagt de verzoeker, met verwijzing naar artikel 91 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, dat het Hof bepaalde onderzoeksmaatregelen stelt, omdat er klaarheid dient te worden gebracht in de vergissing(en) begaan bij het bekendmaken van de bestreden wet. Het zou ook nuttig zijn dat het Hof de administratieve praktijk van de ambtenaren van de comités van aankoop zou onderzoeken. A.2.
  16. Allereerst meent de Ministerraad dat het ingediende verzoekschrift tot vernietiging als onontvankelijk dient te worden afgewezen wegens gebrek aan belang. Gelet op de arresten nrs. 10/2006 en 23/2006 van het Hof, dient te worden vastgesteld dat natuurlijke personen op zich niet rechtstreeks worden geraakt door de bepaling die betrekking heeft op de onteigeningsmogelijkheid voor politieraden van meergemeentepolitiezones en derhalve geen belang hebben bij het bestrijden van artikel 2 van de wet van 19 september 2005 voor het Hof. Het bijzondere belang waarop de verzoeker zich te dezen beroept, beantwoordt dus niet aan de vereisten van artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. Wat het aangevoerde algemene belang betreft, doet de Ministerraad opmerken dat een actio popularis niet toegestaan is, zodat zijn vordering opnieuw als onontvankelijk dient te worden afgewezen. A.2.
  17. Vervolgens is de Ministerraad van oordeel dat het verzoekschrift als onontvankelijk moet worden afgewezen omdat het geen uiteenzetting van de feiten, noch van de middelen bevat. De verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend van 145 bladzijden, doorspekt met allerhande niet ter zake doende beschouwingen, derwijze dat binnen het verzoekschrift moet worden gezocht naar de eigenlijke middelen. Een « dergelijk klachtenboek » kan uitdrukking geven aan tal van weloverwogen opinies en/of bedenkingen, maar de inhoud ervan kan geen aanleiding geven tot een uiteenzetting van de feiten en de middelen. Bovendien is een dergelijke werkwijze in strijd met de rechten van verdediging omdat het voor de verwerende partij onmogelijk is om binnen de gestelde termijn van 45 dagen op alle aangehaalde punten een gedetailleerd verweer te laten gelden. A.2.
  18. Wat de middelen betreft, merkt de Ministerraad op dat alle aangevoerde middelen onontvankelijk zijn, omdat geen enkel middel in enig opzicht gericht is tegen de bestreden bepaling, te weten de toekenning van een onteigeningsbevoegdheid aan de politieraden. De middelen bekritiseren de inhoudelijke en procedurele regeling die vervat is in de onteigeningswetgeving, inzonderheid de onteigeningswet van 26 juli 1962, maar die wettelijke regeling maakt als dusdanig niet het voorwerp uit van het vernietigingsberoep. De nadelen die de verzoeker bij de ontwikkeling van het middel aanvoert, vloeien niet voort uit de bestreden bepaling, « maar uit de wetten die bepalen op welke wijze een overheid kan overgaan tot een onteigening ten algemenen nutte » (arresten nrs. 10/2006 en 23/2006). A.2.
  19. De Ministerraad stelt, met betrekking tot de gevorderde onderzoeksmaatregelen, dat bij gebrek aan een ontvankelijk beroep en ontvankelijke middelen, er geen reden bestaat om enige onderzoeksmaatregel te bevelen. A.
  20. In zijn memorie van antwoord bevestigt de verzoeker zijn belang en herhaalt hij nogmaals de tien middelen. A.
  21. De Ministerraad doet opmerken dat de verzoeker zich in zijn memorie beperkt tot het benadrukken en beschrijven van hetgeen reeds was uiteengezet in zijn verzoekschrift. De Ministerraad verwijst derhalve integraal naar zijn memorie ter weerlegging van het belang en de middelen van de verzoeker. 5 -B- B.
  22. De verzoeker vordert de gedeeltelijke vernietiging van artikel 2 van de wet van 19 september 2005 tot regeling van een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet (wet tot wijziging van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, wat betreft de bevoegdheid van de comités tot aankoop van onroerende goederen voor meergemeentezones), dat bepaalt : « Artikel 11, eerste lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, wordt aangevuld als volgt : ‘ De politieraad is ook gemachtigd te onteigenen te algemenen nutte, zoals bedoeld in artikel 61, § 1 van de programmawet van 6 juli
  23. ’ ». B.2.
  24. De Ministerraad werpt op dat het ingediende verzoekschrift als onontvankelijk dient te worden afgewezen, omdat, enerzijds, de verzoeker niet doet blijken van een persoonlijk en rechtstreeks belang en, anderzijds, het verzoekschrift geen uiteenzetting van de feiten en de middelen bevat. B.2.
  25. Zonder dat het nodig blijkt te zijn een standpunt in te nemen over de aan- of afwezigheid van het persoonlijke en rechtstreekse belang van de verzoeker, stelt het Hof vast dat te dezen de middelen die worden uiteengezet in het verzoekschrift niet zijn gericht tegen artikel 2 van de wet van 19 september 2005, maar betrekking hebben op onderscheiden bepalingen die de inhoudelijke en procedurele regeling van onteigeningen betreffen en die vervat zijn in verschillende artikelen van het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, de wet van 17 april 1835 op de onteigening ten algemenen nutte, de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen en de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap. 6 B.2.
  26. Naar luid van artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, zijn de beroepen strekkende tot vernietiging van een wettelijke bepaling slechts ontvankelijk indien zij worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van de bestreden bepaling in het Belgisch Staatsblad. De termijn waarbinnen de in B.2.2 vermelde bepalingen rechtstreeks kunnen worden aangevochten, is verstreken. B.
  27. Hieruit volgt dat het beroep tot vernietiging laattijdig is ingesteld, zodat het onontvankelijk is. 7 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 18 oktober
  28. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.154 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.