id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.157 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20061018.12 Arrest- Rolnummer: 157/2006 Rechtsgebied: Familierecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-07-05 Raadplegingen: 246 - laatst gezien 2026-06-30 16:04 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : In zoverre artikel 161 van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 163 en 164 van hetzelfde Wetboek, het huwelijk tussen een stiefouder en een stiefkind na het overlijden van de echtgenoot die de band van aanverwantschap tot stand heeft gebracht, op absolute wijze verbiedt, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJK - Voorwaarden - Grondvoorwaarden - Verboden familieband PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 161 en 164 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Verviers. Burgerlijk recht - Huwelijk -
- Huwelijksbeletsel tussen stiefouder en stiefkind - Absoluut karakter -
- Afwezigheid van huwelijksbeletsel tussen verwanten in de zijlijn andere dan broers en zusters. # Rechten en vrijheden - Recht om te huwen en een gezin te stichten. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 161 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 163 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 164 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 12 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 3818 Arrest nr. 157/2006 van 18 oktober 2006 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 161 en 164 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Verviers. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 21 november 2005 in zake het openbaar ministerie tegen R. Fassbender en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 25 november 2005, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Verviers de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt artikel 164 van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 161 en 163 van het Burgerlijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 12 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden van 4 november 1950, in zoverre het de Koning alleen voor de in artikel 163 van het Burgerlijk Wetboek beoogde gevallen toestaat het huwelijksverbod op te heffen, terwijl in andere vergelijkbare situaties, zoals het huwelijk tussen een stiefvader en zijn stiefdochter na het overlijden van de echtgenoot die de band van aanverwantschap tot stand heeft gebracht, een absoluut verbod geldt dat niet kan worden opgeheven ? »;
- « Schendt artikel 161 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 12 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden van 4 november 1950, in zoverre het het huwelijk tussen alle bloedverwanten in de opgaande en nederdalende rechte lijn en de aanverwanten in dezelfde lijn verbiedt, terwijl artikel 162 van het Burgerlijk Wetboek het huwelijk in de zijlijn alleen tussen broer en zuster verbiedt ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - R. Fassbender et R. Speierl, wonende te 4850 Plombières, rue de Vaals 42; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 28 juni 2006 : - zijn verschenen : . Mr. P. Henry en Mr. A. Vervoir, advocaten bij de balie te Verviers, voor R. Fassbender et R. Speierl; . Mr. S. Naeije loco Mr. D. Gérard, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij de Rechtbank van eerste aanleg te Verviers heeft de procureur des Konings de vernietiging gevorderd van de huwelijksaangifte door de verwerende partijen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Plombières, daar voor dat huwelijk op grond van artikel 161 van het Burgerlijk Wetboek een absoluut beletsel bestaat. De Rechtbank merkt op dat het huwelijksverbod tussen bloedverwanten in de rechte opgaande en nederdalende lijn, dat voortvloeit uit artikel 161 van het Burgerlijk Wetboek, niet uitsluitend steunt op overwegingen van bloedverwantschap, vermits het is behouden toen de wet het huwelijk heeft opengesteld voor personen van hetzelfde geslacht, ondanks het feit dat, in dat geval, de risico’s als gevolg van bloedverwantschap onbestaande zijn. De Rechtbank merkt op dat het verbod eveneens steunt op de morele orde, namelijk de noodzaak om ernstige verstoringen te voorkomen binnen de gezinnen die uit dergelijke verenigingen zouden kunnen ontstaan. De Rechtbank is van mening dat, hoewel herhaaldelijk is geoordeeld dat de bepalingen van de artikelen 161 en 164 van het Burgerlijk Wetboek onder de openbare orde vielen, aangezien zij ertoe strekten voorrang te geven aan een bepaalde morele opvatting van het gezin die behoort tot een maatschappelijke keuze inzake de privébelangen van de particulieren, niettemin lang geleden de vraag is gesteld of het absolute huwelijksverbod tussen stiefvader en stiefdochter, zelfs na het overlijden van de echtgenoot die de band van aanverwantschap tot stand heeft gebracht, zich situeerde binnen de perken van een inmenging vanwege de overheid die noodzakelijk is om de morele orde te beschermen, aangezien, met name, een dergelijk absoluut verbod niet bestaat tussen schoonbroer en schoonzus, vermits in dat geval de Koning voor het huwelijk ontheffing kan verlenen. De Rechtbank beslist derhalve de twee hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A– Standpunt van de verwerende partijen A.
- De verwerende partijen merken op dat de wetgever, met de wet van 27 maart 2001, het huwelijksverbod tussen schoonbroer en schoonzus heeft opgeheven, gelet op het ondoeltreffende karakter van de regel en het totaal gebrek aan maatschappelijk belang ervan. Het verbod tussen de bloedverwanten in de rechte lijn, in alle graden, is daarentegen absoluut gebleven, zonder enige mogelijkheid van ontheffing. Beide verbodsbepalingen steunden echter op dezelfde verantwoordingen. De partijen herinneren eraan dat men zich in wetsontwerpen en wetsvoorstellen over die kwestie heeft gebogen en dat de debatten zich situeren in het verlengde van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat op 13 september 2005 een arrest B. en L. t. Verenigd Koninkrijk heeft gewezen, waarin, in een soortgelijk geval, is besloten tot de schending van artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het Engels recht voorziet echter in een mogelijkheid van ontheffing in geval van een huwelijk tussen stiefkinderen en stiefouders. De partijen besluiten dat het Belgisch recht kan worden bekritiseerd ten aanzien van de artikelen 8.2 en 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en dat België, indien het geen einde maakt aan de discriminaties vervat in de artikelen 161 tot 164 van het Burgerlijk Wetboek, door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zal kunnen worden veroordeeld. Het verbod tussen de bloedverwanten in de rechte lijn in alle graden heeft vrijwel geen enkele grondslag meer, gelet op de ontwikkeling van de maatschappij en de daaruit voortvloeiende ontwikkeling van de wetgeving. Zij merken ten slotte op dat, wat hun eigen situatie betreft, tussen hen nooit een band tot stand is gekomen die gelijkwaardig is aan een band van afstamming, vermits hun trouwplannen pas dateren van na het overlijden van de moeder van de « echtgenote ». 4 Standpunt van de Ministerraad A.
- In verband met de eerste prejudiciële vraag merkt de Ministerraad op dat de huwelijksbeletsels hun grondslag vinden in de wil van de wetgever om incest te verbieden. Seksuele betrekkingen tussen ouders of naaste aanverwanten worden universeel afgekeurd wegens de angst die zij veroorzaken op het vlak van de sociale orde en de overleving van de soort. Dat fundamentele verbod wordt verantwoord door zowel fysiologische als morele motieven. De fysiologische verantwoording is vandaag niet meer van overwegend belang, vermits de wetgever het verbod heeft behouden toen hij het huwelijk heeft opengesteld voor de personen van hetzelfde geslacht. De Ministerraad is in de eerste plaats van mening dat de categorieën van personen die in de prejudiciële vraag met elkaar worden vergeleken, zich niet in vergelijkbare situaties bevinden. Tussen de rechtstreekse banden en de banden in de zijlijn is de fysieke en psychologische verwantschap tussen die personen fundamenteel verschillend. De rechtstreekse band brengt ontegenzeglijk een veel grotere, veel sterkere en veel duurzamere verwantschap tot stand. Het familierecht in de ruime zin houdt rekening met dat verschil. De Ministerraad is van mening dat, in elk geval, tussen de twee categorieën van personen om diezelfde reden een objectief verschil in situatie bestaat. Dat verschil in situatie verantwoordt dat de wetgever een absoluut huwelijksbeletsel voor de ouders en de aanverwanten in de rechte lijn heeft ingesteld. Hoewel het doel van de wetgever erin bestaat incest in alle gevallen te verbieden, dient te worden vastgesteld dat de risico’s die aan dat verbod ten grondslag liggen, minder groot zijn in de zijlijn dan in de rechte lijn. De risico’s van bloedverwantschap, de risico’s van een verstoring binnen het gezin, alsook de risico’s dat het sociale weefsel niet wordt hernieuwd, zijn kleiner in het geval van de banden in de zijlijn in de derde graad, doordat de fysieke en affectieve verwantschap minder sterk en minder duurzaam wordt geacht. De evenredigheidsregel is evenmin geschonden door het zwakkere karakter van de genoemde risico’s. Er is overigens geen reden om de bloedverwante ouders en de aanverwanten verschillend te behandelen wegens de grondslagen van het verbod van incest. A.
- In verband met de tweede prejudiciële vraag is de Ministerraad eveneens van mening dat de twee categorieën van personen zich niet in een voldoende vergelijkbare situatie bevinden : de aanverwanten in de rechte lijn bevinden zich in een situatie van sociale, familiale en affectieve verwantschap, alsook in een verhouding van opvoeding die verschilt van de situatie waarin de aanverwanten in de zijlijn in de tweede graad zich bevinden. In elk geval is het verschil in behandeling objectief en heeft de wetgever rekening ermee gehouden dat de risico’s die het verbod van incest verantwoorden, veel groter zijn voor de aanverwanten in de rechte lijn. Hij heeft overigens, toen hij de wet van 27 maart 2001 tot stand heeft gebracht, op rechtmatige wijze kunnen oordelen dat de ontwikkeling van de zeden niet verantwoordde dat de huwelijksbeletsels worden versoepeld voor de ouders en aanverwanten in de rechte lijn. Meer bepaald belet het aanverwantschap niet dat een verhouding van opvoeding, van familiale en affectieve verantwoordelijkheid, of zelfs van werkelijk vaderschap bestaat tussen de twee betrokken personen. De Ministerraad merkt ten slotte op dat, hoewel artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht om te huwen instelt, dat Verdrag beperkingen van dat recht toestaat, wanneer het nationaal recht daarin voorziet. Het Hof van Beroep te Luik heeft aldus geoordeeld dat het verbod van incest niet strijdig moet worden geacht met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Antwoord van de verwerende partijen A.
- De verwerende partijen antwoorden de Ministerraad dat de categorieën van personen die in de eerste prejudiciële vraag met elkaar worden vergeleken, wel degelijk vergelijkbaar zijn. In dat opzicht dient geen onrechtmatige en verkeerde veralgemening te worden gemaakt. Om de prejudiciële vraag te beantwoorden, zal het Hof rekening moeten houden met de ontwikkeling van de zeden en van de maatschappij. De vraag moet vanuit de invalshoek van de « verstoring binnen het gezin » worden onderzocht, vermits het risico van bloedverwantschap onbestaande is in het aan de toetsing van het Hof voorgelegde geval. In tal van situaties is de verwantschap waarvan de Ministerraad gewag maakt, weliswaar onbetwistbaar, maar dat is evenwel niet het geval in alle situaties waarin een gezin opnieuw wordt gevormd. In dat opzicht dient rekening te worden gehouden met de veranderlijkheid van de situaties die de invoering van de regeling van de ontheffing precies 5 heeft verantwoord, regeling die de Koning toestaat, geval per geval, gelet op de bestaande fysieke en affectieve banden en de omstandigheden van de zaak, te oordelen of de opheffing van het huwelijksverbod geen al te groot gevaar voor een verstoring binnen het gezin met zich zal meebrengen. De openstelling van de regeling van de ontheffingen tot de categorie van de stiefouders en de stiefkinderen zou het diegenen die niet onder de « vooronderstellingen » vallen, mogelijk maken het vastgestelde vermoeden om te keren door aan te tonen dat de oorzaken die ten grondslag liggen aan het verbod van incest in casu niet aanwezig zijn, wat in de onderhavige zaak het geval is. De partijen onderstrepen daarnaast dat het risico van bloedverwantschap daarentegen wel bestaat in het geval van het huwelijk tussen nonkel of tante en neef of nicht. De twee categorieën zijn dus wel degelijk vergelijkbaar, in zoverre zij beide een deel van het risico inhouden, maar tevens een hele reeks situaties kunnen omvatten waarin die risico’s niet aanwezig zijn en waarvoor de ontheffing volkomen verantwoord is. A.
- In verband met de tweede prejudiciële vraag antwoorden de verwerende partijen de Ministerraad dat de twee met elkaar vergeleken soorten van huwelijksverbod moeten worden beschouwd vanuit de invalshoek van de redenen van « morele » aard. De graad van sociale, familiale en affectieve verwantschap binnen de familie is afhankelijk van elk bijzonder geval en van elke familie. Er kan dus onmogelijk worden beweerd dat de banden binnen een categorie sterker zouden zijn dan in een andere en dat een objectief verschil in situatie tussen beide categorieën zou bestaan. Het begrip « rust der families » is overigens een subjectief begrip, zoals blijkt uit de maatschappelijke ontwikkeling waarmee de wetgever rekening heeft gehouden toen hij het huwelijksverbod tussen stiefbroers en stiefzussen heeft opgeheven. In de context van die wetgevende ontwikkeling en in overeenstemming met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, moet worden beschouwd dat het absolute huwelijksverbod in de rechte lijn in alle graden onevenredig is ten aanzien van het door de wetgever nagestreefde doel. Antwoord van de Ministerraad A.
- De Ministerraad antwoordt de verwerende partijen dat de keuze om het huwelijksverbod tussen stiefouders en stiefkinderen op te heffen in het licht van de ontwikkeling van de zeden en van de tijdsgeest, onder de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever valt. In het algemeen oordeelt het Arbitragehof niet over de keuzes die tot de beoordelingsvrijheid van die wetgever behoren. Het komt het Hof alleen toe te oordelen of een dergelijke keuze geen kennelijk onevenredige gevolgen met zich meebrengt ten koste van een categorie van personen. Onder de in aanmerking te nemen elementen kan de ontwikkeling, zowel die van de zeden en van de tijdsgeest als de maatschappelijke ontwikkeling meer in het algemeen, het resultaat van de evenredigheidstoetsing beïnvloeden. Een ontwikkeling zou een maatregel echter niet automatisch onevenredig maken. De wetgever is dus niet ertoe gehouden de ontwikkeling van de zeden en van de tijdsgeest automatisch te volgen en, indien hij beslist het recht geleidelijk aan te passen aan de ontwikkeling van de zeden, kan het gelijkheidsbeginsel niet worden aangewend om zich te verzetten tegen een positieve wijziging in het voordeel van een categorie van personen. Te dezen verplichtte de inachtneming van het gelijkheidsbeginsel de wetgever niet ertoe de ontwikkeling van de zeden – mochten die werkelijk zijn geëvolueerd – te volgen door het huwelijk tussen een stiefvader en zijn stiefdochter toe te staan, en evenmin dat verbod op te heffen omdat hij het voor een andere categorie van personen, namelijk die van de schoonbroers en de schoonzussen, heeft opgeheven. -B– B.
- De artikelen 161 tot 164 van het Burgerlijk Wetboek bepalen : « Art.
- Het huwelijk is verboden tussen alle bloedverwanten in de rechte opgaande en nederdalende lijn en de aanverwanten in dezelfde lijn. Art.
- In de zijlijn is het huwelijk verboden tussen broers, tussen zusters of tussen broer en zuster. Art.
- Het huwelijk is ook verboden tussen oom en nicht of neef, of tussen tante en nicht of neef. 6 Art.
- Echter kan de Koning, om gewichtige redenen, het in het vorige artikel bevatte verbod opheffen ». B.2.
- In de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, van artikel 164 van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 161 en 163 van hetzelfde Wetboek, in zoverre het de Koning alleen voor de in artikel 163 van het Burgerlijk Wetboek beoogde gevallen toestaat het huwelijksverbod op te heffen, terwijl in andere vergelijkbare situaties, zoals het huwelijk tussen een stiefouder en zijn stiefkind na het overlijden van de echtgenoot die de band van aanverwantschap tot stand heeft gebracht, een absoluut verbod geldt dat niet kan worden opgeheven. B.2.
- In de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, van artikel 161 van het Burgerlijk Wetboek, in zoverre het het huwelijk tussen alle bloedverwanten in de opgaande en nederdalende rechte lijn en de aanverwanten in dezelfde lijn verbiedt, terwijl artikel 162 van het Burgerlijk Wetboek het huwelijk in de zijlijn alleen tussen broer en zus verbiedt. Ten aanzien van de twee prejudiciële vragen samen B.3.
- Artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens luidt : « Mannen en vrouwen van huwbare leeftijd hebben het recht te huwen en een gezin te stichten volgens de nationale wetten welke de uitoefening van dit recht beheersen ». B.3.
- Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens eerbiedigt het door die bepaling gewaarborgde recht « de nationale wetten van de Verdragsluitende Staten », maar « de beperkingen die daaruit voortvloeien mogen » het in het geding zijnde recht « niet […] beperken of verminderen op een wijze of in een mate die de essentie ervan zouden aantasten » (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Rees t. Verenigd Koninkrijk, 17 oktober 1986, Serie A, nr. 106, § 50). 7 B.4.
- Het huwelijksbeletsel tussen de bloedverwanten in de opgaande en nederdalende lijn, alsook tussen de aanverwanten in dezelfde lijn, is gegrond op het verbod van incest, dat zelf steunt op verschillende redenen. Een eerste reden, van fysiologische en eugenetische aard, steunt op het verhoogd risico dat de kinderen uit bloedschennige huwelijken met een ernstige handicap zouden worden geboren. Een tweede reden, van ethische of morele aard, strekt ertoe te voorkomen dat personen die tot eenzelfde familiekring behoren, banden hebben die afbreuk zouden kunnen doen aan de orde van de bestaande familiestructuren. B.4.
- Het huwelijksbeletsel tussen aanverwanten in de rechte lijn, tussen wie geen biologische banden bestaan, is gegrond op redenen van morele en sociale aard. Net zoals het geval is voor het absoluut huwelijksbeletsel tussen bloedverwanten in de opgaande en nederdalende lijn, beoogt de wetgever met het huwelijksbeletsel tussen aanverwanten in de rechte lijn de integriteit van de familie te beschermen, door een zekere orde in de gezinnen te waarborgen en te vermijden dat tussen gezinsleden concurrentie ontstaat. Bovendien beoogt de wetgever door het huwelijksbeletsel de plaats van elke generatie binnen de familie te waarborgen. B.
- Het verschil in behandeling dat uit dat huwelijksbeletsel voortvloeit tussen, enerzijds, een stiefouder en zijn stiefkind en, anderzijds, de verwanten in de zijlijn andere dan broers en zusters, voor wie geen huwelijksbeletsel geldt, berust op een objectief criterium, namelijk de aard en de graad van verwantschap tussen de verschillende categorieën van personen. B.
- Het door de in het geding zijnde bepaling aangewende criterium is tevens pertinent om het door de wetgever nagestreefde doel te bereiken, gelet op de nauwere band tussen stiefouder en stiefkind. Dat de band tussen stiefouder en stiefkind verschilt van die tussen de verwanten in de zijlijn andere dan broers en zusters voor wie geen huwelijksbeletsel geldt, blijkt nog uit het feit dat tussen aanverwanten in de rechte lijn een onderhoudsplicht bestaat, ondanks de afwezigheid van een afstammingsband. Zo rust op de stiefouder een onderhoudsplicht ten aanzien van zijn stiefkind(eren) na het overlijden van zijn echtgenoot (artikel 203, § 2, van het Burgerlijk Wetboek). Ook tussen andere aanverwanten in de rechte lijn bestaat een 8 onderhoudsplicht, die in sommige gevallen blijft voortbestaan na het overlijden van de persoon die de aanverwantschap heeft doen ontstaan (artikel 206 van het Burgerlijk Wetboek) B.
- Door het absolute karakter ervan heeft de maatregel echter onevenredige gevolgen, in zoverre hij, in alle gevallen, een stiefouder en een stiefkind verbiedt te huwen ná het overlijden van de echtgenoot die de band van aanverwantschap tot stand heeft gebracht. De prejudiciële vragen dienen in die mate bevestigend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : In zoverre artikel 161 van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 163 en 164 van hetzelfde Wetboek, het huwelijk tussen een stiefouder en een stiefkind na het overlijden van de echtgenoot die de band van aanverwantschap tot stand heeft gebracht, op absolute wijze verbiedt, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 12 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 18 oktober
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.157 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div