id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 oktober 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.158 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20061018.4 Arrest- Rolnummer: 158/2006;4033 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-07 Raadplegingen: 208 - laatst gezien 2026-06-30 08:22 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof, beperkte kamer, met eenparigheid van stemmen uitspraak doende, verklaart het beroep tot vernietiging onontvankelijk. Vrije woorden: Beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, ingesteld door L. Lamine. Wettelijke bepalingen: Wet - 13-06-2006 - 40 ELI link Pub nr 2006009573 Tekst van de beslissing Rolnummer 4033 Arrest nr. 158/2006 van 18 oktober 2006 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, ingesteld door L. Lamine. Het Arbitragehof, beperkte kamer, samengesteld uit voorzitter A. Arts en de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 augustus 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 augustus 2006, heeft L. Lamine, wonende te 3110 Rotselaar, Steenweg op Wezemaal 90, beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 juli 2006, tweede editie). Op 22 augustus 2006 hebben de rechters-verslaggevers E. De Groot en J.-P. Moerman, met toepassing van artikel 71, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, de voorzitter ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof, zitting houdende in beperkte kamer, voor te stellen een arrest te wijzen waarbij vastgesteld wordt dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk niet ontvankelijk is. De bepalingen van voormelde bijzondere wet met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1. De verzoekende partij vordert de gedeeltelijke vernietiging van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd (hierna : wet van 13 juni 2006). A.2. In hun conclusies genomen met toepassing van artikel 71 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 hebben de rechters-verslaggevers gemeend dat zij het Hof zouden kunnen vragen het beroep onontvankelijk te verklaren omdat de verzoeker niet doet blijken van het rechtens vereiste belang. A.3. In zijn « niet-officiële » memorie met verantwoording – aldus genaamd om « proceseconomische redenen » - stelt de verzoeker dat hij zich wenst te gedragen naar de wijsheid van het Hof. Hij geeft toe dat het beroep tot vernietiging ertoe strekt, via de omweg van een beroep tot vernietiging van artikel 4 van de wet van 13 juni 2006, te verkrijgen dat het Hof het beroep zou verwerpen onder het voorbehoud dat de regel vervat in artikel 4 van de bestreden wet in alle strafzaken moet worden toegepast en dus ook in die waarin meerderjarigen betrokken zijn. Hij wijst erop dat hij werd gedagvaard voor de Politierechtbank te Leuven en dat hij, ten gevolge van de niet-toepassing in de praktijk van artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek, geen niet-ondertekende afschriften zal ontvangen van de tegen hem uitgesproken strafvonnissen. -B- B.1. De verzoekende partij vordert de gedeeltelijke vernietiging van de wet van 13 juni 2006 tot wijziging van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd (hierna : wet van 13 juni 2006), die in het Belgisch Staatsblad van 19 juli 2006 (tweede editie) is verschenen. 3 Meer bepaald vordert de verzoekende partij de vernietiging van bepaalde gedeelten van artikel 3, (namelijk de woorden « en de gevolgen van hun daden » in artikel 3, 4°, artikel 3, 5°, a), de woorden « minimale » en « de belangen van hun familie » in artikel 3, 5°, f), en de volledige vernietiging van artikel 4 van de voormelde wet. Die bepalingen luiden : « Art. 3. In dezelfde wet wordt een voorafgaande titel ingevoegd, luidende : ‘ Voorafgaande titel : Beginselen van de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen De volgende beginselen zijn erkend en van toepassing op de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen : 1° de voorkoming van delinquentie is van wezenlijk belang om de maatschappij op lange termijn te beschermen. Zulks vereist dat de bevoegde autoriteiten de onderliggende oorzaken van de jeugddelinquentie aanpakken en een multidisciplinair actieplan uitwerken; 2° elke rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen gebeurt, voor zover zulks mogelijk is, door actoren, ambtenaren en magistraten met een specifieke en permanente opleiding inzake jeugdrecht; 3° de rechtsbedeling ten aanzien van minderjarigen streeft doelstellingen na inzake opvoeding, verantwoordelijkheidszin, resocialisatie en bescherming van de maatschappij; 4° de minderjarigen mogen geenszins worden gelijkgesteld met meerderjarigen wat de mate van verantwoordelijkheid en de gevolgen van hun daden betreft. De minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, moeten evenwel bewust worden gemaakt van de gevolgen van hun daden; 5° de minderjarigen genieten in het kader van deze wet van persoonlijke rechten en vrijheden, waaronder die omschreven in de Grondwet en in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, inzonderheid het recht om te worden gehoord tijdens het proces dat leidt tot beslissingen die hen aangaan en het recht daaraan deel te nemen. Deze rechten en vrijheden moeten gepaard gaan met bijzondere waarborgen :
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.