id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 08 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.167 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20061108.21 Arrest- Rolnummer: 167/2006 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-07-11 Raadplegingen: 190 - laatst gezien 2026-06-30 14:11 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - Artikel 21, § 2, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en de artikelen 1 en 2 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, in die zin geïnterpreteerd dat de afgevaardigde, wanneer hij zijn mandaat neerlegt, elke bescherming tegen ontslag verliest, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat de afgevaardigde, wanneer hij zijn mandaat neerlegt, de bescherming tegen ontslag die de personen genieten die in de wet « kandidaten » worden genoemd, niet verliest, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 21, § 2, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en de artikelen 1 en 2 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik. Sociaal recht - Arbeidsrecht - Arbeidsovereenkomst - Ontslagbescherming -
- Personeelsafgevaardigde die zijn mandaat neerlegt -
- Kandidaat-personeelsafgevaardigde die niet is verkozen. Wettelijke bepalingen: Wet - 18-09-1948 - 21,§2 - 01 Link Justel databank 19480918-01 Wet - 19-03-1991 - 1 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Wet - 19-03-1991 - 2 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3895 Arrest nr. 167/2006 van 8 november 2006 ___________ In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 21, § 2, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en de artikelen 1 en 2 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 3 februari 2006 in zake D. Castronovo en anderen tegen de nv Mono Car Styling, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 10 februari 2006, heeft de Arbeidsrechtbank te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 21, § 2, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en de artikelen 1 en 2 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, in die zin geïnterpreteerd dat de afgevaardigde elke bescherming tegen ontslag verliest wanneer hij zijn mandaat neerlegt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien de verkozen kandidaat minder goed beschermd is tegen ontslag dan de niet-verkozen kandidaat ? ». Memories zijn ingediend door : - D. Castronovo, wonende te 4460 Grâce-Hollogne, rue Mathieu de Lexhy 164; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 13 september 2006 : - zijn verschenen : . Mr. H. Deckers en Mr. C. Nagels, advocaten bij de balie te Luik, voor D. Castronovo; . Mr. L. Demez loco Mr. G. Demez, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De nv Mono Car Styling is in vereffening gesteld na het beëindigen van een overeenkomst met een grote klant. Op 9 juni 2004 stelt zij de directeur van de subregionale tewerkstellingsdienst in kennis van de beslissing tot collectief ontslag die de raad van bestuur de dag ervoor heeft genomen en vraagt zij de wachttermijn bedoeld in het koninklijk besluit van 24 mei 1976 om tot de ontslagen over te gaan, te verkorten tot één dag. De verkorting van de termijn wordt haar toegestaan bij een brief van 15 juni
- Op 11 juni 2004 vraagt de nv Mono Car Styling aan het paritair comité waaronder zij ressorteert, de economische redenen te erkennen die aan het ontslag ten grondslag liggen, teneinde de beschermde werknemers te kunnen ontslaan. Bij beslissing van 3 26 juli 2004 erkent het paritair comité het bestaan van economische redenen die het ontslag verantwoorden van bepaalde personeelsafgevaardigden en kandidaat-personeelsafgevaardigden. Op 14 juni 2004 richt de vennootschap aan de werknemers een brief teneinde hen in te lichten over hun ontslag op 21 juni
- Op 24 juni 2004 ondertekenen A. D’Errico en M. Quaranta een document waarin zij afstand doen « van de wettelijke bescherming van de personen die zich kandidaat hebben gesteld bij de sociale verkiezingen in 2004 voor een mandaat van vertegenwoordiger van de vakbondsafvaardiging ACV in de Ondernemingsraad en in het Comité voor Preventie en Bescherming ». Op dezelfde dag ondertekent D. Castronovo een document waarin hij « al zijn mandaten neerlegt als vertegenwoordiger van de vakbondsafvaardiging ABVV in de Ondernemingsraad en in het Comité voor Preventie en Bescherming en tegelijk afstand doet van de wettelijke bescherming ter zake ». Op 28 juni 2004 ontslaat de nv Mono Car Styling A. D’Errico, M. Quaranta en D. Castronovo tegen betaling van een opzeggingsvergoeding. De laatstgenoemden betwisten dat de werkgever zijn verplichtingen inzake collectief ontslag en inzake ontslag van personeelsafgevaardigden is nagekomen. D. Castronovo vraagt zijn re-integratie in een brief van 13 juli 2004, waaraan geen gevolg zal worden gegeven. A. D’Errico, M. Quaranta en D. Castronovo dagvaarden de nv Mono Car Styling voor de Arbeidsrechtbank te Luik teneinde haar ertoe te horen veroordelen hun de in de artikelen 16 en 17 van de wet van 19 maart 1991 bedoelde vergoedingen uit te keren. De Arbeidsrechtbank te Luik stelt vast dat de verzoekers de bescherming genoten die is verbonden aan hun hoedanigheid van niet-verkozen kandidaat (voor A. D’Errico en M. Quaranta) en van verkozen kandidaat (voor D. Castronovo). De Rechtbank is van mening dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Cassatie, de niet-verkozen kandidaten niet op geldige wijze afstand konden doen van hun bescherming tegen ontslag. Daar de verweerster, bij hun ontslag, de toestemmingen voor het ontslag om economische redenen niet had verkregen, acht de Rechtbank de vordering van A. D’Errico en M. Quaranta gegrond. D. Castronovo voert voor de Arbeidsrechtbank te Luik het arrest nr. 19/2002 aan dat het Hof op 23 januari 2002 heeft gewezen en leidt hieruit af dat hij de bescherming tegen ontslag behoudt, zelfs in geval van verlies van zijn mandaat. De Arbeidsrechtbank stelt vast dat dat arrest betrekking heeft op de hypothese van een personeelsafgevaardigde die niet langer deel uitmaakt van de vereniging die zijn kandidatuur had voorgedragen, en niet op de hypothese van de afgevaardigde die zijn mandaten heeft neergelegd, en stelt bijgevolg de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1.
- D. Castronovo voert aan dat, in het verleden, de overgrote meerderheid van de rechtspraak en van de rechtsleer een verschillende behandeling hebben voorbehouden aan de niet-verkozen kandidaat-personeelsafgevaardigde en de verkozen personeelsafgevaardigde die zijn mandaat neerlegt. Algemeen werd aangenomen dat, terwijl de niet-verkozen kandidaat geen afstand kan doen van de bescherming tegen ontslag, de afgevaardigde die zijn mandaat neerlegt het recht op de wettelijke bescherming verloor zodra hij zijn mandaat neerlegde, ongeacht de wijze waarop de afgevaardigde dat mandaat neerlegde of de omstandigheden waarin dat gebeurde. Hij voert aan dat die benadering ter discussie is gesteld door het arrest nr. 19/2002 van het Hof, waaruit kan worden afgeleid dat de afgevaardigde die zijn mandaat verliest, de aan de kandidaten bij de sociale verkiezingen toegekende bescherming tegen ontslag echter behoudt. A.1.
- D. Castronovo is van mening dat de oplossing waarvoor het Hof in zijn arrest nr. 19/2002 heeft gekozen, dient te worden bevestigd en omgezet in het kader van de onderhavige zaak. Hij onderstreept dat de gevallen nauwelijks van elkaar verschillen, daar het ontslag uit de vakorganisatie of het neerleggen van het mandaat door dezelfde bepaling worden beoogd en beide voortvloeien uit een vrijwillig feit van de personeelsafgevaardigde. A.1.
- D. Castronovo is van oordeel dat een interpretatie van de betwiste bepalingen die erin zou bestaan dat een verkozen kandidaat-personeelsafgevaardigde het voordeel van de bescherming tegen ontslag zou 4 verliezen die hij krachtens de wet van 19 maart 1991 geniet, zou leiden tot een discriminerende en onverantwoorde situatie. Hij voert aan dat het risico dat te zijnen aanzien druk wordt uitgeoefend of represailles worden genomen door zijn werkgever, en dus de noodzaak om tegen ontslag te worden beschermd, groter zijn in het geval van de afgevaardigde die zijn mandaat daadwerkelijk uitoefent dan in het geval van de niet-verkozen kandidaat die geen enkel mandaat uitoefent en de werkgever dus niet kan ontstemmen. Het lijkt hem dan ook noodzakelijk dat de verkozen personeelsafgevaardigde die zijn mandaat neerlegt, op zijn minst de bescherming tegen ontslag behoudt, zo niet zou de niet-verkozen kandidaat beter tegen ontslag zijn beschermd dan de verkozen afgevaardigde, terwijl het risico om te worden ontslagen wegens de uitoefening van zijn mandaat kleiner is in zijn geval dan in dat van de verkozen afgevaardigde. Hij onderstreept dat die interpretatie de partijen niet belet de arbeidsovereenkomst die hen bindt, te verbreken, waarbij evenwel rekening wordt gehouden met het doel van de bescherming tegen ontslag. De werkgever kon aldus, te dezen, ofwel wachten tot het paritair comité zich had uitgesproken over de aangevoerde economische redenen, ofwel een compromisovereenkomst sluiten waarmee de betrokken afgevaardigde die zijn mandaat neerlegt, afstand zou hebben gedaan van de bij de wet van 19 maart 1991 bepaalde beschermingsvergoedingen. Ten slotte voert hij aan dat het feit dat het verlies van het mandaat voortvloeit uit een vrijwillige handeling geen gevolgen heeft, daar de redenen voor het neerleggen van het mandaat uiteenlopend kunnen zijn, en dat niet kan worden verantwoord dat de afgevaardigde dan de bescherming tegen ontslag verliest. A.
- De Ministerraad is van mening dat de lering van het arrest nr. 19/2002 van 23 januari 2002 te dezen kan worden omgezet, daar het neerleggen van het mandaat, net als het niet langer deel uitmaken van de vakorganisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen, beide leiden tot het vervroegde einde van het mandaat en, a fortiori, tot het verlies van de hoedanigheid van afgevaardigde. Hij is van mening dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden zijn geschonden indien het neerleggen van zijn mandaat de afgevaardigde het voordeel zou ontnemen van de bescherming die de kandidaten genieten, terwijl het niet langer deel uitmaken van de vakorganisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen, hem dat voordeel niet ontneemt. Hij besluit hieruit dat de prejudiciële vraag, in zoverre daarin wordt verondersteld dat het einde van het mandaat van de afgevaardigde hem elke bescherming tegen ontslag zou doen verliezen, met andere woorden zowel de bescherming verbonden aan het mandaat als die verbonden aan de kandidaatstelling, terwijl het Hof heeft gekozen voor uitsluitend het daadwerkelijke verlies van de bescherming in de hoedanigheid van afgevaardigde en voor het behoud van de bescherming in de hoedanigheid van kandidaat, berust op een interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen die niet in overeenstemming is met de Grondwet, noch met het door het Hof van Cassatie bevestigde karakter van openbare orde van de bescherming tegen ontslag. -B- B.
- De artikelen 1 en 2 van de wet van 19 maart 1991 « houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat- personeelsafgevaardigden » bepalen : « Artikel
- §
- Deze wet is van toepassing : 1° op de gewone en plaatsvervangende leden die het personeel in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen vertegenwoordigen; 5 2° op de kandidaten voor de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel in diezelfde organen; 3° op de werkgevers welke voormelde personen tewerkstellen. §
- Voor de toepassing van deze wet verstaat men onder : 1° personeelsafgevaardigde : het gewoon of het plaatsvervangend lid als bedoeld in § 1, 1°; 2° kandidaat-personeelsafgevaardigde : de kandidaat als bedoeld in § 1, 2°; […] Artikel
- §
- De personeelsafgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden kunnen slechts worden ontslagen om een dringende reden die vooraf door het arbeidsgerecht aangenomen werd, of om economische of technische redenen die vooraf door het bevoegd paritair orgaan werden erkend. Voor de toepassing van dit artikel geldt als ontslag : 1° elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, gedaan met of zonder vergoeding, al dan niet met naleving van een opzegging, die ter kennis wordt gebracht gedurende de periode bedoeld in de §§ 2 of 3; 2° elke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wegens feiten die een reden uitmaken die ten laste van de werkgever kan gelegd worden; 3° het niet in acht nemen door de werkgever van de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank, genomen met toepassing van artikel 5, § 3 en waarin besloten wordt tot de voortzetting van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst tijdens de procedure voor de arbeidsgerechten. §
- De personeelsafgevaardigden genieten het voordeel van de bepalingen van § 1 gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de verkiezingsdatum vaststelt, tot de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld. Wanneer de minimumpersoneelsbezetting voorzien voor de oprichting van een raad of een comité niet meer is bereikt en er bijgevolg geen aanleiding is tot hernieuwing van deze organen, genieten de bij de vorige verkiezingen verkozen kandidaten verder het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf gedurende zes maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van de door de Koning vastgestelde periode der verkiezingen. Dit is eveneens het geval wanneer er geen nieuwe verkiezingen moeten georganiseerd worden bij ontstentenis van de vereiste kandidaturen. Het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf wordt niet meer toegekend aan de personeelsafgevaardigden die de leeftijd van vijfenzestig jaar bereiken, behoudens wanneer de onderneming de gewoonte heeft de categorie van werknemers, waartoe zij behoren in dienst te houden. 6 §
- De kandidaat-personeelsafgevaardigden die bij de verkiezingen van de vertegenwoordigers van het personeel voor de raden en voor de comités worden voorgedragen en aan de voorwaarden van verkiesbaarheid voldoen, genieten het voordeel van de bepalingen van de §§ 1 en 2 zo het hun eerste kandidatuur betreft. De kandidaat-personeelsafgevaardigden als bedoeld in het eerste lid genieten het voordeel van de bepalingen van de §§ 1 en 2 gedurende een periode die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanplakking van het bericht dat de datum van de verkiezingen vastlegt, en een einde neemt twee jaar na de aanplakking van de uitslag der verkiezingen zo zij reeds kandidaat waren en niet werden verkozen bij de vorige verkiezingen. Het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf wordt eveneens toegekend aan de kandidaten voorgedragen bij verkiezingen die nietig werden verklaard. §
- Het mandaat van de personeelsafgevaardigden, of de hoedanigheid van kandidaat- personeelsafgevaardigde mag voor de betrokkene noch nadelen, noch bijzondere voordelen tot gevolg hebben. §
- De personeelsafgevaardigden en de kandidaat-personeelsafgevaardigden mogen niet worden overgeplaatst van een technische bedrijfseenheid naar een andere van een zelfde juridische entiteit, tenzij zij schriftelijk hun instemming betuigen op het ogenblik dat de beslissing wordt genomen of indien er economische of technische redenen aanwezig zijn die vooraf door het bevoegd paritair orgaan in de zin van artikel 3, § 1, eerste lid, werden erkend. De overplaatsing van één afdeling van een technische bedrijfseenheid naar een andere van dezelfde technische bedrijfseenheid wordt beschouwd als niet bestaande voor de toepassing van deze wet indien zij gebeurd is binnen de zes maanden die de sluiting van deze nieuwe afdeling voorafgaan. §
- Geen enkele andere wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst dan die bepaald in § 1, mag ingeroepen worden, met uitzondering van : - de afloop van de termijn; - de voltooiing van het werk waarvoor de overeenkomst werd gesloten; - de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst door de werknemer; - het overlijden van de werknemer; - overmacht; - het akkoord tussen de werkgever en de werknemer ». Artikel 21, § 2, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven bepaalt : 7 « §
- Het mandaat van de personeelsafgevaardigde neemt een einde : […] 3° in geval van ontslagneming; […] ». B.
- De Arbeidsrechtbank te Luik ondervraagt het Hof over het verschil in behandeling tussen de personeelsafgevaardigde in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen en de kandidaat-personeelsafgevaardigde die niet is verkozen, in zoverre, in de interpretatie die zij aan de voormelde bepalingen geeft, de afgevaardigde die zijn mandaat neerlegt elke bescherming tegen ontslag verliest, terwijl de niet-verkozen kandidaat de bescherming tegen ontslag die hij geniet doordat hij kandidaat bij de sociale verkiezingen is geweest, niet kan verliezen. B.
- De ontslagbescherming die is gewaarborgd bij de voormelde wet van 19 maart 1991 geldt voor een periode die langer duurt dan de verkiezingen en gedurende welke de begunstigden die in de wet brevitatis causa « kandidaten » worden genoemd strikt genomen geen kandidaten meer zijn. Hieruit volgt dat in de terminologie van de wet het woord « kandidaat » niet alleen de eigenlijke kandidaat aanduidt maar ook de werknemer die is beschermd omdat hij kandidaat is geweest. B.
- In de interpretatie van de verwijzende rechter zou de personeelsafgevaardigde, door de verkiezing, de bescherming verliezen die hij als kandidaat genoot. Die interpretatie van de in het geding zijnde bepalingen heeft tot gevolg dat de personeelsafgevaardigde, wanneer hij zijn mandaat neerlegt, waardoor hij de bescherming verliest die is verbonden aan het uitgeoefende mandaat van gewoon of plaatsvervangend afgevaardigde, elke bescherming tegen ontslag verliest. B.
- Een dergelijk effect, dat de personeelsafgevaardigde in een situatie plaatst die minder gunstig is dan die van de kandidaat bij de sociale verkiezingen die niet is verkozen, leidt ertoe dat het neerleggen van het mandaat onevenredige gevolgen heeft wat de bescherming van de betrokken persoon tegen ontslag betreft. Het neerleggen van het mandaat van personeelsafgevaardigde, dat om zeer uiteenlopende redenen kan worden gemotiveerd, zou immers niet kunnen worden beschouwd als een aanwijzing dat de afgevaardigde die zijn 8 mandaat neerlegt, de bescherming tegen ontslag die de personen genieten die kandidaat bij de sociale verkiezingen zijn geweest, niet langer nodig zou hebben. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden dus zijn geschonden indien het neerleggen van zijn mandaat de afgevaardigde het voordeel van elke bescherming tegen ontslag zou ontnemen, terwijl de niet-verkozen kandidaat die bescherming niet kan worden ontnomen. B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. B.
- Het Hof merkt evenwel op dat de ontslagbescherming waarop een gewezen kandidaat recht heeft, door geen enkele bepaling wordt voorbehouden aan de kandidaat die niet is verkozen. Binnen de logica van het systeem is er weliswaar geen reden om bijzondere bescherming toe te kennen aan een gewezen kandidaat zolang deze die bescherming geniet in zijn hoedanigheid van afgevaardigde; uit geen enkele tekst, noch uit de logica van het systeem kan echter worden afgeleid dat een kandidaat, door zijn verkiezing tot afgevaardigde, definitief, wat er ook gebeurt, de bescherming zou verliezen die is gerechtvaardigd door de risico's die een kandidaat bij de sociale verkiezingen gedurende een bepaalde periode loopt. De in het geding zijnde bepalingen kunnen dus in die zin worden geïnterpreteerd dat zij de afgevaardigde die zijn mandaat neerlegt, de daarin geregelde bescherming niet ontnemen. B.
- In die interpretatie dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, Het Hof zegt voor recht : - Artikel 21, § 2, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven en de artikelen 1 en 2 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat- personeelsafgevaardigden, in die zin geïnterpreteerd dat de afgevaardigde, wanneer hij zijn mandaat neerlegt, elke bescherming tegen ontslag verliest, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - Dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat de afgevaardigde, wanneer hij zijn mandaat neerlegt, de bescherming tegen ontslag die de personen genieten die in de wet « kandidaten » worden genoemd, niet verliest, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 8 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.167 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div