id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 08 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.168 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20061108.22 Arrest- Rolnummer: 168/2007 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-07-11 Raadplegingen: 244 - laatst gezien 2026-06-30 15:46 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 12 van het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - MISDRIJVEN EN HUN STRAFFEN - Misdrijven tegen de persoon - Laster en eerroof PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 12 van het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Strafrechtspleging - Strafvordering - Verjaringstermijn -
- Laster of belediging jegens openbare ambtenaren - Drie maanden -
- Laster of belediging gericht tegen private personen - Vijf jaar. # Rechten en vrijheden - Vrijheid van meningsuiting - Persvrijheid. Wettelijke bepalingen: Varia - 19-07-1831 - 12 - 30 Link Justel databank 18310719-30 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3941 Arrest nr. 168/2006 van 8 november 2006 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 12 van het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 10 maart 2006 in zake het openbaar ministerie en C.T. tegen J.R., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 16 maart 2006, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 12 van het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van België in zoverre het de verjaringstermijn van de strafvordering beperkt tot drie maanden in geval van laster of belediging jegens openbare ambtenaren, of jegens lichamen, dragers of agenten van het openbaar gezag of jegens elk ander gesteld lichaam, terwijl, met toepassing van met name artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 443 en 444 van het Strafwetboek, die termijn vijf jaar bedraagt voor laster gericht tegen private personen die aldus zijn vermeld in artikel 4 van hetzelfde decreet ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 13 september 2006 : - is verschenen : Mr. S. Naeije loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en A. Alen verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil J.R. wordt vervolgd omdat hij, onder andere, op 8 september 1998 aan C.T. (die destijds titularis was van een openbaar mandaat en zich op 7 februari 2000 burgerlijke partij heeft gesteld) kwaadwillig, door geschriften, al dan niet gedrukt, door prenten of zinnebeelden, die aangeplakt, verspreid of verkocht, te koop aangeboden of openlijk tentoongesteld worden, een bepaald feit ten laste heeft gelegd dat zijn eer kan krenken of hem aan de openbare verachting kan blootstellen, waarvan het wettelijk bewijs niet wordt geleverd en waarvan de wet het bewijs niet toelaat. Op 14 juni 2002 heeft de Correctionele Rechtbank te Bergen, met toepassing van de artikelen 4 en 12 van het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers en overwegende dat de verjaringstermijn drie maanden bedroeg, de strafvordering verjaard verklaard wat die tenlastelegging betreft, en heeft de burgerlijke vordering onontvankelijk verklaard. Op hoger beroep van de burgerlijke partij en van het openbaar ministerie, wijst het Hof van Beroep te Bergen erop dat de burgerlijke partij aanvoert dat de voormelde verjaringstermijn strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en dat zij de nadruk legt op het verschil in behandeling naargelang het wanbedrijf van laster werd begaan jegens « private personen » of jegens « dragers of agenten van het openbaar gezag ». Het stelt bijgevolg aan het Hof de bovenvermelde prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.
- De Ministerraad herinnert aan de feiten van de zaak en is van mening dat het Hof van Beroep een materiële fout heeft begaan door, in de motivering van zijn arrest, te preciseren dat de beklaagde om de prejudiciële vraag heeft verzocht, vermits het de burgerlijke partij is wier vordering door de eerste rechter onontvankelijk werd verklaard wegens de verjaring ervan, en vermits het de beklaagde is - die overigens verstek liet gaan - die het voordeel van die verjaring geniet. Hij onderzoekt dus de prejudiciële vraag in de veronderstelling dat zij door de burgerlijke partij werd voorgesteld. A.
- De Ministerraad herinnert aan het onderwerp van de in het geding zijnde bepaling en voert aan dat het decreet van 20 juli 1831 een korte verjaringstermijn vastlegt om het mogelijk te maken dat de in het geding zijnde misdrijven snel worden vervolgd en berecht, en tegelijkertijd de periode wordt beperkt gedurende welke het zwaard van Damocles boven de pers hangt wanneer zij verslag uitbrengt van de feiten die verband houden met de overheid. Inzake laster werden voor de pers de belemmeringen weggenomen die voordien bestonden, om haar de mogelijkheid te geven de handelingen van overheidsambtenaren, die haar onrechtmatig leken, openbaar te maken en om onwettige feiten of feiten die afbreuk doen aan de politieke rechten van de burger, te signaleren : een publiek persoon is niet alleen rechtsonderhorige van de rechtbanken, maar in de eerste plaats van de natie. Die verjaringstermijn is vastgelegd door een bepaling die moet worden beschouwd als een specifieke wet die een aangelegenheid regelt die het Strafwetboek niet heeft geregeld. Uit de artikelen 443 en 444 van het Strafwetboek en artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering volgt immers dat, wat de privépersonen betreft, laster verjaart na een termijn van vijf jaar. A.
- De Ministerraad is van mening dat de categorieën van personen die worden beoogd door het verschil in behandeling dat ter toetsing aan het Hof is voorgelegd, vergelijkbaar zijn omdat het decreet van 1831 bepaalt dat laster en belediging in de twee gevallen op dezelfde wijze worden vervolgd en bestraft. A.
- De Ministerraad voert aan dat het verschil in behandeling duidelijk op een objectief criterium berust en dat dit criterium redelijk verantwoord is in het licht van het door de wetgever nagestreefde doel, rekening houdend met het feit dat de korte verjaringstermijn gemotiveerd werd vanuit de bekommernis, in een jonge democratie, om de persvrijheid zo goed mogelijk te vrijwaren. Die verjaringstermijn is voorbehouden aan de strafvorderingen die op gang worden gebracht naar aanleiding van laster of belediging jegens een categorie van welbepaalde personen, te weten de overheidsambtenaren, de lichamen, dragers of agenten van het openbaar gezag of elk ander gesteld lichaam. Hetgeen die personen van andere personen onderscheidt, kan worden omschreven als een deelname, wegens hun ambt, aan het politieke en regeringsbeleid, en men is ervan uitgegaan dat de verslaggeving van hun handelingen op bijzondere wijze moest worden behandeld door de pers, die daartoe van bepaalde belemmeringen werd bevrijd. A.
- Volgens de Ministerraad heeft de in het geding zijnde bepaling geen onevenredige gevolgen in het licht van het nagestreefde doel. De vervolgingen en burgerlijke vorderingen worden niet verhinderd, maar moeten binnen een korte termijn worden ingesteld. Die termijn van drie maanden is overigens geen vaste termijn aangezien het op grond van artikel 25, tweede lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering mogelijk is de verjaring meermaals te stuiten, op voorwaarde dat elke stuitende daad wordt verricht binnen de verjaringstermijn en de aldus verkregen volledige verjaringstermijn niet langer duurt dan een jaar. Bovendien heeft de hoedanigheid van publiek persoon van het slachtoffer geen enkele weerslag op de verjaringstermijn inzake buitencontractuele burgerlijke aansprakelijkheid. Het slachtoffer heeft nog steeds de keuze, alvorens zijn vordering in te stellen, om in rechte te treden voor de strafrechter, of voor de burgerlijke rechtbanken waar de verjaringstermijn, zoals voor iedere privépersoon, vijf jaar bedraagt. 4 -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 12 van het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers. Aangezien dat decreet werd aangenomen door het Nationaal Congres als wetgevende vergadering, gaat het om een norm die het Hof vermag te toetsen krachtens artikel 142 van de Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. B.2.
- De artikelen 4 en 12 van het voormelde decreet bepalen : « Art.
- Laster of beleediging jegens openbare ambtenaren, of jegens lichamen, dragers of agenten van het openbaar gezag, of jegens elk ander gesteld lichaam, wordt op dezelfde wijze vervolgd en gestraft als laster of beleediging gericht tegen private personen, behoudens hetgeen dienaangaande bij de volgende bepalingen is voorzien ». « Art.
- De vervolging van de bij de artikelen 2, 3 en 4 van dit decreet voorziene misdrijven verjaart na verloop van drie maanden, te rekenen van den dag waarop het misdrijf werd gepleegd of van dien der laatste gerechtelijke akte; […] ». B.2.
- Krachtens artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, bedraagt de verjaringstermijn voor laster of belediging vijf jaar. B.
- De voormelde bepalingen geven aanleiding tot een verschil in behandeling tussen de personen die het voorwerp zijn van beledigingen of laster, of tussen die welke wegens die wanbedrijven worden vervolgd, naargelang de eerstgenoemden publieke personen of overheden zijn zoals bedoeld in artikel 4 van het decreet op de drukpers, dan wel privépersonen : terwijl de strafvordering in het eerste geval na drie maanden verjaart, verjaart zij in het tweede geval na vijf jaar. B.
- Artikel 12 van het decreet van 20 juli 1831 maakt deel uit van een geheel van regels die tot doel hebben de aan eenieder erkende vrijheid te waarborgen om zijn mening te verkondigen in een gedrukt geschrift en het te verspreiden, en die het mogelijk maken op die manier de vrije meningsuiting en de vrije verspreiding van ideeën te beschermen. 5 Artikel 4 van het decreet vereist niet dat de laster of de belediging via de drukpers wordt begaan, maar voorziet wel in de mogelijkheid om aan diegenen die zich schuldig maken aan wanbedrijven tegenover de in die bepaling beoogde publieke personen of overheden, dezelfde straffen op te leggen als aan diegenen die dezelfde wanbedrijven begaan tegenover andere personen. De auteurs van het decreet konden echter redelijkerwijs ervan uitgaan dat dergelijke rechtsvorderingen aan een kortere verjaring konden worden onderworpen. De in het geding zijnde maatregel laat immers toe zo snel mogelijk de twijfel weg te nemen die door de laster of de belediging kan ontstaan over de integriteit van de betrokkenen, vermits het voortbestaan van die twijfel het beheer van de openbare aangelegenheden waarvoor zij instaan in het gedrang kan brengen. Bovendien zou een langere termijn op diegenen die misbruiken begaan door titularissen van een openbaar ambt aanklagen, een dreiging laten rusten die niet verenigbaar zou zijn met de bekommernis het mogelijk te maken dat hun handelingen aan de kaak worden gesteld. Ten slotte beschikken de benadeelden over de mogelijkheid om een vordering in te stellen voor de burgerlijke rechter, in welk geval de verjaringstermijn vijf jaar bedraagt. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 12 van het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 8 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.168 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.