← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.169

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 08 november 2006 ECLI n

ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Andere (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Vordering tot schorsing van de artikelen 3, § 1, 16°

17°,

§ 3

, 2°, 32, 34, 35, 44, § 2, tweede lid,

48, tweede lid, van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische

individuele activiteiten met wapens, ingesteld door de bvba Midarms

A. Hommers. Schorsing - Geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel. # Wapens - Vergunning

erkenning - Hernieuwing - Nieuwe wet - Afwezigheid van overgangsmaatregelen - Rechtszekerheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-2006 - 3,§1,16° - 30 ELI link Pub nr 2006009449 Wet - 08-06-2006 - 3,§1,17° - 30 ELI link Pub nr 2006009449 Wet - 08-06-2006 - 3,§3,2° - 30 ELI link Pub nr 2006009449 Wet - 08-06-2006 - 32 - 30 ELI link Pub nr 2006009449 Wet - 08-06-2006 - 34 - 30 ELI link Pub nr 2006009449 Wet - 08-06-2006 - 35 - 30 ELI link Pub nr 2006009449 Wet - 08-06-2006 - 44,§2,L2 - 30 ELI link Pub nr 2006009449 Wet - 08-06-2006 - 48,L2 - 30 ELI link Pub nr 2006009449 Tekst van de beslissing Rolnummer 4032 Arrest nr. 169/2006 van 8 november 2006 In zake : de vordering tot schorsing van de artikelen 3, § 1, 16°

17°,

§ 3

, 2°, 32, 34, 35, 44, § 2, tweede lid,

48, tweede lid, van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische

individuele activiteiten met wapens, ingesteld door de bvba Midarms

A. Hommers. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior

A. Arts,

de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke

J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de vordering

rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 juli 2006 ter post aangetekende brief

ter griffie is ingekomen op 24 juli 2006, hebben de bvba Midarms, met zetel te 4602 Cheratte, rue J. Lhoest 17,

A. Hommers, wonende te 3800 Sint-Truiden, Zerkingen 33, een vordering tot schorsing ingesteld van de artikelen 3, § 1, 16°

17°,

§ 3

, 2°, 32, 34, 35, 44, § 2, tweede lid,

48, tweede lid, van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische

individuele activiteiten met wapens (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 juni 2006, derde editie). Bij hetzelfde verzoekschrift vorderen de verzoekende partijen eveneens de vernietiging van dezelfde wettelijke bepalingen. De vzw Union nationale de l’armurerie, de la chasse et du tir, waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 2650 Edegem, Baeckelandstraat 3, heeft een memorie van tussenkomst ingediend. Op de openbare terechtzitting van 13 september 2006 : - zijn verschenen : . Mr. J. Sohier

Mr. G. Druez, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen

de vzw Union nationale de l’armurerie, de la chasse et du tir; . Mr. A. Feyt, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse

E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging

het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1.1. De eerste verzoekende partij beweert te doen blijken van een belang om in rechte te treden doordat haar maatschappelijk doel onder meer bestaat in de aankoop, verkoop, invoer

uitvoer van alle voorwerpen of delen van voorwerpen die bestemd zijn voor het burgerlijk of militair gebruik

betrekking hebben op de handel in wapens, munitie, schiet-

observatietoebehoren, al dan niet strategisch. Zij zou dus op ontvankelijke wijze de vernietiging van de aangevochten bepalingen vorderen doordat die bepalingen op een algemene manier tot doel zouden hebben economische

individuele activiteiten met wapens te regelen. Nog meer fundamenteel zou artikel 48 van de aangevochten wet de eerste verzoekende partij het recht ontnemen om zich te beroepen op de erkenning die haar onder de gelding van de vroegere wetgeving zou zijn toegekend. 3 Voorts onderstreept de eerste verzoekende partij dat haar

ige zaakvoerder krachtens haar statuten de bevoegdheid heeft om te beslissen om namens de vennootschap in rechte te treden. A.1.2. De tweede verzoeker voert zijn intensieve

erkende activiteiten van sportschutter op Belgisch

internationaal niveau aan. Hij zou derhalve belang hebben om in rechte te treden doordat de aangevochten wet het voorhanden hebben of het dragen van wapens

munitie die in die sportdiscipline worden gebruikt, afhankelijk zou maken van een vergunning

doordat zij die vergunning zou koppelen aan het bezit van een sportschutterslicentie, die in de Vlaamse Gemeenschap nog steeds niet zou bestaan. Nog meer fundamenteel zou artikel 48 van de aangevochten wet tot gevolg hebben dat elke geldigheid wordt ontnomen aan de vergunning die de tweede verzoeker had voor het voorhanden hebben van een wapen, zodat hij de schietsport niet meer zou kunnen beoefenen. A.1.3. De tussenkomende partij heeft onder meer als maatschappelijk doel de verdediging

de behartiging van het particuliere wapenbezit in het algemeen, alsmede de verdediging van de belangen van de economische sectoren die verband houden met de vervaardiging, invoer

uitvoer van de handel in wapens

munitie. Zij beweert te doen blijken van het belang om in rechte te treden doordat de aangevochten bepalingen het gebruik van, het voorhanden hebben van

de handel in wapens in het algemeen afhankelijk maken van voorwaarden

drastische beperkingen die haar maatschappelijk doel kunnen raken. A.2. De verzoekende partijen wensen van meet af aan te preciseren dat hun beroep niet de volledige nieuwe wapenwetgeving beoogt, maar

kel de organisatie van de overgangsperiode

het daarmee gepaard gaande gebrek aan rechtszekerheid, waardoor zij het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaan. De tussenkomende partij beperkt zich ertoe erop te wijzen dat zij alle feitelijke elementen

rechtsargumenten die door de verzoekende partijen zijn aangevoerd, overneemt. A.3.1. Een eerste middel is afgeleid uit de schending, door artikel 48, § 2, van de aangevochten wet, van de artikelen 10

11 van de Grondwet, van de algemene beginselen van evenredigheid

niet-retroactiviteit van de wetten,

van het recht op rechtszekerheid, alsmede van de vrijheid van handel

nijverheid. A.3.2. Dat artikel zou niet voorzien in een overgangsperiode tijdens welke de wapenhandelaars, houders van een erkenning sedert meer dan vijf jaar, hun beroep zouden kunnen blijven uitoefenen in afwachting van de beslissing van de gouverneur over de vereiste vernieuwing van hun erkenning. Op die manier zou de wetgever, zonder een redelijke verantwoording, de wapenhandelaars aan een verschillende behandeling onderwerpen naargelang hun erkenning of de laatste wijziging ervan sedert meer of minder dan vijf jaar dateert. Het Hof zou reeds de gelegenheid hebben gehad erop te wijzen dat de wetgever de vereisten van rechtszekerheid bij een wetswijziging niet mag veronachtzamen

dat hij, zonder objectieve

redelijke verantwoording, evenmin afbreuk mag doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. In dat opzicht zou geen rekening moeten worden gehouden met de opmerking van de Minister van Justitie tijdens de parlementaire voorbereiding volgens welke de wet de erkenningen die de wapenhandelaars reeds hebben gekregen, zou bevestigen, vermits de toepassingssfeer van de aangevochten bepaling niet alle in het verleden toegekende erkenningen zou dekken, maar

kel die welke ten hoogste sedert vijf jaar zijn toegekend. Om het beginsel van rechtszekerheid in acht te nemen, had de wetgever, integendeel, die termijn van vijf jaar moeten doen ingaan op de dag van de bekendmaking van de nieuwe wet, zodat iedereen een gelijke

redelijke overgangsperiode zou hebben kunnen genieten. De aangevochten bepaling zou overigens in strijd zijn met het beginsel van niet-retroactiviteit, in zoverre de meeste erkenningen in werkelijkheid zouden dateren van de jaren 1991 tot 1993. Daardoor zouden de meeste wapenhandelaars hun activiteiten moeten opschorten vanaf de inwerkingtreding van de wet, in afwachting van een nieuwe erkenning, wat inbreuk zou maken op hun vrijheid van handel

nijverheid. Die situatie zou bovendien eigen zijn aan de wapenhandelaars. De wetgever zou in de artikelen 44

45 van de aangevochten wet immers in een overgangsregeling hebben voorzien ten voordele van verschillende andere adressaten van de aangevochten wet. 4 Het belang van het doel dat de wetgever te dezen heeft nagestreefd, zou geenszins kunnen verantwoorden dat de wetgever plotseling een einde zou maken aan de professionele erkenningen. A.3.3. Dezelfde opmerkingen zouden mutatis mutandis kunnen worden gemaakt ten aanzien van de situatie van de beroepssportschutter. Er zou immers in geen

kele overgangsbepaling zijn voorzien voor de sportschutters, die zich in de juridische onmogelijkheid bevinden om een sportschutterslicentie te krijgen

die voortaan, overeenkomstig artikel 11 van de aangevochten wet, over een vergunning voor het voorhanden hebben van een wapen zouden moeten beschikken. A.4. Een tweede middel is afgeleid uit de schending, door artikel 44, § 2, van de aangevochten wet, van de artikelen 10

11 van de Grondwet. Die bepaling zou een discriminatie teweegbrengen onder de bezitters van een vuurwapen, naargelang zij dat wapen vóór of na 1 januari 2006 hebben aangeschaft, vermits

kel voor de laatstgenoemde categorie de vergunning werd beperkt tot een voorlopige periode van een jaar. De wetgever zou een dergelijk verschil in behandeling verantwoorden op grond van de idee dat de aanschaf van wapens gedurende een zogenaamde « verdachte » periode, namelijk tijdens de totstandkoming van de aangevochten wet, moet worden « bestraft ». Nu zou een dergelijke datum tijdens de parlementaire voorbereiding als willekeurig zijn bestempeld. De motieven van de wetgever om die scharnierdatum vast te stellen, zouden dus niet redelijk verantwoord zijn. A.5. Een derde middel is afgeleid uit de schending, door artikel 32 van de aangevochten wet, van de artikelen 10

11 van de Grondwet

van het beginsel van de uitoefening van de bevoegdheden door de wetgever, onder voorbehoud van een precieze machtiging aan de uitvoerende macht. Die bepaling zou de provinciegouverneur immers ertoe machtigen de duur van de vergunningen voor het voorhanden hebben van een wapen

van de erkenningen vrij te bepalen, voor zover die duur, naar gelang van het geval, vijf of zeven jaar niet overschrijdt. Een dergelijke machtiging zou evenwel betrekking hebben op essentiële elementen van de wapenwetgeving, waarvoor een optreden van de wetgever vereist zou zijn. Die bepaling zou overigens de weg naar discriminerende behandelingen openen. Identieke situaties zouden door iedere gouverneur verschillend kunnen worden behandeld. Bovendien zou eenzelfde gouverneur de duur van de vergunning of de erkenning die hij uitreikt, volgens louter discretionaire criteria kunnen aanpassen. Volgens de parlementaire voorbereiding zou de aangevochten bepaling tot doel hebben een werkelijke controle van de vergunningen

erkenningen mogelijk te maken door de duur ervan te beperken. Nu zou de wet zelf, krachtens de artikelen 28

29 ervan, reeds een dergelijke controle mogelijk maken. Bovendien zou de wetgever ook toestaan de uitgereikte vergunningen of erkenningen te schorsen, te beperken of in te trekken. A.6.1. Een vierde middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 3, § 1, 16°

17°, § 3, 2°, 34

35 van de aangevochten wet, van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet

artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, alsmede van het beginsel van de uitoefening van de bevoegdheden door de wetgever, onder voorbehoud van een precieze machtiging aan de uitvoerende macht. De aangevochten bepalingen zouden precisie missen of de uitvoerende macht ertoe machtigen zich uit te spreken over essentiële elementen van een reglementering die in direct verband staat met het strafrecht. A.6.2. Zulks zou meer bepaald het geval zijn voor de bepalingen die betrekking hebben op het begrip « verboden wapens », waaraan bijzonder zware strafrechtelijke gevolgen verbonden zijn. De definitie van verboden wapens, vervat in artikel 3, § 3, 17°, van de aangevochten wet, zou de adressaten van de norm niet in staat stellen te weten welk wapen juist verboden is, vermits, volgens die definitie, elk voorwerp of elke stof een verboden wapen kan zijn, zelfs al is het op zich niet als wapen ontworpen. Dat voorwerp of die stof zou in werkelijkheid slechts a posteriori een wapen worden, op het ogenblik zelf waarop het strafbare feit wordt gepleegd

uitsluitend op grond van een subjectieve beoordeling. 5 Niets zou het verschil in behandeling verantwoorden tussen,

erzijds, de verboden wapens die duidelijk door de wetgever zelf zijn gedefinieerd, krachtens artikel 3, § 1, 1° tot 15°,

, anderzijds, de wapens bedoeld in artikel 3, § 1, 17°, die een « restcategorie » zouden vormen. A.6.3. Bovendien zou de machtiging die bij artikel 3, § 1, 16°, aan de Ministers van Binnenlandse Zaken

Justitie wordt toegekend, op grond van een zo vaag criterium als « ernstige bedreiging voor de openbare veiligheid », hun toelaten gelijk welk wapen in de categorie van verboden wapens onder te brengen, zonder ook maar

ig objectief beoordelingscriterium daartoe. A.6.4. Ten slotte zouden de aangevochten bepalingen, op een algemene manier, vage

overdreven bevoegdheidsdelegaties aan de Koning bevatten, die kunnen leiden tot een strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtsonderhorigen, zonder hun de vereiste voorzienbaarheid te bieden. A.7. De eerste verzoekende partij is houder van een erkenning, afgegeven op 8 augustus 2000, voor activiteiten van vervaardiging, herstelling

handel voor de volgende types van wapens : oorlogsvuurwapens, verweerwapens, jachtwapens, sportwapens

wapens voor wapenrekken

de ervoor bestemde munitie. Krachtens de aangevochten wet zouden sommige in voorraad zijnde wapens praktisch onverkoopbaar worden. Bovendien zouden de betrokken administraties duidelijk niet in staat zijn de nieuwe taken die hun krachtens de aangevochten wet te beurt vallen, op zich te nemen. Hun infrastructuur zou niet aangepast zijn om de massale toevloed van wapens die zullen moeten worden geregistreerd, op te vangen, noch de toevloed van erkenningen die binnen de vastgestelde termijn van zes maanden zullen moeten worden hernieuwd. Bovendien zou geen

kele wetsbepaling het bedrag van de vergoedingen vaststellen voor het uitreiken van de nieuwe vergunningen, wat nadelig zou zijn voor de voorzienbaarheid van de kosten. Die bedenking zou moeten worden uitgebreid tot de kwestie van de erkenningen die zouden moeten worden hernieuwd in geval van het verstrijken van de erkenning die op grond van de vroegere wet was verkregen. De bestreden wet zou dus tot rechtstreeks gevolg hebben dat het aantal vergunningen voor de aankoop van nieuwe wapens daalt. De inwerkingtreding, zonder aanpassingsperiode, van een wet waarvan de toepassing vrijwel onmogelijk zou worden gemaakt door een bijna onbestaande logistiek, zou voor de eerste verzoekende partij ernstige financiële problemen met zich kunnen meebrengen, met een onvermijdelijke weerslag op het behoud van het tewerkgestelde personeel. Bovendien zou de immobilisatie van kapitaal in een onverkoopbare voorraad zeker een weerslag hebben op de financiële situatie van de eerste verzoekende partij

op haar mogelijkheid om nieuwe bestellingen te plaatsen. In de maand die volgde op de inwerkingtreding van de aangevochten wet zou de eerste verzoekende partij een daling van haar verkoop met 64 pct. hebben vastgesteld, wat zou wijzen op de moeilijkheid om bij de gouverneurs een nieuwe vergunning voor het voorhanden hebben van wapens te krijgen. In vergelijking met het maandgemiddelde van haar verkoop vorig jaar, zou die partij overigens op een maand tijd 36 keer minder jacht-

sportwapens hebben verkocht. A.8. Ten aanzien van de tweede verzoeker moet worden opgemerkt dat hij, door de inwerkingtreding van de aangevochten wet, plots niet meer de vrijheid zou hebben om te trainen teneinde zich te kwalificeren voor deelname aan internationale toernooien voor sportschutters, aangezien zijn vergunning voor het voorhanden hebben van wapens meer dan vijf jaar oud is

derhalve niet meer geldig is. Binnen de Vlaamse Gemeenschap zou immers geen sportschutterslicentie bestaan, zodat de gunstige regeling voor de houders van een dergelijke licentie, voorgeschreven bij artikel 12 van de aangevochten wet, niet op de tweede verzoeker van toepassing zou kunnen zijn. Hij zou dus een nieuwe vergunning nodig hebben, waarvoor hij afhankelijk zou zijn van de goede wil van de gouverneur. In afwachting daarvan zou de tweede verzoeker bovendien zijn sportdiscipline niet meer kunnen beoefenen. Om toegang te hebben tot een schietstand zouden de particulieren immers houder moeten zijn van een dergelijke vergunning. A.9. Volgens de Ministerraad zou het mogelijke nadeel dat door de verzoekende partijen wordt beschreven, niet zijn oorsprong vinden in de artikelen 3, § 1, 16°

17°,

§ 3

, 2°, 34

35 van de aangevochten wet. 6 De beweerdelijk overdreven delegaties die door de wetgever aan de uitvoerende macht

aan de rechter zijn gegeven, zouden immers niet de oorzaak zijn van het door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel. De Ministerraad ziet evenmin hoe de onmiddellijke toepassing van artikel 32 van de aangevochten wet aan de oorsprong zou kunnen liggen van het nadeel. Dezelfde redenering zou moeten worden gevolgd ten aanzien van artikel 44, § 2, van die wet. Het feit dat diegenen die wapens voorhanden hebben die vroeger niet vergunningsplichtig waren,

die hun wapen hebben verworven na 1 januari 2006, slechts een voorlopige vergunning voor één jaar krijgen, zou immers geen weerslag hebben op het mogelijke financiële nadeel voor de eerste verzoekende partij. Ten slotte zou er geen

kele rechtsgrond zijn voor de vordering tot schorsing van artikel 48, tweede lid, van de aangevochten wet. De onmiddellijke toepassing van die bepaling zou in de eerste plaats geen

kel rechtstreeks of indirect effect kunnen hebben op de omvang van de wapenverkoop door de eerste verzoekende partij. De wapenhandelaars, klanten van de verzoekende partij, wier erkenning ouder zou zijn dan vijf jaar, zouden immers, overeenkomstig de richtlijn van 8 juni 2006, over een termijn van zes maanden beschikken om hun erkenning te hernieuwen. De Ministerraad merkt in dat verband op dat de verzoekende partijen kennis hebben van die omzendbrief

dat de eerste verzoekende partij haar activiteiten niet heeft stopgezet sedert de inwerkingtreding van de bestreden bepaling. Bovendien zou de daling van de verkoop, die door de verzoekende partij wordt aangevoerd, haar oorsprong kunnen vinden in de explosie van de verkoop die tijdens de zogenaamde « verdachte » periode is vastgesteld. De bestreden bepaling zou de klanten van de verzoekende partij overigens niet verbieden zonder onderbreking de erkenning te vragen die vereist is met toepassing van de uitvoeringsbesluiten van de wet van 3 januari 1933 die van kracht zijn gebleven. Ten slotte zou

kel artikel 49 van de aangevochten wet betrekking hebben op de inwerkingtreding van die wet. Die bepaling zou evenwel niet het voorwerp zijn van het beroep tot vernietiging. In verband met de mogelijke invloed van artikel 48, tweede lid, op het door de tweede verzoeker aangevoerde nadeel merkt de Ministerraad meer bepaald op dat die partij niet het bewijs levert dat zij daadwerkelijk beschikt over een vergunning van meer dan vijf jaar. De richtlijn van 8 juni 2006 zou die partij overigens de mogelijkheid bieden te beschikken over een feitelijke termijn van zes maanden gedurende welke zij haar sport zou kunnen blijven beoefenen op basis van haar vroegere wapenvergunning. De Ministerraad merkt ook nog op dat artikel 48, tweede lid, de tweede verzoekende partij niet zou verbieden zonder onderbreking de vergunning te vragen die vereist is met toepassing van de uitvoeringsbesluiten van de wet van 3 januari 1933 die van kracht zijn gebleven. Door dat niet te doen, zou die partij bijdragen tot haar nadeel. -B- Ten aanzien van de aangevochten bepalingen B.1.1. Artikel 3, § 1, van de aangevochten wet bepaalt : « Als verboden wapens worden beschouwd : […] 7 16° door de ministers van Justitie

van Binnenlandse Zaken aangewezen tuigen, wapens

munitie die een ernstige bedreiging voor de openbare veiligheid kunnen vormen

wapens

munitie die om die reden alleen de diensten bedoeld in artikel 27, § 1, tweede

derde lid, voorhanden mogen hebben; 17° voorwerpen

stoffen die niet als wapen zijn ontworpen, maar waarvan, gegeven de concrete omstandigheden, duidelijk is dat degene die ze voorhanden heeft, draagt of vervoert, ze wenst te gebruiken voor het toebrengen van lichamelijk letsel aan of het bedreigen van personen ». B.1.

  1. Artikel 3, § 3, van dezelfde wet bepaalt : « §
  2. Als vergunningsplichtige wapens worden beschouwd : 1° alle overige vuurwapens; 2° andere wapens die door de Koning bij deze categorie worden ingedeeld ». B.1.
  3. Artikel 32 van dezelfde wet bepaalt : « De erkenningen bedoeld in artikel 5 worden afgegeven voor een maximale duur van zeven jaar. De erkenningen

vergunningen bedoeld in de artikelen 6, 11, 17, 20, 21

31 worden afgegeven voor een maximale duur van vijf jaar. De hernieuwing van de erkenningen

vergunningen bedoeld in de artikelen 5, 6, 20

21 houdt slechts een controle in van de naleving van de voorwaarden bedoeld in artikel 5, § 4. De hernieuwing van de vergunningen bedoeld in de artikelen 11

17 houdt slechts de formaliteiten in bedoeld in artikel 11, § 3, 2° tot 9° ». B.1.4. Artikel 34 van dezelfde wet bepaalt : « De Koning kan de toepassing van de bepalingen van de artikelen 5 tot 7, 10 tot 22

33, geheel of gedeeltelijk uitbreiden tot andere wapens dan vuurwapens ». B.1.5. Artikel 35 van dezelfde wet bepaalt : « De Koning : 1° bepaalt de veiligheidsvoorwaarden waaraan het opslaan, het vervoeren, het voorhanden hebben

het verzamelen van wapens of munitie zijn onderworpen; 8 2° bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden voor de afgifte van de in deze wet bedoelde documenten

hun vorm; 3° regelt, met het oog op de opspoorbaarheid ervan

rekening houdend met waarborgen terzake die voor ingevoerde wapens reeds mochten zijn verstrekt in andere lidstaten van de Europese Unie, de nummering van vuurwapens

onderdelen van vuurwapens onderworpen aan de wettelijke proef; 4° stelt een deontologische code voor de erkende wapenhandelaars vast, waarin met name de informatieplichten ten opzichte van de klant worden gepreciseerd; 5° bepaalt de voorwaarden waaronder de wapens vrijwillig of na een beslissing van de rechter kunnen worden vernietigd, alsook de certificaten van vernietiging van de afgeleverde wapens; 6° bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden voor

de wijze van de registratie van de wapens door de erkende personen

in het Centraal Wapenregister, evenals van de afgifte van de Europese vuurwapenpas; 7° bepaalt de maatregelen ter vaststelling van het verkrijgen, de verkoop, de overdracht van vuurwapens

munitie

het voorhanden hebben van vuurwapens; 8° bepaalt de in artikel 28, § 2, bedoelde procedure betreffende het voorlopig administratief beslag op wapens, munitie, erkenningen

vergunningen ». B.1.6. Artikel 44, § 2, van dezelfde wet bepaalt : « Eenieder die op de datum van de inwerkingtreding van deze wet een vuurwapen voorhanden heeft dat krachtens deze wet vergunningsplichtig is geworden, moet daarvan binnen zes maanden aangifte doen bij de gouverneur bevoegd voor zijn verblijfplaats, door bemiddeling van de lokale politie. Indien de betrokkene houder is van een jachtverlof of een sportschutterslicentie wordt het wapen automatisch op zijn naam geregistreerd. Indien dit niet het geval is, wordt hem een vergunning uitgereikt mits hij meerderjarig is

geen veroordelingen heeft opgelopen zoals bedoeld in artikel 5, §

  1. Ingeval het vergunningsplichtige geworden wapen na 1 januari 2006 werd verworven, wordt de vergunning voorlopig uitgereikt, voor de duur van één jaar ». B.1.
  2. Artikel 48, tweede lid, van dezelfde wet bepaalt : « De erkenningen

vergunningen afgegeven krachtens de wet bedoeld in artikel 47 blijven geldig gedurende 5 jaar vanaf hun afgifte of de laatste wijziging ervan waarvoor rechten

retributies werden geïnd,

mits ze niet in tegenstrijd zijn met deze wet ». 9 Ten aanzien van het belang B.2.

  1. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, dient de ontvankelijkheid van het beroep, inzonderheid het voorhanden zijn van het vereiste belang bij het instellen ervan, reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing te worden betrokken. B.2.
  2. De Grondwet

de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks

ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.2.3. De aangevochten wet regelt onder meer de verkoop, de opslag, het vervoer, het voorhanden hebben

het dragen van wapens. Zij voert ook een procedure in voor de identificatie van de wapens

stelt de uitoefening van het beroep van wapenhandelaar afhankelijk van het verkrijgen van een erkenning,

het voorhanden hebben van sommige wapens afhankelijk van het verkrijgen van een vergunning. De overtreding van die bepalingen wordt bovendien strafrechtelijk vervolgd. De verzoekers beweren een belang te hebben bij de vernietiging

de schorsing van de bestreden bepalingen op grond van hun hoedanigheid van wapenhandelaar,

erzijds,

van sportschutter, anderzijds. B.2.4. Uit het beperkte onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep tot vernietiging waartoe het Hof in het kader van de vordering tot schorsing is kunnen overgaan, blijkt niet dat het beroep tot vernietiging -

dus de vordering tot schorsing - onontvankelijk moet worden geacht. B.2.5. Aangezien de tussenkomende partij onder meer als maatschappelijk doel heeft de verdediging

de behartiging van het particuliere wapenbezit alsmede de verdediging van de belangen van de economische sectoren die verband houden met de wapenverkoop, kan op grond van het beperkte onderzoek waartoe het Hof met betrekking tot de vordering tot tussenkomst is kunnen overgaan, evenmin worden besloten dat die tussenkomst onontvankelijk zou zijn. 10 Ten aanzien van de omvang van de vordering tot schorsing B.3.1. In hun verzoekschrift betogen de verzoekende partijen dat hun vordering tot schorsing niet de volledige nieuwe wapenwet beoogt maar

kel de organisatie van de overgangsperiode

het gebrek aan rechtszekerheid dat ermee gepaard gaat, wat hun een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou kunnen berokkenen. B.3.2. Tijdens de pleidooien hebben de partijen gepreciseerd dat hun vordering tot schorsing

kel betrekking heeft op artikel 48, tweede lid, van de aangevochten wet. B.3.

  1. Het Hof beperkt zijn onderzoek dus tot die bepaling. Ten aanzien van de grondvoorwaarden van de vordering tot schorsing B.
  2. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing. Ten aanzien van het ernstig karakter van de middelen B.5.
  3. De aangevochten wet heeft onder meer tot doel de richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving

het voorhanden hebben van 11 wapens gedeeltelijk om te zetten

België in staat te stellen deel te nemen aan de strijd tegen de wapenhandel door de opspoorbaarheid van alle wapens te verzekeren

de wapenmarkt te beveiligen (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2263/001, p. 9). Daartoe wil de wetgever « de volledige wapenproblematiek in België met uitzondering van het probleem van de licenties voor in-

uitvoer […] centraliseren bij de Minister van Justitie »

« een coherent beleid […] voeren dat ertoe strekt de risico’s in ons land te beperken », wat, onder meer, inhoudt dat de incoherentie dient te worden verholpen die is ontstaan uit de verschillende initiatieven die door lokale overheden zijn genomen, dat het voorhanden hebben van een vuurwapen vergunningsplichtig moet zijn

dat de verkoop van wapens in sommige omstandigheden moet worden verboden (ibid., pp. 7 tot 10

15 tot 16). Ten slotte wil de wetgever het beroep van wapenhandelaar beter regelen

controleren

de makelaarsactiviteiten met betrekking tot wapens regelen die soms buiten elke specifieke verplichting

buiten elke controle plaatsvinden, inzonderheid wat betreft de circulatie van wapens « afkomstig uit de ex-Oostbloklanden » (ibid., p. 9). B.5.

  1. Het staat niet aan het Hof de opportuniteit van een dergelijke reglementering te beoordelen, waarvan het beginsel trouwens niet door de verzoekende partijen wordt betwist. B.5.
  2. Ongeacht de pertinentie van de doelstellingen die met de aangevochten wet worden nagestreefd, dient het Hof te onderzoeken of de wetgever geen maatregelen heeft genomen die bij de tenuitvoerlegging ervan verschillen in behandeling zouden teweegbrengen zonder dat die redelijkerwijze verantwoord zouden zijn. B.6.

kel het eerste middel van het verzoekschrift is gericht tegen artikel 48, tweede lid, van de aangevochten wet. De onmiddellijke toepassing van die bepaling zou inbreuk maken op de artikelen 10

11 van de Grondwet, op het algemeen beginsel van niet-retroactiviteit van de wetten, op het « algemeen beginsel betreffende de rechtszekerheid », op de vrijheid van handel

nijverheid

op het evenredigheidsbeginsel. B.7. Geen

kele bepaling machtigt het Hof ertoe een norm te schorsen om de

kele reden dat zij strijdig zou zijn met een « algemeen beginsel betreffende de rechtszekerheid ». De omstandigheid dat een norm rechtsonzekerheid kan teweegbrengen, kan evenwel in 12 overweging worden genomen indien zij van die aard is dat zij een verschil in behandeling kan teweegbrengen dat onbestaanbaar is met de artikelen 10

11 van de Grondwet. B.8. Elke wetswijziging zou onmogelijk worden indien zou worden aangenomen dat een nieuwe bepaling de artikelen 10

11 van de Grondwet zou schenden om de

kele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere wetgeving zou wijzigen,

dat zij de berekeningen in de war zou sturen van diegenen die op de vroegere situatie zijn voortgegaan. Het komt de wetgever toe de inwerkingtreding van een nieuwe wet te regelen

uit te maken of zij al dan niet in overgangsmaatregelen dient te voorzien. De artikelen 10

11 van de Grondwet zijn slechts geschonden indien het tijdstip van inwerkingtreding tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat. B.9. In deze zaak legt de wetgever een hernieuwing op door de provinciegouverneur van alle vergunningen

erkenningen die sedert meer dan vijf jaar zijn afgegeven of gewijzigd, terwijl, onder de gelding van de vroegere wetgeving, de geldigheid ervan in beginsel niet in de tijd beperkt was. De wet bevat overigens geen overgangsbepaling, in afwachting van de beslissing van de gouverneur, ten gunste van de houders van die vergunningen

erkenningen, hoewel overgangsbepalingen zijn opgenomen, met name in artikel 44, voor andere adressaten van die wet, zelfs al hadden die, zonder titel, een wapen of munitie voorhanden waarvoor, krachtens de vorige wetgeving, een vergunning vereist was. B.10.1. De Ministerraad voert aan dat, in een omzendbrief van 8 juni 2006 van de Minister van Justitie, uitdrukkelijk is bepaald dat degene die een vuurwapen voorhanden heeft dat vergunningsplichtig was krachtens de wet van 3 januari 1933 « op de vervaardiging van, den handel in

het dragen van wapenen

op den handel in munitie », gedurende een termijn van zes maanden, de vergunning zal kunnen vragen die door de nieuwe wet noodzakelijk wordt gemaakt, wat erop zou neerkomen dat voor hem de gevolgen van artikel 48, tweede lid, van de wet gedurende zes maanden zouden worden opgeschort. 13 B.10.

  1. Het Hof kan, bij het onderzoek van het ernstig karakter van een middel dat gericht is tegen een wetsbepaling, geen voorrang geven aan de tekst van een omzendbrief op de wettekst. B.
  2. Uit wat voorafgaat volgt dat de toepassing van artikel 48, tweede lid, van de aangevochten wet, doordat ten aanzien ervan in de wet in geen

kele overgangsbepaling is voorzien, terwijl voor andere bepalingen de inwerkingtreding ervan door de wet zelf wordt vertraagd, tot gevolg zal hebben dat een categorie van personen, van de

e op de andere dag, in de illegaliteit zal terechtkomen

aan strafvervolging zal worden blootgesteld, zonder dat te gepasten tijde de vereiste vergunningen zouden kunnen worden verkregen. De toestand van onwettigheid die die personen raakt

aan strafrechtelijke vervolging blootstelt, is des te willekeuriger daar zij zal variëren volgens de datum waarop de vergunningen die zij in het verleden hadden gekregen, zijn uitgereikt : artikel 48, tweede lid, verklaart de erkenningen

vergunningen afgegeven krachtens de voormelde wet van 3 januari 1933 geldig « gedurende 5 jaar vanaf hun afgifte of de laatste wijziging ervan waarvoor rechten

retributies werden geïnd ». Niets lijkt te verantwoorden dat, onder degenen die « erkenningen

vergunningen » bezaten die waren afgegeven krachtens de voormelde wet van 3 januari 1933, waarvan de geldigheidsduur in beginsel onbeperkt was, sommigen zich onmiddellijk in de illegaliteit bevinden, terwijl anderen in de legaliteit blijven, afhankelijk van de datum van de vergunningen die zij in het verleden hebben gekregen, terwijl zij niet hebben kunnen voorzien, toen zij die vergunningen aanvroegen, dat die op een bepaalde dag nietig zouden zijn

op welke datum zij nietig zouden worden. B.

  1. Binnen de perken van het onderzoek waartoe het Hof in het kader van de behandeling van een vordering tot schorsing kan overgaan, moet het middel dus ernstig worden geacht in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel B.
  2. De schorsing van een bestreden wetsbepaling door het Hof moet het mogelijk maken te vermijden dat, voor de verzoekende partijen, een ernstig nadeel voortvloeit uit de 14 onmiddellijke toepassing van de aangevochten norm, nadeel dat niet of moeilijk zou kunnen worden hersteld in geval van een eventuele vernietiging. B.14.
  3. Om het bestaan van een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen, doet de eerste verzoekende partij gelden dat, als gevolg van de aangevochten wet, het voortaan onmogelijk zou zijn om binnen een redelijke termijn een vergunning te krijgen om een nieuw vuurwapen aan te schaffen, wat haar ernstige financiële problemen zou bezorgen, met een onvermijdelijke weerslag op het behoud van het tewerkgestelde personeel. De provinciale administratieve diensten, belast met het toekennen van die vergunningen, zouden immers overbelast zijn,

erzijds, door de aanvragen tot registratie van nog niet aangegeven wapens

, anderzijds, door de regularisatieaanvragen van de wapenhandelaars

personen die wapens voorhanden hebben, van wie de erkenning of de vergunning moet worden hernieuwd overeenkomstig artikel 48, tweede lid, van de aangevochten wet. B.14.2. Bovendien zou in geen

kele wetsbepaling het bedrag zijn vastgesteld van de rechten die moeten worden geïnd bij de afgifte van een wapenvergunning, wat nadelig zou zijn voor de voorzienbaarheid van de kosten

wat de handelsactiviteit van de verzoekende partij zou belemmeren. B.14.

  1. De eerste verzoekende partij is voorts van mening dat de inwerkingtreding van de aangevochten wet een deel van de wapens in haar bezit veel minder aantrekkelijk maakt dan wapens die voortaan toegankelijk zijn voor eenieder die over een wapenvergunning beschikt. Een deel van haar voorraad zou derhalve nagenoeg onverkoopbaar zijn. B.14.
  2. De tweede verzoeker doet gelden dat, krachtens artikel 48, tweede lid, van de aangevochten wet de wapenvergunning die hij sedert meer dan vijf jaar bezit, niet meer geldig is. In afwachting van een nieuwe vergunning zou hij dus moeten afzien van het beoefenen van zijn sportdiscipline. B.
  3. Krachtens artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 moeten de partijen die de schorsing vorderen, om aan de tweede vereiste van artikel 20, 1°, van die wet te voldoen, in hun verzoekschrift precieze feiten voorleggen die voldoende aantonen dat de uitvoering van de bestreden bepalingen hun een ernstig

moeilijk te herstellen nadeel kan berokkenen. 15 B.16.

  1. Met betrekking tot het mogelijke nadelige gevolg van artikel 48, tweede lid, van de aangevochten wet voor de omzet van de eerste verzoekende partij, vormt het loutere risico van een financieel verlies in beginsel geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel. B.16.
  2. Hoewel kan worden aangenomen dat de betwiste erkennings-

vergunningsprocedure tot gevolg kan hebben dat de wapenverkoop daalt - wat overigens in zekere mate een van de doelstellingen van de wetgever is (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2263/001, p. 17; Integraal Verslag, Kamer, zitting van 18 mei 2006, p. 41) -, blijkt uit de aan het Hof voorgelegde boekhoudkundige gegevens niet voldoende concreet dat het mogelijke nadeel voor de verzoekende partij zo ernstig

moeilijk te herstellen zou zijn dat het een schorsing van de aangevochten norm zou verantwoorden. De invoering van een nieuwe erkennings-

vergunningsprocedure houdt immers onvermijdelijk een aanpassingsperiode in voor de diensten die ze moeten uitreiken. Die aanpassingsperiode kan een tijdelijke daling van de verkoop tot gevolg hebben, verkoop die evenwel nadien opnieuw in evenwicht zal kunnen worden gebracht. B.16.3. De vergelijking die de eerste verzoekende partij maakt tussen de verkoop van wapens tijdens de eerste drie maanden na de inwerkingtreding van de aangevochten wet,

erzijds,

dezelfde verkoop tijdens het voorgaande jaar, anderzijds, is derhalve niet voldoende om aan te tonen dat de onmiddellijke toepassing van de aangevochten wet voor de eerste verzoekende partij onoverkomelijke economische gevolgen zal hebben. Overigens zou, volgens de elementen van het verzoekschrift, de verkoop van wapens die aan een vergunning onderworpen zijn, slechts ongeveer een vierde vormen van de activiteiten van de eerste verzoekende partij. Bovendien moeten, krachtens de artikelen 12

27 van de bestreden wet, sommige personen geen voorafgaande vergunning hebben om zich een wapen van dat type aan te schaffen. B.16.

  1. Ten slotte verplicht artikel 31, 2°, van diezelfde wet - dat in werking zal treden op een door de Koning te bepalen datum - de provinciegouverneur om zich over elke vergunningsaanvraag die overeenkomstig artikel 11 van de aangevochten wet wordt ingediend, teneinde een nieuw wapen aan te schaffen, uit te spreken binnen een termijn van vier maanden 16 na de ontvangst van de aanvraag. Die termijn kan alleen bij gemotiveerde beslissing worden verlengd. Eenzelfde termijn wordt opgelegd om te antwoorden op de erkenningsaanvragen, ingediend overeenkomstig artikel 5 van de aangevochten wet. Daaruit volgt dat het door de eerste verzoekende partij aangevoerde nadeel in werkelijkheid niet rechtstreeks uit de aangevochten wet zou voortvloeien, maar uit een onjuiste toepassing ervan. B.
  2. Wat de tweede verzoeker betreft, blijkt uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken dat de wet

kel zijn vrijetijdsactiviteiten zou raken. Een dergelijk nadeel kan niet ernstig worden geacht in de zin van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari

  1. B.
  2. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat een van de twee voorwaarden die bij artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 zijn vereist, niet is vervuld. De vordering tot schorsing dient derhalve te worden verworpen. 17 Om die redenen, het Hof verwerpt de vordering tot schorsing. Aldus uitgesproken in het Frans

het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 8 november 2006. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.169 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.