← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.174

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 22 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.174 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20061122.1 Arrest- Rolnummer: 174/2006;3857 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-12-13 Raadplegingen: 710 - laatst gezien 2026-07-03 19:27 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 16 en 17 (" Wijzigingen van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming ") van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen, ingesteld door de stad Andenne. Wettelijke bepalingen: Wet - 31-12-1963 - 30 ELI link Pub nr 1963123106 Wet - 20-07-2005 - 16 - 31 ELI link Pub nr 2005021099 Wet - 20-07-2005 - 17 - 31 ELI link Pub nr 2005021099 Tekst van de beslissing Rolnummer 3857 Arrest nr. 174/2006 van 22 november 2006 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 16 en 17 (« Wijzigingen van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming ») van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen, ingesteld door de stad Andenne. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 januari 2006, heeft het college van burgemeester en schepenen van de stad Andenne beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 16 en 17 (« Wijzigingen van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming ») van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2005, derde editie). De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 13 september 2006 : - zijn verschenen : . Mr. S. Pierre, advocaat bij de balie te Hoei, voor de verzoekende partij; . Mr. M. Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.

  1. De verzoekende partij meent van een belang te doen blijken bij het vorderen van de vernietiging van de aangevochten bepalingen. Als gemeente-groepscentrum zou zij rechtstreeks betrokken zijn bij de bestreden wetgeving, in zoverre die de gouverneur van de provincie Namen in staat zou stellen een aandeel van de in aanmerking komende kosten van haar gewestelijke brandweerdienst te haren laste te laten. Bovendien zou haar beroep zijn ingesteld binnen de wettelijke termijn van zes maanden na de bekendmaking van de aangevochten wet. A.2.
  2. Een eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 170 van de Grondwet door artikel 10, §§ 2 en 3, van de wet van 31 december 1963, zoals het is ingevoegd bij artikel 16 van de bestreden wet. Die bepaling zou erin voorzien dat een deel van de in aanmerking komende kosten die worden gedragen door de gemeente-groepscentrum niet zou worden verhaald op de gemeenten welke die diensten genieten, maar ten laste zou moeten worden genomen door de gemeente-groepscentrum zelf. 3 Volgens de verzoekende partij zou een dergelijke deelname aan de financiering van de gewestelijke brandweerdienst niet een bijdrage maar een belasting vormen, in de zin die daaraan zowel in de rechtspraak van het Arbitragehof als in die van het Hof van Cassatie wordt gegeven. Het zou immers niet gaan om een tegenprestatie voor een dienst die door de federale overheid wordt geleverd ten voordele van de gemeente-groepscentrum. Die conclusie zou kracht worden bijgezet door de afwijking die de aangevochten wet zou maken op artikel 256 van de Nieuwe Gemeentewet, dat zou bepalen dat elke gemeente bijdraagt naar evenredigheid van haar belang bij de verplichte uitgaven waarbij verscheidene gemeenten betrokken zijn. Artikel 16 van de aangevochten wet zou echter in geen enkele modaliteit voor die belasting voorzien. De Koning zou alle ruimte hebben om de normen vast te stellen die de gouverneur ter zake moet toepassen, terwijl de gouverneur het aandeel van de in aanmerking komende kosten zou vaststellen dat aan de gemeente-groepscentrum wordt overgelaten, en daarbij uitsluitend rekening zou houden met de lokale en regionale omstandigheden. De verzoekende partij onderstreept voorts dat de delegatie niet alleen inzake vaststelling van het aandeel bestaat, maar ook reeds voordien in verband met de vaststelling van de in aanmerking komende kosten zelf. Een dergelijke delegatie zou ongrondwettig zijn, in zoverre zij betrekking zou hebben op de bestanddelen van een aangelegenheid die in de Grondwet aan de wet is voorbehouden. A.2.
  3. De Ministerraad is van mening dat het eerste middel onontvankelijk is ratione temporis. Dat zou immers gericht zijn tegen de vaststelling, door de wetgever, van een aandeel ten laste van de gemeenten-groepscentra en de vaststelling ervan door de provinciegouverneur. Het beginsel van het aandeel en de vaststelling ervan door de gouverneur zou voortvloeien uit de bepalingen van een ministerieel besluit van 10 oktober 1977 alsmede uit artikel 10 van de wet van 31 december 1963, zoals die van kracht waren vóór de aanneming van de aangevochten bepalingen. Die zouden hooguit de criteria hebben gepreciseerd waarmee de gouverneur rekening dient te houden bij de vaststelling van dat aandeel. De aangevochten bepalingen zouden dus het resultaat zijn van een dusdanige coördinatie dat het beroep in werkelijkheid zou gericht zijn tegen het oude artikel 10 van de wet van 31 december 1963 en bijgevolg onontvankelijk zou moeten worden verklaard. A.2.
  4. Ten gronde is de Ministerraad van oordeel dat de deelname aan de financiering van de brandweerdiensten die wordt opgelegd aan de gemeenten-groepscentra een bijdrage en geen belasting vormt. De aard van het aandeel dat ten laste wordt gelaten van de gemeenten-groepscentra zou soortgelijk zijn met de aard van de bijdrage die aan de beschermde gemeenten wordt opgelegd. In de beide gevallen zouden ze worden beschouwd als een bijdrage in de kosten veroorzaakt door de organisatie en het beheer van een gewestelijke brandweerdienst gedurende een bepaalde periode. Zij zouden bovendien evenwaardig zijn met de kosten van die dienstverlening en niet forfaitair worden vastgesteld. Die conclusie zou worden bevestigd door het gebruik, door de wetgever zelf, van het woord « bijdrage » om de bijdrage van de beschermde gemeenten aan te duiden. Bovendien zou de opbrengst van de aandelen en de bijdragen niet worden besteed aan behoeften van algemeen belang, maar zou die dienen voor de financiering van een specifieke dienstverlening, die wordt verricht ten voordele van de belastingplichtige gemeenten. De afwijking van artikel 256 van de Nieuwe Gemeentewet zou uitsluitend voortvloeien uit de omstandigheid dat het aandeel van de gemeente-groepscentrum in de in aanmerking komende kosten van de gewestelijke brandweerdienst niet enkel zou worden vastgesteld volgens het criterium van het belang dat die brandweerdienst vertegenwoordigt. Ten slotte zou het door de gemeenten-groepscentra gedragen aandeel niet worden geïnd door de gouverneur, die zich zou beperken tot de organisatie van de overdracht van middelen tussen de gemeenten. A.2.
  5. In haar memorie van antwoord betwist de verzoekende partij de bewering volgens welke artikel 16 van de aangevochten wet een loutere coördinatie van vroegere wetsbepalingen zou zijn. Dat artikel zou immers nieuwe modaliteiten opleggen in verband met de financiële deelname van de gemeenten-groepscentra. Bovendien zou de aangevochten bepaling opnieuw een aantal bepalingen vermelden die voordien in een ministerieel besluit van 10 oktober 1977 werden vermeld, dat niet had kunnen worden aangevochten voor het Hof. De verzoekende partij doet voorts gelden dat de bestreden bepaling artikel 170 van de Grondwet schendt, 4 terwijl de erin opgenomen teksten dateren van vóór de bevoegdheidsuitbreiding van het Hof bij de bijzondere wet van 9 maart
  6. De verzoekende partij had dus niet aan het Hof een middel kunnen voorleggen afgeleid uit artikel 170 van de Grondwet vóór de bekendmaking van de aangevochten wet. A.2.
  7. De verzoekende partij antwoordt ten gronde dat de gemeente-groepscentrum moet instaan voor een bijdrage die niet evenwaardig is met de kostprijs van de dienst die wordt geacht haar te worden verleend. Die gemeente zou in de eerste plaats geen enkele externe dienst van bescherming tegen brand genieten. Zij alleen zou daarentegen die dienst organiseren ten voordele van andere gemeenten. Bovendien zou het bij ministerieel besluit van 10 oktober 1977 ingevoerde systeem, als resultaat van een complex mechanisme van mutualisering en verdeling, ertoe leiden dat de gemeenten-groepscentra en de beschermde gemeenten min of meer naar evenredigheid van hun belangen of hun behoeften zouden deelnemen in de kosten van de brandweerdienst waarvoor zij instaan of die zij genieten. De aldus teweeggebrachte financiële stromen tussen gemeenten zouden niet alleen voortvloeien uit willekeurige beslissingen van de gouverneur, maar ook uit de mutualisering van de berekening van de bijdragen van de beschermde gemeenten waarbij geen rekening zou worden gehouden met de in aanmerking komende kosten van de gemeente-groepscentrum die hen bedient, maar wel met alle in aanmerking komende kosten van de gemeenten- groepscentra van de categorie waartoe de gemeente die de gewestelijke brandweerdienst organiseert, behoort. De bijdrage van de beschermde gemeenten en het aandeel dat ten laste wordt gelaten van de gemeenten- groepscentra zouden dus forfaitair worden vastgesteld. Bovendien zou het systeem financiële transfers van bepaalde gemeenten-groepscentra naar beschermde gemeenten of andere gemeenten-groepscentra in het leven roepen, zodat de bijdrage verschuldigd zou zijn aan personen die geen enkele dienst leveren aan de belastingplichtigen. Overigens zouden de bijdragen van de beschermde gemeenten gestort worden in een « provinciale pot » waarvan de som door de gouverneur zou worden herverdeeld tussen de verschillende gemeenten-groepscentra. A.2.
  8. In zijn memorie van wederantwoord doet de Ministerraad gelden dat de verzoekende partij artikel 16 van de wet van 20 juli 2005 hoofdzakelijk verwijt dat het in geen enkele modaliteit voorziet voor de vaststelling van het aandeel van de in aanmerking komende kosten dat aan de gemeenten-groepscentra wordt overgelaten. Een dergelijke delegatie werd reeds aan de gouverneur en aan de Minister van Binnenlandse Zaken toevertrouwd bij het oude artikel 10 van de wet van 31 december
  9. De preciseringen die door de aangevochten wet zijn aangebracht, zouden in werkelijkheid het legaliteitsbeginsel garanderen dat de verzoekende partij geschonden acht. Bovendien zou de omstandigheid dat het Hof niet rechtstreeks kennis kon nemen van een schending van artikel 170 van de Grondwet vóór de wet van 9 maart 2003, geen geldig argument vormen. Het Hof zou zichzelf reeds verscheidene jaren bevoegd hebben geacht om de regelmatigheid van een wettelijke norm te toetsen aan dat artikel, via het prisma van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.2.
  10. Ten gronde merkt de Ministerraad op dat de bijzonderheid van het bij de wet van 31 december 1963 ingevoerde financieringssysteem het aan de gemeente-groepscentrum overgelaten aandeel zowel onderscheidt van de traditionele opvatting van de bijdrage als van de belasting. Het zou overigens niet correct zijn te betogen dat het overgelaten aandeel geen strikt bezoldigend karakter zou hebben. Wellicht zou de vaststelling van de in aanmerking komende kosten in bepaalde gevallen kunnen worden opgetrokken, teneinde met name rekening te houden met de geleverde versterking door gewestelijke diensten van categorie X of Y. Die verhoging zou evenwel louter bezoldigend blijven. De wijze waarop de last van de brandweerdienst wordt verdeeld tussen de verschillende gemeenten zou één berekeningswijze onder andere vormen, en kan op zichzelf niet als niet-bezoldigend worden beschouwd. De mutualisering van de kosten, die een dergelijke berekeningswijze teweeg zou brengen, en de kleine gaping die erdoor zou worden teweeggebracht tussen de werkelijke kostprijs van een dienstverlening en de bezoldiging van die dienstverlening, zouden zeker niet van dien aard zijn dat het bestreden aandeel zijn bezoldigend karakter wordt ontnomen. Volgens de afdeling wetgeving van de Raad van State zou het verband tussen de kostprijs van de dienstverlening en de bezoldiging ervan uitsluitend redelijk moeten zijn. Ten slotte zou uit de verleende dienst duidelijk blijken dat, ten opzichte van een belastingplichtige, individueel beschouwd, de bescherming tegen brand zou worden verleend tegen vergoeding. 5 Daaruit zou volgen dat het aan de gemeente-groepscentrum overgelaten aandeel een retributie zou vormen, in de zin van artikel 173 van de Grondwet of een heffing sui generis, gezien de omstandigheid dat de gemeente- groepscentrum de dubbele hoedanigheid heeft van verlener en begunstigde van die dienst. A.3.
  11. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending, door artikel 10, § 3, van de wet van 31 december 1963, zoals ingevoegd bij de aangevochten wet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 170 van de Grondwet. In het eerste onderdeel van haar middel doet de verzoekende partij gelden dat de wetgever geen enkele objectieve norm noch modaliteit definieert met het oog op de vaststelling van het aandeel van de in aanmerking komende kosten die door de gemeente-groepscentrum worden gedragen. De bestreden bepalingen zouden aldus een discriminatie in het leven roepen tussen de gemeente- groepscentrum en de andere belastingplichtigen die de grondwettelijke waarborg genieten die erin bestaat dat niemand aan een belasting mag worden onderworpen waartoe niet werd beslist door een democratisch verkozen vergadering. In het tweede onderdeel van haar middel klaagt de verzoekende partij de discriminatie aan die zij zou ondergaan ten aanzien van de beschermde gemeenten die in de wet rechtstreeks de precieze definitie zouden vinden van de bestanddelen die in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van hun financiële deelname. Die discriminatie zou bestaan ongeacht of artikel 170 van de Grondwet al dan niet van toepassing is. Bovendien zou er een schending zijn van het beginsel in verband met de rechtszekerheid vermits de wetgever enkel de gemeenten-groepscentra in een klaarblijkelijke rechtsonzekerheid zou plaatsen. A.3.
  12. Om dezelfde redenen als die welke worden aangevoerd ten aanzien van het eerste middel, is de Ministerraad van mening dat het tweede middel onontvankelijk ratione temporis is. Het zou in werkelijkheid gericht zijn tegen artikel 10 van de wet van 31 december 1963, zoals dat reeds van kracht was vóór de aanneming van de aangevochten wet. A.3.
  13. Voor het overige is de Ministerraad van oordeel dat het tweede middel, in het eerste onderdeel ervan, gebaseerd is op de hypothese volgens welke de bestreden heffing een belasting zou vormen in de zin van artikel 170 van de Grondwet. Hij verwijst bijgevolg naar de opmerkingen in verband met het eerste middel. Het verschil in behandeling dat wordt aangevoerd in het tweede onderdeel van het middel zou geen discriminatie vormen. De gemeenten-groepscentra en de beschermde gemeenten zouden zich immers in objectief verschillende situaties bevinden. Enkel de eerstgenoemde zouden ertoe gehouden zijn een gewestelijke brandweerdienst op te richten. Bovendien zou de vaststelling van de bijdrage van de gemeenten-groepscentra en van de beschermde gemeenten uitgaan van verschillende imperatieven. Men zou het noodzakelijk hebben geacht om de berekening van de in aanmerking komende kosten vrij strikt vast te stellen, enerzijds, en aan de gouverneur een zekere beoordelingsbevoegdheid te verlenen om het aandeel van elke gemeente-groepscentrum vast te stellen, anderzijds. Daarentegen zou er voor de bijdrage van de beschermde gemeenten een tweevoudige grondslag zijn. De wetgever zou rekening hebben gehouden met het brandrisico dat zij vertonen, om reden van hun eigen kenmerken, en zou daarbij maatregelen van solidariteit hebben ingevoerd ten aanzien van alle beschermde gemeenten van eenzelfde provincie. A.3.
  14. In haar memorie van antwoord betwist de verzoekende partij, om de redenen die zij heeft uiteengezet in verband met haar eerste middel, de door de Ministerraad geformuleerde kritiek van onontvankelijkheid. A.3.
  15. Ten gronde antwoordt de verzoekende partij dat de Ministerraad niet kan betogen, enerzijds, dat de gemeenten-groepscentra en de beschermde gemeenten zich in objectief verschillende situaties bevinden en, anderzijds, dat zij beide onderworpen zijn aan een soortgelijke verplichting in verband met de betaling van een bijdrage die bestemd is om de beheerskosten van een gewestelijke brandweerdienst te dekken. 6 De vaststelling van het aandeel dat ten laste wordt gelaten van de gemeente-groepscentrum zou met geen enkel objectief criterium worden omgeven, met uitzondering van een vage verwijzing naar lokale en regionale omstandigheden. Het bestaan van een nagenoeg willekeurige bevoegdheid van de gouverneur zou overigens worden aangetoond door het feit dat het bedrag van dat aandeel varieert van 42,5 pct. tot meer dan 95 pct. van de in aanmerking komende kosten. Het aangeklaagde verschil in behandeling zou des te minder aanvaardbaar zijn daar de wetgever de aanneming van de bestreden bepalingen heeft verantwoord door de bekommernis om de gemeenten in staat te stellen hun uitgaven te budgetteren, wat onmogelijk zou zijn voor de gemeenten-groepscentra, rekening houdend met de aan de Koning en de gouverneur gelaten discretionaire bevoegdheid. A.3.
  16. De Ministerraad repliceert dat de beschermde gemeenten niet van meet af aan het bedrag van hun deelname aan de financiering van de gewestelijke brandweerdienst kennen, aangezien de bijdrage die zij moeten betalen immers afhangt van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van de gemeenten-groepscentrum, na aftrek van het aandeel dat aan elk van die gemeenten wordt overgelaten. De verschillen in de wijze van vaststelling van de financiële bijdrage voor de gewestelijke brandweerdienst zouden strikt overeenstemmen met de objectief bestaande verschillen tussen de beide categorieën van beschouwde gemeenten. Die overweging zou volstaan om aan te tonen dat er te dezen geen discriminatie is tussen de gemeenten-groepscentra en de beschermde gemeenten. Bovendien zou de gouverneur zijn bevoegdheid van vaststelling enkel mogen uitoefenen met inachtneming van de door de Koning vastgestelde normen. Laatstgenoemde zou echter verplicht zijn het gelijkheidsbeginsel in acht te nemen. De delegatie zelf zou noodzakelijk worden gemaakt door de vereisten van het financieringssysteem van de gewestelijke brandweerdiensten en zou onder de beoordelingsvrijheid van de wetgever vallen. -B- Ten aanzien van de aangevochten bepalingen B.1.
  17. Artikel 16 van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen vervangt artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, zoals gewijzigd bij de wet van 15 januari
  18. Dat artikel 16 van de aangevochten wet heeft tot doel gewestelijke groepen van brandweerdienst van categorie X, Y en Z te vormen, samengesteld uit verscheidene gemeenten en gegroepeerd rond een gemeente-groepscentrum, waarop de andere gemeenten van de gewestelijke groep (de « beschermde gemeenten ») een beroep kunnen doen, mits betaling van een forfaitaire en jaarlijkse « bijdrage ». Die « bijdrage » wordt, in de loop van het volgende jaar, vastgesteld aan de hand van objectieve criteria bedoeld in artikel 10, §§ 2 en 4, van de wet van 31 december
  19. 7 De in aanmerking komende kosten van de gemeenten-groepscentra vormen de berekeningsbasis voor de « bijdrage ». Die worden vastgesteld door de gouverneur, rekening houdend, inzonderheid, met de reële kosten die door die gemeenten tijdens het vorige jaar werden gedragen. De kosten die uitsluitend voor rekening zijn van de gemeente-groepscentrum kunnen niet worden geboekt als in aanmerking komende kosten van die gemeente. Krachtens artikel 10, § 3, van de wet van 31 december 1963, zoals ingevoegd bij artikel 16 van de aangevochten wet, stelt de gouverneur het aandeel van de in aanmerking komende kosten die ten laste blijven van de gemeente-groepscentrum vast. Dat aandeel wordt vastgesteld rekening houdend zowel met de lokale en regionale omstandigheden als met de door de Koning vastgestelde normen. De « bijdrage » wordt berekend op grond van de in aanmerking komende kosten van alle gemeenten-groepscentra van de categorie waartoe de betrokken gemeente behoort, na aftrek, inzonderheid, van het aandeel dat wordt gedragen door de gemeenten-groepscentra van die categorie. De door elke beschermde gemeente verschuldigde « bijdrage » wordt vastgesteld naar gelang van de omvang van haar bevolking en van haar kadastraal inkomen in vergelijking met de andere gemeenten die ook door de gewestelijke brandweerdienst worden bediend. De wetgever voorziet in de betaling, per driemaandelijkse schijven, van een voorlopige « bijdrage », berekend op grond van de definitieve « bijdrage » die verschuldigd is voor het vorig jaar. Wanneer blijkt dat een gemeente een te groot voorschot heeft gestort aan de gemeente- groepscentrum, is laatstgenoemde ertoe gehouden het overtollige gedeelte terug te betalen. Zo niet verricht de gouverneur een heffing op de rekening van de gemeente-groepscentrum en gelast hij de overdracht van die som op de rekening van de beschermde gemeente. B.1.
  20. Hoewel het beroep betrekking heeft op de artikelen 16 en 17 van de aangevochten wet, blijkt uit het verzoekschrift dat, in werkelijkheid, enkel artikel 10 van de wet van 31 december 1963, zoals ingevoegd bij artikel 16 van de aangevochten wet, wordt bedoeld. Het Hof beperkt bijgevolg zijn onderzoek tot die bepaling. 8 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep B.2.
  21. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep omdat de bestreden bepaling enkel de coördinatie zou zijn van bepalingen vervat, enerzijds, in de wet van 15 januari 1999 houdende budgettaire en diverse bepalingen en, anderzijds, in het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 « tot vaststelling van de normen voor het bepalen van de forfaitaire en jaarlijkse bijdrage bedoeld in artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming ». Alhoewel uit een vergelijking van artikel 16 van de aangevochten wet met artikel 7 van de wet van 15 januari 1999 en met de artikelen 3 tot 9 van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 blijkt dat de wetgever sommige van die bepalingen heeft overgenomen, heeft hij zich niettemin die bepalingen toegeëigend en kunnen zij derhalve voor het Hof worden bestreden binnen de wettelijke termijn. B.2.
  22. De exceptie wordt verworpen. Ten gronde B.3.
  23. Een eerste middel wordt afgeleid uit de schending van artikel 170 van de Grondwet, in zoverre artikel 10, §§ 2 en 3, van de wet van 31 december 1963, zoals het is ingevoegd bij de bestreden wet, de Koning en de provinciegouverneur zou toestaan essentiële bestanddelen van een belasting vast te stellen die ten laste wordt gelegd van de gemeenten-groepscentra. B.3.
  24. Volgens de parlementaire voorbereiding van de aangevochten wet bestond de doelstelling van de wetgever erin « de reglementering, betreffende de verdeling van de kosten van de brandweerdiensten tussen de gemeenten die het groepscentrum vormen en de beschermde gemeenten, te verduidelijken » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1845/011, p. 6). Tijdens de parlementaire voorbereiding werd voorts gepreciseerd : 9 « Het budget van de Staat kan zich, wegens redenen van algemeen belang, niet schikken in het risico de gemeenten naar de rechtbank te zien gaan, onder meer om de verjaring te onderbreken, als gevolg van de uitspraak van de Raad van State in een betwisting die bij haar aanhangig is. Deze uitspraak doet het gevaar ontstaan heel het systeem van financiering van de brandweerdiensten ernstige schade toe te brengen. In het huidige systeem, voorzien door het ministerieel besluit van 10 oktober 1977, varieert het aandeel, gedragen door de centrumgemeente van de gewestelijke groep, van 42.5 % tot meer dan 95 %. Het in vraag stellen van dit systeem zou enorme gevolgen hebben op de financiering van de brandweerdiensten. Bovendien moeten de gemeenten hun uitgaven kunnen budgetteren. Momenteel bereiden zij hun budget voor 2006 voor, dat klaar moet zijn begin september. De gemeentelijke budgetten kunnen zich niet schikken in de juridische onzekerheid die zou ontstaan wanneer vorderingen voor de rechtbanken zouden ingeleid worden. Rekening houdend met de verjaringstermijn zouden sommige gemeenten omvangrijke sommen moeten terugbetalen. Dergelijke situatie kan schade toebrengen aan de gemeentefinanciën. Dat risico is aanzienlijk want steeds meer gemeenten vragen om de ambtshalve afneming van de gemeentelijke rekening, zoals voorzien in de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, op te schorten in afwachting van de verwachte uitspraken aangaande de legaliteit van dit financieringssysteem. Het is duidelijk dat, wanneer dit systeem als onwettig zou beschouwd worden, de gemeenten vorderingen zullen instellen voor de rechtbank teneinde het teveel betaalde te recupereren. Er dient dringend een einde gesteld aan de rechtsonzekerheid in deze materie. De afloop van de hangende zaken is nog onzeker. De wetgever moet het bestaande systeem bevestigen om schade aan heel het financieringssysteem van de brandweerdiensten te vermijden. Het bestaande systeem moet gehandhaafd blijven voor het verleden en de coherentie moet verzekerd worden voor de toekomst » (ibid., pp. 6 en 7). Artikel 16 van de aangevochten wet vormt een « bewarende maatregel », bestemd om de huidige verdeling van de kosten tussen de verschillende gemeenten die tot één gewestelijke groep van brandweerdienst behoren, te handhaven in afwachting van een nieuwe berekeningsformule voor het aandeel dat aan de gemeente-groepscentrum wordt overgelaten (Parl. St., Senaat, 2004-2005, nr. 3-1302/5, pp. 5 en 8). B.3.
  25. De aangevochten bepaling voert, in de verdeling van de kosten die worden gedragen door de gemeente-groepscentrum, een mechanisme van solidariteit in dat afwijkt van artikel 256 van de Nieuwe Gemeentewet. Dat mechanisme strekt bovendien ertoe de tenuitvoerlegging mogelijk te maken van de verplichting van de gemeente om de veiligheid van haar inwoners te beschermen, alsmede die van de inwoners van de gemeenten die op haar een beroep doen . 10 Daaruit volgt dat het aandeel, dat ten laste wordt gelaten van de gemeente- groepscentrum, geen belasting vormt in de zin van artikel 170 van de Grondwet. B.3.
  26. Het eerste middel is niet gegrond. B.4.
  27. Een tweede middel is afgeleid uit de schending, door artikel 10, § 3, van de wet van 31 december 1963, zoals ingevoegd bij de aangevochten wet, van de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 170, van de Grondwet. B.4.
  28. In het eerste onderdeel van haar middel is de verzoekende partij van mening dat de wetgever, zonder redelijke verantwoording, de gemeenten-groepscentra en de andere gemeenten verschillend behandelt, aangezien enkel de laatstvermelde de waarborg genieten die is verbonden aan het legaliteitsbeginsel van de belasting. Vanwege de in B.3 vermelde motieven, is het eerste onderdeel van het tweede middel niet gegrond. B.4.
  29. In het tweede onderdeel van haar middel doet de verzoekende partij gelden dat de gemeente-groepscentrum wordt gediscrimineerd ten aanzien van de gemeenten die haar diensten genieten en waarvan de jaarlijkse en forfaitaire « bijdrage » wordt vastgesteld bij de wet. B.4.
  30. Het staat aan de wetgever om te beslissen of hijzelf de wijze van deelname van de gemeente-groepscentrum aan de financiering van de gewestelijke brandweerdienst regelt dan wel of hij daarentegen aan de uitvoerende macht de zorg overlaat om die vast te stellen. Het Hof zou een dergelijke keuze van de wetgever enkel kunnen afkeuren indien die kennelijk onredelijk zou zijn. Te dezen vertrouwt de wetgever aan de Koning en aan de provinciegouverneur de taak toe om, onder de in aanmerking komende kosten die door de gemeente-groepscentrum worden gemaakt, vast te stellen welke kosten voor de eigen dienst bestemde uitgaven zijn en welke kosten de gemeente heeft gemaakt teneinde de behoeften van de beschermde gemeenten te dekken. 11 De berekening van de in aanmerking komende kosten die ten laste blijven van de gemeente-groepscentrum, berust op een nauwkeurig onderzoek van de uitgaven van die gemeente. Het is pas na vaststelling van die som dat het saldo van de in aanmerking komende kosten van de gemeente-groepscentrum wordt verdeeld onder de verschillende beschermde gemeenten. De wetgever heeft die herverdeling georganiseerd rekening houdend met het kadastraal inkomen en met het bevolkingscijfer van elk van die gemeenten. Daaruit volgt dat, voor de berekening van hun respectievelijke deelname aan de financiering van de gewestelijke brandweerdienst, de gemeente-groepscentrum en de « beschermde » gemeenten zich in objectief verschillende situaties bevinden. De wetgever vermocht dus, zonder schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aan de Koning en de provinciegouverneur de zorg toe te vertrouwen om de berekeningswijze alsmede het bedrag van het aan de gemeenten-groepscentra overgelaten aandeel te bepalen. B.4.
  31. Het tweede middel is niet gegrond. 12 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 22 november
  32. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.174 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.149 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.