← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.180

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.180 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20061129.1 Arrest- Rolnummer: 180/2006;3869A3871 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-12-13 Raadplegingen: 217 - laatst gezien 2026-06-30 15:20 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Vrije woorden: Beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten, ingesteld door E. Branckaute en anderen. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-2005 - 53 ELI link Pub nr 2005000427 Tekst van de beslissing Rolnummers 3869, 3870, 3871, 3874, 3882 en 3886 Arrest nr. 180/2006 van 29 november 2006 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten, ingesteld door E. Branckaute en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 januari 2006, heeft E. Branckaute, wonende te 1760 Roosdaal, Sleeststraat 2, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 47, 2°, van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2005, tweede editie). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 januari 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 27 van dezelfde wet, door E. Dhont, wonende te 9040 Gent, Wijmakker 9, K. Peeters, wonende te 3271 Zichem, Ernest Claesstraat 51, en M. Vanhoecke, wonende te 9860 Moortsele, Tramstraat

  1. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 januari 2006, heeft P. Gevaert, wonende te 9660 Brakel, Olifantstraat 47, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 8 en 10, 1°, 4° en 5°, van dezelfde wet. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 januari 2006, heeft G. Lichtenstein, wonende te 2140 Antwerpen, Lammekensstraat 19, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 9 en 35 van dezelfde wet. e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 januari 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 9 en 35 van dezelfde wet, door de vzw « Nationaal Syndicaat van het Politie– en Veiligheidspersoneel », met zetel te 1040 Brussel, Generaal Bernheimlaan 18/20, P. Van Hamme, wonende te 8310 Brugge, Astridlaan 112, en M. Claerhout, wonende te 9900 Eeklo, Romanus Van Wassenhovestraat
  2. f. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 januari 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 22, 25, 26, tweede en derde lid, en 27 van dezelfde wet, door J.-P. Ketels, wonende te 9100 Sint-Niklaas, Heimolenstraat 95, D. Batailde, wonende te 9600 Ronse, O. Decrolylaan 84, B. Devlaminck, wonende te 8790 Waregem, Driekoningenstraat 26, en D. De Norre, wonende te 2100 Deurne, Lanteernhofstraat
  3. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3869, 3870, 3871, 3874, 3882 en 3886 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. 3 Op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2006 : - zijn verschenen : . Mr. P. Lahousse, advocaat bij de balie te Mechelen, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 3869 en 3870; . Mr. C. Flamend, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 3871, 3882 en 3886; . Mr. P. Vergucht, advocaat bij de balie te Brussel, en hoofdcommissaris van politie M. De Mesmaeker, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.
  4. De eerste verzoekende partij in de zaak nr. 3882 is een representatieve vakorganisatie in de zin van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. De overige verzoekende partijen zijn commissaris of (hoofd)inspecteur van politie. Zij vorderen de vernietiging van een aantal bepalingen van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten (artikel 47, 2°, in de zaak nr. 3869; artikel 27 in de zaak nr. 3870; artikelen 8 en 10, 1°, 4° en 5°, in de zaak nr. 3871; artikelen 9 en 35 in de zaken nrs. 3874 en 3882; artikelen 22, 25, 26, tweede en derde lid, en 27 in de zaak nr. 3886). Ten aanzien van de zaak nr. 3869 A.
  5. Het enige middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 184 van de Grondwet. De verzoeker voert aan dat artikel 47, 2°, van de wet van 3 juli 2005, door artikel XII.VI.9 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten op te heffen, hem het recht ontneemt om te solliciteren naar betrekkingen die openstaan voor hoofdcommissarissen van politie. De bepaling zou het gelijkheidsbeginsel schenden doordat zij « een verworven overgangsrecht » afschaft dat politiecommissarissen toeliet als hoofdcommissaris te worden aangesteld en dit bovendien met behoud van de mogelijkheid die aanstelling te valoriseren in een benoeming tot hoofdcommissaris. Voor het aldus doorgevoerde verschil in behandeling zou geen objectieve en redelijke verantwoording bestaan. A.
  6. De Ministerraad werpt in de eerste plaats op dat de verzoeker niet voldoende uiteenzet in welk opzicht de bestreden bepaling artikel 184 van de Grondwet zou schenden. 4 Wat de aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft, merkt de Ministerraad op dat de verzoeker tot 29 juli 2005, zijnde de datum van inwerkingtreding van de bestreden bepaling, eveneens mee kon dingen naar betrekkingen van hoofdcommissaris van politie. Gelet op het beginsel van de veranderlijkheid van de openbare dienst, beschikt de wetgever steeds over de mogelijkheid om het statuut, de organisatie en de werking van de openbare dienst aan te passen aan de wisselende eisen van het algemeen belang. De Ministerraad verwijst in dat verband naar het arrest nr. 102/2003 van 22 juli
  7. A.
  8. De verzoeker erkent dat de veranderlijkheid van de openbare dienst en dus het recht van de overheid om nieuwe wetgeving te creëren een algemeen beginsel is. Dat algemeen beginsel dient echter ook de toets te doorstaan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel. Eén van de beginselen van behoorlijk bestuur is het vertrouwensbeginsel. Dat beginsel is geschonden wanneer overgangsbepalingen, die rechten en verwachtingen voor het personeelslid hebben gecreëerd, op onevenredige wijze worden gewijzigd of afgeschaft. Als gevolg daarvan zou ook het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden. Ten aanzien van de zaak nr. 3870 A.
  9. Het enige middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 184 van de Grondwet. De verzoekers voeren aan dat artikel 27 van de wet van 3 juli 2005 het gelijkheidsbeginsel schendt doordat het bijkomende voorwaarden oplegt om benoemd te worden in de graad van hoofdcommissaris. Hun reeds op 1 april 2004 verworven recht op benoeming in die graad zou « in die mate gefnuikt en derhalve gediscrimineerd zijn dat zij sedert 29 juli 2005 (datum van inwerkingtreding van [de bestreden bepaling]) retroactief moeten voldoen aan bijkomende voorwaarden die initieel niet voorzien waren ». Bovendien zijn intussen personen benoemd tot hoofdcommissaris van politie zonder aan de thans ingevoerde voorwaarden te hebben voldaan. A.
  10. De Ministerraad werpt in de eerste plaats op dat de categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. Artikel 13 van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000, waaraan de verzoekers een recht op benoeming menen te kunnen ontlenen, zou immers uitsluitend op mandaathouders worden toegepast en niet op niet- mandaathouders, zoals de verzoekers. Zij zouden zich derhalve op een volkomen onjuiste premisse baseren, zodat er van een schending van de artikelen 10, 11 of 184 geen sprake zou zijn. A.
  11. Verzoekers menen dat artikel 12 van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 wel degelijk van toepassing is. Zij verwijzen daarvoor naar de bijlage bij een nota van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie. Zij menen ook dat de niet-mandaathouders wel degelijk kunnen worden vergeleken met de mandaathouders. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zouden zij zich dus op een juiste premisse baseren. Ten aanzien van de zaak nr. 3871 A.
  12. Het enige middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet. De verzoeker voert aan dat de artikelen 8 en 10, 1°, 4° en 5°, van de wet van 3 juli 2005 een discriminatie in het leven roepen tussen, enerzijds, de voormalige onderluchthavenmeesters eerste klasse die kozen voor overplaatsing naar het operationeel korps van de rijkswacht conform het koninklijk besluit van 26 januari 1999 en, anderzijds, de huidige onderluchthavenmeesters, de eerste onderluchthavenmeesters en de eerstaanwezend onderluchthavenmeesters. De bestreden bepalingen zouden tot gevolg hebben dat de tweede categorie van personeelsleden in de graad van hoofdinspecteur wordt ingeschaald en aldus op hetzelfde niveau komen als de eerste categorie. Daardoor zou op onevenredige wijze afbreuk worden gedaan aan de rechten van de voormalige onderluchthavenmeesters eerste klasse vermits zij hun hiërarchisch gezag en het genot van de door hen gevolgde opleiding zouden verliezen. De verzoeker meent dat de artikelen 2, 6 en 7 van de bestreden wet voldoende waren om tegemoet te komen aan het arrest nr. 102/2003 van het Hof. A.
  13. De Ministerraad betwist het belang van de verzoeker bij de vernietiging van de bestreden bepalingen. Hij voert onder meer aan dat, aangezien de verzoeker reeds is benoemd in de nieuwe graad van hoofdinspecteur van politie, zijnde dezelfde graad als die waarin de onderluchthavenmeesters, de eerste onderluchthavenmeesters en de eerstaanwezend onderluchthavenmeesters die hebben gekozen voor het behoud van hun oorspronkelijke statuut worden ingeschaald, hij zich niet gediscrimineerd zou kunnen voelen door het feit dat hij niet een dergelijke maatregel kan genieten. 5 A.
  14. De verzoeker wijst erop dat de onderluchthavenmeesters en de eerste onderluchthavenmeesters, die voorheen waren geïntegreerd in de graad van inspecteur van politie, nu worden geïntegreerd als hoofdinspecteur van politie. Daardoor dient de verzoeker, hoewel hij zich wat titels en verdiensten betreft duidelijk onderscheidt van de onderluchthavenmeesters en de eerste onderluchthavenmeesters, die categorie naast zich te dulden hetgeen verlies van het voorheen geldende hiërarchische gezag met zich meebrengt. Zowel in het raam van bevordering, als in het raam van mobiliteit en andere administratieve aangelegenheden waarbij meerdere kandidaten die tot hetzelfde kader behoren zich kandidaat kunnen stellen, wordt de verzoeker dus in rechtstreekse concurrentie geplaatst met zijn voormalige ondergeschikten. Het gegeven dat die stelling slechts hypothetisch en voorbarig zou zijn, doet geen afbreuk aan zijn belang nu niet kan worden uitgesloten dat de hypothese zich kan voordoen. A.
  15. De Ministerraad werpt vervolgens op dat de verzoeker niet voldoende uiteenzet in welk opzicht de bestreden bepalingen artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet zouden schenden. Ten gronde wijst de Ministerraad op het arrest nr. 102/2003 waaruit blijkt dat, enerzijds, de inschaling van de eerste opperwachtmeesters tijdens de « grote » integratie binnen het operationeel korps van de federale politie in de graad van hoofdinspecteur van politie, niet discriminerend is en dat, anderzijds, de onderluchthavenmeesters, de eerste onderluchthavenmeester en de eerstaanwezend onderluchthavenmeesters die hebben gekozen voor het behoud van hun oorspronkelijke statuut niet correct werden ingeschaald in de graad van inspecteur van politie. Volgens de Ministerraad is het een onvermijdelijk gevolg van het voormelde arrest dat de laatstgenoemde personeelsleden in dezelfde graad als de verzoeker worden ingeschaald. In bijkomende orde merkt de Ministerraad op dat de verzoeker, in vergelijking met de categorie van personen ten opzichte waarvan hij zich gediscrimineerd voelt, een hogere « baremische vrijwaring » geniet, namelijk die van eerste opperwachtmeester, terwijl de andere categorie de lagere « baremische vrijwaring » van opperwachtmeester geniet. A.
  16. De verzoeker betwist de stelling van de Ministerraad dat het aangehaalde arrest onvermijdelijk leidde tot een herinschaling met dezelfde graad. Hij beroept zich daarvoor op de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen. Ten aanzien van de zaken nrs. 3874 en 3882 A.
  17. Het enige middel in beide zaken is afgeleid uit een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekers voeren aan dat de artikelen 9 en 35 van de wet van 3 juli 2005 het gelijkheidsbeginsel schenden doordat het forfaitaire bedrag van de wachttoelage dat in 2005 in aanmerking wordt genomen voor de baremieke inschaling van de leden van de voormalige gerechtelijke politie op 804,25 euro wordt bepaald, terwijl het bedrag van die wachttoelage in 2001 voor de leden van de voormalige gemeentepolitie op 2.114 euro werd bepaald. Als gevolg van het arrest nr. 102/2003 zou het logisch zijn geweest dat de overheid aan iedere nieuw ingeschaalde commissaris de mogelijkheid had geboden zijn inschaling te herberekenen aan de hand van hetzelfde forfaitaire bedrag dat in 2001 werd toegepast. Verzoekers behoorden niet tot de personen die in 2001 voor hun looninschaling rekening konden laten houden met een forfaitair bedrag voor wachttoelage en stellen vast dat nu slechts rekening wordt gehouden met een bedrag dat bijna drie maal kleiner is. Dat verschil in behandeling zou niet op objectieve en pertinente criteria berusten. De verzoekers in de zaak nr. 3882 zijn daarenboven van oordeel dat de bestreden bepalingen ook artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet schenden doordat zij afbreuk doen aan het beginsel van de volledige en permanente bescherming van het loon en van de onschendbaarheid daarvan. A.
  18. De Ministerraad betwist het belang van de tweede en derde verzoekende partij in de zaak nr. 3882 bij de vernietiging van de bestreden bepalingen omdat zij artikel XII.II.28 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001, vóór de wijziging ervan bij het thans bestreden artikel 9, niet hebben aangevochten en omdat de bestreden bepalingen hun een extra keuzemogelijkheid bieden. A.
  19. De tweede en de derde verzoekende partij in de zaak nr. 3882 wijzen erop dat zij wel degelijk van oordeel waren dat het voormelde artikel XII.II.28 een discriminatie inhield maar dat, na overleg, besloten werd dat één verzoekschrift volstond om de vernietiging van die bepaling te verkrijgen. Het feit dat de nieuwe regeling 6 een extra keuzemogelijkheid biedt, doet volgens hen geen afbreuk aan de vaststelling dat de geboden keuzemogelijkheid niet dezelfde is als degene die in 2001 aan de toenmalige potentiële begunstigden werd geboden. A.
  20. De Ministerraad werpt vervolgens op dat de verzoekers in de zaak nr. 3882 niet voldoende uiteenzetten hoe de bestreden bepalingen artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet zouden schenden. Ten gronde is de Ministerraad van oordeel dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet zijn geschonden. Hij verwijst daarvoor in de eerste plaats naar de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepalingen. In de tweede plaats voert hij aan dat het bedrag waarnaar de verzoekers verwijzen en waarop zij menen aanspraak te kunnen maken een maximumbedrag betrof; het werkelijke bedrag varieerde van gemeente tot gemeente, gaande van 0 tot 2.114 euro. Het arrest nr. 102/2003 zou dan ook niet correct worden uitgevoerd door aan alle betrokken personeelsleden het maximumbedrag toe te kennen. Dat zou integendeel nieuwe discriminaties in het leven roepen, niet in het minst ten aanzien van de officieren die in 2001 geen maximale toelage genoten. In derde plaats wijst de Ministerraad op een technisch probleem. Terwijl de wachttoelage voor bepaalde officieren van de gemeentepolitie een forfaitair maximumbedrag betrof, werd de toelage voor sommige personeelsleden van de gerechtelijke politie per dienstprestatie berekend. De wetgever was derhalve verplicht een forfaitair maar redelijk en aanvaardbaar bedrag te bepalen. Het bewijs dat het een redelijk en aanvaardbaar bedrag betreft, wordt volgens de Ministerraad geleverd door het feit dat 313 officieren voor de keuzemogelijkheid van dat bedrag hebben geopteerd. A.
  21. Het feit dat hij een beroep tot vernietiging heeft ingesteld, bewijst volgens de verzoeker in de zaak nr. 3874 dat hij het bedrag niet als redelijk en aanvaardbaar beschouwt. Hij betwist niet dat het andere bedrag een maximumbedrag is, dat niet automatisch werd toegekend aan alle officieren van de voormalige gemeentepolitie, maar daarmee is nog niet verklaard waarom het ene bedrag nauwelijks meer dan één derde uitmaakt van het andere bedrag. Er wordt niet aangetoond dat de gemiddelde wachttoelage slechts 804,25 euro zou hebben bedragen, hetgeen voor de verzoeker de enige verantwoording kan zijn voor dat bedrag. De oude regeling aangrijpen om een nieuwe ongelijke behandeling te verantwoorden, zo menen de verzoekers in de zaak nr. 3882, kan niet worden aanvaard en schendt de basisdoelstellingen van de politiehervorming. Ook zij laken het gebrek aan mathematische gegevens om het bedrag als redelijk te bestempelen. Ten aanzien van de zaak nr. 3886 A.
  22. Het enige middel is afgeleid uit een schending van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet. De verzoekers voeren aan dat de artikelen 22, 25, 26 en 27 van de wet van 3 juli 2005 een reeks voordelen toekennen (aan de aangestelde hoofdinspecteurs van politie, de aangestelde commissarissen van politie en de aangestelde hoofdcommissarissen van politie), waarvan zij zouden worden uitgesloten. A.
  23. De Ministerraad betwist dat elke verzoeker een belang zou hebben bij de vernietiging van elk van de bestreden bepalingen. A.
  24. De verzoekers erkennen dat het bezwaar van de Ministerraad terecht is. De eerste verzoeker, zo preciseren zij, heeft enkel belang bij de vernietiging van het bestreden artikel 27, de tweede en de derde verzoeker hebben enkel belang bij de vernietiging van de bestreden artikelen 25 en 26 en de vierde verzoeker heeft enkel belang bij de vernietiging van het bestreden artikel
  25. A.
  26. De Ministerraad werpt vervolgens op dat het verzoekschrift niet voldoet aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. Bovendien zouden de verzoekers niet voldoende uiteenzetten hoe de bestreden bepalingen artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet zouden schenden. Ten gronde verwijst de Ministerraad in hoofdzaak naar de parlementaire voorbereiding. Hij beklemtoont dat het om een gematigde valorisering gaat. De reden van die gematigde valorisering van de diverse aanstellingen is evident en doordacht : gelet op het feit dat de betrokkenen reeds gedurende een zekere tijd een dergelijk ambt bezetten en uitoefenen, is het logisch dat zij van bepaalde selectieproeven in het raam van de overgang naar het hogere kader kunnen worden vrijgesteld. Dit is onder meer het geval voor de persoonlijkheidsproef en de selectiecommissie. Immers, gedurende hun ambtsuitoefening van het hogere niveau 7 worden de betrokken personeelsleden onderworpen aan een systematische evaluatie die hun geschiktheid voor het uitoefenen van dat ambt beoordeelt. Zij kunnen zich enkel inschrijven voor het vergelijkend examen in het kader van de sociale promotie voor toegang tot het hogere kader indien die evaluatie positief is. Bovendien zijn zij niet vrijgesteld van de beroepsproef aangezien op basis daarvan de rangschikking van het examen wordt vastgesteld. A.
  27. De verzoekers houden vol dat het verschil in behandeling, voor elk van de verzoekers, niet redelijk is en in werkelijkheid een onevenredige maatregel uitmaakt. -B- B.
  28. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van een aantal bepalingen van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten. In de zaak nr. 3869 is het beroep gericht tegen artikel 47, 2°, in de zaak nr. 3870 tegen artikel 27, in de zaak nr. 3871 tegen de artikelen 8 en 10, 1°, 4° en 5°, in de zaken nrs. 3874 en 3882 tegen de artikelen 9 en 35 en in de zaak nr. 3886 tegen de artikelen 22, 25, 26, tweede en derde lid, en 27 van de voormelde wet. De bestreden bepalingen - met uitzondering van artikel 47, 2° - maken deel uit van hoofdstuk IV van de voormelde wet van 3 juli
  29. Dat hoofdstuk heeft als opschrift : « Wijzigingen van Deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (‘ RPPol ’), bekrachtigd door de programmawet van 30 december 2001 ». B.
  30. Het koninklijk besluit van 30 maart 2001 (« RPPol ») regelt de rechtspositie van het personeel van de geïntegreerde politiedienst. Deel XII van dat besluit, waarin de overgangsbepalingen zijn opgenomen, werd bekrachtigd bij artikel 131 van de programmawet van 30 december
  31. Bij het arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 vernietigde het Hof een aantal bepalingen van het bekrachtigde deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart
  32. De wet van 3 juli 2005 strekt in hoofdzaak ertoe gevolg te geven aan het voormelde arrest van het Hof. Daarbij is het volgens de parlementaire voorbereiding de bedoeling aan de 8 door het Hof vastgestelde discriminaties te verhelpen. Voorts bevat de voormelde wet een aantal 9 punctuele statutaire aanpassingen, onder meer inzake de mobiliteitsprocedure en de aanstellingen, die met het voormelde arrest geen verband houden (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, p. 3). De drie bekommernissen die aan de wet van 3 juli 2005 ten grondslag liggen met het oog op de bijsturing van bepaalde inschalingsregels en overgangsregelingen werden in de parlementaire voorbereiding als volgt verwoord : « 1° uiteraard moesten de oplossingen juridisch steek houden en een afdoend antwoord bieden op de door het Hof gevolgde redeneringen en getrokken besluiten; 2° in de tweede plaats moest zorg worden gedragen voor de in 2001 bereikte evenwichten. Er werd dus eerder gedacht in termen van continuïteit dan in termen van tabula rasa; 3° voorts was men ook de budgettaire gevolgen indachtig. Bij het zoeken naar oplossingen heeft men dus getracht de kost zoveel mogelijk te beperken. Daarbij mochten de bijsturingen of aanpassingen geen hypotheek leggen op de goede werking van de politiediensten. Het verband met het tweede uitgangspunt lag daarbij voor de hand. Vervolgens was het zaak zich te hoeden voor nieuwe domino-effecten en ten slotte zouden, in de mate van het mogelijke, simpele en transparante oplossingen de voorkeur krijgen op complexe constructies. Dat is evenwel in overgangstoestanden en zeker in het licht van zo’n ingewikkelde en technische statutaire hervorming jammer genoeg soms een vrome wens… » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, pp. 4-5). B.
  33. De aanneming van regels die ertoe strekken in een eenheidspolitie personeelsleden te integreren die afkomstig zijn van drie politiekorpsen waarbij die korpsen, wegens de specifieke opdrachten waarvoor ze instonden, aan verschillende statuten waren onderworpen, impliceert dat aan de wetgever een voldoende beoordelingsmarge wordt gelaten, opdat een hervorming van een dergelijke omvang kan slagen. Zulks geldt evenzeer wanneer, zoals te dezen, de wetgever in die aangelegenheid opnieuw optreedt en zulks, in grote mate, om uitvoering te geven aan een arrest van het Hof. 10 Hoewel het niet aan het Hof staat zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de wetgever, is het, daarentegen, ertoe gemachtigd te onderzoeken of de wetgever maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze verantwoord zijn ten aanzien van de door hem nagestreefde doelstellingen. Bij dat onderzoek dient ermee rekening te worden gehouden dat het te dezen gaat om een bijzonder complexe aangelegenheid waarbij een regel die betrekking heeft op sommige aspecten ervan en die door bepaalde categorieën van personeelsleden als discriminerend kan worden ervaren, deel uitmaakt van een algehele regeling die tot doel heeft die politiekorpsen die elk hun eigen kenmerken hadden, te integreren. Hoewel sommige onderdelen van zulk een regeling, afzonderlijk beschouwd, relatief minder gunstig kunnen zijn voor bepaalde categorieën van personeelsleden, zijn zij daarom nog niet noodzakelijk zonder redelijke verantwoording indien die regeling in haar geheel wordt onderzocht. Het Hof dient rekening te houden met het feit dat een vernietiging van bepaalde onderdelen van een dergelijke regeling het algehele evenwicht ervan zou kunnen verstoren. Ten aanzien van de zaak nr. 3869 B.
  34. Het bestreden artikel 47, 2°, bepaalt : « Worden opgeheven : […] 2° artikel XII.VI.9 RPPol ». B.
  35. De opgeheven bepaling verleende aan een bepaalde categorie van personen de mogelijkheid zich kandidaat te stellen voor openstaande betrekkingen van hoofdcommissaris van politie. De grief van de verzoekende partij strekt ertoe die categorie van personen te vergelijken met dezelfde categorie van personen die na de voormelde opheffing niet langer die mogelijkheid geniet. Dat verschil in behandeling zou een schending inhouden van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 11 B.
  36. Grieven die steunen op de vergelijking van rechtzoekenden vóór en na de bestreden wet, zijn voor het Hof niet ter zake dienend. Elke wetswijziging zou immers onmogelijk zijn indien zou worden aangenomen dat een nieuwe bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere regeling wijzigt. Indien de wetgever een beleidswijziging noodzakelijk acht, vermag hij bovendien te oordelen dat die beleidswijziging met onmiddellijke ingang moet worden doorgevoerd en is hij in beginsel niet ertoe gehouden in een overgangsregeling te voorzien. B.
  37. Nu de verzoekende partij niet uiteenzet in welk opzicht de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk doet aan artikel 184 van de Grondwet, dient het middel niet te worden onderzocht in zoverre het eveneens op die grondwetsbepaling steunt. B.
  38. Het enige middel in de zaak nr. 3869 is niet gegrond. Ten aanzien van de zaak nr. 3870 B.
  39. Het bestreden artikel 27 voegt in het koninklijk besluit van 30 maart 2001 een artikel XII.VII.16quater in, dat bepaalt : « De personeelsleden die bij toepassing van artikel XII.VII.25 of XII.VII.26 zijn aangesteld in de graad van hoofdcommissaris van politie worden, zonder mobiliteitsvereiste, benoemd in de graad van hoofdcommissaris van politie, indien zij beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in artikel 32, 1°, 3° tot 5°, van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten ». B.
  40. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling het gelijkheidsbeginsel schendt doordat zij bijkomende voorwaarden oplegt om in de graad van hoofdcommissaris te worden benoemd. Aldus strekt de grief van de verzoekende partijen ertoe de personen die onder de vorige regeling werden benoemd en die niet aan de bijkomende voorwaarden moesten voldoen, te vergelijken met de personen die onder de 12 nieuwe regel zullen worden benoemd en die wel aan de bijkomende voorwaarden moeten voldoen. B.
  41. Het is inherent aan een nieuwe regeling dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vielen en personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen. Een dergelijk onderscheid maakt op zich geen schending uit van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zoals reeds is vermeld in B.6, zou elke wetswijziging onmogelijk worden indien zou worden aangenomen dat een nieuwe regeling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou schenden om de enkele reden dat zij de toepassingsvoorwaarden van de vroegere regeling wijzigt. B.
  42. Daaruit volgt, zonder dat het Hof het meningsverschil tussen de verzoekende partijen en de Ministerraad inzake de juridische grondslag van de aanstelling van de verzoekende partijen in de graad van hoofdcommissaris dient te beslechten, dat het enige middel in de zaak nr. 3870 niet gegrond is. Ten aanzien van de zaak nr. 3871 B.13.
  43. Het bestreden artikel 8 vult artikel XII.II.20 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 aan met het volgende lid : « De actuele personeelsleden bedoeld in de punten 3.9bis, 3.9ter en 3.9quater van tabel C, derde kolom van bijlage 11 hebben de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie ». B.13.
  44. Krachtens het bestreden artikel 10, 1°, vervallen de punten 3.5, 3.8 en 3.9 in tabel B van bijlage 11 van hetzelfde koninklijk besluit. B.13.
  45. Het bestreden artikel 10, 4°, voegt in de derde kolom van tabel C van dezelfde bijlage de punten 3.9bis, 3.9ter en 3.9quater in, luidende : « 3.9bis. - Onderluchthavenmeester bij de rijkswacht 13 3.9ter. - Eerste onderluchthavenmeester bij de rijkswacht 3.9quater. - Eerstaanwezend onderluchthavenmeester bij de rijkswacht ». B.13.
  46. Het bestreden artikel 10, 5°, voegt in de vierde kolom van dezelfde tabel, ter hoogte van de punten 3.9bis, 3.9ter en 3.9quater drie regels in, luidende : « 20/a : 555 248 - 939 6638 21/a : 653 095 - 1 026 0308 679 190 - 1 052 1258 796 888 - 1 200 2818 ». B.
  47. De bestreden bepalingen strekken ertoe de onderluchthavenmeesters, de eerste onderluchthavenmeesters en de eerstaanwezend onderluchthavenmeesters in te schalen in de graad van hoofdinspecteur van politie in plaats van in de graad van inspecteur van politie en hun de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie te verlenen. De aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou erin gelegen zijn dat de voormelde categorie van personen zonder redelijke verantwoording in dezelfde graad wordt geïntegreerd als de categorie van personen waartoe de verzoekende partij behoort. B.
  48. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie verzetten zich ertegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. B.
  49. Door de bestreden bepalingen komt een categorie van personen, die voorheen de graad van inspecteur van politie had, zonder bevorderingsexamens te hebben afgelegd in dezelfde graad als de categorie van personen waartoe de verzoekende partij behoort, namelijk de voormalige onderluchthavenmeesters eerste klasse die bevorderingsexamens tot die graad hebben afgelegd en die inmiddels reeds eerder in de graad van hoofdinspecteur van politie werden ingeschaald. De inschaling van de eerstgenoemde categorie tot de graad van hoofdinspecteur heeft aldus tot gevolg dat de bestaande hoofdinspecteurs hun hiërarchisch 14 gezag over die categorie van personen verliezen en dat zij voor een aantal aangelegenheden met een groter aantal personen in concurrentie treden. B.17.
  50. De bestreden bepalingen beogen tegemoet te komen aan het arrest nr. 102/
  51. Doordat de onderluchthavenmeesters en de eerste onderluchthavenmeesters worden geïntegreerd in de graad van inspecteur van politie, zoals door het Hof in B.18.3 van dat arrest is vastgesteld, verliezen diegenen die zowel officier van gerechtelijke politie als officier van bestuurlijke politie waren, die dubbele hoedanigheid, aangezien die hoedanigheden niet worden toegekend aan de graad van inspecteur en hun geen enkele functie welke die hoedanigheden omvat, wordt toegekend. Het Hof vernietigde artikel XII.II.15 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 in zoverre het tot gevolg had dat de voormalige onderluchthavenmeesters en eerste onderluchthavenmeesters die hebben gekozen voor het behoud van hun oorspronkelijk statuut, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, en van officier van bestuurlijke politie niet behielden. B.17.
  52. Hoewel de wetgever, om aan het voormelde arrest tegemoet te komen, ermee kon volstaan erin te voorzien dat de voormalige onderluchthavenmeesters en eerste onderluchthavenmeesters in voorkomend geval hun hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, en van officier van bestuurlijke politie behouden, ongeacht de graad waarin zij zijn ingeschaald, valt de bestreden regeling niet buiten de in B.3 in herinnering gebrachte ruime beoordelingsbevoegdheid die de wetgever inzake het personeelsstatuut van politie toekomt. B.17.
  53. Het gegeven dat de betrokken categorie geen bevorderingsexamen moet afleggen om tot de graad van hoofdinspecteur van politie te worden toegelaten, toont aan dat de wetgever zijn beleid heeft gewijzigd maar volstaat evenmin om tot een discriminatie te besluiten. B.17.
  54. Het feit ten slotte dat de bestaande hoofdinspecteurs hun hiërarchisch gezag verliezen ten aanzien van hun voormalige ondergeschikten die nu eveneens hoofdinspecteur zijn, is het normale gevolg van elke bevordering en kan als zodanig niet als onevenredig worden beschouwd. Bovendien heeft de wetgever bij de totstandkoming van het statuut van 15 de personeelsleden van de nieuwe politie het aantal graden aanzienlijk willen verminderen in vergelijking met wat voordien bestond binnen de verschillende politiekorpsen en heeft hij, veeleer dan aan een op graden gebaseerde hiërarchie, voorrang willen verlenen aan de functionele hiërarchie tussen die personeelsleden. B.
  55. Nu de verzoekende partij niet uiteenzet in welk opzicht de bestreden bepalingen afbreuk doen aan artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, dient het middel niet te worden onderzocht in zoverre het eveneens op die grondwetsbepaling is gesteund. B.
  56. Het enige middel in de zaak nr. 3871 is niet gegrond. Ten aanzien van de zaken nrs. 3874 en 3882 B.20.
  57. Het bestreden artikel 9 vult artikel XII.II.28 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 aan met het volgende lid : « Onverminderd het eerste lid, kunnen de personeelsleden die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit onder het toepassingsgebied van artikel XII.II.26 vallen en die het in het tweede lid bedoelde weddesupplement voor wachtprestaties vóór die inwerkingtreding niet genoten, ervoor opteren om hun referentiebedrag te verhogen met 32 443 BEF (804,25 euro). Op dit bedrag wordt geen vermenigvuldigingsfactor toegepast. Deze optie gebeurt volgens de regels bepaald in artikel XII.XI.17, § 2, derde lid, 5° ». B.20.
  58. Het eveneens bestreden artikel 35 vult artikel XII.XI.17, § 2, derde lid, van hetzelfde koninklijk besluit aan met de volgende bepaling : « 5° vermeerderd met 32 443 BEF (804,25 euro), voor de personeelsleden die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit onder het toepassingsgebied van artikel XII.II.26 vallen, die het in artikel XII.II.28, tweede lid, bedoelde weddesupplement niet genoten en die voor die inaanmerkingneming opteren. Op straffe van onontvankelijkheid wordt die optie uitgevoerd via schriftelijk verzoek tegen ontvangstbewijs aan het sociaal secretariaat GPI binnen de drie maanden die volgen op de bekendmaking van dit punt 5° in het Belgisch Staatsblad. In geval van de inaanmerkingneming van het voornoemde bedrag kunnen de personeelsleden evenwel, te definitieven en onherroepelijken titel, tot hun eventuele overgang naar de loonschaal O5 of O5ir, geen aanspraak maken op de toelagen bedoeld in de artikelen XI.III.6 en XI.III.10 ». 16 B.
  59. De bestreden bepalingen verlenen een bepaalde categorie van personen de mogelijkheid te opteren voor een forfaitair weddesupplement voor wachtprestaties. De grief van de verzoekende partijen strekt ertoe die categorie van personen te vergelijken met een categorie van personen die in 2001 een aanzienlijk hoger forfaitair bedrag ontving. De eerstgenoemde categorie wordt derhalve door de bestreden bepalingen minder gunstig behandeld. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, doen personen die tot die categorie behoren, blijken van het vereiste belang bij de vernietiging van die bepalingen. Aan die vaststelling kan geen afbreuk worden gedaan door het feit dat de verzoekende partijen een vroegere bepaling niet hebben aangevochten. Evenmin verdwijnt hun belang door het feit dat de bestreden bepalingen een extra keuzemogelijkheid bieden, nu zij precies aanvoeren dat die keuzemogelijkheid niet dezelfde is als die voor de andere categorie. B.
  60. De bestreden bepalingen beogen tegemoet te komen aan het arrest nr. 102/2003, waarin het Hof artikel XII.II.28 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 heeft vernietigd in zoverre het geen rekening hield met de toelage toegekend aan de leden van de voormalige gerechtelijke politie met toepassing van het ministerieel besluit van 1 februari
  61. In de parlementaire voorbereiding worden de bestreden bepalingen als volgt verantwoord : « Artikel 9 alsmede artikel 35 van het ontwerp hebben uitstaans met de officieren en bevatten een nieuwe regeling voor de wachttoelage. Officieren van de voormalige GPP kloegen de toestand aan waarbij bepaalde officieren van de vroegere gemeentepolitie hun gemeentelijke wachttoelage konden betrekken in de pecuniaire inschaling en zij deze mogelijkheid niet hadden. Het Hof vernietigde derhalve artikel XII.II.28 RPPol ‘ in zoverre het geen rekening houdt met de toelage toegekend aan de personeelsleden van de voormalige gerechtelijke politie met toepassing van het koninklijk besluit van 1 februari 1980 ’. De redenering van het Hof is daarbij de volgende : vermits het statuut van de GPP verloningscomponenten bevatte die hetzelfde type van prestaties vergoedden dan voormelde gemeentelijke wachttoelage, is het discriminatoir die twee groepen anders te behandelen. Het Hof voert dus een strikte redenering met betrekking tot die toelage en houdt derhalve geen rekening met het globale verloningsniveau (loonschaal en alle andere toegekende toelagen) van de respectieve categorieën. Verder moet er op worden gewezen dat ook nog andere oorspronkelijke statuten in een verloning voorzagen voor hetzelfde type prestaties. 17 Om geen nieuwe discriminaties in het leven te roepen is het dus aangewezen het rechtsherstel uit te breiden tot alle personeelsleden van de geïntegreerde politie die op 1 april 2001 werden ingeschaald in de graad van commissaris van politie en die van die keuze verstoken waren. Naast de GPPers zullen dus ook bepaalde personeelsleden van de ex- gemeentepolitie - waar de wachttoelage niet gold - alsook van de voormalige rijkswacht alsnog die optie kunnen lichten. Een technisch probleem daarbij is dat waar de wachttoelage een forfaitair bedrag was, in andere statuten de bedoelde prestaties punctueel per dienstprestatie werden verloond. Vandaar de noodzaak om ad hoc een forfaitair maar redelijk en aanvaardbaar toelagebedrag te creëren voor de personeelsleden aan wie men alsnog de keuze wil aanbieden. Het voor de eventuele nieuwe inschaling te hanteren bedrag van die toelage is 804,25 euro. Men kan stellen dat dit op het einde van de inschaling via de driestappenmethode een gemiddelde oplevert van, bruto geïndexeerd op 1 april 2001, 1 000 euro op jaarbasis. De personeelsleden beslissen vervolgens souverein wat zij doen : ofwel laten zij die wachttoelage links liggen en geldt er voor hen een status-quo, d.w.z. dat hun geldelijke inschaling onveranderd blijft en dat zij per prestatie zullen worden verloond voor de nacht- en weekend-uren alsmede voor de uren waarop zij bereikbaar en terugroepbaar worden gesteld. Ofwel opteren zij er voor die wachttoelage in hun baremische inschaling te betrekken : dit kan mogelijks tot voordeel hebben dat zij in een hogere loonschaal worden ingeschaald. In ieder geval heeft het bijna steeds tot voordeel dat men in de loonschaal waarin men uiteindelijk wordt ingeschaald, vanop een hoger bedrag van start zal gaan in het nieuw statuut. Keerzijde is wel dat diegene die hiervoor opteert, afziet van de punctuele verloning voor nacht- en weekend-werk alsmede voor de terugroepbaarheid. In die zin zullen bij de regularisatie tot 1 april 2001 de reeds uitbetaalde ‘ inconveniënten ’ moeten worden verrekend. De keuze is éénmalig en onherroepelijk. Om één en ander te stroomlijnen wordt een uniforme keuzetermijn van 3 maanden opgelegd » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, pp. 9-11). B.
  62. Rekening houdend met de hierboven aangehaalde parlementaire voorbereiding, waarin de wetgever aannemelijk heeft gemaakt dat het om een redelijk bedrag gaat, enerzijds, en met de in B.3 in herinnering gebrachte ruime beoordelingsbevoegdheid die de wetgever inzake het personeelsstatuut van politie toekomt, anderzijds, kan het Hof derhalve niet besluiten dat de bestreden bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden. B.
  63. Nu de verzoekende partijen in de zaak nr. 3882 niet uiteenzetten in welk opzicht de bestreden bepalingen afbreuk doen aan artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, dient het middel niet te worden onderzocht in zoverre het eveneens op die grondwetsbepaling steunt. B.
  64. Het enige middel in de zaken nrs. 3874 en 3882 is niet gegrond. 18 Ten aanzien van de zaak nr. 3886 B.26.
  65. Het bestreden artikel 22 voegt in het koninklijk besluit van 30 maart 2001 een artikel XII.VII.15bis in, dat bepaalt : « In het raam van de bevordering door overgang naar het middenkader zijn de in artikel XII.VII.21 bedoelde personeelsleden van de federale politie vrijgesteld van de persoonlijkheidsproef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, en van het selectiegesprek bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 4° ». B.26.
  66. Het bestreden artikel 25 voegt in hetzelfde koninklijk besluit een artikel XII.VII.16bis in, dat bepaalt : « In het raam van de bevordering door overgang naar het officierskader zijn de in de artikelen XII.VII.23 en XII.VII.23bis bedoelde personeelsleden die zijn aangesteld in de graad van commissaris van politie, vrijgesteld van de kaderproef bedoeld in artikel 41 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, evenals van de persoonlijkheidsproef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, en van het selectiegesprek bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 4° ». B.26.
  67. Het bestreden artikel 26 voegt in hetzelfde koninklijk besluit een artikel XII.VII.16ter in, dat bepaalt : « Gedurende vijf jaar te rekenen vanaf 1 april 2006 wordt, per vergelijkend examen, een quota van 5 % van de vacatures voor de bevordering door overgang naar het officierskader voorbehouden aan de personeelsleden bedoeld in de artikelen XII.VII.24 en XII.VII.26 die zijn aangesteld in de graad van commissaris van politie. De personeelsleden bedoeld in het eerste lid zijn vrijgesteld van de kaderproef bedoeld in artikel 41 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, evenals van de persoonlijkheidsproef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2° en van het selectiegesprek bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 4°. De personeelsleden, laureaten van het vergelijkende examen bedoeld in het eerste lid en geslaagd in de eventuele basisopleiding, worden, zonder mobiliteitsvereiste, benoemd in de graad van commissaris van politie met loonschaal O2 ». Enkel het tweede en het derde lid van de ingevoegde bepaling worden aangevochten. 19 B.26.
  68. Het bestreden artikel 27 voegt in hetzelfde koninklijk besluit een artikel XII.VII.16quater in, dat bepaalt : « De personeelsleden die bij toepassing van artikel XII.VII.25 of XII.VII.26 zijn aangesteld in de graad van hoofdcommissaris van politie worden, zonder mobiliteitsvereiste, benoemd in de graad van hoofdcommissaris van politie, indien zij beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in artikel 32, 1°, 3° tot 5°, van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten ». B.
  69. De verzoekers voeren een discriminatie aan doordat zij zijn uitgesloten van de voordelen die de voormelde artikelen toekennen aan andere categorieën van personen. B.
  70. In de parlementaire voorbereiding worden die bepalingen als volgt toegelicht : « De ontworpen artikelen 22, 23 alsmede 25 tot 27 vormen één geheel en voorzien in valoriseringen van de aanstellingen. Die nieuwe regels spruiten niet voort uit het arrest van het Arbitragehof. Wel bleek het aangewezen om, na bijna vier jaar toepassing van het overgangsrecht, ter zake een zekere valorisering mogelijk te maken. Er zijn, bij overgangsregeling, verschillende soorten aangestelden : personeelsleden aangesteld in de hogere graad (hoofdinspecteur, commissaris dan wel hoofdcommissaris) in het raam van de proportionele verdeling van de gezagsambten, personeelsleden aangesteld in de hogere graad (commissaris dan wel hoofdcommissaris) in het raam van de mobiliteit, de als commissaris aangestelde personeelsleden binnen de federale gerechtelijke zuil en de aanstellingen tot hoofdinspecteur. De maatregelen tot valorisering van de verschillende soorten aanstellingen rechtvaardigen zich door het feit dat de betrokkenen, om voor die betrekkingen te worden aangewezen, hetzij aan bepaalde voorwaarden hebben moeten voldoen, hetzij voor selectieproeven moeten zijn geslaagd, hetzij opleidingen moeten hebben gevolgd, maar eveneens door het feit dat de betrokken personeelsleden reeds sinds enige tijd de betrekkingen van het hoger kader of een hogere graad uitoefenen. Bovendien moet ook worden aangestipt dat de voorgenomen maatregelen zeer gematigde valoriseringen betreffen. Aldus komt de rechtvaardiging van die maatregelen tegemoet aan de vraag van de Raad van State in zijn advies 37.615/2 van 25 augustus 2004 » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, p. 19). 20 Wat de valorisatie van de aanstellingen in het kader van de mobiliteit en in het kader van de proportionele verdeling van de gezagsambten betreft, vermeldt de memorie van toelichting nog : « De valoriseringen van de aanstellingen in het raam van de mobiliteit, liggen vervat in de ontworpen artikelen 26 en 27 en bestaan, al naar gelang van het geval, uit voorbehouden quota en vrijstellingen van een deel van de toelatingsvoorwaarden en/of selectieproeven. Zij hebben alle gemeen dat er geen mobiliteitsvereiste is om te kunnen worden bevorderd. Dit is logisch : als aangestelden in de hogere graad, oefenen de betrokken personeelsleden een ambt gekoppeld aan die hogere graad uit. Zijn zij laureaat van het vergelijkend examen, dan worden zij bevorderd in hun ambt. De valoriseringen van de aanstellingen in het raam van de proportionele verdeling van de gezagsambten, liggen vervat in de ontworpen artikelen 21 (zie 5° in fine), 23, 26 en 27 en bestaan ook, al naar gelang van het geval, uit voorbehouden quota en vrijstellingen van een deel van de toelatingsvoorwaarden en/of selectieproeven. Ook zij hebben, om dezelfde logische reden, alle gemeen dat er geen mobiliteitsvereiste is om te kunnen worden bevorderd » (ibid., pp. 19-20). B.
  71. De in de voormelde parlementaire voorbereiding aangehaalde argumenten - voldoen aan bepaalde voorwaarden, geslaagd zijn voor selectieproeven, opleidingen hebben gevolgd, gedurende enige tijd de betrekkingen van het hoger kader of een hogere graad hebben uitgeoefend - kunnen het verschil in behandeling tussen aangestelden en niet-aangestelden redelijkerwijze verantwoorden. B.
  72. Nu de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welk opzicht de bestreden bepalingen afbreuk doen aan artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, dient het middel niet te worden onderzocht in zoverre het eveneens op die grondwetsbepaling is gesteund. B.
  73. Het enige middel in de zaak nr. 3886 is niet gegrond. 21 Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 29 november
  74. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.180 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.