id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.183 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20061129.17 Arrest- Rolnummer: 183/2006 Rechtsgebied: Handelsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-23 Raadplegingen: 289 - laatst gezien 2026-06-30 15:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zendt de zaak terug naar de verwijzende rechter. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Vennootschappen met rechtspersoonlijkheid: gemeenschappelijke bepalingen - Vereffening PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 184, 185, 191, 192 en 261 van het Wetboek van vennootschappen, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Handelsrecht - Vennootschapsrecht - Invereffeningstelling - Vervanging van de vereffenaar door de rechtbank -
- Vrijwillige vereffening -
- Gerechtelijke vereffening of faillissement -
- Wijziging van de wetgeving. Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen - 07-05-1999 - 184 - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Wetboek van Vennootschappen - 07-05-1999 - 185 - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Wetboek van Vennootschappen - 07-05-1999 - 191 - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Wetboek van Vennootschappen - 07-05-1999 - 192 - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Wetboek van Vennootschappen - 07-05-1999 - 261 - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Tekst van de beslissing Rolnummer 3897 Arrest nr. 183/2006 van 29 november 2006 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 184, 185, 191, 192 en 261 van het Wetboek van vennootschappen, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 9 februari 2006 in zake de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) tegen de bvba in vereffening « Belgian tax and accounting services company - Société belge de services comptables et fiscaux », waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 14 februari 2006, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 184, 185, 191, 192 en 261 van het Wetboek van vennootschappen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, indien zij in die zin dienen te worden geïnterpreteerd dat zij het een schuldeiser van een burgerlijke vennootschap met handelsvorm die bij besluit van de algemene vergadering in vrijwillige vereffening is gesteld, die zich bevindt in een situatie van staking van betaling en waarvan het krediet is geschokt, niet mogelijk maken de rechtbank te verzoeken de door de algemene vergadering benoemde vereffenaar te vervangen, terwijl in het kader van een gerechtelijke vereffening of een faillissement, de rechtbank kan worden verzocht de vereffenaar of de curator te vervangen ? ». Memories zijn ingediend door : - de bvba in vereffening « Belgian tax and accounting services company - Société belge de services comptables et fiscaux », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 1050 Brussel, Washingtonstraat 31/3; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2006 : - is verschenen : Mr. S. Naeije loco Mr. D. Gérard en Mr. C. Dehout, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De RSZ heeft de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter, een burgerlijke vennootschap in de vorm van een bvba, voor de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel gedagvaard tot gerechtelijke ontbinding en tot aanstelling van een of meer vereffenaars. De dag vóór de inleidingszitting heeft de algemene vergadering van de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter echter beslist de vennootschap vrijwillig te ontbinden en ze in vereffening te stellen. Zij heeft eveneens de enige aandeelhouder, de zaakvoerder van de vennootschap, als vereffenaar aangewezen. 3 Ondanks de vrijwillige vereffening van de vennootschap, heeft de RSZ zijn oorspronkelijke vordering gehandhaafd om reden dat hij een gerechtelijke controle van de vereffeningsverrichtingen wenste, alsook de benoeming van een onafhankelijke vereffenaar. De Rechtbank van eerste aanleg te Brussel heeft geweigerd die vordering in te willigen. Eenzelfde vordering wordt door de RSZ geformuleerd voor de verwijzende rechter, die in hoger beroep uitspraak doet op zulk een beslissing. Volgens de verwijzende rechter lijkt de geldende wetgeving een schuldeiser niet toe te staan te verzoeken om de vervanging van de vereffenaar die, in het kader van een vrijwillige vereffening, door de algemene vergadering werd benoemd, door een door de rechtbank aangewezen vereffenaar. De verwijzende rechter onderstreept dat bij een faillissement de curator wordt aangewezen en gecontroleerd door de rechtbank van koophandel, die hem steeds kan vervangen, onder andere op verzoek van een schuldeiser. Overigens kan een in vereffening zijnde handelsvennootschap failliet worden verklaard indien zij voldoet aan de voorwaarden van staking van betaling en indien haar krediet is geschokt. In dat geval wijst de rechtbank van koophandel een curator aan, waardoor de schuldeiser de mogelijkheid wordt geboden de aanwijzing van een gerechtelijk mandataris te verkrijgen. Ten slotte, in geval van een gerechtelijke vereffening, gaat de rechtbank over tot de aanwijzing van een vereffenaar en, in voorkomend geval, tot diens vervanging. De schuldeiser van een vennootschap die vrijwillig in vereffening werd gesteld bij besluit van de algemene vergadering, lijkt daarentegen enkel te beschikken over het rechtsmiddel van de aansprakelijkheidsvordering tegen de vereffenaar. Nog steeds volgens de verwijzende rechter, bevinden de schuldeisers van een burgerlijke vennootschap in vrijwillige vereffening zich niettemin in een situatie die vergelijkbaar is met die van de schuldeisers van de vennootschappen waarvan de vereffening door de rechtbank is uitgesproken. In beide gevallen bevinden zij zich in een situatie van samenloop, en verwachten zij van de vereffenaar of van de curator dat de activa te gelde worden gemaakt en de schuldvorderingen worden betaald met inachtneming van het beginsel van gelijkheid van de schuldeisers. Om die redenen acht de verwijzende rechter het noodzakelijk het Hof de voormelde prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.
- De geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter voert aan dat de bepalingen die in de verwijzingsbeslissing worden beoogd, niet verbieden, noch toestaan dat een gerechtelijk vereffenaar of een curator door de rechtbank van koophandel wordt vervangen. Bijgevolg zou de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vraag, indien het verschil in behandeling tussen schuldeisers ongrondwettig zou moeten worden verklaard, in elk geval ontkennend moeten worden beantwoord omdat de discriminatie in geen enkel opzicht zou voortvloeien uit de bepalingen die de verwijzende rechter beoogt. A.1.
- Overigens zouden de schuldeisers van een burgerlijke vennootschap die in vrijwillige vereffening is gesteld, enerzijds, en de schuldeisers van een vennootschap die in gerechtelijke vereffening is gesteld of in staat van faillissement is verklaard, anderzijds, zich in een fundamenteel verschillende situatie bevinden, zodat zij niet zinvol zouden kunnen worden vergeleken. De schuldeisers van een vennootschap in vrijwillige vereffening zouden immers niet het recht hebben te verzoeken om de vervanging van de vereffenaar omdat die laatste in dat geval zijn mandaat zou hebben 4 verkregen van de algemene vergadering van de aandeelhouders. De schuldeisers van een vennootschap in gerechtelijke vereffening of van een gefailleerde vennootschap zouden daarentegen als gesprekspartners mandatarissen hebben die zijn benoemd door de rechtbank van koophandel die, in haar hoedanigheid van mandaatgever, de enige zou zijn die het aan de gerechtelijke vereffenaar of aan de curator toevertrouwde mandaat kan herroepen. De procedures van vrijwillige vereffening, enerzijds, en die van gerechtelijke vereffening of faillissement, anderzijds, zouden overigens van toepassing zijn op fundamenteel verschillende situaties. Voor het overige zou de rechtbank van koophandel nooit bevoegd zijn om de vereffenaar van een vrijwillig in vereffening gestelde vennootschap te ontslaan, ongeacht of die vennootschap een burgerlijke vennootschap is of een handelsvennootschap. Wat dat betreft zou bijgevolg geen discriminatie bestaan tussen de schuldeisers. Ten slotte zou aan de RSZ geen rechtsmiddel zijn ontnomen. Hij had immers voor de rechter in kort geding de aanwijzing kunnen vragen van een zaakvoerder ad hoc. Hij zou eveneens de vereffenaar aansprakelijk kunnen stellen, op dezelfde wijze als de schuldeiser van een handelsvennootschap dat kan doen. A.1.
- De geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter is verder nog van mening dat de prejudiciële vraag, door de formulering ervan, in die zin zou kunnen worden geïnterpreteerd dat zij het feit onderstreept dat een burgerlijke vennootschap niet in staat van faillissement kan worden verklaard, noch in gerechtelijke vereffening kan worden gesteld. Een dergelijke situatie zou echter niet het gevolg zijn van de in de prejudiciële vraag beoogde wettelijke bepalingen. Bovendien zou dat verschil in behandeling niet discriminerend zijn omdat handelaars en personen die alleen burgerlijke daden stellen, niet zinvol zouden kunnen worden vergeleken. A.2.
- De Ministerraad merkt op dat de burgerlijke vennootschappen met handelsvorm, wat de ontbinding en vereffening ervan betreft, onderworpen zijn aan dezelfde bepalingen als de handelsvennootschappen. Hij herinnert overigens eraan dat, wanneer de vrijwillige of gerechtelijke ontbinding wordt uitgesproken, de persoon die als vereffenaar is aangewezen diegene moet zijn die als dusdanig wordt beoogd in de statuten van de vennootschap. Alleen wanneer die niet daarin is vermeld, zal de algemene vergadering tot die aanwijzing overgaan. In bepaalde gevallen die limitatief zijn opgesomd in het Wetboek van vennootschappen (artikelen 182, 184 en 833, tweede lid), en uitzonderlijkerwijs, kunnen de rechtbanken ertoe genoodzaakt zijn de vereffenaar aan te wijzen. Buiten die gevallen, zelfs in geval van gerechtelijke ontbinding van een handelsvennootschap, zou de wet aan de rechtbank van koophandel geen enkele bevoegdheid verlenen om de vereffenaars te benoemen. Er zou niettemin een rechtspraak bestaan die een dergelijke bevoegdheid zou bevestigen in bepaalde gevallen, meer bepaald in geval van blokkering binnen de meerderheid van de aandeelhouders of vennoten, in geval van een risico van partijdigheid van de vereffenaar, alsook in de andere gevallen van gerechtelijke ontbinding dan die welke uitdrukkelijk door de wet worden beoogd. Die praktijk zou echter op geen enkele wettelijke bepaling steunen. Overigens zouden de schuldeisers in geen enkel opzicht optreden in het kader van de procedure voor aanwijzing van de vereffenaars. Wat het ontslag van de vereffenaar betreft, onderstreept de Ministerraad dat, wanneer die werd aangewezen door de algemene vergadering van de vennootschap, alleen die laatste hem kan ontslaan. De rechtbanken zouden uitsluitend in het geval van artikel 184 van het Wetboek van vennootschappen kunnen worden aangezocht met zulk een verzoek. Wanneer daarentegen de vereffenaar werd aangewezen door een rechtbank, kan alleen die laatste hem ontslaan. Niettemin moet de nieuwe vereffenaar, buiten de gevallen beoogd in de artikelen 182, 184 en 833, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen, worden aangewezen overeenkomstig de statutaire bepalingen of, indien die daarover ontbreken, door de algemene vergadering van de betrokken vennootschap. De schuldeisers spelen geen enkele rol bij het ontslag van de vereffenaar. De aanzienlijke bevoegdheid van de algemene vergadering voor het aanwijzen en het ontslaan van de vereffenaar zou kunnen worden verklaard door de aard van diens taken. De vereffenaar zou immers optreden als orgaan van de vennootschap tegenover derden, en als mandataris ervan. De bevoegdheid van de algemene vergadering zou identiek zijn, ongeacht of de vennootschap in vereffening een burgerlijke vennootschap is dan wel een handelsvennootschap en ongeacht of de ontbinding vrijwillig is of gerechtelijk, met uitzondering van de drie gevallen die het Wetboek van vennootschappen beoogt. Volgens de Ministerraad zou bijgevolg daaruit moeten worden besloten dat de interpretatie die de verwijzende rechter aan de in het geding zijnde bepalingen geeft, onjuist is. Het zou immers slechts in een uiterst beperkt aantal 5 gevallen zijn waarin de wet voorziet, dat de vereffenaar van een vennootschap die in gerechtelijke vereffening is gesteld, zou kunnen worden ontslagen. Wat dat betreft zou bijgevolg een negatief antwoord moeten worden gegeven op de prejudiciële vraag. A.2.
- De verwijzende rechter zou eveneens de situatie van de schuldeiser van een burgerlijke vennootschap met handelsvorm die in vrijwillige vereffening is gesteld, vergelijken met de situatie van de schuldeiser van een vennootschap die in staat van faillissement is verklaard. De Ministerraad geeft toe dat, in tegenstelling tot de vrijwillige vereffening, de regelgeving inzake faillissement de rechtbank van koophandel toestaat de vervanging van de curator te bevelen. Aangezien overigens de bepalingen met betrekking tot het faillissement niet van toepassing zijn op de burgerlijke vennootschap met handelsvorm, zou de curator niet erom kunnen verzoeken dat het faillissement van die vennootschap wordt bevolen om de aanwijzing te ondervangen van een vereffenaar in wie hij geen vertrouwen heeft. A.2.
- De Ministerraad erkent eveneens dat de schuldeiser van een burgerlijke vennootschap met handelsvorm die in vrijwillige vereffening is gesteld, aan een behandeling wordt onderworpen die verschilt van die waaraan de schuldeiser van een gefailleerde vennootschap is onderworpen. Beide situaties zouden niettemin fundamenteel verschillen. In de eerste plaats zou het gaan om, enerzijds, een burgerlijke vennootschap en, anderzijds, een handelsvennootschap. De stelsels die voor die twee types van vennootschappen gelden, zouden dus fundamenteel verschillend zijn, meer bepaald met betrekking tot het bewijsrecht, de waarborgen die kunnen worden toegekend en de bevoegdheid van de rechtbank. Op dezelfde wijze zou het faillissement alleen van toepassing zijn op de handelsvennootschappen, terwijl de vrijwillige vereffening zou gelden voor alle vennootschapsvormen. Vervolgens zouden de procedures van faillissement en van vrijwillige vereffening wezenlijk verschillend zijn, onder andere wat de aard betreft van de taken die worden toegekend aan de beheerder van de massa. De vereffenaar zou optreden als orgaan en mandataris van de vennootschap, terwijl de curator zou handelen als gerechtelijk mandataris, die de massa van de schuldeisers vertegenwoordigt. A.2.
- Subsidiair is de Ministerraad van mening dat het in het geding zijnde verschil in behandeling op een legitieme doelstelling berust en redelijk verantwoord is in het licht van die doelstelling. De invoering van de burgerlijke vennootschap met handelsvorm zou voortvloeien uit de wet van 14 juni 1926, die tot doel zou hebben gehad de situatie te verbeteren van de vennootschappen die geen handel dreven, door hen in staat te stellen rechtspersoonlijkheid te genieten. Die vennootschappen zouden echter hun burgerlijke karakter behouden en niet de hoedanigheid van handelaar hebben. Daardoor zouden zij niet onderworpen zijn aan de regels die specifiek gelden voor de handelaars - waaronder de faillissementsregeling -, waardoor hun schuldeisers de mogelijkheid wordt ontnomen ze tot faillietverklaring te dagvaarden en de aanwijzing te verkrijgen, door de rechtbank van koophandel, van een echte gerechtelijke mandataris. Op het ogenblik van de aanneming van het Wetboek van vennootschappen zou de wetgever zijn wil hebben bevestigd om het uitsluitend burgerlijke karakter van de burgerlijke vennootschappen met handelsvorm te behouden. Het doel van de wetgever zou bijgevolg erin hebben bestaan om, in een perspectief van economische ontwikkeling, het de burgerlijke vennootschappen mogelijk te maken hun activiteit uit te oefenen in een kader dat hun de zekerheid en de stabiliteit biedt die nodig zijn voor het voortbestaan van die activiteit. Tegelijkertijd zou de wetgever, vanuit de bekommernis de basisclassificatie in acht te nemen waarop het Belgisch burgerlijk recht berust - namelijk het onderscheid tussen burgerlijke daden en daden van koophandel -, ervoor hebben gekozen het burgerlijke karakter van die vennootschappen te behouden. Dergelijke doelstellingen zouden ontegenzeglijk legitiem zijn. Het criterium van onderscheid waarvoor de wetgever heeft geopteerd, zou objectief en pertinent zijn. Het tegenovergestelde aannemen zou volgens de Ministerraad erop neerkomen het onderscheid tussen burgerlijke daden en daden van koophandel opnieuw ter discussie te stellen. Ten slotte zou de wetgever de rechten van de schuldeisers van de burgerlijke vennootschap niet op onevenredige wijze hebben beperkt. Het besluit van de algemene vergadering om de vennootschap vrijwillig te ontbinden en een vereffenaar aan te wijzen, zou in bepaalde gevallen het voorwerp kunnen zijn van een beroep tot nietigverklaring, dat door iedere belanghebbende kan worden ingesteld. Dat zou meer bepaald het geval zijn 6 wanneer de beslissing zou zijn genomen met overtreding van bepaalde vormregels, of wanneer zij zou zijn aangetast door machtsoverschrijding of machtsafwending. Bovendien zou de vereffenaar onderworpen zijn aan een zeer strenge aansprakelijkheidsregeling, die afwijkt van het gemeen recht en die precies werd ingevoerd om de belangen van de schuldeisers te vrijwaren. -B- B.
- Aan het Hof wordt de vraag gesteld of de artikelen 184, 185, 191, 192 en 261 van het Wetboek van vennootschappen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in zoverre zij het de schuldeiser van een burgerlijke vennootschap met handelsvorm die in vrijwillige vereffening is gesteld, die zich bevindt in een situatie van staking van betaling en waarvan het krediet is geschokt, niet mogelijk maken de vervanging te verkrijgen, vanwege de rechtbank, van de door de algemene vergadering benoemde vereffenaar, terwijl in het kader van een gerechtelijke vereffening of een faillissement, de vervanging van de vereffenaar of van de curator wel kan worden verkregen. B.
- Bij artikel 2 van de wet van 2 juni 2006 « tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen, teneinde de vereffeningsprocedure te verbeteren », wordt artikel 184 van het Wetboek van vennootschappen vervangen. Dat laatste bepaalt voortaan dat de vereffenaars pas in functie treden nadat de rechtbank van koophandel is overgegaan tot de bevestiging van hun benoeming door de algemene vergadering. De rechtbank gaat pas over tot een dergelijke bevestiging nadat zij heeft nagegaan dat de vereffenaars alle waarborgen van rechtschapenheid bieden. De rechtbank oordeelt tevens over de handelingen die de vereffenaar eventueel gesteld heeft tussen zijn benoeming door de algemene vergadering en de bevestiging ervan. Zij kan die handelingen met terugwerkende kracht bevestigen, dan wel nietig verklaren indien ze kennelijk in strijd zijn met de rechten van derden. Aan bepaalde personen wordt bovendien het recht ontnomen om de functie van vereffenaar uit te oefenen, tenzij de rechtbank van koophandel in voorkomend geval hun daartoe homologatie verleent. Indien de rechtbank weigert over te gaan tot homologatie of bevestiging, wijst zij zelf, nadat zij werd aangezocht door de vennootschap, door de procureur des Konings of door een belanghebbende derde, een vereffenaar aan, eventueel op voorstel van de algemene vergadering. Krachtens artikel 3 van de voormelde wet wordt verder nog een artikel 189bis in het Wetboek van vennootschappen ingevoegd. Bij dat artikel wordt aan de vereffenaars de 7 verplichting opgelegd in de zesde en de twaalfde maand van het eerste vereffeningsjaar een omstandige staat van de toestand van de vereffening over te zenden aan de griffie van de rechtbank van koophandel. Bij artikel 4 van dezelfde wet wordt artikel 190, § 1, van het Wetboek van vennootschappen aangevuld met de eis dat de vereffenaars, vooraleer de vereffening wordt afgesloten, het plan voor de verdeling van de activa onder de verschillende schuldeisers voor akkoord voorleggen aan de bevoegde rechtbank van koophandel. Wanneer die verplichtingen niet worden nagekomen, kan de rechtbank, op verzoek van het openbaar ministerie of van iedere belanghebbende derde en nadat de vereffenaar werd gehoord, overgaan tot diens vervanging. De vereffenaar die verzuimt de omstandige staat van de toestand van de vereffening over te zenden, loopt bovendien strafsancties op. B.
- Die wet werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 juni
- Artikel 7 van die wet bepaalt : « Binnen het jaar waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, nemen de vereffenaars voor de vereffeningen die lopen op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet de nodige maatregelen om zich te schikken naar de bepalingen ervan ». Het staat niet aan het Hof maar aan de verwijzende rechter te onderzoeken of de nieuwe wet al dan niet een weerslag kan hebben op het hem voorgelegde geschil en of in het licht daarvan aan het Hof nog een prejudiciële vraag dient te worden gesteld. B.
- De zaak dient derhalve naar de verwijzende rechter te worden teruggezonden. 8 Om die redenen, het Hof zendt de zaak terug naar de verwijzende rechter. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 29 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.183 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div