id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.185 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20061129.22 Arrest- Rolnummer: 185/2006 Rechtsgebied: Arbeidsrecht - Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-07-11 Raadplegingen: 231 - laatst gezien 2026-06-30 15:02 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : - In die zin geïnterpreteerd dat artikel 164, tweede lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de daarin beoogde hypothese, de toepassing van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten weigert aan de zorgverstrekkers die hun beroep in het kader van een arbeidsovereenkomst uitoefenen, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In die zin geïnterpreteerd dat zij de toepassing van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten niet uitsluit, schendt diezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidsovereenkomst - Rechten en plichten SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Ziektewetgeving - Verzekering geneeskundige verzorging - Betrekking met zorgverstrekker PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 164 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Ziekte- en invaliditeitsverzekering - Terugbetaling van de onterecht betaalde bedragen door de zorgverstrekker - Zorgverstrekker gebonden door een arbeidsovereenkomst - Bedrog, zware fout en gewoonlijke lichte fout. Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1994 - 164 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Wet - 14-07-1994 - 164,L2 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Wet - 03-07-1978 - 18 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3935 Arrest nr. 185/2006 van 29 november 2006 ___________ In zake : de prejudiciële vraag over artikel 164 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Charleroi. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en J.-P. Snappe, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 20 februari 2006 in zake de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen en de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten tegen T. De Briey en de bvba « Amical Services », waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 8 maart 2006, heeft de Arbeidsrechtbank te Charleroi de volgende prejudiciële vraag gesteld : « In welke mate voert artikel 164 [van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994] geen discriminatie in tussen de zorgverstrekkers die door een arbeidsovereenkomst zijn gebonden en de andere werknemers, daar, voor de eerstgenoemden, de verzekeringsinstellingen - die ten aanzien van de arbeidsrelatie dus derden zijn - die hun aansprakelijkheid in het geding willen brengen wegens een fout tijdens de uitoefening van hun functie, niet ertoe gehouden zijn het bestaan van bedrog, zware schuld of gewoonlijke lichte schuld te bewijzen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - T. De Briey, wonende te 6032 Mont-sur-Marchienne, rue Camille Desy 8; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2006 : - zijn verschenen : . Mr.R. De Baerdemaeker, advocaat bij de balie te Brussel, voor T. De Briey; . Mr. J. Helson, loco Mr. J.-M. Wolter en Mr. J. Vanden Eynde, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en M. Bossuyt verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil T. De Briey heeft het beroep van verpleegster uitgeoefend als werkneemster bij de bvba « Amical Services », en werd ertoe gebracht getuigschriften voor verstrekte hulp in naam van haar werkgever te ondertekenen, waarbij die laatste als de begunstigde van de terugbetalingen werd vermeld. Wanneer zij heeft vernomen dat tussen de bvba « Amical Services » en het Riziv een geschil bestond, weigerde zij de attesten te ondertekenen. Zij werd vervolgens ontslagen wegens zware fout. In zijn arrest van 2 oktober 2000 heeft het Arbeidshof te Bergen geoordeeld dat haar geen enkele zware fout kon worden verweten. 3 De beperkte kamer van het Riziv heeft overigens, bij beslissing van 8 september 1999, geoordeeld dat T. De Briey getuigschriften voor verstrekte hulp had ondertekend en afgegeven, getuigschriften die aan de ziekte- en invaliditeitsverzekering niet te bewijzen of niet uitgevoerde verstrekkingen aanrekenden die voor de verzekering een onterechte uitkering met zich meebrachten. De beperkte kamer heeft evenwel geen enkele sanctie te haren aanzien uitgesproken, gelet op haar goede trouw en het feit dat zij daarvan geen profijt heeft getrokken. Ten slotte werd T. De Briey op 12 februari 2003 door de Correctionele Rechtbank te Charleroi vrijgesproken van de tenlasteleggingen van valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken in het nadeel van het Riziv, bij ontstentenis van het vereiste morele element. Bij de Arbeidsrechtbank te Charleroi hebben de Landsbond van de Onafhankelijke Ziekenfondsen en de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten een verzoek ingediend om T. De Briey en de bvba « Amical Services » hoofdelijk ertoe te veroordelen hun de ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te betalen. De Rechtbank stelt vast dat, op grond van artikel 164 van de wet van 14 juli 1994, de zorgverstrekker die de wets- of verordeningsbepalingen niet heeft nageleefd, de ten onrechte uitgekeerde bedragen moet terugbetalen. Hij is van mening dat die bepaling een stelsel van burgerrechtelijke aansprakelijkheid invoert dat, indien de zorgverstrekker een werknemer is, afwijkt van het beginsel vervat in artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. De Rechtbank is van mening dat een en ander leidt tot een discriminatie tussen de werknemers die medische of paramedische prestaties uitoefenen en de andere werknemers, en stelt bijgevolg de hiervoor weergegeven vraag aan het Hof. III. In rechte -A- A.
- T. De Briey voert aan dat artikel 164 van de wet van 14 juli 1994 een stelsel organiseert volgens hetwelk de verzekeringsinstellingen een vordering tot terugbetaling rechtstreeks kunnen instellen tegen de zorgverstrekker, werknemer of zelfstandige, die, door een fout te begaan, een onterechte betaling heeft veroorzaakt. Zij is van mening dat die bepaling een stelsel van burgerrechtelijke aansprakelijkheid verbonden aan het bestaan van een fout invoert, en niet een stelsel van terugbetaling van een onverschuldigd bedrag, dat alleen kan worden toegepast op de persoon die de betaling daadwerkelijk heeft ontvangen, wat te dezen niet het geval is van de zorgverstrekker. Zij preciseert dat artikel 164 zelfs van toepassing is in geval van een lichte fout die geen gewoonlijk karakter vertoont of in geval van gewone nalatigheid. A.1.
- T. De Briey voert aan dat, in tegenstelling tot het voormelde artikel 164, artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten een beperking van de aansprakelijkheid in het voordeel van de werknemer invoert, vermits hij ten aanzien van derden niet aansprakelijk is voor zijn gewone nalatigheid of zijn lichte fout, op voorwaarde dat die geen gewoonlijk karakter vertoont. Zij preciseert dat een deel van de rechtspraak van oordeel is dat die bepaling van openbare orde is, omdat zij tot doel heeft de werknemer te beschermen. A.1.
- T. De Briey is van mening dat een zorgverstrekker met het statuut van werknemer zich bevindt in een situatie die vergelijkbaar is met of identiek is aan die van elke werknemer, met name door het bestaan van een juridische ondergeschiktheid, en dat hij is blootgesteld aan risico’s die soortgelijk zijn aan die waaraan elke werknemer is blootgesteld. Zij is dus van oordeel dat de situatie waarin zij zich bevindt, discriminerend is, te meer omdat verschillende overheden tot vier keer toe hebben geoordeeld dat zij geen fout heeft begaan waarvoor zij op grond van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 aansprakelijk kon worden gesteld. A.1.
- T. De Briey citeert uit het arrest nr. 77/96 van 18 december 1996 en besluit dat het verschil in behandeling tussen een zorgverstrekker in loondienst op wie artikel 164 van de wet van 14 juli 1994 van toepassing is, en een werknemer op wie het stelsel van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 van toepassing is, niet verantwoord is. A.2.
- De Ministerraad is van mening dat de prejudiciële vraag niet voldoet aan artikel 27, § 2, van de bijzondere wet op het Arbitragehof, omdat de Rechtbank niet preciseert op welk lid van artikel 164 haar vraag 4 betrekking heeft en niet aangeeft welke grondwettelijke norm zou zijn geschonden, zodat de vraag te vaag en onnauwkeurig is. In ondergeschikte orde is hij van mening dat de in het geding zijnde wetsbepaling het tweede lid van artikel 164 is en beperkt hij zijn memorie tot het onderzoek van die bepaling, die in verband wordt gebracht met artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. A.2.
- Als antwoord suggereert T. De Briey dat het Hof de vraag eventueel herformuleert teneinde die binnen de precieze perken van het contentieux te plaatsen waarvoor het bevoegd is, maar merkt zij op dat de Ministerraad heeft geantwoord op de prejudiciële vraag zoals die zou kunnen worden geherfomuleerd, wat aantoont dat die herformulering geen enkel gevolg voor de inhoud ervan zou hebben. A.3.
- De Ministerraad verwijst naar de parlementaire voorbereiding van de bepalingen die artikel 164 van de wet van 14 juli 1994 hebben ingevoerd en vervolgens gewijzigd, en voert aan dat de wil van de wetgever erin bestond de persoon die de fout heeft begaan of nalatig is geweest, de terugbetaling van het onterecht betaalde bedrag ten laste te leggen. Hij wijst overigens erop dat artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ertoe strekt de werknemer te beschermen tegen elke aansprakelijkheidsvordering in geval van schade die de laatstgenoemde tijdens de uitvoering van zijn overeenkomst aan de werkgever of aan derden heeft berokkend. A.3.
- T. De Briey betwist dat de in het geding zijnde bepaling een mechanisme van terugbetaling van het onterecht betaalde bedrag is en voert aan dat zij een fout veronderstelt en de terugbetaling ten laste legt van de zorgverstrekker, zelfs indien hij zich niet heeft verrijkt. A.4.1.
- De Ministerraad verwijst naar de rechtspraak en voert aan dat de toepassing van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 op de personen die een beroep betreffende de geneeskunst uitoefenen, vaststaat. Hij is van mening dat de in het geding zijnde bepaling bijgevolg in die zin kan worden geïnterpreteerd dat zij de toepassing van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 niet uitsluit, waarbij beide stelsels samen bestaan en gezamenlijk door de feitenrechter moeten worden beoordeeld, zonder dat het ene voorrang kan krijgen op het andere. De Ministerraad besluit hieruit dat de werknemer, in het kader van een terugvordering van een onterechte betaling, het recht heeft om de bijzondere bescherming die artikel 18 van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten hem biedt, tegen te werpen aan de verzekeringsinstelling. De Ministerraad is van mening dat, indien de in het geding zijnde bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd, de prejudiciële vraag zonder voorwerp is. In zijn memorie van antwoord voegt de Ministerraad eraan toe dat het door de in het geding zijnde bepaling ingevoerde wettelijke stelsel geenszins automatisch impliceert dat de solidariteit die is ingevoerd tussen de zorgverstrekker die de fout heeft begaan en de derde die de onterechte terugbetalingen heeft ontvangen, niet kan worden beoordeeld door rekening te houden met hun contractuele relatie en dus met het feit of al dan niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 18 van de wet van 3 juli
- Voorts preciseert hij dat de beoordeling van de fout van de werknemer in het kader van dat artikel 18 strikter zou kunnen zijn dan in andere situaties van aansprakelijkheid van een werknemer en dat de rechtbank met name rekening zou kunnen houden met de bijzondere opdracht van nagenoeg openbare dienst die de verplegers uitvoeren. A.4.1.
- T. De Briey is van mening dat de twee beslissingen waarnaar de Ministerraad verwijst, niet kunnen worden omgezet naar het onderhavige geval, zodat de prejudiciële vraag volkomen relevant blijft. A.4.
- De Ministerraad voegt eraan toe dat de zorgverstrekker eveneens op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk kan worden gesteld. In alle gevallen zal de verzoeker het bewijs moeten leveren dat de zorgverstrekker een fout heeft begaan en in beide gevallen zal de werkgever kunnen worden veroordeeld tot de terugbetaling van de onterecht ontvangen bedragen, ofwel op grond van artikel 1384, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, ofwel als rechtspersoon of natuurlijke persoon die de onterechte betalingen heeft ontvangen, met toepassing van artikel 164, tweede lid, van de wet van 14 juli
- A.5.
- De Ministerraad is van mening dat de twee categorieën van personen die bij de prejudiciële vraag zijn betrokken, niet met elkaar vergelijkbaar zijn, aangezien de zorgverstrekkers door hun prestaties een recht op terugbetaling voor hen of voor hun werkgever doen ontstaan, en dat een dergelijk mechanisme los staat van het gewone stelsel van de andere werknemers en bijzondere aanpassingen vereist teneinde de overheidsfinanciën te beschermen tegen elke vorm van fraude of vergissing. 5 A.5.
- T. De Briey antwoordt dat de twee categorieën van werknemers die met elkaar worden vergeleken, handelen in een verhouding van ondergeschiktheid die voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst en dat de motieven die de wetgever ertoe hebben gebracht de aansprakelijkheid van de werknemers te beperken door artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 aan te nemen, eveneens bestaan voor de zorgverstrekker in loondienst die voor rekening van een werkgever handelt. A.6.
- De Ministerraad is van mening dat, voor zover een verschil in behandeling van soortgelijke situaties bestaat, dient te worden vastgesteld dat het gemaakte onderscheid objectief en redelijk verantwoord is ten aanzien van het doel van de wetgever. Hij verwijst naar de arresten nrs. 102/2000 en 26/
- A.6.
- De Ministerraad voert aan dat het Hof van oordeel is dat het door het in het geding zijnde artikel 164, tweede lid, ingevoerde mechanisme geen strikte toepassing is van artikel 1376 van het Burgerlijk Wetboek, maar moet worden beschouwd als een vorm van bijzondere aansprakelijkheid, een rechtstreekse vordering ten behoeve van de verzekeringsinstelling waarbij een terugvordering van een onterechte betaling en een bijzonder stelsel van burgerrechtelijke aansprakelijkheid met elkaar worden gecombineerd. Hij preciseert dat het in alle gevallen aan de verzekeringsinstelling zal staan om voor de feitenrechter aan te tonen dat de zorgverstrekker daadwerkelijk een gedrag heeft aangenomen dat tot het onterechte karakter van de terugbetaling heeft geleid en dat, indien de zorgverstrekker door zijn statuut van werknemer een bijzondere bescherming inzake aansprakelijkheid geniet, de verzekeringsinstelling zal moeten aantonen dat is voldaan aan de bij artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 opgelegde voorwaarden. A.
- Tot besluit is de Ministerraad van mening dat het in het geding zijnde artikel 164, tweede lid, niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer de zorgverstrekker handelt in het kader van een arbeidsovereenkomst, aangezien de rechter de toepassing van dat artikel kan weigeren ten aanzien van de betrokken werknemer wanneer de verzekeringsinstelling het bestaan van bedrog, zware schuld of gewoonlijke lichte schuld niet aantoont, overeenkomstig de vereisten van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. -B- B.1.
- Uit de motieven van het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Charleroi kan worden afgeleid dat het Hof daarin enkel wordt ondervraagd over het tweede lid van artikel 164 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, dat bepaalt : « De ten onrechte uitbetaalde prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging die langs de derdebetalersregeling zijn betaald, moeten terugbetaald worden door de zorgverstrekker die de wets- of verordeningsbepalingen niet heeft nageleefd. Indien een natuurlijke persoon of een rechtspersoon de prestaties voor eigen rekening heeft geïnd, is deze samen met de zorgverlener hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling ervan. […] ». B.1.
- De verzekeringsinstelling die bedragen heeft uitgekeerd op basis van getuigschriften voor verstrekte hulp die met schending van de wets- of verordeningsbepalingen zijn opgemaakt, beschikt op grond van die bepaling over een rechtstreekse vordering tegen de zorgverstrekker die, door zijn fout of zijn nalatigheid, de 6 onterechte betaling heeft veroorzaakt. Die bepaling voert dus een regeling in die niet kan worden beschouwd als een gewone toepassing ter zake van het mechanisme van de terugvordering van het onverschuldigde bedrag, daar de terugvordering van de bedragen gebeurt ten laste van de zorgverstrekker, zelfs indien hij niet de begunstigde ervan was. Dat stelsel moet worden beschouwd als een combinatie van de terugvordering van het onverschuldigde bedrag en een bijzonder stelsel van burgerrechtelijke aansprakelijkheid. B.1.
- De verwijzende rechter is van mening dat die bepaling afwijkt van het stelsel van de beperking van de aansprakelijkheid van de werknemers dat voortvloeit uit artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, dat bepaalt : « Ingeval de werknemer bij de uitvoering van zijn overeenkomst de werkgever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is hij enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. […] ». B.1.
- Het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling tussen de werknemers die een medisch of paramedisch beroep uitoefenen op wie artikel 164, tweede lid, van de voormelde wet van 14 juli 1994 van toepassing is, en alle andere werknemers die, op grond van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978, alleen aansprakelijk zijn voor hun bedrog of zware fout, alsook voor hun gewoonlijke lichte fouten. B.
- Het specifieke karakter van de medische en paramedische beroepen maakt het niet mogelijk te besluiten dat de personen die deze beroepen in het kader van een arbeidsovereenkomst en onder het gezag van een werkgever uitoefenen, niet vergelijkbaar zouden zijn met de andere werknemers wanneer hun aansprakelijkheid moet worden beoordeeld voor de fouten die zij tijdens de uitvoering van hun overeenkomst hebben gepleegd. B.
- Door de zorgverstrekker die, door zijn fout of door zijn nalatigheid, een onterechte betaling heeft veroorzaakt, ertoe te verplichten de verzekeringsinstelling de onterecht uitgekeerde bedragen terug te betalen, is de wetgever tegemoet gekomen aan de vereiste om 7 de ziekte- en invaliditeitsverzekering, meer bepaald de overheidsgelden, te beschermen tegen al wie haar ten gronde zou kunnen richten door zijn onachtzaamheid of misbruik, door middel van een controlesysteem dat niet doeltreffend kan zijn zonder een zekere rigiditeit. De verplichting die aldus ten laste van de zorgverstrekker wordt gelegd, wijkt niet fundamenteel af van het gemeen recht. Het gemeen recht heeft immers ook zware gevolgen voor diegene die een betaling heeft ontvangen waarvan hij niet wist dat ze niet verschuldigd was of die door zijn lichte fout grote schade heeft veroorzaakt. De omvang van de verplichting ten laste van de zorgverstrekker verschilt noch van de omvang van de verplichting tot teruggave wanneer er sprake is van de terugvordering van onverschuldigde bedragen - waarbij die terugvordering het volledige onverschuldigde bedrag dekt - noch van de omvang van de verplichting tot herstel in geval van burgerrechtelijke aansprakelijkheid, die eveneens de geleden schade volledig dekt. B.
- Het Hof moet echter nog nagaan of de verplichting tot terugbetaling van de onterecht betaalde bedragen, voorgeschreven bij het in het geding zijnde artikel 164, tweede lid, niet onevenredig is wanneer zij wordt toegepast op een zorgverstrekker die zijn beroep uitoefent in het kader van de uitvoering van een arbeidsovereenkomst en wiens fout, die tot de onterechte betaling heeft geleid, door de rechter zou kunnen worden beschouwd als een occasionele lichte fout in de zin van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. B.
- De versoepeling van de regels van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in het voordeel van de werknemers wat de gevolgen van hun niet-gewoonlijke lichte fouten betreft, is verantwoord door de zorg van de wetgever om de werknemer te beschermen tegen de vergoeding, door hem, van elke schade die door zijn occasionele lichte fout is veroorzaakt tijdens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst, rekening houdend met het verhoogde risico dat elke beroepsactiviteit impliceert en met het feit dat de werknemers hun activiteit ten voordele van hun werkgever en onder diens gezag uitoefenen. B.
- Het Hof ziet niet in om welke reden dat doel niet eveneens zou moeten worden nagestreefd voor de personen die een medisch of paramedisch beroep uitoefenen in het kader van een arbeidsovereenkomst en tegen wie een vordering tot terugbetaling op grond van artikel 164, tweede lid, wordt ingesteld. Die personen zijn, zoals alle werknemers, 8 blootgesteld aan het risico om occasionele lichte fouten te begaan tijdens de uitvoering van hun overeenkomst en zij oefenen hun beroep ten voordele van hun werkgever en onder diens gezag uit. Het is dan ook niet verantwoord hen anders te behandelen dan de andere werknemers door hun het voordeel van de in artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten voorgeschreven bescherming te weigeren. B.
- In die zin geïnterpreteerd dat het, in de daarin beoogde hypothese, de toepassing van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten weigert aan de zorgverstrekkers die hun beroep in het kader van een arbeidsovereenkomst uitoefenen, schendt artikel 164, tweede lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.8.
- Het Hof merkt evenwel op dat het door die bepaling ingevoerde aansprakelijkheidsstelsel kan worden gecombineerd met de bescherming die artikel 18 van de voormelde wet van 3 juli 1978 biedt, zodat, wanneer de zorgverstrekker die de wets- of verordeningsbepalingen niet heeft nageleefd, die administratieve fout tijdens de uitoefening van zijn arbeidsovereenkomst heeft begaan, de verzekeringsinstelling die hem wil laten veroordelen tot de terugbetaling, bedoeld in artikel 164, tweede lid, van de bedragen die zij onterecht heeft betaald, moet aantonen dat die fout bedrog of een zware fout uitmaakt of dat het gaat om een gewoonlijke lichte fout. B.8.
- In die interpretatie schendt artikel 164, tweede lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In die zin geïnterpreteerd dat artikel 164, tweede lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de daarin beoogde hypothese, de toepassing van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten weigert aan de zorgverstrekkers die hun beroep in het kader van een arbeidsovereenkomst uitoefenen, schendt het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In die zin geïnterpreteerd dat zij de toepassing van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten niet uitsluit, schendt diezelfde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 29 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.185 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div