id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 29 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.186 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20061129.20 Arrest- Rolnummer: 186/2006 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-07-10 Raadplegingen: 192 - laatst gezien 2026-06-30 14:45 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof stelt vast dat het niet bevoegd is om de prejudiciële vraag te beantwoorden. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTERLIJKE ORGANISATIE - Tucht Rechterlijke orde PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 412, § 2, 1°, eerste streepje, en 3°, vierde streepje, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 13 van de wet van 7 juli 2002, gesteld door de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent. Prejudiciële vraag - Onbevoegdheid van het Hof - Vraag gesteld door een tuchtoverheid. # Gerechtelijk recht - Tuchtprocedure - Leden van het openbaar ministerie. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 07-07-2007 - 412,§2,1° - 43 Link Justel databank 20070707-43 Gerechtelijk Wetboek - 07-07-2007 - 412,§2,3° - 43 Link Justel databank 20070707-43 Tekst van de beslissing Rolnummer 3959 Arrest nr. 186/2006 van 29 november 2006 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 412, § 2, 1°, eerste streepje, en 3°, vierde streepje, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 13 van de wet van 7 juli 2002, gesteld door de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij beslissing van 5 april 2006, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 10 april 2006, heeft de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt het artikel 412, § 2, 1°, eerste streepje, en 3°, vierde streepje, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd door de wet van 7 juli 2002 tot wijziging van deel II, boek II, titel V, van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de tucht en tot intrekking van de wet van 7 mei 1999 tot wijziging, wat het tuchtrecht voor de leden van de rechterlijke orde betreft, van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, op zich en gelezen in samenhang met het artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, doordat, in het kader van een tuchtprocedure, de zware tuchtstraffen ten aanzien van de in bedoeld artikel opgesomde leden van het Openbaar Ministerie worden opgelegd door een hiërarchische overste, met name de procureur-generaal bij het hof van beroep, niet-lid van de rechterlijke macht, en zonder dat voorzien is in enigerlei vorm van rechterlijke controle, terwijl de zware tuchtstraffen ten aanzien van de leden van de zittende magistratuur, met uitzondering van de magistraten van het Hof van Cassatie, worden opgelegd door de eerste kamer van het Hof van beroep ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - F. D.G.; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2006 : - zijn verschenen : . Mr. P. Hofströssler, advocaat bij de balie te Brussel, voor F. D.G., alsook F. D.G., in eigen persoon; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. Lavrysen en J.-P. Snappe verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de voorafgaande rechtspleging 3 Tegen een eerste substituut-procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde werd een tuchtonderzoek geopend. De bevoegde kamer van de Nationale Tuchtraad heeft, na de betrokkene te hebben gehoord, een advies uitgebracht dat de intrekking van het mandaat van de betrokkene inhoudt alsook het aanhangig maken van de zaak bij de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent, die bevoegd is om die tuchtstraf toe te passen. De Procureur-generaal heeft betrokkene in openbare zitting gehoord, die hem heeft verzocht een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof. De Procureur-generaal oordeelt dat het niet hem maar wel het Hof toekomt te oordelen of hij als rechtscollege in de zin van artikel 26, § 2, van de bijzondere wet op het Arbitragehof moet worden beschouwd. Alvorens uitspraak te doen, stelt hij de hierboven aangehaalde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof A.
- De Ministerraad meent om verschillende redenen dat de Procureur-generaal, zitting houdend in tuchtzaken, geen rechtscollege uitmaakt zodat het Hof onbevoegd is om op de gestelde prejudiciële vraag te antwoorden. De Ministerraad verwijst naar artikel 142, derde lid, van de Grondwet dat bepaalt dat de zaak bij het Hof aanhangig kan worden gemaakt door iedere bij wet aangewezen overheid, door ieder die doet blijken van een belang, of prejudicieel, door ieder rechtscollege. Ook vermeldt de Ministerraad de passus in de verwijzingsbeslissing waarin de Procureur-generaal schrijft dat « het […] niet aan de verwijzingsrechter, maar wel [aan] het Arbitragehof toe[komt] er over te oordelen of hij [dus de verwijzingsrechter] wel over de vereiste hoedanigheid beschikt om als ‘ rechtscollege ’ in de zin van voormeld artikel te worden beschouwd ». Ook stelt de verwijzingsrechter dat « in dit verband er aan [kan] worden herinnerd dat de tuchtprocedure wordt geregeld door de artikelen 417 tot en met 427 van het Gerechtelijk Wetboek (eigenlijke procedureregels, openbaarheid van de terechtzitting, vrijwaring van de rechten van verdediging, verzet, hoger beroep, motiveringsverplichting van de tuchtbeslissing, verplichting tot kennisgeving) en dat sommige zware tuchtstraffen van de eerste graad, die door de procureur-generaal, zitting houdend in tuchtzaken, kunnen worden opgelegd, voor de gesanctioneerde een verlies van rechten teweeg brengt ». A.2.
- In de eerste plaats stelt de Ministerraad dat uit het verloop van de tuchtprocedure geen besluit aangaande de (al dan niet jurisdictionele) aard van het tuchtorgaan kan worden afgeleid. Met uitzondering van de principiële openbaarheid van de terechtzitting kunnen alle in de verwijzingsbeslissing vermelde eigenschappen immers ook worden teruggevonden in puur administratiefrechtelijke tuchtprocedures, zonder dat de organen die deze procedures behandelen als rechtscolleges kunnen worden beschouwd. Daarnaast meent de Ministerraad dat het verschil inzake de openbaarheid van de terechtzitting slechts relatief is. De betrokken magistraat kan immers de behandeling achter gesloten deuren vragen (artikel 421, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek), en ook voor de administratieve overheden kan de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar de publieke behandeling vragen, wanneer daarin niet uitdrukkelijk is voorzien. A.2.
- Vervolgens, zo meent de Ministerraad, volgt uit het feit dat tuchtprocedures doorgaans veel gelijkenissen vertonen met strafprocedures niet dat tuchtorganen ook effectief rechtscolleges zijn. A.2.
- De Ministerraad merkt ook op dat de Procureur-generaal uitspraak doet in zijn hoedanigheid van hiërarchische overste en dat zijn beslissing vatbaar is voor hoger beroep bij de minister van Justitie (artikel 415, § 6, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek). Als de Procureur-generaal, zitting houdend in tuchtzaken, wordt beschouwd als rechtscollege zou dat betekenen dat een administratieve overheid - de minister van Justitie - bevoegd is om een rechterlijke beslissing te hervormen. 4 A.2.
- Vervolgens verwijst de Ministerraad naar het arrest nr. 39/2004 van 17 maart 2004 waarin het Hof oordeelde dat de tuchtoverheden bevoegd om een lichte straf uit te spreken geen rechtscolleges zijn. De Ministerraad ziet geen reden om tot een ander besluit te komen voor wat de Procureur-generaal, zitting houdend als tuchtoverheid, betreft. A.2.
- Ten slotte, zo oordeelt de Ministerraad, blijkt uit de prejudiciële vraag zelf dat ook de betrokkene de mening is toegedaan dat hij niet voor een rechtscollege verschijnt. Hij meent immers gediscrimineerd te zijn doordat de tuchtstraf opgelegd wordt door zijn hiërarchische overste en niet door een rechtscollege. A.3.
- De betrokkene merkt op dat het begrip « rechtscollege » nergens uitdrukkelijk wordt gedefinieerd, zodat het in beginsel aan het Hof toekomt om het begrip nader in te vullen. Hij verwijst in dat verband inzonderheid naar het arrest nr. 65/96, waarin het Hof zich heeft uitgesproken over een prejudiciële vraag gesteld door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. Er zijn geen algemene criteria, zo leidt hij uit dat arrest af, om uit te maken of een bepaalde instantie een rechtscollege is in de zin van artikel 142 van de Grondwet. Het bestaan van een rechtscollege wordt bepaald aan de hand van verschillende elementen. In ieder geval zou het begrip « rechtscollege » op een zeer ruime wijze worden geïnterpreteerd. Het betreft niet alleen de traditionele rechtscolleges van de rechterlijke macht, maar ook de administratieve rechtscolleges en zelfs de tuchtrechtscolleges. A.3.
- Vervolgens is de betrokkene van oordeel dat de Procureur-generaal, zitting houdend als tuchtoverheid, een rechtscollege is in de zin van artikel 142 van de Grondwet. Hij wijst op het belang van het onderscheid tussen lichte en zware tuchtstraffen. In tegenstelling tot de lichte tuchtstraffen, die slechts een middel in handen van de korpsoverste zijn om de goede werking van de instelling te handhaven, hebben zware tuchtstraffen niet alleen een aanzienlijke impact op het professionele leven van de betrokken magistraat, maar tevens op zijn persoonlijke leven en zelfs op dat van zijn naaste familieleden. Daardoor zou een behandeling door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie onontbeerlijk zijn. Het arrest nr. 39/2004 waarop de Ministerraad zich beroept, had betrekking op lichte straffen. A.3.
- Betrokkene merkt ook op dat de dualiteit van een administratief orgaan dat een rechtsprekende functie uitoefent in onze rechtsorde niet onbekend is. Hij verwijst in dat verband naar het probleem van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid in het kader van de tuchtregeling voor de leden van de balie, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot de wijziging van een aantal bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. A.3.
- Ten slotte meent betrokkene dat uit de parlementaire voorbereiding de bedoeling kan worden afgeleid om de Procureur-generaal als een instantie met volle rechtsmacht en dus als een rechtscollege te beschouwen. Uit de parlementaire voorbereiding zou ook blijken dat het oorspronkelijk wel de bedoeling van de wetgever was om de tuchtprocedure toe te vertrouwen aan een externe en onafhankelijke instantie, de Nationale Tuchtraad, die uiteindelijk slechts een loutere onderzoeks- en adviesbevoegdheid kreeg in het kader van het opleggen van zware tuchtstraffen. Ten gronde A.
- Volgens betrokkene bestaat de discriminatie erin dat bij het opleggen van zware tuchtstraffen tijdens een tuchtprocedure de leden van het openbaar ministerie uitsluitend worden berecht door hun hiërarchische korpsoverste, zonder enige mogelijkheid tot rechterlijke controle, terwijl de leden van de zittende magistratuur worden berecht door de eerste kamer van het hof van beroep, waarin naast hun korpsoverste tevens andere leden van de rechterlijke macht zitting nemen. Die ongelijke behandeling wordt door geen enkele doelstelling verantwoord en brengt onevenredige gevolgen met zich mee. A.5.
- Betrokkene stelt dat het gaat om twee vergelijkbare categorieën van magistraten. Aan de ene kant zijn er de magistraten van het openbaar ministerie en aan de andere kant de leden van de zittende magistratuur. Beide categorieën van magistraten maken deel uit van de rechterlijke orde en dragen bij tot de handhaving van het recht en de goede rechtsbedeling in een democratische samenleving waarbij de kwaliteit van de rechtspraak moet worden gegarandeerd. Voor beide categorieën van magistraten geldt een grondwettelijk gewaarborgde fundamentele onafhankelijkheid. Die onafhankelijkheid werd expliciet grondwettelijk vastgelegd voor de magistraten van het openbaar ministerie, namelijk bij artikel 151 van de Grondwet. 5 Het openbaar ministerie is hiërarchisch georganiseerd en treedt op zowel in het kader van het strafrecht als in het kader van het burgerlijk recht. De betrokkene erkent dat aan beide soorten van magistraten verschillende taken werden toebedeeld. Immers, wanneer de magistraat van het openbaar ministerie zijn advies op de terechtzitting uitbrengt, verschilt hij van de rechter in die zin dat de rechter recht spreekt, meer bepaald een beslissing velt betreffende het geschil, terwijl de magistraat van het openbaar ministerie het algemeen belang vertegenwoordigt en op overeenstemmende wijze in rechte vordert, de rechter voorlicht en hem bij wijze van advies bijstaat. Hoewel de magistraten verschillende taken uitoefenen, betekent dit volgens betrokkene niettemin dat de magistraten van het openbaar ministerie een onmisbare medewerking verlenen aan de taak van de rechter en aldus aan de uitoefening van de rechterlijke macht. Betrokkene oordeelt dan ook dat het openbaar ministerie een rechterlijke functie uitoefent die gelijkwaardig is aan die van de zittende magistratuur. A.5.
- Aangezien het gaat om twee vergelijkbare categorieën van magistraten die zich in gelijke situaties bevinden, moeten zij op een gelijke wijze worden behandeld en dient een ongelijke behandeling op een redelijke en objectieve wijze te worden gerechtvaardigd. Aan de leden van het openbaar ministerie wordt het recht op een onafhankelijke en onpartijdige instantie ontzegd zonder enige redelijke en afdoende verantwoording, ondanks de aanzienlijke gevolgen zowel op financieel als op persoonlijk vlak. Ook voor de verdere loopbaan van de betrokken magistraat kunnen de gevolgen nefast zijn. Betrokkene acht het logisch verantwoord dat lichte straffen worden opgelegd door de hiërarchische korpsoverste. Het is immers een middel om de goede werking van de instelling waarvoor hij instaat te handhaven. Wat het opleggen van de zware straffen betreft, is er geen reden om de magistraten van het openbaar ministerie (artikel 412, § 2, 3°, vierde streepje, van het Gerechtelijk Wetboek) anders te behandelen dan de zittende magistraten, met uitzondering van de magistraten van het Hof van Cassatie (artikel 412, § 2, 1°, eerste streepje, van het Gerechtelijk Wetboek). A.5.
- Niets belet volgens betrokkene dat de wetgever in een verschillende procedure voorziet naar gelang van de zwaarte van de tuchtstraf die kan worden uitgesproken. Hij mag daarbij evenwel niet op onevenredige wijze afbreuk doen aan de rechten van de betrokken partijen. Uit het arrest nr. 76/92 van 18 november 1992 blijkt dat, gelet op de verschillende bevoegdheden en vanwege het bestaan van een grondwettelijke basis voor een verschillend statuut, een verschil in de tuchtprocedure tussen zittende magistraten en magistraten van het openbaar ministerie niet in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Sindsdien is het grondwettelijke kader echter substantieel gewijzigd. De Grondwetgever heeft met artikel 151 van de Grondwet het openbaar ministerie duidelijk extra waarborgen willen geven op het vlak van onafhankelijkheid bij de behandeling van individuele dossiers, op eenzelfde wijze als voor de zittende magistraten. Hoewel zowel de Hoge Raad voor de Justitie als de Raad van State hebben gewezen op de ongelijke behandeling, handhaafde de wetgever het verschil in behandeling tussen de leden van de zittende magistratuur en de leden van het openbaar ministerie. In de memorie van toelichting handhaaft de wetgever het verschil in behandeling op grond van de volgende redenering. De wetgever stelt dat artikel 151 van de Grondwet niet alleen bepaalt dat het openbaar ministerie onafhankelijk is in de individuele opsporing en vervolging, maar dat het eveneens het positief injunctierecht van de minister van Justitie en zijn bevoegdheid om de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid vast te leggen, institutionaliseert. Daarbij komt ook nog dat artikel 153 van de Grondwet bepaalt dat de Koning de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken benoemt en ontslaat. Betrokkene acht de verantwoording die de wetgever geeft onvoldoende. Wat betreft het opleggen van zware tuchtstraffen, rechtvaardigt ze geenszins de ongelijke behandeling van het openbaar ministerie ten opzichte van de zittende magistratuur. Zij toont aldus niet aan waarom aan de magistraten van het openbaar ministerie het recht op behandeling door een rechterlijke instantie wordt ontzegd, terwijl daarentegen de magistraten van de zetel wel voor een rechterlijke instantie komen. Bij ontstentenis van rechtvaardiging voor het door de bestreden bepaling gecreëerde onderscheid, zou er dan ook een schending zijn van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 6 A.
- De toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie is een fundamentele grondwettelijke waarborg die geldt voor eenieder, ongeacht het statuut. Het wordt gewaarborgd door artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 13 van de Grondwet. Dat recht wordt echter aan de leden van het openbaar ministerie ontzegd. Voor de leden van het openbaar ministerie is er dus geen onpartijdige en onafhankelijke instantie die zowel de werkelijkheid van de tuchtrechtelijke inbreuk als de overeenstemming van de tuchtstraf met de wettelijke bepalingen en de algemene rechtsbeginselen kan nagaan. Het recht op een eerlijke behandeling van de zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie is ook toepasselijk in tuchtzaken. Betrokkene stelt dat dit recht echter niet gegarandeerd is in de tuchtprocedure, hetgeen indringende repercussies heeft op de wijze waarop de betrokkene zich kan verdedigen en op de wijze waarop de tuchtrechtelijke besluitvorming tot stand komt en al dan niet kan worden bestreden. De beroving van zulke maatregelen is onverantwoord en onredelijk en vormt op zich reeds een discriminatie. A.7.
- De Ministerraad werpt allereerst op dat de Procureur-generaal, zitting houdend als tuchtoverheid, geen jurisdictioneel orgaan is waarop de voormelde verdragsartikelen van toepassing zijn. Hij erkent evenwel dat het onpartijdigheidsbeginsel overeenkomstig de Belgische rechtspraak een algemeen rechtsbeginsel en een beginsel van behoorlijk bestuur is, dat niet alleen op de rechtscolleges van toepassing is, maar ook op de bestuursorganen. A.7.
- Vervolgens merkt de Ministerraad op dat er tussen de vergeleken categorieën van rechtsonderhorigen eigenlijk geen verschil in behandeling bestaat. Zowel de leden van de zittende als die van de staande magistratuur worden tuchtrechtelijk beoordeeld door hun hiërarchische oversten. Bij het openbaar ministerie is dat de procureur-generaal; bij de zittende magistraten zijn dat de raadsheren en de voorzitter van de eerste kamer van het hof van beroep. Wanneer laatstgenoemden kennis nemen van een tuchtzaak, oefenen zij geen rechterlijke maar een louter tuchtrechtelijke taak uit. A.7.
- Artikel 13 van de Grondwet is naar het oordeel van de Ministerraad evenmin geschonden. De tuchtrechtelijk gestrafte kan immers een beroep indienen bij de Raad van State. Dat geldt ook voor de statutaire ambtenaren van de administratieve overheden, zonder dat daaruit enige schending van het voormelde grondwetsartikel kan worden afgeleid. A.7.
- Indien er toch een verschil in behandeling zou bestaan, meent de Ministerraad ten slotte dat het op een objectief criterium steunt en dat het verantwoord is in het licht van de doelstelling van de wet. Met verwijzing naar het arrest nr. 39/2004 is de Ministerraad van oordeel dat het verschil in behandeling geen gevolgen teweegbrengt die in een onevenredig verband zouden staan met het doel, zodanig dat de rechten van de leden van het openbaar ministerie op een onevenredige wijze zouden worden beperkt. -B- B.
- Artikel 405 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet voor leden van de rechterlijke orde in twee lichte tuchtstraffen (de waarschuwing en de berisping), in vier zware tuchtstraffen van de eerste graad (de inhouding van wedde, de tuchtschorsing, de intrekking van het mandaat en de tuchtschorsing met intrekking van het mandaat) en in twee zware tuchtstraffen van de tweede graad (het ontslag van ambtswege en de ontzetting uit het ambt of afzetting). 7 B.
- Artikel 412, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « De tuchtoverheid bevoegd om een zware straf op te leggen is : 1° ten aanzien van de zittende magistraten met uitzondering van de magistraten van het Hof van Cassatie : - de eerste kamer van het hof van beroep ten aanzien van de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg en de voorzitters van de rechtbanken van koophandel, van de leden van de rechtbanken van eerste aanleg, van de rechtbanken van koophandel, daaronder begrepen de rechters in handelszaken, de toegevoegde rechters in de rechtbanken van eerste aanleg en van koophandel, de vrederechters, de toegevoegde vrederechters, de rechters in de politierechtbanken en de toegevoegde rechters bij de politierechtbanken; - de eerste kamer van het arbeidshof ten aanzien van de voorzitters van de arbeidsrechtbanken, van de leden van de arbeidsrechtbanken, daaronder begrepen de rechters in sociale zaken en de toegevoegde rechters bij de arbeidsrechtbanken; - de eerste kamer van het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste voorzitters van de hoven van beroep, en van de arbeidshoven, van de leden van de hoven van beroep en van de arbeidshoven, daaronder begrepen de raadsheren in sociale zaken; 2° de algemene vergadering van het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de leden van de zittende magistratuur van dat hof; 3° ten aanzien van de leden van het openbaar ministerie : - ten aanzien van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, de Koning voor de afzetting en het ontslag van ambtswege en de Minister van Justitie voor de andere zware straffen; - ten aanzien van de eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie, de advocaten- generaal bij het Hof van Cassatie, de procureurs-generaal bij de hoven van beroep en de federale procureur, de Koning voor de afzetting en het ontslag van ambtswege en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie voor de andere zware straffen; - ten aanzien van de federale magistraten, de Koning voor de afzetting en het ontslag van ambtswege en de federale procureur voor de andere zware straffen; - ten aanzien van de andere magistraten van het openbaar ministerie, hierbij inbegrepen de toegevoegde substituten procureur des Konings en de toegevoegde substituten arbeidsauditeur, de Koning voor de afzetting en het ontslag van ambtswege en de procureur- generaal bij het hof van beroep voor de andere zware straffen; […] ». B.
- De Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent, zitting houdend als tuchtoverheid op grond van artikel 412, § 2, 3°, vierde streepje, van het Gerechtelijk 8 Wetboek, verzoekt het Hof te antwoorden op de vraag of de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, zijn geschonden doordat de zware tuchtstraffen ten aanzien van de betrokken leden van het openbaar ministerie worden opgelegd door een hiërarchische overste, namelijk de procureur-generaal, die geen lid is van de rechterlijke macht, en zonder dat in enige vorm van rechterlijke controle zou zijn voorzien, terwijl de zware tuchtstraffen ten aanzien van de leden van de zittende magistratuur, met uitzondering van de magistraten van het Hof van Cassatie, krachtens artikel 412, § 2, 1°, eerste streepje, van het Gerechtelijk Wetboek worden opgelegd door de eerste kamer van het hof van beroep. B.
- De Ministerraad werpt op dat het Hof niet bevoegd is om op de prejudiciële vraag te antwoorden aangezien zij niet is gesteld door een rechtscollege in de zin van artikel 142, derde lid, van de Grondwet. B.
- Artikel 142, derde lid, van de Grondwet bepaalt dat « de zaak […] bij het Hof aanhangig [kan] worden gemaakt […], prejudicieel, door ieder rechtscollege ». Het Hof is dus slechts bevoegd om een antwoord te geven op de prejudiciële vraag voor zover de procureur-generaal, optredend als tuchtoverheid op grond van artikel 412 van het Gerechtelijk Wetboek, een rechtscollege zou zijn. B.
- Wanneer de procureur-generaal een tuchtstraf oplegt, treedt hij niet op als tuchtrechtscollege maar als overheidsorgaan dat met de handhaving van de tucht is belast. Tegen zijn beslissing kan hoger beroep worden ingesteld bij de minister van Justitie (artikel 415, § 6, van het Gerechtelijk Wetboek). De beslissing van de minister kan worden aangevochten bij de Raad van State, nu artikel 415, § 10, van het Gerechtelijk Wetboek dat beroep slechts uitsluit ten aanzien van tuchtstraffen opgelegd door een orgaan van de rechterlijke orde. Een tuchtoverheid kan niet worden beschouwd als een rechtscollege wanneer tegen haar beslissingen beroep kan worden ingesteld bij een instantie die zelf geen rechtscollege is. 9 Uit het feit dat tuchtprocedures gelijkenissen vertonen met strafprocedures kan overigens niet worden afgeleid dat tuchtorganen ook rechtscolleges zijn. De exceptie van de Ministerraad is gegrond. B.
- Het Hof is niet bevoegd om de prejudiciële vraag te beantwoorden. 10 Om die redenen, het Hof stelt vast dat het niet bevoegd is om de prejudiciële vraag te beantwoorden. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 29 november
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.186 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div