id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 05 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.191 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20061205.10 Arrest- Rolnummer: 191/2006 Rechtsgebied: Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-23 Raadplegingen: 223 - laatst gezien 2026-06-30 14:11 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 728, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het niet de vertegenwoordiging toestaat door een echtgenoot of een bloed- of aanverwante houder van een schriftelijke volmacht en speciaal door de rechter toegelaten voor de rechtbank van eerste aanleg zitting houdend in hoger beroep tegen een beslissing van de vrederechter. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Verschijning van partijen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 728, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen. Gerechtelijk recht - Rechterlijke organisatie - Vertegenwoordiging in rechte -
- Verschijning voor de vrederechter - Vertegenwoordiging door de echtgenoot of een bloed- of aanverwante houder van een schriftelijke volmacht en door de rechter toegelaten -
- Hoger beroep - Verschijning voor de rechtbank van eerste aanleg - Pleitmonopolie van de advocaten. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - 728,#2 - 04 Link Justel databank 19671009-04 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3859 Arrest nr. 191/2006 van 5 december 2006 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 728, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 9 januari 2006 in zake J. Dujardin en M. Davaux tegen S. Dohet, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 24 januari 2006, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Namen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is artikel 728, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, indien het zo wordt geïnterpreteerd dat het de vertegenwoordiging door een echtgenoot of door een bloed- of aanverwante houder van een schriftelijke volmacht niet toestaat, wanneer de rechtbank van eerste aanleg uitspraak doet in hoger beroep tegen een beslissing van de vrederechter, in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien het in die interpretatie ertoe leidt dat partijen die zich wensen te laten vertegenwoordigen door een echtgenoot of door een bloed- of aanverwante houder van een schriftelijke volmacht in het raam van eenzelfde geschil, op verschillende wijze worden behandeld naargelang zij in eerste of in tweede aanleg in rechte treden ? ». Memories zijn ingediend door : - S. Dohet, wonende te 5080 Warisoulx, rue de Cognelée 84; - de Ministerraad. S. Dohet heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 8 november 2006 : - zijn verschenen : . Mr. G. Druez, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. V. Effinier, advocaat bij de balie te Namen, voor S. Dohet; . Mr. G. Ninane loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In het kader van een huurgeschil hebben J. Dujardin en M. Davaux, de verhuurders, een vordering ingesteld tegen S. Dohet, huurder van een onroerend goed waarvan zij eigenaar zijn. Voor de vrederechter werden de 3 eisers vertegenwoordigd door hun zoon, P. Dujardin. Tegen het vonnis van de eerste rechter werd door de eisers hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank van eerste aanleg te Namen, waar zij zich opnieuw laten vertegenwoordigen door hun zoon. Voor de Rechtbank van eerste aanleg heeft de advocaat van de geïntimeerde partij in limine litis de kwestie opgeworpen dat de appellanten in hoger beroep vertegenwoordigd worden door hun zoon, houder van een schriftelijke volmacht. Hij was immers van mening dat de bij artikel 728, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek ingevoerde mogelijkheid om voor de vrederechter te worden vertegenwoordigd door een bloedverwante houder van een volmacht strikt moet worden geïnterpreteerd, rekening houdend met de regel van het aan de advocaat toegekende pleitmonopolie, die bij artikel 728, § 1, van hetzelfde Wetboek is ingesteld. Op verzoek van de appellanten stelt de Rechtbank van eerste aanleg te Namen aan het Hof de voormelde prejudiciële vraag. III. In rechte -A- Standpunt van de geïntimeerde partij voor de verwijzende rechter A.
- S. Dohet doet gelden in de twee memories die zij heeft ingediend dat artikel 728, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek een uitzondering vormt op het beginsel om in persoon of bij advocaat te verschijnen, dat verankerd is in artikel 728, § 1, van hetzelfde Wetboek, zodat paragraaf 2 restrictief moet worden geïnterpreteerd. Zij is in het bijzonder van mening dat het hoger beroep een rechtsmiddel vormt waarmee omzichtig dient te worden omgesprongen, waardoor kan worden verantwoord dat voor die aanleg het Gerechtelijk Wetboek niet voorziet in de vertegenwoordiging door een bloed- of aanverwante houder van een schriftelijke volmacht. Standpunt van de Ministerraad A.2.
- Allereerst merkt de Ministerraad op dat het verwijzende rechtscollege de partijen in een voor de vrederechter ingestelde procedure vergelijkt met de partijen in hoger beroep tegen een beslissing uitgesproken door de kantonmagistraat, waarbij enkel de eerstgenoemden vertegenwoordigd zouden kunnen worden door hun echtgenoot of een bloed- of aanverwante houder van een schriftelijke volmacht. De Ministerraad is van mening dat de rechtzoekenden die partij zijn in een procedure voor het vredegerecht en vervolgens bij het hoger beroep ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg niet twee onderscheiden en derhalve vergelijkbare categorieën uitmaken. Volgens hem betreft het immers dezelfde rechtzoekenden die in twee verschillende situaties worden geplaatst, namelijk een rechtspleging in eerste aanleg en vervolgens het hoger beroep daartegen. De prejudiciële vraag moet bijgevolg zonder voorwerp worden verklaard, daar geen enkele discriminatie mogelijk is. A.2.
- Indien, in ondergeschikte orde, het Hof zou oordelen dat er te dezen wel degelijk twee vergelijkbare categorieën van personen bestaan, is het verschil in behandeling niet strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zo betoogt de Ministerraad. Het vredegerecht is een uitzonderingsgerecht, net zoals de arbeidsrechtbanken en de rechtbank van koophandel waarvoor de bij artikel 728, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek ingevoerde uitzondering geldt. Dat verschil in behandeling is verantwoord wat betreft het kantongerecht om reden van zijn nabije karakter waardoor een versoepeling van de regels van de vertegenwoordiging mogelijk is. Wat betreft het hoger beroep tegen beslissingen van de vrederechter, dat deels onder de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg valt, doet de Ministerraad opmerken dat het strijdig zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet dat alle rechtzoekenden er niet op dezelfde wijze zouden worden behandeld, aangezien bij de rechtbank van eerste aanleg talrijke andere geschillen aanhangig kunnen worden gemaakt waarop artikel 728, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is. 4 -B- B.
- Artikel 728 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « §
- Op het ogenblik van de rechtsingang en later dienen de partijen in persoon of bij advocaat te verschijnen. §
- Voor de vrederechter, de rechtbank van koophandel en de arbeidsgerechten mogen de partijen ook vertegenwoordigd worden door hun echtgenoot of een bloed- of aanverwante houder van een schriftelijke volmacht en speciaal door de rechter toegelaten. […] ». B.
- Artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Voor zover de bepalingen van dit boek er niet van afwijken zijn de regels van het geding toepasselijk op de rechtsmiddelen ». B.
- De verwijzende rechter vraagt aan het Hof of artikel 728, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 1042 van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in de interpretatie dat het partijen voor de rechtbank van eerste aanleg, zitting houdend in hoger beroep, verbiedt zich te laten vertegenwoordigen door een echtgenoot of een bloed- of aanverwante houder van een schriftelijke volmacht, terwijl diezelfde partijen wel die mogelijkheid hebben in een procedure voor de vrederechter. B.4.
- De prejudiciële vraag moet in die zin worden begrepen dat de situatie van twee categorieën van personen wordt vergeleken : degenen die verschijnen voor de vrederechter en degenen die verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg waarbij hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis van de vrederechter. De tweede categorie kan enkel persoonlijk of via een advocaat verschijnen; de eerste categorie kan bovendien worden vertegenwoordigd door een echtgenoot of een bloed- of aanverwante houder van een schriftelijke volmacht en speciaal door de rechter toegelaten. B.4.
- Vermits het Hof wordt verzocht twee categorieën van personen te vergelijken, beweert de Ministerraad ten onrechte dat de vraag zonder voorwerp zou zijn. 5 B.5.
- Artikel 440 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Vóór alle gerechten, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, hebben alleen de advocaten het recht te pleiten. De advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving eist ». B.5.
- Die regel verankert het pleitmonopolie van de advocaat voor alle rechtscolleges en is aangenomen met het oog op de goede werking van de gerechtelijke instellingen (Parl. St., Kamer, 1965-1966, nr. 59/49, p. 120). De « uitzonderingen bij de wet bepaald » moeten dus strikt worden geïnterpreteerd. B.
- Het voormelde artikel 728, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet in een dergelijke uitzondering voor de partijen die voor de vrederechter verschijnen, waar zij kunnen worden vertegenwoordigd door hun echtgenoot of een bloed- of aanverwant, maar diezelfde partijen kunnen enkel persoonlijk of via een advocaat verschijnen indien het geschil in hoger beroep voor de rechtbank van eerste aanleg wordt gebracht. B.
- De wetgever vermocht van oordeel te zijn dat, voor de vrederechter, die een rechter is die dicht bij de partijen en bij de op het spel staande belangen staat, waar de procedureregels minder zwaar doorwegen, kon worden afgeweken van het beginsel van de vertegenwoordiging door een advocaat. Zonder het gelijkheidsbeginsel te schenden, vermocht hij dan ook van oordeel te zijn dat die uitzondering op de regel niet diende te worden uitgebreid tot het hoger beroep, zelfs al gaat het om hetzelfde geschil, vermits het rechtscollege dat van dat beroep kennis neemt, niet meer dicht bij de partijen staat en het een rechtspleging toepast waar de vertegenwoordiging door een echtgenoot of verwante nooit is toegelaten. B.
- Bovendien heeft de wetgever, door de partij die niet persoonlijk verschijnt te verplichten te worden vertegenwoordigd door een advocaat, een maatregel genomen die in overeenstemming is met de belangen van die partij en met het belang van de goede rechtsbedeling. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 728, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het niet de vertegenwoordiging toestaat door een echtgenoot of een bloed- of aanverwante houder van een schriftelijke volmacht en speciaal door de rechter toegelaten voor de rechtbank van eerste aanleg zitting houdend in hoger beroep tegen een beslissing van de vrederechter. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 5 december
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.191 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div