← België

ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.197

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.197 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.20061213.10 Arrest- Rolnummer: 197/2006 Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-07-09 Raadplegingen: 188 - laatst gezien 2026-06-30 15:22 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 15 en 16 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONTEIGENING - Hoogdringende omstandigheden - Vergoeding Vrije woorden: Prejudiciële vraag over de artikelen 15 en 16 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Bestuursrecht - Onteigening ten algemenen nutte - Kennisgeving van het vonnis of van het bewijs van storting aan de onteigende - Afwezigheid van vermelding van de termijn en de instantie waarbij de vordering tot herziening van de voorlopige onteigeningsvergoeding moet worden ingesteld. Wettelijke bepalingen: Wet - 25-07-1962 - 15 Wet - 25-07-1962 - 16 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3939 Arrest nr. 197/2006 van 13 december 2006 In zake : de prejudiciële vraag over de artikelen 15 en 16 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 7 maart 2006 in zake P. David en anderen tegen de cv « Association intercommunale pour l’exploitation du circuit de Spa-Francorchamps », waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 13 maart 2006, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 15 en 16 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij niet bepalen dat, indien in de in artikel 15 bedoelde kennisgeving de mogelijkheid niet wordt vermeld om voor de rechtbank van eerste aanleg een vordering tot herziening in te stellen binnen twee maanden na de verzending van de stukken, de verjaringstermijn niet begint te lopen, terwijl artikel 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en de artikelen 1051, eerste lid, en 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, bij een kennisgeving van een handeling waardoor een beroepstermijn begint te lopen, de aanvang van de termijn afhankelijk stellen van de vermelding, in de kennisgeving, van het bestaan van het rechtsmiddel, van de instantie waarvoor het beroep dient te worden ingesteld en van de termijn waarbinnen het dient te worden uitgeoefend ? ». Memories zijn ingediend door : - P. David, wonende te 3090 Overijse, Vliertjeslaan 13, P.-A. David, wonende te 1540 Herne, Aerebeekstraat 14, J. David, woonplaats kiezend bij zijn raadsman te 4000 Luik, rue Paul Devaux 2, en J. David, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Rode Beukenlaan 11; - de cv « Association intercommunale pour l’exploitation du circuit de Spa- Francorchamps », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 4970 Francorchamps, Circuit House, route du Circuit 55; - de Ministerraad. De cv « Association intercommunale pour l’exploitation du circuit de Spa- Francorchamps » heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 8 november 2006 : - zijn verschenen : . Mr. J. Perin loco Mr. A. Lamalle en Mr. A. Renette, advocaten bij de balie te Luik, voor P. David en anderen; . Mr. B. Hübinger, tevens loco Mr. D. Matray, advocaten bij de balie te Luik, voor de cv « Association intercommunale pour l’exploitation du circuit de Spa-Francorchamps »; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; 3 - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De cv « Association intercommunale pour l’exploitation du circuit de Spa-Francorchamps » heeft de toestemming verkregen een terrein te onteigenen dat toebehoort aan P. David en anderen. Het vonnis tot vaststelling van de voorlopige vergoeding en een bewijs van storting van de voorlopige vergoeding aan de Deposito- en Consignatiekas werden op 21 maart 2000 aan de post bezorgd om aangetekend te worden verzonden aan P. David en anderen, overeenkomstig artikel 15 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. De vordering tot herziening van de voorlopige vergoeding is betekend op 24 mei 2000, terwijl artikel 16 van de voormelde wet bepaalt dat dit dient te gebeuren binnen een termijn van twee maanden na de datum van de voormelde aangetekende verzending. De Rechtbank van eerste aanleg te Verviers heeft de vordering tot herziening die P. David en de uitbaters van de onteigende eigendom hebben ingesteld, onontvankelijk verklaard omdat zij niet tijdig was ingesteld. Die laatstgenoemden zijn tegen dat vonnis in hoger beroep gegaan voor het Hof van Beroep te Luik. Zij leiden met name een argument af uit de ongrondwettigheid van de artikelen 15 en 16 van de voormelde wet van 26 juli 1962, in zoverre de in artikel 16 bepaalde verjaringstermijn zelfs aanvangt indien de in artikel 15 bedoelde kennisgeving geen melding maakt van de rechtsmiddelen tegen het vonnis waarmee de voorlopige vergoeding is vastgesteld. Het Hof van Beroep te Luik heeft bijgevolg de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Arbitragehof gesteld. III. In rechte -A- Standpunt van de appellanten voor de verwijzende rechter A.

  1. De appellanten voor de verwijzende rechter leiden de door hen aangevoerde ongrondwettigheid van de artikelen 15 en 16 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, af uit een vergelijking die zij maken tussen die bepalingen, die niet uitdrukkelijk voorschrijven dat de in artikel 15 van de voormelde wet bedoelde kennisgeving de mogelijkheid moet vermelden om een vordering tot herziening voor de rechtbank van eerste aanleg in te stellen, en, enerzijds, artikel 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en, anderzijds, de artikelen 1051, tweede lid, en 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, die, in geval van kennisgeving van een handeling waardoor een beroepstermijn begint te lopen, de aanvang van de termijn afhankelijk stellen van de vermelding, in de kennisgeving, van het bestaan van het rechtsmiddel, van de instantie waarvoor het dient te worden ingesteld en van de termijn waarbinnen het dient te worden uitgeoefend. De verzoekende partijen zijn van mening dat de onteigende rechtzoekende zich aldus bevindt in een situatie die onzekerder is dan die van een bestuurde of sommige andere rechtzoekenden en dat geen enkel gewettigd motief dat verschil in behandeling kan verantwoorden. 4 Ter ondersteuning van hun argumentatie voeren zij een in 1994 neergelegd wetsvoorstel aan dat, volgens hen, het Gerechtelijk Wetboek in die zin wilde wijzigen. Zij besluiten hieruit dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Standpunt van de Ministerraad A.2.
  2. In verband met de vergelijking tussen de kennisgeving bedoeld in artikel 15 van de wet van 26 juli 1962 en die bedoeld in artikel 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur is de Ministerraad van mening dat die niet van dien aard is dat zij het bestaan van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aantoont. Een dergelijke schending kan, zo vervolgt hij, immers alleen worden vastgesteld in aanwezigheid van twee categorieën van personen of situaties die voldoende met elkaar vergelijkbaar zijn. De Ministerraad is echter van mening dat de twee kennisgevingen in kwestie niets met elkaar gemeen hebben. De eerste betreft een vonnis en het bewijs van de voorlopige tenuitvoerlegging ervan met het oog op het al dan niet instellen van een welbepaalde gerechtelijke procedure, de vordering tot herziening van de voorlopige vergoeding, die moet worden beschouwd als het vervolg van een reeds aan de gang zijnde gerechtelijke procedure. De tweede moet worden gezien in het kader van de meer algemene doelstelling van de openbaarheid van bestuur, beginsel dat niet zonder meer zou kunnen worden omgezet naar de gerechtelijke procedures. De prejudiciële vraag dient in die mate dus ontkennend te worden beantwoord. A.2.
  3. In verband met de vergelijking met artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek herinnert de Ministerraad aan twee arresten van het Hof, nrs. 142/2002 en 128/2003, waarin het heeft geoordeeld dat die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schond. De Ministerraad is van mening dat dezelfde motieven zouden moeten leiden tot hetzelfde antwoord in het onderhavige geval. De prejudiciële vraag dient in die mate eveneens ontkennend te worden beantwoord. Standpunt van de « Association intercommunale pour l’exploitation du circuit de Spa-Francorchamps » A.
  4. Na een eerste memorie te hebben ingediend waarvan de uiteenzetting vergelijkbaar was met die van de Ministerraad, heeft de « Association intercommunale pour l’exploitation du circuit de Spa-Francorchamps » een memorie van antwoord ingediend waarin zij verklaart te verwijzen naar de memorie die de Ministerraad heeft ingediend, « daar de intercommunale daarmee volledig instemt ». -B- B.
  5. Het Hof wordt door het verwijzende rechtscollege ondervraagd over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van de artikelen 15 en 16 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, in zoverre, in tegenstelling tot de kennisgeving bedoeld in de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, enerzijds, en de kennisgeving bedoeld in artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 1051 van hetzelfde Wetboek, anderzijds, de voormelde 5 bepalingen van de wet van 26 juli 1962 de aanvang van de beroepstermijn om een vordering tot herziening van de voorlopige vergoeding in te stellen, niet afhankelijk maken van de vermelding, in de kennisgeving bedoeld in artikel 15 van de voormelde wet, van het bestaan van een rechtsmiddel, van de instantie waarvoor het dient te worden ingesteld en van de termijn waarbinnen het dient te worden uitgeoefend. B.2.
  6. De artikelen 15 en 16 van de voormelde wet van 26 juli 1962 bepalen : « Art.
  7. Krachtens het vonnis, en zonder dit te moeten doen betekenen, stort de onteigenaar, binnen een maand na de uitspraak van het vonnis, in de Deposito- en Consignatiekas het bedrag van de voorlopige vergoeding dat het bedrag van de provisionele vergoeding te boven gaat. Binnen tien dagen na die storting zendt hij aan de verwerende of als tussenkomend erkende partijen een afschrift van : 1° het vonnis, dat het bedrag van de voorlopige vergoeding vaststelt; 2° het bewijs van storting van de aanvullende vergoeding in de Deposito- en Consignatiekas. Bij gebreke daarvan kan de onteigende krachtens hetzelfde vonnis eisen dat de onteigenaar het gebruik van het onroerend goed schorst. De opvraging van de gestorte bedragen bij de Deposito- en Consignatiekas heeft plaats onder de voorwaarden bepaald in het 4e en 5e lid van artikel 9, zonder dat evenwel overlegging van een nieuw getuigschrift van de hypotheekbewaarder kan worden geëist. Art.
  8. De voorlopige vergoedingen die de rechter heeft toegekend, worden onherroepelijk, indien binnen twee maanden na de verzending van de in artikel 15, 2e lid, bedoelde stukken, geen van de partijen de herziening ervan heeft aangevraagd voor de rechtbank van eerste aanleg. De vordering tot herziening kan ook gegrond zijn op de onregelmatigheid van de onteigening. Zij wordt door de rechtbank behandeld overeenkomstig de regels van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering ». B.2.
  9. Artikel 2, 4°, van de voormelde wet van 11 april 1994 bepaalt : « Met het oog op een duidelijke en objectieve voorlichting van het publiek over het optreden van de federale administratieve overheden : […] 6 4° vermeldt elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van een federale administratieve overheid ter kennis wordt gebracht van een bestuurde, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen; bij ontstentenis neemt de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang ». B.2.
  10. De artikelen 704, eerste lid, 792 en 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bepalen : « Art.
  11. In de zaken genoemd in de artikelen 508/16, 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10° en 11°, 581, 2°, 582, 1° en 2°, en 583, worden de vorderingen ingeleid bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank of bij aangetekende brief gezonden aan die griffie; de partijen worden door de griffie opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. De oproeping vermeldt het voorwerp van de vordering ». « Art.
  12. Binnen acht dagen na de uitspraak van het vonnis zendt de griffier bij gewone brief een niet ondertekend afschrift van het vonnis, aan elke partij, of, in voorkomend geval, aan hun advocaten. In afwijking van het vorige lid, voor de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid, alsook inzake adoptie brengt de griffier binnen de acht dagen bij gerechtsbrief het vonnis ter kennis van de partijen. Op straffe van nietigheid vermeldt deze kennisgeving de rechtsmiddelen, de termijn binnen welke dit verhaal moet worden ingesteld evenals de benaming en het adres van de rechtsmacht die bevoegd is om er kennis van te nemen. In de gevallen, bepaald in het tweede lid, zendt de griffier een niet-ondertekend afschrift van het vonnis, in voorkomend geval, aan de advocaten van de partijen of aan de afgevaardigden bedoeld in artikel 728, § 3 ». « Art.
  13. De termijn om hoger beroep aan te tekenen is één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid. Deze termijn loopt eveneens vanaf de dag van die betekening ten aanzien van de partij die het vonnis heeft doen betekenen. Heeft een van de partijen aan wie of op wier verzoek het vonnis is betekend, geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België, dan wordt de termijn van hoger beroep verlengd overeenkomstig artikel
  14. Het zelfde geldt wanneer één van de partijen aan wie het vonnis ter kennis is gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, in België geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats heeft ». 7 Ten aanzien van de vergelijking met artikel 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 B.
  15. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in volkomen verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn, mocht het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedures gepaard gaan met een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen, hetgeen te dezen niet het geval is. De aangevoerde ongelijkheid betreft de inhoud van twee kennisgevingen met betrekking tot verschillende situaties. De in het geding zijnde kennisgeving betreft een vonnis en het bewijs van de voorlopige tenuitvoerlegging ervan met het oog op het al dan niet instellen van een specifieke gerechtelijke procedure, namelijk de vordering tot herziening van de voorlopige vergoeding. Die vordering moet worden beschouwd als de voortzetting van een hangende gerechtelijke procedure. De tweede kennisgeving heeft een volkomen algemene draagwijdte en betreft, teneinde een antwoord te bieden op de vereiste van de openbaarheid van administratieve handelingen, alle administratieve handelingen buiten elke gerechtelijke procedure. De wetgever vermocht dus redelijkerwijs ervan uit te gaan dat verschillende regels konden worden toegepast op, enerzijds, burgers beschouwd in het kader van hun betrekkingen met het bestuur en, anderzijds, rechtzoekenden die, in het kader van hun betrekkingen met een specifieke gerechtelijke overheid, betrokken zijn bij een rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening. Ten aanzien van de vergelijking met artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek B.
  16. Wat de vergelijking betreft met de kennisgeving bedoeld in artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, merkt het Hof op dat de in die bepalingen bedoelde rechtsplegingen betrekking hebben op het sociaal recht en tot de exclusieve bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren. In die bijzondere aangelegenheden heeft de wetgever kunnen voorzien in specifieke procedurele regels die niet van toepassing zijn op een rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening. 8 B.
  17. De in het geding zijnde kennisgeving volgt op een gerechtelijke procedure - de beslissing tot toekenning van een voorlopige vergoeding -, zodat de wetgever redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat de partijen kennis hebben van zowel de mogelijkheid om een vordering tot herziening van die vergoeding in te stellen, als van de termijn waarbinnen die vordering moet worden ingesteld, termijn die is vastgesteld op twee maanden na de in het geding zijnde kennisgeving. Die termijn bedraagt het dubbele van de termijn van gemeen recht om hoger beroep in te stellen. B.
  18. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 15 en 16 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 13 december
  19. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2006:ARR.197 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.