← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.002

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.002 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070111.7 Arrest- Rolnummer: 2/2007 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-16 Raadplegingen: 284 - laatst gezien 2026-06-29 11:26 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 37quinquies, § 4, van het Strafwetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het niet voorziet in een beroep tegen het verslag dat door de probatiecommissie is opgesteld met het oog op de toepassing van de vervangende straf. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Straffen - Werkstraffen PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 37quinquies, § 4, van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken, gesteld door de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Namen. Strafrecht - Misdrijven - Straffen - Veroordeling tot een werkstraf - Niet-uitvoering - Verslag van de probatiecommissie met het oog op de toepassing van de vervangende straf - Afwezigheid van beroep. Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 37quinquies,#4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3951 Arrest nr. 2/2007 van 11 januari 2007 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 37quinquies, § 4, van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken, gesteld door de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Namen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 22 maart 2006 in zake S.F., waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 29 maart 2006, heeft de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Namen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 37quinquies, § 4, van het Strafwetboek (wet van 17 april 2002), geïnterpreteerd in die zin dat het de persoon die veroordeeld werd tot een werkstraf niet de mogelijkheid biedt tot beroep tegen het verslag van de probatiecommissie dat besluit tot de toepassing van de vervangende straf, terwijl de op probatie gestelde veroordeelde wel beroep kan instellen tegen de beslissingen van de commissie in het kader van de tenuitvoerlegging van zijn veroordeling (artikel 12, § 2, van de wet van 29 juni 1964), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 8 november 2006 : - is verschenen : Mr. G. Ninane loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Spreutels en A. Alen verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil S.F. werd veroordeeld tot een enkele werkstraf van 480 uren, gekoppeld aan een vervangende gevangenisstraf van drie jaar. In een verslag van 17 januari 2006 heeft de voorzitster van de probatiecommissie vastgesteld en aan het openbaar ministerie meegedeeld dat die straf helemaal niet werd uitgevoerd en dat men de betrokkene niet had kunnen bereiken, vaststelling die aan die laatste ter kennis werd gebracht met de vermelding van de mogelijkheid « om bij verzoekschrift beroep in te stellen tegen die beslissing voor de Rechtbank van eerste aanleg te Namen, en dat binnen tien dagen te rekenen van deze kennisgeving ». S.F. heeft een dergelijk verzoekschrift ingediend. In zijn conclusies is het openbaar ministerie van mening dat het onontvankelijk is om reden dat de wet niet voorziet in de mogelijkheid van zulk een beroep tegen het op grond van artikel 37quinquies, § 4, van het Strafwetboek opgestelde verslag van de commissie. Het wijst erop dat de amendementen die werden ingediend om in zulk een beroep te voorzien, werden verworpen door de Kamer van volksvertegenwoordigers, die oordeelde dat het openbaar ministerie kon worden gemachtigd om de vervangende gevangenisstraf uit te voeren en dat de commissie zou worden belast met het toezicht op de tenuitvoerlegging van de werkstraf, zonder haar een jurisdictionele bevoegdheid te verlenen. Het openbaar ministerie stelt eveneens vast dat de wet van 17 april 2002 betreffende de werkstraf, waarbij artikel 37quinquies in het Strafwetboek werd ingevoegd, niet verwijst naar de procedure die is vastgelegd in artikel 12, § 2, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, en dat het te dezen niet gaat om de opvolging van de tenuitvoerlegging van een werkstraf (artikel 37quinquies, § 3), maar om een verslag over de 3 niet-uitvoering van de werkstraf (artikel 37quinquies, § 4) dat kan leiden tot de tenuitvoerlegging van de vervangende gevangenisstraf. Het openbaar ministerie merkt verder nog op dat de wet van 2002 de procedure van artikel 12 van de wet van 1964 niet heeft gewijzigd, terwijl zij andere bepalingen van die wet wel heeft gewijzigd. Zelfs wanneer die tekstuele argumenten niet in aanmerking worden genomen, zou men zich niet kunnen baseren op de analogie tussen artikel 12, § 1, van de wet van 29 juni 1964 en artikel 37quinquies, § 3, van het Strafwetboek, die beide de probatiecommissie ertoe machtigen de modaliteiten aan te passen van een probatiemaatregel (artikel 12, § 1) en van een werkstraf (artikel 37quinquies, § 3). Het openbaar ministerie gaat te dezen immers niet om het aanbrengen van preciseringen of wijzigingen in de inhoud van de werkstraf, maar om de niet-uitvoering ervan (artikel 37, § 4). Het openbare ministerie herinnert bovendien eraan dat de werkstraf een straf op zich is, en geen probatiemaatregel die kan vallen onder de toepassing van het voormelde artikel 12, waarvan paragraaf 2 voorziet in een beroepsprocedure die strikt beperkt is tot de beslissingen die de probatiecommissie heeft genomen krachtens paragraaf 1 van dezelfde bepaling; het beroep wordt ingesteld tegen een op grond van die paragraaf genomen beslissing. Te dezen stelt de commissie, die handelt op grond van artikel 37quinquies, § 4, van het Strafwetboek, een verslag op (en neemt zij geen beslissing), en haar verslag leidt niet automatisch tot de tenuitvoerlegging van de vervangende straf omdat dat een beslissing is die het openbaar ministerie zal nemen (en die te dezen nog niet werd genomen). In de veronderstelling dat de rechtbank het beroep inwilligt, ziet het openbaar ministerie ten slotte niet goed wat zou kunnen worden herzien, behalve dan de inhoud van het verslag dat, zelfs in een herschreven versie, aan het openbaar ministerie ter kennis moet worden gebracht, zoals bij wet bepaald; het is van mening dat het belang van de verzoeker bij een dergelijk beroep dus niet is aangetoond. De verwijzende rechter, die deze conclusies als bijlage voegt bij zijn vonnis en ernaar verwijst, beslist om het aldus gestelde grondwettigheidsprobleem aan het Hof voor te leggen. III. In rechte -A- A.

  1. De Ministerraad herinnert aan de feiten van de zaak en analyseert de bepalingen waartussen de prejudiciële vraag een analogie vaststelt. De probatiecommissie beschikt, om de opdracht te volbrengen die haar bij artikel 12, § 1, van de wet van 29 juni 1964 is toevertrouwd, over een ruime beoordelingsbevoegdheid en over een beslissingsbevoegdheid. De rol van het openbaar ministerie (dat de debatten niet bijwoont en niet betrokken is bij de totstandkoming van de beslissing) is in dat geval beperkt tot die van partij in het geding, op dezelfde wijze als de op probatie gestelde persoon. Krachtens artikel 12, § 2, kan (door die laatste en door het openbaar ministerie) enkel beroep worden ingesteld tegen beslissingen die zijn vermeld in artikel 12, § 1, en die de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg kan wijzigen. Artikel 37quinquies, § 4, van het Strafwetboek maakt deel uit van de bepalingen die in dat Wetboek voorzien in de werkstraf als autonome straf. De invulling van de werkstraf wordt bepaald door de justitieassistenten (artikel 37quinquies, § 3), die zowel door de rechter worden gecontroleerd die, a priori, aanwijzingen kan geven omtrent de invulling van de straf, als door de probatiecommissie die, a posteriori, toezicht uitoefent op de tenuitvoerlegging van die straf (artikel 37quinquies, § 1, tweede lid, en § 3); die rol is soortgelijk met die welke zij vervult krachtens artikel 12, § 1, van de wet van 29 juni
  2. Die straf moet samengaan met een vervangende straf (gevangenisstraf of boete) en het in het geding zijnde artikel 37quinquies, § 4, strekt ertoe het bijzondere geval te regelen van gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van de werkstraf; dat geval is totaal verschillend van het geval (met betrekking tot de wijziging of precisering van de werkstraf) bedoeld in artikel 37quinquies, § 3, van het Strafwetboek of, naar analogie, in artikel 12, § 1, van de wet van 29 juni
  3. Wanneer artikel 37quinquies, § 4, wordt toegepast, houdt de probatiecommissie zitting buiten de aanwezigheid van het openbaar ministerie, en beschikt zij slechts over een adviesbevoegdheid; zij stelt een verslag op dat ter kennis wordt gebracht van de justitieassistent, van de raadsman van de veroordeelde in voorkomend geval en van het openbaar ministerie waaraan de beslissing toekomt om de vervangende straf toe te passen; tegen het verslag kan geen beroep worden ingesteld. 4 A.
  4. De Ministerraad is van mening dat het openbaar ministerie, in de aan het Hof voorgelegde zaak, de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepalingen van het Strafwetboek op pertinente wijze heeft geanalyseerd. De wetgever heeft de commissie geen jurisdictionele bevoegdheid verleend en heeft niet willen voorzien in een beroepsmogelijkheid tegen de verslagen die zij ter uitvoering van artikel 37quinquies, § 4, opstelt. Dat artikel verwijst overigens niet naar de beroepsprocedure van artikel 12, § 2, van de wet van 29 juni 1964, en dit laatste artikel werd niet gewijzigd door de wettelijke bepalingen die betrekking hebben op de werkstraf. A.
  5. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn. De veroordeelde die door de wet van 29 juni 1964 wordt beoogd, is een persoon die strafrechtelijk werd veroordeeld tot een hoofdstraf met opschorting van de uitspraak of met een uitstel, hetgeen een proeftijd impliceert die bestaat in de uitvoering van bijkomende maatregelen (de probatiemaatregelen), terwijl diegene die tot een werkstraf werd veroordeeld, een persoon is die strafrechtelijk werd veroordeeld tot een hoofdstraf. Zowel artikel 37ter, § 1, van het Strafwetboek als de parlementaire voorbereiding van de wet van 17 april 2002 tot invoering van de werkstraf als autonome straf in correctionele zaken en in politiezaken laten immers geen enkele twijfel bestaan over het feit dat de werkstraf een hoofdstraf is. Zij is overigens opgenomen in hoofdstuk II van het Strafwetboek, met als titel « Straffen », en kan niet worden ondergebracht in het hoofdstuk « probatie » van de wet van 29 maart 1964, noch in het toepassingsgebied van artikel 12, § 1, van die wet. De motieven die de saisine van de probatiecommissie verantwoorden, zijn niet vergelijkbaar omdat die laatste bepaling betrekking heeft op de personen van wie de probatievoorwaarden kunnen worden opgeschort, nader omschreven of aangepast door de probatiecommissie die een beslissing neemt waartegen beroep kan worden ingesteld, terwijl artikel 37quinquies, § 4, van het Strafwetboek betrekking heeft op een tot een werkstraf veroordeelde persoon die deze niet of slechts gedeeltelijk uitvoert. De probatiecommissie stelt in dat geval een verslag op in het kader van een gewone adviesbevoegdheid. De beslissing wordt genomen door het openbaar ministerie, dat beslist de in de rechterlijke beslissing bepaalde gevangenisstraf of boete al dan niet uit te voeren. Men had een meer pertinente vergelijking kunnen maken met artikel 37quinquies, § 3, van het Strafwetboek, maar het is niet op die bepaling dat de prejudiciële vraag betrekking heeft. Deze behoeft geen antwoord. A.
  6. Subsidiair voert de Ministerraad aan dat, indien het Hof zou oordelen dat de in het geding zijnde categorieën van personen vergelijkbaar zijn, de prejudiciële vraag ontkennend zou moeten worden beantwoord omdat die personen zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden en bijgevolg verschillend moeten worden behandeld. -B- B.
  7. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 37quinquies, § 4, van het Strafwetboek. De artikelen 37ter en 37quinquies van het Strafwetboek bepalen : « Art. 37ter. §
  8. Indien een feit van die aard is om door een politiestraf of een correctionele straf gestraft te worden, kan de rechter als hoofdstraf een werkstraf opleggen. Binnen de perken van de op het misdrijf gestelde straffen, alsook van de wet op grond waarvan de zaak voor hem werd gebracht, voorziet de rechter in een gevangenisstraf of in een geldboete die van toepassing kan worden ingeval de werkstraf niet wordt uitgevoerd. […] §
  9. De rechter bepaalt de duur van de werkstraf en kan aanwijzingen geven omtrent de concrete invulling van de werkstraf ». 5 « Art. 37quinquies. §
  10. Wie overeenkomstig artikel 37ter tot een werkstraf is veroordeeld, wordt gevolgd door een justitieassistent van de Dienst justitiehuizen van het ministerie van Justitie van het gerechtelijk arrondissement van zijn verblijfplaats. Op de tenuitvoerlegging van de werkstraf wordt toegezien door de probatiecommissie van de verblijfplaats van de veroordeelde, waaraan de justitieassistent rapporteert. §
  11. Wanneer de rechterlijke beslissing waarbij de werkstraf wordt uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, bezorgt de griffier daarvan binnen vierentwintig uur een uitgifte aan de voorzitter van de bevoegde probatiecommissie, alsook aan de afdeling van de Dienst justitiehuizen van het Ministerie van Justitie van het gerechtelijk arrondissement, die onverwijld de in § 1 bedoelde justitieassistent aanwijst. De identiteit van de justitieassistent wordt schriftelijk meegedeeld aan de probatiecommissie, die er binnen zeven werkdagen de veroordeelde in kennis van stelt bij aangetekende brief en in voorkomend geval zijn raadsman bij gewone brief. §
  12. De justitieassistent bepaalt na de veroordeelde gehoord te hebben en rekening houdend met zijn opmerkingen de concrete invulling van de straf, met naleving van de aanwijzingen bedoeld in artikel 37ter, § 4, onder toezicht van de probatiecommissie die hierin te allen tijde, en eveneens met naleving van de aanwijzingen bedoeld in artikel 37ter, § 4, preciseringen of wijzigingen kan aanbrengen, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de veroordeelde. De justitieassistent stelt de veroordeelde bij aangetekende brief in kennis van de concrete invulling van de werkstraf en licht de raadsman van de veroordeelde, het openbaar ministerie en de probatiecommissie hierover schriftelijk in binnen drie dagen, zaterdagen, zondagen en feestdagen niet inbegrepen. §
  13. Ingeval de werkstraf niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd, meldt de justitieassistent dit onverwijld aan de probatiecommissie. Meer dan tien dagen vóór de datum die werd vastgesteld om de zaak te behandelen, roept de commissie de veroordeelde bij aangetekende brief op en stelt zijn raadsman ervan in kennis. Het dossier van de commissie wordt gedurende vijf dagen ter beschikking gehouden van de veroordeelde en zijn raadsman. De commissie, die zitting houdt zonder dat het openbaar ministerie daarbij aanwezig is, stelt, naargelang van het geval, een beknopt of met redenen omkleed verslag op, met het oog op de toepassing van de vervangende straf. Het verslag wordt bij aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde, bij gewone brief aan het openbaar ministerie en de justitieassistent en in voorkomend geval aan de raadsman van de veroordeelde. In dit geval kan het openbaar ministerie beslissen de in de rechterlijke beslissing voorziene gevangenisstraf of geldboete uit te voeren, waarbij rekening wordt gehouden met de werkstraf die reeds door de veroordeelde is uitgevoerd ». 6 B.
  14. Artikel 12 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie bepaalt : « §
  15. De commissie kan de bij de rechterlijke beslissing gestelde voorwaarden geheel of ten dele opschorten, nader omschrijven of aanpassen aan de omstandigheden. Zij kan die voorwaarden evenwel niet verscherpen. Indien de commissie van oordeel is dat zij een van de in het vorige lid bepaalde maatregelen zal moeten nemen, roept de voorzitter de betrokkene bij een ter post aangetekende brief op meer dan tien dagen vóór de datum die voor de behandeling van de zaak is gesteld. Het dossier van de commissie wordt gedurende tien dagen ter beschikking gehouden van de betrokkene en van zijn eventuele raadsman. De beslissing van de commissie is met redenen omkleed. Van deze beslissing wordt kennis gegeven aan de betrokkene en aan het openbaar ministerie. De kennisgeving geschiedt bij een ter post aangetekende brief, binnen drie dagen, zaterdagen, zon- en feestdagen niet medegerekend. §
  16. Het openbaar ministerie kan bij vordering, en de op probatie gestelde persoon bij verzoekschrift voor de rechtbank van eerste aanleg waarbij de commissie is ingesteld, in beroep komen van de beslissingen die de commissie krachtens § 1 van dit artikel heeft genomen. Vordering en verzoek moeten schriftelijk ingediend worden en met redenen omkleed zijn. Het beroep moet worden ingesteld binnen tien dagen te rekenen van de kennisgeving van de beslissing van de commissie. Het heeft opschortende kracht tenzij de commissie anders beslist. De voorzitter van de rechtbank die uitspraak moet doen, laat meer dan tien dagen tevoren, in een ter griffie gehouden bijzonder register, plaats, dag en uur van verschijning optekenen. Ten minste tien dagen vóór de verschijning, geeft de griffier bij aangetekende brief daarvan bericht aan de op probatie gestelde persoon. Gedurende die termijn wordt het dossier ter beschikking van de betrokkene en van zijn eventuele raadsman ter griffie neergelegd. De rechtbank houdt zitting en doet uitspraak in raadkamer. Indien de rechtbank het beroep aanneemt, kan zij de beslissing van de commissie wijzigen. De beslissing die op dat beroep wordt gewezen, is niet vatbaar voor hoger beroep noch voor verzet ». B.3.
  17. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over het verschil in behandeling dat door de voormelde bepalingen wordt gemaakt tussen de personen die werden veroordeeld tot een werkstraf (gekoppeld aan een vervangende straf) waarvan de gehele of gedeeltelijke niet- uitvoering het voorwerp uitmaakt van een verslag van de probatiecommissie met het oog op de toepassing van de vervangende straf, en de personen die een maatregel genieten tot 7 opschorting van de uitspraak van de veroordeling of uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf, die samengaat met een probatiemaatregel die wordt opgeschort, nader omschreven of aangepast bij een beslissing van de probatiecommissie : terwijl de laatstgenoemden de mogelijkheid hebben om voor de rechtbank van eerste aanleg beroep in te stellen tegen de beslissing van de commissie krachtens artikel 12, § 2, van de voormelde wet van 29 juni 1964, zouden de eerstgenoemden over geen enkel rechtsmiddel beschikken tegen het verslag van de commissie. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot het aldus omschreven verschil in behandeling. B.3.
  18. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad aanvoert, zijn de categorieën van personen waartussen dat verschil in behandeling bestaat, vergelijkbaar omdat het in beide gevallen gaat om rechtzoekenden die straffen hebben opgelopen waarvan bepaalde modaliteiten tot de bevoegdheid van de probatiecommissie behoren. B.
  19. Zoals het openbaar ministerie aangeeft in zijn conclusies voorafgaand aan het verwijzingsvonnis, heeft de wetgever, bij de aanneming van de wet van 17 april 2002 waarbij de in het geding zijnde bepaling in het Strafwetboek werd ingevoegd, uitdrukkelijk de mogelijkheid van een beroep uitgesloten terwijl hem was voorgesteld om de hem voorgelegde teksten in die zin te amenderen. Hij heeft geoordeeld dat de commissie louter een adviesbevoegdheid had en dat haar geen jurisdictionele bevoegdheid mocht worden toegekend omdat het openbaar ministerie in laatste instantie beslist (Parl. St., Kamer, 2000- 2001, DOC 50-0549/011, p. 33). B.5.
  20. Er bestaat een wezenlijk verschil tussen de rol van de probatiecommissie wanneer zij de veroordeelde oproept met toepassing van artikel 37quinquies, § 4, van het Strafwetboek, en haar rol wanneer zij de betrokkene oproept met toepassing van artikel 12, § 1, van de wet van 29 juni
  21. B.5.
  22. In het eerste geval stelt zij een verslag op met het oog op de toepassing van de vervangende straf, dat een akte is die voorafgaat aan de beslissing die het openbaar ministerie kan nemen om de in de rechterlijke beslissing vastgestelde gevangenisstraf of geldboete uit te voeren. 8 B.5.
  23. In het tweede geval neemt de commissie, in zoverre zij « de bij de rechterlijke beslissing gestelde voorwaarden geheel of ten dele [kan] opschorten, nader omschrijven of aanpassen aan de omstandigheden » zonder evenwel « die voorwaarden [te] verscherpen », een beslissing die rechtstreeks van toepassing is, onder voorbehoud van het beroep waarin artikel 12, § 2, van de wet van 29 juni 1964 voorziet. B.
  24. Het is redelijk verantwoord dat de wetgever niet heeft voorzien in een beroep tegen een verslag van de probatiecommissie, dat een voorbereidende akte is die het openbaar ministerie niet bindt bij zijn daaropvolgende beslissing, en wel de mogelijkheid van zulk een beroep aan de betrokkene heeft geboden tegen een beslissing die uitvoerbaar is. B.
  25. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 37quinquies, § 4, van het Strafwetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het niet voorziet in een beroep tegen het verslag dat door de probatiecommissie is opgesteld met het oog op de toepassing van de vervangende straf. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 11 januari
  26. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior 10 PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.002 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.