← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.010 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070117.9 Arrest- Rolnummer: 10/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-23 Raadplegingen: 199 - laatst gezien 2026-06-29 11:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES, BESLUITEN - Bekendmaking PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van de artikelen 4 tot 8 (bekendmaking in het Belgisch Staatsblad ) van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen, ingesteld door de VZW « GERFA » en anderen. Grondwettelijk recht - Officiële bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de wettelijke teksten en de administratieve akten die belang hebben voor de meerderheid van de burgers - Vorm - Op de internetsite van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad ter beschikking gestelde publicaties en begeleidende maatregelen. Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-2005 - 4 tot 8 - 31 ELI link Pub nr 2005021099 Tekst van de beslissing Rolnummer 3863 Arrest nr. 10/2007 van 17 januari 2007 ____________ In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 4 tot 8 (bekendmaking in het Belgisch Staatsblad) van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen, ingesteld door de vzw « GERFA » en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 25 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 26 januari 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4 tot 8 van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2005, derde editie), door de vzw « Groupe d’Etude et de Réforme de la Fonction administrative (GERFA) », met maatschappelijke zetel te 1190 Brussel, Luttrebruglaan 137, en M. Bouveroux, wonende te 7911 Frasnes-lez-Buissenal, chemin d’Ellignies 24. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 8 november 2006 : - zijn verschenen : . M. Legrand, voorzitter van de vzw « GERFA », in eigen persoon; . Mr. G. Ninane loco Mr. E. Demartin, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A– Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen A.1.1. De vzw « Groupe d’Etude et de Réforme de la Fonction administrative » (hierna : GERFA), een erkende vakorganisatie, verantwoordt haar belang om in rechte te treden door het feit dat zij een bepaling bestrijdt die voor haar leden en voor haarzelf de mogelijkheid om het Belgisch Staatsblad te raadplegen, aanzienlijk zou beperken. Zij onderstreept dat 90 pct. van haar leden ambtenaren zijn van de federale overheid, de gewesten en de gemeenschappen, die op de hoogte moeten worden gebracht van alle normen die hun respectief statuut regelen en die rechtstreekse gevolgen inhouden voor hun individuele rechten. A.1.2. De tweede verzoekende partij verantwoordt haar belang om in rechte te treden door het feit dat iedere persoon, ook een rechtspersoon, beschikt over een belang om de bepalingen van een wet te bestrijden die de wijze van bekendmaking van teksten die zijn situatie kunnen aantasten, wijzigt. 3 Ten gronde A.2.1.1. De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending, door de artikelen 4 tot 8 van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij wijzen erop dat men, om het Belgisch Staatsblad op doeltreffende wijze op het internet te kunnen raadplegen, voortaan moet beschikken over degelijk informaticamaterieel, waaronder minstens een pc die is uitgerust met een Pentium IV en een goede printer, waarvan de totale kostprijs op ongeveer 2 000 euro kan worden geraamd. De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat de raadpleging van de internetsite van het Belgisch Staatsblad via een gewone telefoonlijn dermate moeizaam verloopt dat een snelle verbinding, waarvan de jaarlijkse kostprijs op ongeveer 480 euro kan worden geraamd, is vereist. Zij vergelijken die prijs met de prijs van het abonnement op het papieren Staatsblad, die 114,15 euro per jaar bedroeg. Het papieren Staatsblad kon echter gemakkelijk en gratis worden geraadpleegd in talrijke bibliotheken en overheidsbesturen. De kostprijs van de raadpleging van het Belgisch Staatsblad zal nog hoger oplopen doordat de geraadpleegde tekst vaak zal moeten worden afgedrukt, wat kosten voor papier, inktpatronen, enz. met zich meebrengt. Al die elementen zouden voldoende aantonen dat de burgers niet op voet van gelijkheid worden geplaatst en dat de raadplegingsmogelijkheden en de doeltreffendheid ervan grotendeels zouden afhangen van de informaticamiddelen, alsook van de financiële en sociale situatie van elke burger. A.2.1.2. De verzoekende partijen beweren voorts dat het probleem niet ophoudt bij de inachtneming van het gelijkheidsbeginsel, maar eveneens rijst op het vlak van de toegang tot de informatie zelf. Met de uitgave op papier kon de gewone gebruiker rechtstreeks en binnen enkele seconden kennisnemen van de wetsartikelen die voor hem van belang konden zijn. Dat is echter niet mogelijk bij de raadpleging van het Belgisch Staatsblad op elektronische wijze, daar de inhoudstafel zich beperkt tot het opschrift van de wetten, terwijl talrijke opschriften van reglementaire teksten esoterisch zijn en het geenszins mogelijk maken zich rekenschap te geven van de daadwerkelijke inhoud van de tekst. A.2.2. De verzoekende partijen gaan vervolgens na of de begeleidende maatregelen waarin de artikelen 6 en 7 van de wet van 20 juli 2005 voorzien en die de burger in staat stellen de teksten van het Belgisch Staatsblad te raadplegen, als voldoende kunnen worden beschouwd. In verband met artikel 6 van de wet merken de verzoekende partijen op dat de Raad van State een negatief advies heeft uitgebracht over die bepaling. Die maatregel zou immers een verschil in behandeling invoeren tussen diegene die, aangezien hij toegang heeft tot informaticamaterieel, alle uitgegeven nummers van het Belgisch Staatsblad kan raadplegen en daarin de tekst kan vinden die hem interesseert, en diegene die, aangezien hij geen toegang heeft tot informaticamaterieel, het nummer waarin die tekst is bekendgemaakt, niet kan identificeren. Ten aanzien van de dienst die zou worden opgezet om de burger te helpen een bepaald document op te zoeken, heeft de Raad van State vastgesteld dat de ontworpen regeling niet inhaakte op het regelen van een dergelijke hulp bij het zoeken naar een welbepaald document, hulp die in de memorie van toelichting van de wet wordt voorgesteld als een loutere mogelijkheid waarover de diensten van het Belgisch Staatsblad kunnen oordelen, en niet als een verplichting. De verzoekende partijen voegen aan de opmerkingen van de Raad van State toe dat de mogelijkheid om een kopie van een in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte tekst tegen kostprijs te verkrijgen, overtollig is, vermits de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur reeds in dat recht voorziet. In verband met artikel 7 van de wet voeren de verzoekende partijen aan dat de wetgever zich ertoe beperkt te verwijzen naar een koninklijk besluit waarvan noch het precieze onderwerp, noch de datum bekend zijn, en dat in elk geval de begeleidende maatregel in de wet zelf vermeld had moeten staan. De verzoekende partijen merken vervolgens op dat de Regering, met haar koninklijk besluit van 27 september 2005, de maatregelen heeft genomen die ertoe strekken de verspreiding van en de toegang tot de inhoud van het Belgisch Staatsblad te verzekeren. De eerste maatregel bestaat erin dat een gedrukte versie van de inhoudstafel(

  1. s)van het Belgisch Staatsblad dagelijks ter beschikking van de burgers wordt gesteld op de griffie van elk rechtscollege van de rechterlijke orde, met uitzondering van het Hof van Cassatie en van de hoven van beroep. De tweede maatregel 4 bestaat erin op de griffie een bericht aan te plakken waarop het adres en het gratis telefoonnummer van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad staan vermeld, waarbij wordt gepreciseerd dat het gaat om een gratis nummer, alsook het feit dat het mogelijk is om tegen kostprijs een kopie te verkrijgen van alle akten en documenten die in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt door zich te richten tot het Bestuur van het Belgisch Staatsblad. Het bericht vermeldt eveneens dat het Bestuur van het Belgisch Staatsblad gratis bijstand verleent bij het opzoeken van akten en documenten die in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt. De verzoekende partijen voeren aan dat die maatregelen erg onvolledig zijn. De gewone burger zou immers niet echt de gewoonte hebben zich naar de griffie van een rechtbank te begeven. De verzoekende partijen wijzen ook erop dat sommige griffies overbelast zijn en dat de gebruiker soms lang zal moeten wachten alvorens toegang te krijgen tot de inhoudstafel en dat de openingsuren van de griffie vaak heel beperkt zijn en niet zijn afgestemd op de uren waarop de gebruiker zich kan vrijmaken om daar naartoe te gaan. Bovendien zal de gebruiker alleen kunnen beschikken over de inhoudstafel van het Belgisch Staatsblad, wat volkomen ontoereikend zou zijn om de inhoud van een besluit of van een wet te kennen. A.3.1. In zijn memorie merkt de Ministerraad op dat de keuze van de wetgever om het Belgisch Staatsblad via het internet te verspreiden, door het Arbitragehof in zijn arrest nr. 106/2004 van 16 juni 2004 niet ter discussie is gesteld. Het Hof zou immers hebben geoordeeld dat de bijna volledige afschaffing van de op papier gedrukte uitgave van het Belgisch Staatsblad en de vervanging ervan door een terbeschikkingstelling aan het publiek via de internetsite van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad maatregelen waren waarvan redelijkerwijze kon worden aangenomen dat zij verband hielden met die doelstelling en dat zij overigens pasten in de evolutie van de samenleving, aangezien de informaticatechnieken meer en meer de gebruikelijke wijze van communicatie worden (B.15). De Ministerraad voert bijgevolg aan dat de verzoekende partijen, door de vernietiging te vorderen van de artikelen 4 en 5 van de wet van 20 juli 2005, terwijl die bepalingen de overname zijn van normen die het Hof, wat het principe ervan betreft, niet heeft afgekeurd, het gezag van het arrest nr. 106/2004 aantasten. De Ministerraad merkt voorts op dat het in de praktijk uiterst moeilijk is om, in de papieren uitgave van het Belgisch Staatsblad, een tekst te vinden waarvan de datum niet bekend is, tenzij een beroep wordt gedaan op andere zoekinstrumenten. De terugkeer naar het papieren Staatsblad zou dus een duidelijke achteruitgang vormen op het vlak van de openbaarheid van de normen. A.3.2. Ten aanzien van de begeleidende maatregelen waarin de artikelen 6 en 7 van de wet voorzien, wijst de Ministerraad erop dat de wetgever erover heeft gewaakt tegemoet te komen aan de vereiste die het Hof in zijn arrest nr. 106/2004 heeft gesteld, door die te verzoenen met het verworven en goedgekeurde beginsel van een terbeschikkingstelling van de wetteksten op vrijwel uitsluitend elektronische wijze. De Ministerraad onderstreept dat de mogelijkheid om een kopie van de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte akten en documenten te verkrijgen, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, geen redundantie inhoudt ten opzichte van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. De wetgever heeft zijn verplichtingen inzake de openbaarheid van de normen immers op gepaste wijze willen nakomen. De Ministerraad voegt nog eraan toe dat, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, het wetsontwerp is herzien na het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over het voorontwerp van wet, door het beginsel van een verplichte organisatie van een hulpdienst bij het zoeken naar documenten op te nemen. De machtiging aan de Koning om elke begeleidende maatregel te nemen teneinde een zo groot mogelijke verspreiding van en toegang tot de inhoud van het Belgisch Staatsblad te verzekeren, zou verantwoord zijn door het feit dat de nuttige begeleidende maatregelen mogelijk moeten worden aangevuld afhankelijk van de technologische ontwikkeling en de mogelijkheden die door private of openbare ondernemingen, alsook via sommige openbare diensten, worden geboden. Volgens de Ministerraad trachten de verzoekende partijen, door de in artikel 7 van de wet vervatte machtiging aan de Koning te bekritiseren, in werkelijkheid het Hof ertoe aan te zetten de wijze te onderzoeken waarop de bestreden wet ten uitvoer is gelegd, terwijl het Hof niet bevoegd is om een dergelijk onderzoek uit te voeren. De Ministerraad wijst voorts erop dat andere begeleidende maatregelen zijn opgenomen in de artikelen 185 en volgende van de wet van 27 december 2005, met name de terbeschikkingstelling aan de consument van een pakket dat zodanig is samengesteld dat het een eenvoudig, duidelijk en optimaal gebruik van het internet en van de elektronische diensten garandeert, en dat met een fiscaal voordeel gepaard gaat. 5 A.3.3. Ten slotte geeft de Ministerraad aan dat, indien het Hof tegen elke verwachting in het door de verzoekende partijen ingestelde beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren, quod non, de gevolgen van de aldus vernietigde normen om redenen van rechtszekerheid zouden moeten worden gehandhaafd, op zijn minst van de artikelen 4, 5 en 8 van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen, gedurende minstens twaalf maanden. A.4.1. In verband met de vermeende schending van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 106/2004 wijzen de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord erop dat die in de eerste plaats betrekking zou hebben op de tegenpartij, die door het Hof vernietigde bepalingen zonder meer overneemt en er enkele symbolische maatregelen aan toevoegt. Wat de geplande begeleidende maatregelen betreft en meer bepaald het feit dat artikel 6 van de wet voorschrijft dat de « dienst […] eveneens [is] belast met het leveren van een hulpdienst aan de burgers bij het zoeken naar documenten », merken de verzoekende partijen op dat een dergelijke dienst reeds veronderstelt dat de gebruiker het door hem gezochte document kent en dus reeds toegang heeft gehad tot bevoorrechte informatie over het vermoedelijke bestaan van het opgezochte document. Het middel dat de gelijke toegang tot de wetgevende en reglementaire teksten beoogt, gaat echter uit van de veronderstelling dat de burger tot geen enkele voorafgaande bevoorrechte informatie toegang heeft. Het doel van de officiële bekendmaking bestaat erin de gebruikers op de hoogte te brengen van alle wetgevende en reglementaire teksten en niet een particuliere gebruiker in staat te stellen toegang te hebben tot een tekst waarvan hij het bestaan reeds kent of veronderstelt. A.4.2. De verzoekende partijen voegen voorts eraan toe, wat betreft de machtiging aan de Koning om de begeleidende maatregelen vast te stellen, dat alleen het bestaan van een maatregel in de wet zelf niet volstaat om ernstig aan te voeren dat de maatregelen bij koninklijk besluit kunnen worden vastgesteld. Ten aanzien van de andere begeleidende maatregelen waarnaar de Ministerraad verwijst, die het gebruik van het internet voor iedereen toegankelijk zouden maken, merken de verzoekende partijen op dat het internetpakket in kwestie tussen 850 en 1 000 euro kost en een ADSL-abonnement voor één jaar omvat. Na die termijn is het abonnement betalend en kost het verder een veertigtal euro per maand. De verzoekende partijen merken voorts op dat veel overheidsinstellingen, waaronder het Federaal Parlement, het Belgisch Staatsblad elke dag op meerdere tientallen exemplaren kopiëren voor hun leden die daarom verzoeken, wat doet twijfelen aan de ernst van de argumenten van de tegenpartij die haar eigen wet niet toepast voor haar vertegenwoordigers, die bijgevolg een voorkeursbehandeling ten opzichte van de andere gebruikers genieten. A.4.3. Over de handhaving van de gevolgen onderstrepen de verzoekende partijen dat de tegenpartij tijdens de lange periode waarover zij beschikte na de vernietiging die het Hof in zijn arrest nr. 106/2004 heeft uitgesproken, geen enkele begeleidende norm heeft voorbereid, wat zou moeten aantonen dat de tegenpartij duidelijk heeft gespeculeerd op het behoud van de in dat arrest vernietigde maatregelen om zich aan de gevolgen van de vernietiging te onttrekken. A.5.1. In zijn memorie van wederantwoord houdt de Ministerraad vol dat het Arbitragehof het beginsel van de elektronische bekendmaking van het Belgisch Staatsblad duidelijk niet heeft afgekeurd. A.5.2. Op het vlak van de begeleidende maatregelen dringt hij erop aan dat de hulpdienst bij het zoeken naar documenten zowel bestemd is voor de personen die reeds kennis zouden hebben van een bekendmaking, als voor diegenen die geen kennis hebben van de bekendgemaakte teksten. Die dienst maakt het dus mogelijk het zoeken naar specifieke documenten te vergemakkelijken, in zoverre die opzoeking rechtstreeks door de diensten van het Belgisch Staatsblad wordt uitgevoerd. Wat de andere begeleidende maatregelen betreft die de Koning gemachtigd is vast te stellen, voert de Ministerraad aan dat het normaal is dat de wetgever ervan afziet om in de hoofdtekst zelf van de wet te voorzien in begeleidende maatregelen waarvan de definitie en de voorwaarden afhankelijk zouden zijn en blijven van met name het sluiten van overheidsopdrachten en de ontwikkeling van de technologie. A.5.3. De Ministerraad herhaalt ten slotte zijn verzoek om de gevolgen van de bestreden normen te handhaven indien zij door het Hof zouden worden vernietigd, voor een duur van minstens twaalf maanden, rekening houdend met de termijnen voor de totstandkoming van een wetskrachtige norm. 6 -B- Ten gronde B.1. De artikelen 4 tot 8 van de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen luiden : « HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de programmawet (I) van 24 december 2002 Art. 4. Artikel 474 van de programmawet (I) van 24 december 2002, vernietigd bij arrest nr. 106/2004 van het Arbitragehof van 16 juni 2004, wordt vervangen als volgt : ‘ Art. 474. De bekendmaking in het Belgisch Staatsblad door het Bestuur van het Belgisch Staatsblad gebeurt in vier exemplaren die op papier gedrukt worden. Eén exemplaar wordt gedeponeerd in uitvoering van de wet van 8 april 1965 tot instelling van het wettelijk depot bij de Koninklijke Bibliotheek van België één exemplaar wordt in bewaring gegeven bij de Minister van Justitie als bewaarder van ’s Lands zegel, één exemplaar wordt toegezonden aan het Algemeen Rijksarchief en één exemplaar ligt ter inzage bij het Bestuur van het Belgisch Staatsblad. Eén exemplaar wordt bewaard op microfilm. In geval van betwisting omtrent de juistheid van een vermelding in het Belgisch Staatsblad mag het exemplaar dat in bewaring wordt gegeven bij de Minister van Justitie als bewaarder van ’s Lands zegel in geen geval worden onttrokken aan die bewaring. Ingeval op verzoek van een rechtscollege een deel van het Belgisch Staatsblad moet worden overgelegd, wordt een door de Minister van Justitie voor eensluidend verklaard afschrift van de relevante passage(
  2. s)afgegeven. ’ Art. 5. Artikel 475 van dezelfde wet, vernietigd bij arrest nr. 106/2004 van het Arbitragehof van 16 juni 2004, wordt vervangen als volgt : ‘ Art. 475. - Elke andere terbeschikkingstelling van het publiek gebeurt via de internetsite van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad. De op deze internetsite ter beschikking gestelde publicaties zijn de exacte reproducties in elektronisch formaat van de in artikel 474 vermelde exemplaren op papier. ’ Art. 6. In dezelfde wet wordt een artikel 475bis ingevoegd, luidende : ‘ Art. 475bis. - Iedere burger kan bij de diensten van het Belgisch Staatsblad, door middel van een gratis telefonische hulpdienst, een afschrift van de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte akten en documenten verkrijgen tegen kostprijs. Deze dienst is eveneens belast met het leveren van een hulpdienst aan de burgers bij het zoeken naar documenten. ’ Art. 7. In dezelfde wet wordt een artikel 475ter ingevoegd, luidende : 7 ‘ Art. 475ter. - Bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad worden andere begeleidende maatregelen genomen met het oog op een zo ruim mogelijke verspreiding van en toegang tot de in het Belgisch Staatsblad opgenomen informatie. ’ Art. 8. Dit hoofdstuk treedt in werking op 31 juli 2005 ». B.2. In een enig middel voeren de verzoekende partijen aan dat de voormelde bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, in zoverre zij een discriminatie in het leven zouden roepen tussen, enerzijds, rijke en ingewijde burgers, en, anderzijds, minder rijke en minder ingewijde burgers, door de raadpleging van het Belgisch Staatsblad moeizamer te laten verlopen en duurder te maken, vermits daarvoor degelijk informaticamateriaal en een degelijke printer noodzakelijk zouden zijn. De bestreden bepalingen zouden eveneens de gelijkheid onder de ambtenaren tijdens de uitoefening van hun ambt verbreken, daar slechts enkelen toegang zouden hebben tot een internetverbinding en de anderen niet. De verzoekende partijen voeren voorts aan dat afbreuk zou zijn gedaan aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wat de toegang tot de informatie zelf betreft, in zoverre de internetsite van het Belgisch Staatsblad de inhoudstafel van de dag voorstelt en de gebruiker ertoe verplicht op elke tekst te klikken om daarvan kennis te nemen. B.3. De artikelen 472 tot 478 van de programmawet (I) van 24 december 2002 regelden de elektronische bekendmaking van het Belgisch Staatsblad. Die bepalingen strekten ertoe, enerzijds, de papieren uitgave af te schaffen, met uitzondering van drie exemplaren gedeponeerd of in bewaring gegeven bij de Koninklijke Bibliotheek van België, bij het Ministerie van Justitie en bij het Bestuur van het Belgisch Staatsblad, en, anderzijds, de papieren uitgave te vervangen door de terbeschikkingstelling aan het publiek via de internetsite van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad. B.4. Bij zijn arrest nr. 106/2004 van 16 juni 2004 heeft het Hof de artikelen 474 en 475 van die wet vernietigd, op grond van de overweging dat, ofschoon de vervanging van de op papier gedrukte uitgave van het Belgisch Staatsblad door een elektronische versie verband hield met de door de wetgever nagestreefde doelstelling en ze paste in de evolutie van de 8 samenleving, die maatregel, doordat hij niet gepaard ging met voldoende begeleidende maatregelen die een gelijke toegang tot de officiële teksten waarborgen, onevenredige gevolgen had ten nadele van bepaalde categorieën van personen en derhalve niet bestaanbaar was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.5. De bestreden bepalingen beogen gevolg te geven aan het voormelde arrest. Volgens de memorie van toelichting van de wet van 20 juli 2005 strekken zij ertoe « de rechtszekerheid te waarborgen door de wettelijke grondslag van het elektronische Staatsblad te bevestigen », en omvatten zij « een aantal corrigerende maatregelen, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de kritiek van het Arbitragehof » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51- 1845/001, p. 11). B.6. Het bestreden artikel 5 van de wet van 20 juli 2005 handhaaft de terbeschikkingstelling aan het publiek van het Belgisch Staatsblad via de internetsite van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad. Die bepaling wordt evenwel aangevuld met een artikel 6 dat een gratis telefonische hulpdienst opricht. Daarnaast wordt in artikel 7 de Koning opgedragen « andere begeleidende maatregelen » te nemen « met het oog op een zo ruim mogelijke verspreiding van en toegang tot de in het Belgisch Staatsblad opgenomen informatie ». B.7.1. Artikel 6 van het voorontwerp van wet bepaalde : « In [de wet van 24 december 2002] wordt een artikel 475bis ingevoegd, luidende : ‘ Art. 475bis – Iedere burger kan bij de diensten van het Belgisch Staatsblad, door middel van een gratis telefonische hulpdienst, een afschrift van de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte akten en documenten verkrijgen tegen de kostprijs ’ » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1845/001, p. 104). B.7.2. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft omtrent die bepaling opgemerkt dat zulk een maatregel op zich niet voldoende is om een gelijke toegang te verzekeren tot de officiële teksten die in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1845/001, p. 184). De Raad van State vervolgde : 9 « De stellers van het voorontwerp zijn zich ongetwijfeld bewust van dit probleem en hebben in de memorie van toelichting dan ook het volgende gesteld met betrekking tot de dienst waarin voorzien wordt door het ontworpen artikel 475bis : ‘ Bovendien zal deze dienst ook hulp kunnen bieden aan de burger om een bepaald document op te zoeken. Dit is op zich al reeds een begeleidende maatregel ’. Op te merken valt echter dat in het ontworpen dispositief niet wordt ingehaakt op het aanbieden van zulk een hulp bij het zoeken naar een welbepaald document, welke hulp in de memorie van toelichting overigens wordt voorgesteld als een loutere mogelijkheid waarover de diensten van het Belgisch Staatsblad kunnen oordelen, en niet als een verplichting. Zoals het ontworpen artikel 475bis thans geredigeerd is, kan het niet geacht worden te voorzien in een van de begeleidende maatregelen die voorgeschreven worden door het Arbitragehof » (ibid., p. 185). B.7.3. Teneinde rekening te houden met die opmerking van de Raad van State, werd in het ontwerp van wet aan artikel 6 toegevoegd dat de diensten van het Belgisch Staatsblad tevens, door middel van een gratis telefonische hulpdienst, bijstand dienen te leveren aan de burgers bij het zoeken naar documenten (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1845/001, p. 12). B.8.1. Met betrekking tot artikel 7 van het voorontwerp van wet heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State onder meer het volgende opgemerkt : « In de memorie van toelichting wordt de machtiging die aan de Koning wordt verleend door het ontworpen artikel 475ter, gerechtvaardigd door te stellen ‘ dat dergelijke maatregelen (…) moeten (kunnen) worden gewijzigd naar gelang van de technologische ontwikkeling en van de mogelijkheden aangeboden door particuliere of openbare ondernemingen, evenals door middel van bepaalde openbare diensten ’. Hoewel deze rechtvaardiging van de beoogde machtiging op het eerste gezicht kan worden aanvaard, wordt de aandacht evenwel gevestigd op het feit dat het de wetgever zelf toekomt om – al was het maar door enkel te voorzien in het beginsel ervan – aan andere overheden of personen dan de Staat zelf verplichtingen op te leggen » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1845/001, p. 185). B.8.2. In de memorie van toelichting bij artikel 7 van het ontwerp van wet werd op deze opmerking van de Raad van State als volgt geantwoord : « Niettemin [is] niet voorzien om verplichtingen op te leggen aan overheden of personen, andere dan de Staat zelf, om deze doelstelling te realiseren. De genomen maatregelen zullen door de Staat zelf uitgevoerd worden of in het kader van contracten of overeenkomsten die zullen worden afgesloten met publieke of private actoren » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1845/001, p. 12). 10 B.9. De wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen heeft de verplichting opgelegd om de teksten van de federale overheid in het Belgisch Staatsblad bekend te maken. Voor de decreten van de gemeenschappen en de gewesten geldt dezelfde verplichting krachtens de artikelen 22 en 54 tot 56 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en de artikelen 46 tot 48 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap. De artikelen 8, 32, 33, 69 en 73 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen bevatten analoge bepalingen voor de ordonnanties van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, en ook de decreten houdende overdracht van de uitoefening van sommige bevoegdheden van de Franse Gemeenschap aan het Waalse Gewest en aan de Franse Gemeenschapscommissie organiseren die bekendmaking voor de decreten die uitgaan van de Franse Gemeenschapscommissie. Andere bepalingen van de voormelde wetten handelen over de bekendmaking van de administratieve akten van die verschillende overheden. B.10. Volgens al die teksten zijn de wetgevende akten, alsook de administratieve akten die belang hebben « voor de meerderheid van de burgers » (artikel 56, § 1, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 18 juli 1966, en artikel 84 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen), verbindend de tiende dag na die van hun bekendmaking, tenzij zij een andere termijn bepalen. Het aan de bekendmaking verbonden gevolg veronderstelt dat de wijze van bekendmaking waarvoor de wetgever opteert, zonder discriminatie de toegankelijkheid van de officiële teksten waarborgt, zodat alle adressaten van die teksten in staat zijn kennis te nemen van de hun bij die teksten opgelegde verplichtingen en toegekende rechten. B.11. Het Hof dient bijgevolg na te gaan of de bestreden bepalingen de toegankelijkheid van de officiële teksten zonder discriminatie waarborgen aan de personen voor wie ze 11 bestemd zijn, en inzonderheid of de wetgever, overeenkomstig zijn in B.5 vermelde doelstelling, de nodige begeleidende maatregelen heeft genomen door voor een bepaalde categorie van personen te voorzien in een andere, aan hun situatie aangepaste wijze van toegang tot de teksten die voor hen rechtsgevolgen hebben. B.12.1. Te dien aanzien bepaalt het bestreden artikel 6 dat de diensten van het Belgisch Staatsblad, door middel van een gratis telefonische hulpdienst, enerzijds, tegen kostprijs iedere burger op zijn verzoek een afschrift van de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte akten en documenten dienen te bezorgen, en, anderzijds, de burgers bijstand dienen te verlenen bij het zoeken naar documenten. B.12.2. In de parlementaire voorbereiding van de programmawet (I) van 24 december 2002 werd reeds gewag gemaakt van de mogelijkheid voor personen die geen informaticamaterieel ter beschikking hebben, om zich door de diensten van het Belgisch Staatsblad, binnen 24 uur volgend op hun verzoek, een gewaarmerkte kopie van de akte die of het document dat zij wensen te verkrijgen, te laten overleggen (Parl. St., Senaat, 2002-2003, nr. 2-1390/5, p. 10). In zijn arrest nr. 106/2004 van 16 juni 2004 heeft het Hof hieromtrent het volgende gesteld : « B.18. Deze laatste maatregel, waarbij het mogelijk is een kopie van een akte of een document uit het Belgisch Staatsblad te verkrijgen, is niet van dien aard dat daardoor de negatieve gevolgen van de bestreden bepalingen worden verholpen. Aangezien personen die geen informaticamaterieel ter beschikking hebben het Belgisch Staatsblad zelf niet kunnen raadplegen, zal het voor diegene die een tekst zoekt immers uiterst moeilijk zijn om het exemplaar waarin de desbetreffende tekst is bekendgemaakt te identificeren. Die maatregel voert aldus een verschil in behandeling in tussen diegene die, aangezien hij toegang heeft tot informaticamaterieel, op eenvoudige wijze alle nummers kan raadplegen van het Belgisch Staatsblad die zijn uitgegeven sinds de inwerkingtreding van de aangevochten bepalingen en daaronder de tekst kan vinden die hem interesseert, en diegene die, aangezien hij geen toegang heeft tot de informatica, het nummer waarin die tekst is bekendgemaakt niet kan identificeren ». B.12.3. Het bestreden artikel 6 strekt er echter niet alleen toe « de ‘ help desk ’ van het Belgisch Staatsblad tot een instelling [te] verheffen » en « te bepalen dat het oproepnummer ervan gratis is » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1845/018, p. 4), maar legt de gratis telefonische hulpdienst tevens de taak op om de burgers bijstand te verlenen bij het zoeken naar documenten. 12 Uit de toevoeging van die tweede opdracht, waarvan de totstandkoming in B.7 is beschreven, blijkt dat de taak van de door de diensten van het Belgisch Staatsblad verstrekte gratis telefonische hulpdienst niet is beperkt tot het leveren van een afschrift van een door de burger geïdentificeerde akte of document. Diezelfde dienst dient de burger ook actief bij te staan om een door hem gezochte akte of document te vinden. Die hulpdienst maakt het bijgevolg mogelijk dat personen die geen informaticamaterieel ter beschikking hebben en die het Belgisch Staatsblad zelf niet kunnen raadplegen, een tekst kunnen verkrijgen zonder zelf het exemplaar te moeten identificeren waarin de desbetreffende tekst is bekendgemaakt, zodat aan het voormelde verschil in behandeling een einde wordt gemaakt. Bovendien blijkt uit het voorgaande dat aan een vraag om informatie van de burgers binnen een korte termijn gevolg dient te worden gegeven. B.13.1. Ten slotte dient de Koning, overeenkomstig het bestreden artikel 7, « andere begeleidende maatregelen » te nemen « met het oog op een zo ruim mogelijke verspreiding van en toegang tot de in het Belgisch Staatsblad opgenomen informatie ». B.13.2. Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft opgemerkt (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1845/001, p. 185), vloeit uit de precisering dat het om « andere » begeleidende maatregelen gaat, voort dat hiermee andere maatregelen worden bedoeld dan de mogelijkheid voor iedere burger om bij de diensten van het Belgisch Staatsblad een afschrift te verkrijgen van de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte akten en documenten en om aan die diensten bijstand te vragen bij het zoeken naar documenten. B.13.3. In de parlementaire voorbereiding werd hieromtrent het volgende verklaard : « De bedoeling van de begeleidende maatregelen bestaat erin om burgers gratis of tegen een zo lage mogelijke kostprijs een zo ruim mogelijke toegang te bieden tot de informatie in het Belgisch Staatsblad, door toe te zien op een optimale spreiding over het grondgebied. Zo kan worden gedacht aan de terbeschikkingstelling van de samenvattingen van het Belgisch Staatsblad in voor het publiek toegankelijke plaatsen of op verzoek. Op grond van die samenvattingen kan de burger dan naar keuze de internetsite van het Belgisch Staatsblad raadplegen of er zich rechtstreeks tot wenden om een exemplaar van het gezochte document te verkrijgen. Dat is slechts één van de mogelijke maatregelen. In de toekomst kunnen ongetwijfeld nieuwe middelen om te zorgen voor een zo ruim mogelijke verspreiding van de 13 informatie van het Belgisch Staatsblad worden ontwikkeld » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1845/001, p. 12). B.14.1. Uit wat voorafgaat, in het bijzonder wat in B.12.3 is vermeld, vloeit voort dat de maatregelen die het voorwerp uitmaken van de artikelen 6 en 7 van de wet van 20 juli 2005 van dien aard zijn dat zij vermijden dat de burgers het slachtoffer zouden zijn van een discriminatie bij de toegang tot de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte officiële teksten. Bijgevolg schenden de bestreden bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. B.14.2. Het enige middel is niet gegrond. 14 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 17 januari 2007. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.010 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.