← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.011

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 11 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.011 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070111.4 Arrest- Rolnummer: 11-2007;3866 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-02-05 Raadplegingen: 266 - laatst gezien 2026-06-29 11:52 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten, ingesteld door P. Beneux en anderen. Geïntegreerde politiedienst - Personeel - Statuut - Voorwaarden en modaliteiten van de integratie van de politiediensten -

  1. Bevorderingsvoorwaarden -
  2. Graden -
  3. Samenstelling van het kader. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-2005 - 53 ELI link Pub nr 2005000427 Tekst van de beslissing Rolnummers 3866, 3875, 3876, 3881 en 3884 Arrest nr. 11/2007 van 17 januari 2007 In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten, ingesteld door P. Beneux en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 januari 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 11, 18, 27, 32, 33, 42, 44 en 48, 2°, van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2005, tweede editie) door P. Beneux, wonende te 3090 Overijse, Hengstenberg 53, J. Carmans, wonende te 3840 Borgloon, de Tieckenstraat 31, N. Cilissen, wonende te 3700 Tongeren, Eeuwfeestwal 8/1, H. Cillis, wonende te 2610 Wilrijk, Iepermanlei 2, M. Coolman, wonende te 9000 Gent, Rijzenbergstraat 155, A. Cornelis, wonende te 9300 Aalst, Molenstraat, 11/1, A. De Bruycker, wonende te 9860 Oosterzele, Geraardsbergsesteenweg 39a, M.-J. De Clercq, wonende te 9220 Hamme, Schaubeke 50, E. De Kinder, wonende te 1790 Affligem, Potaardestraat 83, W. De Vestel, wonende te 8310 Brugge-Sint-Kruis, Pijpeweg 1, F. De Wever, wonende te 8580 Avelgem, Kortrijkstraat 75, Y. Dedecker, wonende te 8434 Middelkerke, Hofstraat 141, D. Desmetz, wonende te 8520 Kuurne, Bloemenhof 23, E. Dhont, wonende te 9040 Gent, Wijmakker 9, J. Evrars, wonende te 3700 Tongeren, Kerkstraat 30, W. Geboes, wonende te 2200 Herentals, Koulaak 66, A. Hemelsoet, wonende te 9940 Evergem, Eendenplasstraat 33, I. Houkx, wonende te 8900 Ieper, Capucienenstraat 8/1b, J. Impens, wonende te 9040 Sint-Amandsberg, H. Hartplein 6, D. Jamers, wonende te 3540 Herk-de-Stad, Veearts Strauvenlaan 16/2, E. Janssens, wonende te 1910 Kampenhout, Rubenslaan 21, G. Janssens, wonende te 2440 Geel, Berthoutsdreef 25, L. Keunen, wonende te 2610 Wilrijk, Standonklaan 42, F. Kind, wonende te 2020 Antwerpen, Eglantierlaan 66, Y. Lefever, wonende te 3300 Tienen, Neerlintersesteenweg 124, Y. Martens, wonende te 3500 Hasselt, Maastrichtersteenweg 312, L. Migom, wonende te 9300 Aalst, Raffelgemstraat 14, D. Normon, wonende te 8870 Izegem, Boterstraat 17, J.-P. Peelos, wonende te 3400 Landen, Raatshovenstraat 131, F. Peeters, wonende te 1703 Schepdaal, Heiligekruiswegstraat 28, K. Peeters, wonende te 3271 Scherpenheuvel-Zichem, Ernest Claesstraat 51, M. Rogiers, wonende te 9000 Gent, Coupure Rechts 470, K. Rousseau, wonende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 38, L. Schrikx, wonende te 2930 Brasschaat, Boskapellei 61, G. Schuurman, wonende te 9920 Lovendegem, Loovaart 6, M. Slachmuylders, wonende te 2930 Brasschaat, De Borrekenslei 50, L. Tack, wonende te 8510 Bellegem, Sint- Amandsdreef 2, H. Van Cromphout, wonende te 9300 Aalst, Mijlbekelaan 45, J. Van den Ouweland, wonende te 2980 Zoersel, Sporkenlaan 51, R. Van der Poorten, wonende te 2020 Antwerpen, Willem Eekelersstraat 17, D. Van Doorslaer, wonende te 2970 Schilde, De Kluis 5, M. Van Hoecke, wonende te 9860 Oosterzele, Tramstraat 33, E. Vercruysse, wonende te 3360 Bierbeek, Tiensesteenweg 277, D. Walraedt, wonende te 9050 Gentbrugge, Racingstraat 5, R. Wandelseck, wonende te 9280 Denderbelle, Bermenstraat 8, M. Waterplas, wonende te 9255 Buggenhout, Lentepark 27, D. Willems, wonende te 9032 Gent, Kolegemstraat 128, M. Azion, wonende te 4800 Verviers, Rue Rogier 37, J.-M. Arnould, wonende te 1342 Limelette, rue du Congo 91, R. Bamps, wonende te 6700 Aarlen, route de Neufchâteau 445, A. Bertrand, wonende te 6060 Gilly, rue de la Duchère 8, P. Charlier, wonende te 4032 Luik, rue de la Métairie 30, P. Chevalier, wonende te 7032 Bergen, chaussée de Beaumont 199, J.-C. Debbaut, wonende te 1190 Brussel, Domeinlaan 149, J.-M. Deside, wonende te 5020 Vedrin, rue Joseph Debehogne 8, B. Devillet, wonende te 1030 Brussel, Opaallaan 115, L. Dewingue, wonende te 7610 Rumes, chaussée de Douai 84, D. Didion, wonende te 7021 Havré, rue de la Bruyère 207, L. Doyen, wonende te 1367 Ramillies, avenue des Déportés 64, J.-P. Elise, wonende te 1340 Céroux-Mousty, rue du Bon Air 32, A. Etienne, wonende te 5020 Flawinne, 3 rue Lorent 9, M. Genon, wonende te 4400 Flémalle, rue sous les Roches 122, J. Laitem, wonende te 6142 Fontaine-l’Evêque, rue Long des Bois 35, T. Laixhay, wonende te 4130 Esneux, Chera de la Gombe 35, L. Leemans, wonende te 1700 Dilbeek, Kerselaarstraat 155, M. Lixon, wonende te 4837 Baelen, Sur les Roches 16, A. Moulin, wonende te 5140 Sombreffe, chaussée de Bruxelles 22, F. Perilleux, wonende te 4140 Sprimont, rue du Crokin 21, Y. Petitjean, wonende te 5170 Profondeville, allée des Ramiers 27, G. Plancke, wonende te 8400 Oostende, Louisastraat 22/20, J.-C. Pluvinage, wonende te 7021 Bergen, rue Arthur Collier 71, J.-L. Poncelet, wonende te 5000 Namen, avenue de la Pairelle 78/4, D. Rocq, wonende te 7050 Jurbise, rue des Masnuy 13, M. Sacotte, wonende te 1702 Groot-Bijgaarden, Leliestraat 11, S. Schoelinck, wonende te 6120 Nalinnes, rue de la Praile 80, J.-M. Secret, wonende te 7622 Brunehaut, rue de Sin 20, F. Sonck, wonende te 6031 Monceau-sur-Sambre, Cité F. Godesiabois 41, W. Thiry, wonende te 6180 Courcelles, rue du Temple 72, R. Van den Meerssche, wonende te 4610 Beyne-Heusay, rue des 400 Bonniers 6, G. Vanlerberghe, wonende te 1420 Eigenbrakel, rue Pierre Flamand 64, D. Verlaine, wonende te 5000 Namen, rue des Croisiers 37, E. Verstraelen, wonende te 4360 Oreye, rue des Combattants 110, P. Zangerlé, wonende te 4000 Luik, rue Général Modard 10, Y. Zimmer, wonende te 6700 Aarlen, route de Luxembourg 113, en de vzw « Vakbond van de Belgische Politie », met zetel te 1070 Brussel, Geurstraat
  4. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 januari 2006, heeft T. Debacker, wonende te 2547 Lint, Stijn Streuvelslaan 5, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 11, 18, 32, 33 en 44 van dezelfde wet. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 januari 2006, heeft E. Stuy, wonende te 2590 Berlaar, Daalstraat 8, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 11, 18, 32, 33 en 44 van dezelfde wet. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 januari 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 11 en 47, 2°, van dezelfde wet, door J.-P. Ketels, wonende te 9100 Sint-Niklaas, Heimolenstraat 95, M. Claerhout, wonende te 8500 Kortrijk, Condédreef 127, P. Spaens, wonende te 9120 Beveren, Meerminnendam 17, en C. Boone, wonende te 9900 Eeklo, Romanus Van Wassenhovestraat
  5. e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 januari 2006, heeft G. Verstraete, wonende te 2910 Essen, Heikantstraat 78, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 11, 18 en 44 van dezelfde wet. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3866, 3875, 3876, 3881 en 3884 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. 4 Op de openbare terechtzitting van 8 november 2006 : - zijn verschenen : . Mr. A. Lust, advocaat bij de balie te Brugge, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 3866; . Mr. I. Martens, advocaat bij de balie te Gent, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 3875 en 3876; . Mr. C. Flamend, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 3881; . Mr. F. De Mil loco Mr. W. Van der Gucht, advocaten bij de balie te Gent, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 3884; . Mr. D. D’Hooghe, advocaat bij de balie te Brussel, en adviseur E. Van Rossem, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J. Spreutels verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Zaak nr. 3866 Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1.
  6. Op één verzoekende partij na, bekleedden alle verzoekers destijds de graad van afdelingscommissaris 1C bij de gerechtelijke politie. Hun inschaling in de graad van commissaris van politie in het kader van de politiehervorming werd door het Hof vernietigd wegens schending van het gelijkheidsbeginsel in het arrest nr. 102/
  7. Zij voeren aan dat zij rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen van de wet van 3 juli 2005 die, naar hun oordeel, noch afzonderlijk, noch in hun geheel, de bij voormeld arrest vastgestelde ongrondwettigheid hebben verholpen en om die reden moeten worden vernietigd. Het beroep tegen artikel 42 van die wet kan worden beperkt tot de woorden « en de commissarissen van politie eerste klasse ». Sommige verzoekers zijn sedert de hervorming aangesteld in de graad van hoofdcommissaris, doch die tijdelijke situatie doet geen afbreuk aan hun belang. Ook zij die ondertussen reeds zijn benoemd tot hoofdcommissaris behouden hun belang omdat zij niet in de juiste graad waren ingeschaald tussen 1 april 2001 en de datum van hun benoeming tot hoofdcommissaris. 5 A.1.
  8. De laatste verzoekende partij is de vzw « Vakbond van de Belgische Politie », die onder meer tot doel heeft de professionele, economische en sociale belangen van haar leden, die door de bestreden bepalingen in het gedrang komen, te verdedigen. Haar maatschappelijk doel is van bijzondere aard, valt niet samen met het algemeen belang en is evenmin beperkt tot de individuele belangen van de leden. A.2.
  9. Volgens de Ministerraad is het beroep niet ontvankelijk omdat de verzoekers niet ongunstig worden geraakt door de bestreden bepalingen, die hun een voordeel opleveren. Dat is in ieder geval zo in zoverre het beroep is gericht tegen artikel 42 van de wet van 3 juli 2005 omdat zij wel degelijk de graad van commissaris van politie eerste klasse mogen gebruiken. Enkele verzoekers zouden bovendien geen belang hebben bij de vernietiging van de artikelen 42 en 44 van de wet van 3 juli 2005 omdat zij, door hun aanstelling of benoeming in de graad van hoofdcommissaris van politie, hiërarchisch hoger staan dan de personeelsleden die onder de toepassing van die bepalingen vallen. A.2.
  10. Het verzoekschrift is volgens de Ministerraad ook niet ontvankelijk omdat de verzoekers niet aantonen met welke graden van de vroegere rijkswacht zij moeten worden vergeleken en waarin de schending van het gelijkheidsbeginsel zou bestaan. De verzoekers betwisten dit onder verwijzing naar hun verzoekschrift. Ten gronde A.3.
  11. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het rechtszekerheidsbeginsel, dat retroactieve werking van wetsbepalingen verbiedt. A.3.
  12. Die bepalingen en dat beginsel zouden allereerst zijn geschonden doordat de verzoekers, die destijds een graad van hoger officier bij de gerechtelijke politie bekleedden, anders dan de gerechtelijke afdelingscommissarissen met weddeschaal 1D, niet als hoofdcommissaris worden herbenoemd in het kader van de hogere officieren van de politie en bijgevolg niet worden ingeschaald in de aan die graad verbonden weddeschaal, maar de nieuwe graad van commissaris van politie eerste klasse krijgen. Zij worden onderworpen aan nieuwe bekwaamheidsvereisten om in de graad van hoofdcommissaris te kunnen worden benoemd en zijn verplicht zich te bedienen van de titel « gerechtelijk commissaris ». Volgens hen worden aldus gelijke toestanden ongelijk behandeld en blijft de door het Hof vernietigde discriminatie onverminderd gehandhaafd. Het verschil tussen de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C en 1D bestond slechts in een noodzakelijke graadanciënniteit en het slagen voor een weddeschaalproef. Die criteria werden door het Hof reeds onvoldoende geacht om te differentiëren tussen de gerechtelijke afdelingsinspecteurs, zodat de Ministerraad die thans ook niet kan aanwenden om te differentiëren tussen de gerechtelijke commissarissen 1C en 1D. De functies waren inhoudelijk identiek en het onderscheid in weddeschaal dateert van na de politiehervorming. Ten onrechte wordt ook gesteld dat alleen de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1D toegang hadden tot de hoogste ambten, wat onjuist is, zoals onder meer blijkt uit artikel 11 van het koninklijk besluit van 19 december 1997, waarbij gerechtelijke commissarissen na een aanwijzing in een hogere graad, hun weddeschaal 1C of 1D genieten. De afdelingscommissarissen 1C verschilden daarentegen gradueel wel van de gerechtelijke commissarissen, die lagere officieren van de vroegere gerechtelijke politie waren. A.3.
  13. Door te worden ondergebracht in het lagere officierskader van de federale politie - de officieren in tabel D1 staan immers tegenover de « hogere officieren » in tabel D2 - zijn zij teruggezet in graad, wat reeds leidde tot een vernietiging van de desbetreffende bepalingen door het Hof in het arrest nr. 102/
  14. De door het Hof gebezigde terminologie is dezelfde als die voor de sanctie die in tuchtwetten is voorgeschreven. De Ministerraad moet aantonen dat de verzoekers minstens inhoudelijk de vroegere graad hebben teruggekregen, met alle eraan verbonden rechtsgevolgen en op voet van gelijkheid met hun vroegere collega’s gerechtelijke afdelingscommissarissen 1D, met wie zij ook in het arrest nr. 102/2003 werden vergeleken. Het is die vergelijking die aanleiding gaf tot de vernietiging, zodat het Hof impliciet doch noodzakelijk heeft geoordeeld dat beide categorieën met elkaar vergelijkbaar zijn, wat in dit geding niet meer kan worden betwist. A.3.
  15. In zoverre de verzoekers zich vergelijken met de vroegere rijkswachtmajoors, die wel hoofdcommissaris werden, merken zij op dat zij in hun vroegere graad, behalve wat de maximumwedde betreft, een hogere wedde genoten, dat niet alle majoors grote eenheden aanvoerden en, indien wel, zij daarbij dan hoofdzakelijk algemene bestuurlijke taken uitoefenden, zoals handhaving van de openbare orde, terwijl de 6 gerechtelijke afdelingscommissarissen gespecialiseerde opdrachten vervulden waarvoor zelfs geen lager kader bestond. A.3.
  16. De bestreden bepalingen maken aan de discriminatie geen einde omdat zij slechts het gevolg zijn van een vernuftige en minimalistische wetgevende ingreep die zich substantieel beperkt tot de creatie van een uitdovende en louter nominatieve graad van commissaris van politie eerste klasse, die zelfs niet mag worden vermeld in de uitoefening van het ambt, zonder wedde- of baremisch loopbaanverschil en zonder reële functie of hiërarchisch gezag op het niveau van hoger officier. De verzoekers blijven ten aanzien van hun vroegere rechtspositie in graad teruggezet of gedegradeerd. De zorg om het behoud van het evenwicht tussen de drie vroegere korpsen - dat overigens alleen gold voor de gezagsambten en niet voor de toekenning van de graden - zou niet in acht zijn genomen aangezien de nieuwe graad juist is voorbehouden aan vroegere officieren van uitsluitend één korps. Bovendien werd een nieuwe graad gecreëerd terwijl de politiehervorming ernaar streefde het aantal graden te beperken. A.3.
  17. De mogelijkheid die de gewezen afdelingscommissarissen 1C thans hebben gekregen om ooit opnieuw hoger officier te worden via benoeming, of te kunnen doen alsof, via een aanstelling, is niet realistisch. Verzoekers zijn gemiddeld reeds 56 jaar. Zij zouden ernstige inspanningen moeten doen om nog in aanmerking te kunnen komen door het behalen van een directiebrevet. Dat brevet staat in wezen gelijk met het door hen reeds behaalde diploma van de School voor Criminologie en Criminalistiek dat hun toegang verleende tot het hogere officierskader bij de vroegere gerechtelijke politie. Uit de nieuwe bepalingen blijkt dat zij bekwaam worden geacht om de functie van hoger officier uit te oefenen. De omstandigheid dat het hiërarchisch gezag van de huidige commissarissen van politie eerste klasse is hersteld tegenover de vroegere commissarissen, doet evenmin afbreuk aan de feitelijke degradatie ten aanzien van de gewezen gerechtelijke afdelingscommissarissen 1D. Er zijn evenmin dwingende motieven van algemeen belang om op retroactieve wijze afbreuk te doen aan de subjectieve rechten van de verzoekers. A.3.
  18. De verzoekers merken op dat zij op grond van het arrest nr. 102/2003 niet alleen dienen te worden onderscheiden van de overige commissarissen van politie - wat met de bestreden bepalingen misschien is gebeurd - maar dat zij eveneens gelijk dienen te worden behandeld met de gewezen gerechtelijke afdelingscommissarissen 1D. De bestreden bepalingen komen hieraan zeker niet tegemoet. Dat zulks niet werd opgeworpen door de Raad van State vloeit voort uit het feit dat voor de Raad werd verborgen dat het Hof vooral had bekritiseerd dat de verzoekers ook het voordeel van de door hen gevolgde opleiding aan de School voor Criminologie en Criminalistiek hadden verloren. Zij dienen immers een directiebrevet te behalen om nog effectief tot hoofdcommissaris van politie te kunnen worden benoemd, terwijl die theoretische mogelijkheid - bij ontstentenis van uitvoeringsbesluiten - totaal onbestaande is. Noch de mogelijkheid tot aanstelling, noch de mogelijkheid tot benoeming na aanstelling en het behalen van het directiebrevet, zijn ernstige equivalente reparatiemodaliteiten. A.3.
  19. De verzoekers besluiten dan ook dat zij, door niet geïntegreerd te zijn in de nieuwe equivalente graad van hoofdcommissaris, alle voordelen verliezen die aan die rechtspositie verbonden zouden zijn geweest, onder meer op het vlak van status en prestige, de vervulling van bijzondere opdrachten of taken, de materiële omkadering, de baremische loopbaan - die duidelijk minder gunstig is dan die van de hogere officieren - en dienvolgens de pensioenrechten. A.4.
  20. De Ministerraad verwerpt ten gronde allereerst de vergelijking van de gewezen gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C met de gewezen majoors van de vroegere rijkswacht omdat beide categorieën noch op vlak van hun vroegere wedde, noch op grond van hun functie vergelijkbaar zijn. Gelet op de hogere wedde en de hogere verantwoordelijkheden van de gewezen rijkswachtmajoors, die meestal lijnofficieren waren met heel wat manschappen onder zich, was hun inschaling bij de hoofdcommissarissen van politie verantwoord. A.4.
  21. Ook met de gewezen gerechtelijke afdelingscommissarissen 1D zijn de verzoekers niet vergelijkbaar omdat, anders dan zij beweren, een bevordering van weddeschaal 1C naar 1D geen automatisme was, vermits zij afhankelijk was van voldoende vacante plaatsen en onder meer het slagen voor een bekwaamheidsproef en, « en régime », het bezit van een universitair diploma. Dat zij topambtenaren waren, onder meer omdat zij konden meedingen naar de hoogste ambten binnen de gerechtelijke politie, kan niet worden aangenomen, omdat in beginsel moest zijn voldaan aan de voorwaarden voor benoeming tot gerechtelijk afdelingscommissaris 1D, en, in het kader van de tijdelijke maatregel waarin ook zij konden kandideren, dat 7 eveneens gold voor de gerechtelijke commissarissen 1A en 1B. Daaruit volgt dat de gewezen gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C niet vergelijkbaar zijn met de gewezen gerechtelijke afdelingscommissarissen 1D. A.4.
  22. Uit het arrest nr. 102/2003 blijkt dat de wetgever de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C, enerzijds, diende in te schalen in een hiërarchisch hogere graad dan de gerechtelijke commissarissen 1B en, anderzijds, dat hij hen in staat diende te stellen functies uit te oefenen die verbonden zijn aan hun vroegere graad, wat gebeurde door de bestreden artikelen 11, 18, 27, 32, 33 en
  23. Uit dat arrest kan niet worden afgeleid dat zij ook dienden te worden benoemd in de graad van hoofdcommissaris van politie. Het Hof heeft overigens de proportionele benadering van de nieuwe inschaling van de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C niet uitgesloten, op voorwaarde dat hun rechten niet op onevenredige wijze werden geschonden, wat door de bestreden bepalingen precies wordt voorkomen. In ieder geval ontkent de Ministerraad dat het begrip « terugzetting in graad » in het arrest van het Hof kan worden gelijkgesteld met het tuchtrechtelijke begrip, alleen reeds omdat de verzoekers in een hogere weddeschaal terechtkwamen dan voordien. A.4.
  24. De Ministerraad benadrukt verder dat de verzoekers via mobiliteit kunnen meedingen naar alle ambten van hoofdcommissaris van politie, inclusief de mandaatambten (waarbij een aanstelling tot hoofdcommissaris begrepen is) en zulks in tegenstelling tot de commissarissen van politie. Artikel 27 van de wet van 3 juli 2005 voorziet in de valorisatie van de aanstellingen in de graad van hoofdcommissaris onder bepaalde voorwaarden. Voor de geslaagden gerechtelijk afdelingscommissaris 1D vervalt zelfs het vereiste van directiebrevet. Dat brevet is niet vergelijkbaar met het diploma van de hogere graad van de School voor Criminologie en Criminalistiek. Het zal binnenkort kunnen worden behaald, vermits de uitvoeringsbesluiten aan de Raad van State zijn voorgelegd. De Ministerraad wijst erop dat een aantal verzoekers die inmiddels zijn benoemd tot hoofdcommissaris van politie, dat voordeel hebben genoten. Daaruit volgt dat de wetgever op evenredige wijze heeft gedifferentieerd onder de gerechtelijke afdelingscommissarissen naargelang zij al dan niet geslaagden 1D waren. A.4.
  25. De Ministerraad betwist dat het gaat om een opsmukoperatie aangezien de hiërarchie en de carrièremogelijkheden worden hersteld en de commissarissen van politie eerste klasse de enige categorie van personeelsleden vormen die in de toekomst nog kan worden aangesteld tot hoofdcommissaris van politie, ook in mandaatambten, en daaruit nog een valorisering kan puren met het oog op een benoeming in die graad. Verder merkt de Ministerraad op dat alle verzoekers ab initio functies toegewezen hebben gekregen die inhoudelijk gelijkwaardig zijn met hun vroegere functies, dat de commissarissen van politie eerste klasse niet gerangschikt zijn onder de « lagere officieren » doch bij de « officieren » en dat zij ingeschaald zijn in een hogere weddeschaal en een baremische verhoging in de vlakke loopbaan kunnen verkrijgen die vroeger niet bestond. Zij kunnen hun graad van commissaris van politie eerste klasse wel degelijk gebruiken. A.4.
  26. De Ministerraad ziet niet in waarin de schending van het rechtszekerheidsbeginsel bestaat nu de wetgever volledig rechtsherstel wou geven in het licht van de draagwijdte van het arrest nr. 102/
  27. Hij benadrukt dat het Hof niet bevoegd is om zich uit te spreken over de toepassingsvoorwaarden van de foutaansprakelijkheid in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek. Zaken nrs 3875, 3876 en 3884 A.5.
  28. De verzoekers zijn een gewezen kapitein-commandant van de vroegere rijkswacht die bij de eenmaking van de politie de graad van commissaris van politie kreeg en tegelijk werd aangesteld als hoofdcommissaris en twee gewezen politiecommissarissen-korpschefs in een gemeente behorende tot klasse 15 en klasse
  29. Zij zijn van oordeel dat zij belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepalingen in zoverre die niet van toepassing zijn op hun situatie als gewezen rijkswachtofficier en als politiecommissaris- korpschef in een gemeente behorende tot klasse 15 en klasse
  30. Het argument dat het Hof zich reeds heeft uitgesproken over hun situatie, achten zij niet relevant om de ontvankelijkheid van hun beroep te betwisten, vermits de bestreden bepalingen een nieuwe graad invoeren waarmee het Hof geen rekening kon houden toen het stelde dat de verzoekers terecht waren ingeschaald in de graad van commissaris van politie. Door de verzoekers uit te sluiten van de nieuwe graad van commissaris van politie eerste klasse worden hun een aantal rechten ontzegd, zodat zij ook belang hebben bij de vernietiging van de bepalingen die deze rechten creëren. 8 A.5.
  31. Eén verzoeker wijst verder erop dat een verschil in behandeling bestaat tussen de commissarissen- korpschefs tot en met klasse 17 en de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C, doordat alleen eerstgenoemden het gezag over ondergeschikten niet hersteld zien en bovendien zelfs ondergeschikt worden aan laatstgenoemden, terwijl dat vóór de politiehervorming net andersom was en zij binnen hun organisatie een hogere positie bekleedden dan de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C. A.
  32. De verzoekers voeren de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aan doordat alleen de gerechtelijke afdelingscommissarissen, de laboratoriumafdelingscommissarissen, en de afdelingscommissarissen van de dienst telecommunicatie worden ingeschaald in de nieuw gecreëerde graad van commissaris van politie eerste klasse, terwijl dat niet het geval is voor de gewezen kapitein-commandanten van de vroegere rijkswacht en de politiecommissarissen-korpschefs in een gemeente behorende tot klasse 15 en klasse 16, zonder dat hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Ook zij verloren hiërarchisch gezag over vroegere ondergeschikten, namelijk de gewezen rijkswachtadjudanten, wat een terugzetting in graad betekent, die kan worden hersteld door inschaling in de nieuwe graad. Door het creëren van een nieuwe graad, heeft de wetgever een nieuw verschil in behandeling ingesteld dat de toets aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie moet kunnen doorstaan. Het is niet voldoende dat de wetgever zich beroept op het gezag van gewijsde van het arrest nr. 102/2003, vermits daaraan ook gevolg had kunnen worden gegeven door de gewezen gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C in te schalen als hoofdcommissarissen van politie. Alleen in dat laatste geval zou het arrest nr. 102/2003 ten aanzien van de verzoekers een definitief karakter hebben gehad. A.
  33. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep in de zaak nr. 3875 omdat het Hof zich reeds heeft uitgesproken over de gelijke behandeling van de voormalige luitenanten en kapitein-commandanten, enerzijds, en de adjudanten en adjudanten-chefs, brigadecommandanten, anderzijds, - en die grondwettig heeft beoordeeld -, en de bestreden bepalingen in hun onderlinge verhouding geen wijziging hebben aangebracht. Bovendien toont de verzoeker onvoldoende aan waarin de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 18, 32 en 33 van de wet van 3 juli 2005 zou bestaan. Ten slotte wijst de Ministerraad erop dat de verzoeker sedert 1 april 2001 is aangesteld in de graad van hoofdcommissaris van politie en derhalve zijn gezag heeft behouden. De verzoeker wordt op basis van artikel 27 van die wet ook benoemd tot hoofdcommissaris van politie indien hij voldoet aan de voorwaarden opgenomen in artikel 32, 1° en 3° tot 5°, van de wet van 26 april
  34. Hij heeft ingevolge zijn aanstelling dan ook geen belang bij de eventuele vernietiging van de artikelen 18 en 32 van de wet van 3 juli
  35. Gelet op zijn aanstelling in de graad van hoofdcommissaris van politie kan hij zich niet gediscrimineerd achten door het feit dat hij niet de door de bestreden bepalingen ingevoerde maatregel kan genieten. A.
  36. Ten gronde voert de Ministerraad subsidiair aan dat de wetgever ingevolge het arrest nr. 102/2003 de situatie van de gewezen afdelingscommissarissen 1C diende te regelen door een graadverhoging. Aangezien er geen discriminatie was vastgesteld bij de voormalige kapitein-commandanten, was het een onvermijdelijk gevolg dat de gewezen afdelingscommissarissen 1C zouden worden ingeschaald in een andere - en hogere - graad dan de gewezen kapitein-commandanten van de vroegere rijkswacht, die wel correct bleken te zijn ingeschaald. A.
  37. De Ministerraad voert aan dat ook het verzoekschrift in de zaken nrs. 3876 en 3884 onontvankelijk is omdat het Hof zich eveneens definitief heeft uitgesproken over de inschaling van commissarissen van politie, hetzij korpschefs vanaf klasse 18, hetzij niet-korpschefs vanaf klasse 21, als hoofdcommissaris van politie, enerzijds, en de commissarissen van politie, hetzij korpschefs tot en met klasse 17, hetzij niet-korpschefs tot en met klasse 20, als commissaris van politie, anderzijds, terwijl de bestreden bepalingen in de situatie van laatstgenoemden geen wijziging hebben aangebracht. De gelijkstelling van de situatie van de verzoekers met die van de adjunct-commissarissen van politie, die naar aanleiding van de politiehervorming zelfs niet werd aangevochten, is eveneens definitief geworden en kan thans niet meer worden bestreden. Het beroep is onontvankelijk, in zoverre het de artikelen 11 en 44 betreft, wegens het gezag van gewijsde van het arrest nr. 102/2003, en in zoverre het de artikelen 18, 32 en 33 betreft, wegens onvoldoende uiteenzetting van het middel. A.
  38. Subsidiair laat de Ministerraad gelden dat het Hof in het arrest nr. 102/2003 geen discriminatie heeft vastgesteld van de commissarissen van politie-korpschefs tot en met klasse 17, en bijgevolg alleen de situatie van de gewezen afdelingscommissarissen 1C diende te worden geregeld. De redenering van verzoeker zou een 9 domino-effect inzake inschaling veroorzaken waardoor precies het gezag van gewijsde van het arrest nr. 102/2003 zou worden geschonden. De graad van commissaris van politie eerste klasse waarin is voorzien, is bovendien een overgangsgraad met een uitdovend karakter. A.
  39. Wat de zaak nr. 3884 betreft, merkt de Ministerraad bijkomend op dat de verzoeker tot 29 juli 2005 - datum van inwerkingtreding van artikel 47 van de wet van 3 juli 2005 - op basis van artikel XII.VI.9 RPPol de mogelijkheid had om via mobiliteit mee te dingen naar voldoende openstaande betrekkingen van hoofdcommissaris van politie, maar dat niet heeft gedaan. Bovendien kan hij op grond en onder de voorwaarden van artikel 32 van de wet van 26 april 2002 nog steeds worden benoemd tot de graad van hoofdcommissaris van politie. De mogelijke gezagsuitoefening van een gewezen afdelingscommissaris 1C als commissaris van politie eerste klasse over de verzoeker is hypothetisch vermits de eerstgenoemden tot de federale politie behoren en laatstgenoemde tot de lokale politie. Zaak nr. 3881 A.
  40. De verzoekers zijn een gewezen kapitein-commandant en luitenant van de vroegere rijkswacht en een gewezen politiecommissaris en politiecommissaris-korpschef bij de gemeentepolitie die bij de eenmaking van de politie de graad van commissaris van politie kregen. Zij zijn van oordeel belang te hebben bij de vernietiging van de bestreden bepalingen in zoverre zij niet van toepassing zijn op hun situatie als gewezen rijkswachtofficier en als gewezen politiecommissaris(-korpschef) van de gemeentepolitie. Zij wijzen eveneens erop dat het gezag van gewijsde van het arrest nr. 102/2003 beperkt was tot hun inschaling als commissaris van politie, vergeleken met de hoofdcommissarissen van politie. Bovendien is hun situatie gewijzigd nu anderen recht kregen op een hogere graad en hunzelf de mogelijkheid werd ontnomen om nog langer te solliciteren naar ambten van hoofdcommissaris. A.13.
  41. De verzoekers voeren de schending aan van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet. Het middel is allereerst gericht tegen artikel 47, 2°, van de wet van 3 juli 2005, dat artikel XII.VI.9 RPPol opheft, doordat het de verzoekers de mogelijkheid ontzegt om mee te dingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdcommissarissen van politie, terwijl zij die mogelijkheid wel hadden op basis van laatstvermelde bepaling en dat recht onverminderd wordt toegekend aan de nieuwe categorie van commissarissen van politie eerste klasse. A.13.
  42. De redenen die in het arrest nr. 102/2003 door het Hof werden aanvaard om bepaalde rijkswachtofficieren slechts de graad van commissaris van politie te laten toekennen (B.35.4.2), zijn thans onvoldoende nu zij middels de nieuwe graad van commissaris van politie eerste klasse hun hiërarchisch gezag en waardering van hun titels en verdiensten kunnen herwinnen tegenover de gewezen leden van het middenkader van de vroegere rijkswacht. Door de nieuwe graad te beperken tot de afdelingscommissarissen van gerechtelijke politie 1C is de maatregel discriminerend ten aanzien van de voormalige rijkswachtofficieren. Eenzelfde redenering gaat op voor de gewezen politiecommissarissen van gemeenten vanaf klasse 17, die zich duidelijk onderscheiden van de overige politieofficieren in gemeenten onder klasse 17 en van de gewezen hoofdinspecteurs eerste klasse. A.13.
  43. Dat het gaat om een uitdovende maatregel achten de verzoekers niet relevant. Door de bestreden maatregel uitsluitend uit te breiden tot de categorie van officieren waartoe de verzoekers vroeger behoorden, verliest die niet zijn uitdovend karakter. Zij wijzen verder erop dat in de categorie van de commissarissen van politie, door de toepassing van de rode loper, heel wat leden van het middenkader van verschillende korpsen werden opgenomen, van wie de verzoekers slechts verschilden doordat uitsluitend zij nog konden meedingen naar vacante betrekkingen van hoofdcommissaris, maatregel die door de bestreden wet ook is afgeschaft. Met de nieuwe graad wordt aangeknoopt bij vroegere voorstellen waarbij verzoekers ook zouden worden ingeschaald in de hoogste graad van de lagere officieren. A.13.
  44. De verzoekers betwisten ook het standpunt dat de overgangsmaatregel kon worden opgeheven wegens voldoende kansen op benoeming tot de graad van hoofdcommissaris via mobiliteit tijdens de afgelopen 10 vier jaren, vermits die meestal was voorbehouden voor gespecialiseerde functies. De mogelijkheden voor elkeen om « en régime » tot hoofdcommissaris te kunnen worden benoemd zijn onbestaande bij ontstentenis van uitvoeringsbesluiten, zodat geen enkele commissaris van politie nog toegang kan krijgen tot de graad van hoofdcommissaris. Minstens voor de komende drie jaren zal er geen promotiemogelijkheid meer bestaan voor commissarissen van politie, waardoor hun, als enige gradencategorie binnen de politie, de mogelijkheid wordt ontnomen om op welke wijze ook een hogere graad te ambiëren op een ogenblik dat opnieuw vacatures kunnen ontstaan door de uitdiensttreding van oudere hoofdcommissarissen van politie die gunstige pensioenrechten genieten. A.
  45. De Ministerraad herhaalt ten aanzien van die verzoekers de onontvankelijkheid van hun verzoekschrift om dezelfde redenen als aangehaald in A.
  46. A.
  47. Ten gronde voert de Ministerraad bijkomend aan dat de toepassing van de artikelen XII.VII.17 en 18 RPPol, zoals gewijzigd bij de artikelen 28 en 29 van de wet van 3 juli 2005, een andere inschaling op 1 april 2001 niet zou kunnen verantwoorden omdat de daarin vervatte maatregel pas ten vroegste uitwerking had vanaf 1 april 2005 en uiterlijk tot
  48. Verder laat de Ministerraad gelden dat de opheffing van artikel XII.VI.9 RPPol met ingang van 29 juli 2005 niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van verzoekers. De mogelijkheid om via mobiliteit mee te dingen naar betrekkingen van hoofdcommissaris van politie heeft in het overgangsrecht een toepassing gehad van meer dan vier jaren, en verzoekers hebben hiervan geen enkele keer gebruik gemaakt. Op basis van het beginsel van de veranderlijkheid van de openbare dienst, kan een overgangsregeling na vier jaar worden afgeschaft zonder onevenredig te zijn, des te meer daar de verzoekers hun mogelijkheid van benoeming tot de graad van hoofdcommissaris van politie op grond van artikel 32 van de wet van 26 april 2002 behouden. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.
  49. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van een aantal bepalingen van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten. In de zaak nr. 3866 is het beroep gericht tegen de artikelen 11, 18, 27, 32, 33, 42, 44 en 48, 2°, in de zaken nrs. 3875 en 3876 tegen de artikelen 11, 18, 32, 33 en 44, in de zaak nr. 3881 tegen de artikelen 11 en 47, 2°, en in de zaak nr. 3884 tegen de artikelen 11, 18 en 44 van de voormelde wet. De bestreden bepalingen - met uitzondering van de artikelen 42, 44, 47, 2°, en 48, 2° - maken deel uit van hoofdstuk IV van de voormelde wet van 3 juli
  50. Dat hoofdstuk heeft als opschrift : « Wijzigingen van Deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling 11 van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (‘ RPPol ’), bekrachtigd door de programmawet van 30 december 2001 ». Die bepalingen luiden : « Art.
  51. In tabel D1 van bijlage 11 RPPol worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in de eerste kolom wordt een punt 1.
  52. ingevoegd, luidende : ‘ 1.
  53. Commissaris van politie eerste klasse ’; 2° in de tweede kolom, linkerkant, worden, ter hoogte van het punt 1.3., zes lijnen ingevoegd, luidende : ‘ O2 (960 000-1 430 000) O2ir (1 075 200-1 601 600) O3 (1 000 000-1 600 000) O3ir (1 120 000-1 792 000) O4 (1 110 000-1 773 000) O4ir (1 176 600-1 879 380) ’; 3° in de tweede kolom, rechterkant, worden, ter hoogte van het punt 1.3., twee lijnen ingevoegd, luidende : ‘ O4bis (1 240 000-1 942 000) O4bisir (1 314 400-2 058 520) ’; 4° in de derde kolom wordt, ter hoogte van het punt 1.3., een punt 3.
  54. ingevoegd, luidende : ‘ 3.
  55. Gerechtelijk afdelingscommissaris/Laboratorium-afdelingscommissaris/Afdelings- commissaris van de dienst telecommunicatie ’; 5° in de vierde kolom wordt, ter hoogte van het punt 1.3., één lijn ingevoegd, luidende : ‘ 1C : 1 226 247 - 1 753 61313 ’ ». 12 « Art.
  56. In het RPPol wordt een artikel XII.VI.9bis ingevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VI.9bis. - De actuele personeelsleden bedoeld in tabel D1, derde kolom, punt 3.
  57. van bijlage 11, kunnen meedingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdcommissarissen van politie. ’ ». « Art.
  58. In het RPPol wordt een artikel XII.VII.16quater ingevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.16quater. - De personeelsleden die bij toepassing van artikel XII.VII.25 of XII.VII.26 zijn aangesteld in de graad van hoofdcommissaris van politie worden, zonder mobiliteitsvereiste, benoemd in de graad van hoofdcommissaris van politie, indien zij beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in artikel 32, 1°, 3° tot 5°, van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten. ’ ». « Art.
  59. Artikel XII.VII.25, eerste lid, RPPol, wordt vervangen als volgt : ‘ De benoemende overheid stelt de personeelsleden die overeenkomstig de artikelen XII.VI.9, XII.VI.9bis en XII.VII.27bis, zijn aangewezen voor een betrekking van hoger officier, aan in de graad van hoofdcommissaris van politie voor de duur van hun aanwijzing. ’ ». « Art.
  60. In Hoofdstuk II van Titel VII van Deel XII RPPol wordt een Afdeling 5 ingevoegd, luidende : ‘ AFDELING
  61. - De mandaten Art. XII.VII.27bis. - De actuele personeelsleden bedoeld in tabel D1, derde kolom, punt 3.
  62. van bijlage 11 kunnen meedingen voor de mandaatbetrekkingen zoals bedoeld in artikel VII.III.
  63. ’ ». « Art.
  64. In dezelfde wet wordt een artikel 5bis ingevoegd, luidende : ‘ Art. 5bis. - §
  65. De personeelsleden van het basiskader en het middenkader hanteren voor de uitoefening van hun ambt en voor de duur van hun aanwijzing voor een betrekking in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, de functionele titel “ rechercheur ”. De benoemde en aangestelde commissarissen van politie en de commissarissen van politie eerste klasse hanteren voor de uitoefening van hun ambt en voor de duur van hun aanwijzing voor een betrekking in de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, de functionele titel “ gerechtelijk commissaris ”. §
  66. Op beslissing van de gemeente- of politieraad hanteren de personeelsleden van het basiskader en het middenkader voor de uitoefening van hun ambt en voor de duur van hun aanwijzing voor een betrekking in een opsporings- en recherchedienst van de lokale politie, de functionele titel “ rechercheur ”. ’ ». 13 « Art.
  67. In dezelfde wet wordt een artikel 135bis, ingevoegd, luidende : ‘ Art. 135bis. - In afwijking van artikel 3 worden de in punt 1.
  68. van tabel D1 van bijlage 11 RPPol bedoelde commissarissen van politie eerste klasse in hiërarchische orde gerangschikt tussen de commissarissen van politie en de hoofdcommissarissen van politie. ’ ». « Art.
  69. Worden opgeheven : […] 2° artikel XII.VI.9 RPPol. ». « Art.
  70. Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van : […] 2° de artikelen 6 tot 13, 16, 18 tot 20, 24, 28 tot 33, 35, 37 tot 39, 41, 43 en 44 die uitwerking hebben met ingang van 1 april 2001; […] ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.2.
  71. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van de beroepen, enerzijds, omdat, zoals in de zaak nr. 3866, de verzoekers het voordeel zouden genieten van de bestreden bepalingen, en, anderzijds, het Hof zich in het arrest nr. 102/2003 reeds definitief zou hebben uitgesproken over de door de verzoekers bekritiseerde inschaling in de zaken nrs. 3875, 3876, 3881 en
  72. Een aantal van de verzoekers in de zaak nr. 3866 zouden daarenboven evenmin getuigen van het vereiste belang omdat zij inmiddels werden benoemd tot hoofdcommissaris. B.2.
  73. In zoverre de verzoekers aanvoeren dat, enerzijds, de bestreden bepalingen de afdelingscommissarissen 1C ten onrechte niet in de graad van hoofdcommissaris inschalen en, anderzijds, zij niet de door de bestreden bepalingen ingevoerde graad van commissaris eerste klasse kunnen genieten, doen zij van het vereiste belang blijken om de vernietiging van die bepalingen te vragen. 14 Aangezien voor elk van de bestreden bepalingen verzoekers hun belang hebben aangetoond, dient het Hof de exceptie met betrekking tot het belang van enkele verzoekers in het bijzonder, niet te onderzoeken. B.2.
  74. De excepties van de Ministerraad worden verworpen. Ten gronde B.
  75. Het koninklijk besluit van 30 maart 2001 (« RPPol ») regelt de rechtspositie van het personeel van de geïntegreerde politiedienst. Deel XII van dat besluit, waarin de overgangsbepalingen zijn opgenomen, werd bekrachtigd bij artikel 131 van de programmawet van 30 december
  76. Bij het arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 vernietigde het Hof een aantal bepalingen van het bekrachtigde deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart
  77. De bestreden wet van 3 juli 2005 strekt in hoofdzaak ertoe gevolg te geven aan het voormelde arrest nr. 102/
  78. Daarbij is het volgens de parlementaire voorbereiding de bedoeling de door het Hof vastgestelde discriminaties te verhelpen. Voorts bevat de voormelde wet een aantal punctuele statutaire aanpassingen, onder meer inzake de mobiliteitsprocedure en de aanstellingen, die met het voormelde arrest geen verband houden (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, p. 3). De drie bekommernissen die aan de wet van 3 juli 2005 ten grondslag liggen met het oog op de bijsturing van bepaalde inschalingsregels en overgangsregelingen, werden in de parlementaire voorbereiding als volgt verwoord : « 1° uiteraard moesten de oplossingen juridisch steek houden en een afdoend antwoord bieden op de door het Hof gevolgde redeneringen en getrokken besluiten; 2° in de tweede plaats moest zorg worden gedragen voor de in 2001 bereikte evenwichten. Er werd dus eerder gedacht in termen van continuïteit dan in termen van tabula rasa; 3° voorts was men ook de budgettaire gevolgen indachtig. Bij het zoeken naar oplossingen heeft men dus getracht de kost zoveel mogelijk te beperken. 15 Daarbij mochten de bijsturingen of aanpassingen geen hypotheek leggen op de goede werking van de politiediensten. Het verband met het tweede uitgangspunt lag daarbij voor de hand. Vervolgens was het zaak zich te hoeden voor nieuwe domino-effecten en ten slotte zouden, in de mate van het mogelijke, simpele en transparante oplossingen de voorkeur krijgen op complexe constructies. Dat is evenwel in overgangstoestanden en zeker in het licht van zo’n ingewikkelde en technische statutaire hervorming jammer genoeg soms een vrome wens… » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, pp. 4-5). B.
  79. De aanneming van regels die ertoe strekken in een eenheidspolitie personeelsleden te integreren die afkomstig zijn van drie politiekorpsen waarbij die korpsen, wegens de specifieke opdrachten waarvoor ze instonden, aan verschillende statuten waren onderworpen, impliceert dat aan de wetgever een voldoende beoordelingsmarge wordt gelaten, opdat een hervorming van een dergelijke omvang kan slagen. Zulks geldt evenzeer wanneer, zoals te dezen, de wetgever in die aangelegenheid opnieuw optreedt en zulks, in grote mate, om uitvoering te geven aan een arrest van het Hof. Hoewel het niet aan het Hof staat zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de wetgever, is het, daarentegen, ertoe gemachtigd te onderzoeken of de wetgever maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze verantwoord zijn ten aanzien van de door hem nagestreefde doelstellingen. Bij dat onderzoek dient ermee rekening te worden gehouden dat het te dezen gaat om een bijzonder complexe aangelegenheid waarbij een regel die betrekking heeft op sommige aspecten ervan en die door bepaalde categorieën van personeelsleden als discriminerend kan worden ervaren, deel uitmaakt van een algehele regeling die tot doel heeft die politiekorpsen die elk hun eigen kenmerken hadden, te integreren. Hoewel sommige onderdelen van zulk een regeling, afzonderlijk beschouwd, relatief minder gunstig kunnen zijn voor bepaalde categorieën van personeelsleden, zijn zij daarom nog niet noodzakelijk zonder redelijke verantwoording indien die regeling in haar geheel wordt onderzocht. Het Hof dient rekening te houden met het feit dat een vernietiging van bepaalde onderdelen van een dergelijke regeling het algehele evenwicht ervan zou kunnen verstoren. 16 Ten aanzien van het middel in de zaak nr. 3866 B.
  80. Het middel in de zaak nr. 3866 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met het rechtszekerheidsbeginsel, doordat de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C ingevolge de na het arrest nr. 102/2003 gewijzigde en thans bestreden bepalingen niet worden herbenoemd als hoofdcommissaris in het kader van de hogere officieren van de politie, met alle daaraan verbonden rechten, terwijl dat wel het geval was voor de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1D, en doordat voor dat verschil in behandeling geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat. B.
  81. De bestreden bepalingen werden in de parlementaire voorbereiding verantwoord als volgt : « Artikel 11 en de artikelen 18, 32, 33 en 44 van het ontwerp hebben betrekking op een officierenproblematiek, meer bepaald die met betrekking tot de inschaling van de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C van de voormalige gerechtelijke politie in de nieuwe graad van commissaris van politie, vervat in artikel XII.II.25 RPPol en alsdusdanig vernietigd door het Hof. Het Hof stelt ter zake het volgende : ‘ Hoewel een dergelijke maatregel wordt verklaard door de zorg om een evenwicht te creëren onder de vroegere politiekorpsen, doet hij op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de afdelingscommissarissen, doordat hij hun niet toestaat functies uit te oefenen die verbonden zijn aan hun graad van hoger officier en hen op dezelfde wijze behandelt als andere agenten van de voormalige gerechtelijke politie, te dezen de gerechtelijke commissarissen 1B, die een minder hoge anciënniteit hadden en een minder hoge opleiding hadden genoten dan de afdelingscommissarissen 1C, waarbij laatstgenoemden het genot van die anciënniteit verliezen alsmede het hiërarchisch gezag dat ze uitoefenden over de (lees) 1B’s ’ (zie punt B.25.3.2 van het arrest). Deze passage leert dat een proportionele benadering van het probleem op zich niet verkeerd is en dus mag worden gehanteerd, voor zover dat men daarbij evenwel bepaalde rechten niet op een onevenredige wijze schendt. Wil men de proportionaliteit gestand houden (zoniet zouden +/- 40 % van de officieren van de vroegere GPP of nog +/- 10 % van het gehele personeelsbestand van de voormalige GPP in het hoogste kader van de hoofdcommissarissen worden ondergebracht, hetgeen manifest disproportioneel zou zijn tegenover hun collega’s van de ex-gemeentepolitie of rijkswacht) dan moet men regelingen treffen met betrekking tot de geschonden rechten in hoofde van de officieren 1C. Daarom wordt voorgesteld de betrokken personeelsleden in te schalen in een specifieke overgangsgraad die hun eigen is en waarvan, gelet op de uitdrukkelijke suggestie in het advies 37.496/2 van de Raad van State, wordt gesteld dat hij hiërarchisch hoger is dan die van commissaris (zie de ontworpen artikelen 11 en 44). Zodoende wordt de hiërarchische differentiatie ten opzichte van hun vroegere collega’s 1B hersteld. Verder wordt er ook 17 tegemoet gekomen aan de grief dat hun mogelijkheden tot uitoefening van bepaalde hogere functies werden beknot. Met toepassing van de ontworpen artikelen 18 en 33 kunnen zij via de mobiliteit meedingen naar alle ambten van hoofdcommissaris, inclusief de mandaatambten. Bekomen zij een dergelijk ambt, dan worden zij bovendien in de graad van hoofdcommissaris aangesteld met behoud van hun geldelijk statuut gebonden aan hun vorige graad (zie het ontworpen artikel 32). Meermaals stipt het arrest aan dat de figuur van een dergelijke functionele aanstelling een relevante maatregel is. Ten slotte zal ook deze categorie van aangestelden de valorisering kunnen genieten waarvan sprake in het ontworpen artikel
  82. Zodoende worden proportionaliteit, individuele rechten en toekomstperspectieven met elkaar verzoend op een wijze die de toetsing aan het gelijkheidsbeginsel zal doorstaan en zonder dat een wijziging van de geldelijke inschaling van betrokken personeelsleden zich opdringt » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, pp. 12-13). B.
  83. In het arrest nr. 102/2003 vernietigde het Hof het bekrachtigde artikel XII.II.25 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 « in zoverre het de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C integreert in de graad van commissaris van politie ». Die vernietiging werd als volgt gemotiveerd : « B.25.3.
  84. Doordat de afdelingscommissarissen 1C, die hogere officieren waren binnen de voormalige gerechtelijke politie, in de graad van commissaris worden geïntegreerd in het kader van de lagere officieren, ondergaan zij een terugzetting in graad. Hoewel een dergelijke maatregel wordt verklaard door de zorg om een evenwicht te creëren onder de vroegere politiekorpsen, doet hij op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de afdelingscommissarissen, doordat hij hun niet toestaat functies uit te oefenen die verbonden zijn aan hun graad van hoger officier en hen op dezelfde wijze behandelt als andere agenten van de voormalige gerechtelijke politie, te dezen de gerechtelijke commissarissen 1B, die een minder hoge anciënniteit hadden en een minder hoge opleiding hadden genoten dan de afdelingscommissarissen 1C, waarbij laatstgenoemden het genot van die anciënniteit en de gevolgde opleiding verliezen alsmede het hiërarchisch gezag dat ze uitoefenden over de commissarissen 1B. B.25.3.
  85. Uit wat voorafgaat volgt dat het middel dat is gericht tegen het bekrachtigde artikel XII.II.25 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001, in zoverre het de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C integreert in de graad van commissaris van politie, gegrond is ». B.
  86. Door de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C in te schalen in de nieuwe graad van commissaris eerste klasse, is de wetgever tegemoet gekomen aan de voormelde grondwettigheidskritiek van het Hof. Allereerst wordt die categorie van personen overeenkomstig het bestreden artikel 44 ingeschaald in een graad die hiërarchisch hoger is dan die van commissaris. Vervolgens wordt het hun mogelijk gemaakt functies uit te oefenen die verbonden zijn aan een graad van hoger officier. Zij mogen immers meedingen naar de 18 bedieningen van hoofdcommissarissen (artikel 18 van de wet van 3 juli 2005) en naar de mandaatbetrekkingen zoals bedoeld in artikel VII.III.3 RPPol (artikel 33 van diezelfde wet) en zij worden aangesteld in de graad van hoofdcommissaris indien zij een dergelijke bediening verkrijgen (artikel 32 van diezelfde wet). Ten slotte heeft het bestreden artikel 42 slechts betrekking op de functionele titel van « gerechtelijk commissaris », en volgens die bepaling gebruiken de commissarissen van politie eerste klasse die titel in hun ambtsuitoefening. B.
  87. In zoverre het middel een schending aanklaagt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het rechtszekerheidsbeginsel, door de terugwerkende kracht die in artikel 48, 2°, is verleend aan een aantal bepalingen van de wet van 3 juli 2005, is het evenmin gegrond vermits de verschillende data van inwerkingtreding « voornamelijk [zijn] ingegeven door het rechtsherstel dat men beoogt in het licht van de draagwijdte van het arrest van het Arbitragehof » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, p. 28). B.
  88. Het middel is niet gegrond. Ten aanzien van het middel in de zaken nrs. 3875, 3876 en 3884 B.
  89. De verzoekers in de zaken nrs. 3875, 3876 en 3884 voeren de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aan, doordat de gewezen officieren bij de rijkswacht en de gewezen politiecommissarissen, hetzij korpschefs in gemeenten tot en met klasse 17, hetzij niet-korpschefs in gemeenten tot en met klasse 20, in tegenstelling tot de gewezen afdelingscommissarissen 1C, niet worden ingeschaald als commissaris van politie eerste klasse, zonder dat hiervoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. B.
  90. De inschaling van de bedoelde gewezen officieren van de rijkswacht en de gemeentepolitie in de graad van commissaris van politie is redelijk verantwoord om de redenen uiteengezet in B.29.2.1-B.29.2.5 en B.35.4.1-B.35.4.3 van het arrest nr. 102/
  91. Hieruit vloeit tevens voort dat die categorie van personen zich onderscheiden van de afdelingscommissarissen 1C wier inschaling in die graad om de in het voormelde arrest uiteengezette redenen niet redelijk was verantwoord. Bijgevolg kon de wetgever, zonder het 19 grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie te schenden, beide categorieën verschillend behandelen. B.
  92. Het middel is niet gegrond. Ten aanzien van het middel in de zaak nr. 3881 B.
  93. Het middel in de zaak nr. 3881 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet. B.
  94. In zoverre het middel is gericht tegen het verschil in behandeling dat voor de verzoekers voortvloeit uit het feit dat zij, op grond van de in de zaken nrs. 3875, 3876 en 3884 bestreden bepalingen, anders worden behandeld dan de gewezen gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C, doordat zij niet worden ingeschaald als commissarissen van politie eerste klasse, zonder dat zij bovendien aantonen waarin de schending van artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet zou bestaan, is het middel, in dat onderdeel, om de in B.12 vermelde reden ongegrond. B.
  95. De verzoekers voeren in een tweede onderdeel bovendien aan dat de in het middel aangevoerde bepalingen worden geschonden door artikel 47, 2°, van de wet van 3 juli 2005, in zoverre het artikel XII.VI.9 RPPol opheft, doordat hun aldus de mogelijkheid wordt ontzegd om mee te dingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdcommissarissen van politie, terwijl zij die mogelijkheid wel hadden op basis van dat artikel en dat recht onverminderd wordt toegekend aan de commissarissen van politie eerste klasse. B.
  96. Door de opheffing van artikel XII.VI.9 RPPol wordt aan een categorie van commissarissen van politie die daarin werd omschreven, de mogelijkheid ontnomen om mee te dingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdcommissarissen van politie. De verzoekers behouden evenwel de mogelijkheid van bevordering tot de graad van hoofdcommissaris overeenkomstig artikel 32 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten. Door, na enkele jaren waarin de gevolgen dienden te worden geëvalueerd waartoe de politiehervorming 20 aanleiding gaf, een einde te maken aan de mobiliteitsbewegingen gevolgd door een aanstelling en te opteren voor de toepassing van de algemene regel van bevordering van de commissarissen van politie tot hoofdcommissaris van politie, heeft de wetgever een maatregel genomen die objectief en redelijk is verantwoord. B.
  97. Het middel is niet gegrond. 21 Om die redenen, het Hof verwerpt de beroepen. Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 17 januari
  98. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.011 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.