← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.012

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 januari 2007 ECLI nr

voerdatum: 2007-05-22 Raadplegingen: 271 - laatst gezien 2026-07-02 22:36 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - POLITIE - Geïntegreerde politiediensten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten,

gesteld door de vzw « Groep Brevethouders Officier Gemeentepolitie » en anderen. Geïntegreerde politiedienst - Personeel - Statuut - Voorwaarden en modaliteiten van de

tegratie van de politiediensten -

  1. Bevorderingsvoorwaarden - Houders van een brevet van officier van de voormalige gemeentepolitie -
  2. Bezoldigingsregeling - Loonschalen - Weddetoelagen -
  3. Graden -
  4. Samenstelling van het kader. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-2005 - 53 ELI link Pub nr 2005000427 Tekst van de beslissing Rolnummers 3867, 3868, 3872, 3880 en 3883 Arrest nr. 12/2007 van 17 januari 2007

zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten,

gesteld door de vzw « Groep Brevethouders Officier Gemeentepolitie » en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is

gekomen op 27 januari 2006, heeft de vzw « Groep Brevethouders Officier Gemeentepolitie », met zetel te 2900 Schoten, Eugene Verbiststraat 32, beroep tot vernietiging

gesteld van de artikelen 13, 15, 17 en 19 tot 31 van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten (bekendgemaakt

het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2005, tweede editie). b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is

gekomen op 27 januari 2006, is beroep tot vernietiging

gesteld van de artikelen 13, 15, 17 en 19 tot 31 van dezelfde wet, door A. Vogel, wonende te 9850 Nevele, Prosper Cocquytstraat 9, H. Smet, wonende te 9170 Sint-Pauwels, Beekstraat 76, en K. Derous, wonende te 8480 Ichtegem, Populierenlaan 48. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 26 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is

gekomen op 27 januari 2006, is beroep tot vernietiging

gesteld : - van de artikelen 28 tot 30 van dezelfde wet, door D. Van den Bussche, wonende te 2070 Zwijndrecht, Elzelaarstraat 14, C. Van Belleghem, wonende te 1500 Halle, Broekborre 196, P. De Bruyn, wonende te 2531 Vremde, Anemonenlaan 19, en H. Vandenbussche, wonende te 8400 Oostende, Salvialaan 39; - van de artikelen 9 en 35 van dezelfde wet, door F. Braem, wonende te 8200 Brugge, Hovenierslanden 4, A. Beeckman, wonende te 9000 Gent, Sint-Denijslaan 293, en F. Maes, wonende te 2520 Ranst, Schawijkstraat 80; - van de artikelen 14, 37, 3°, en 42 van dezelfde wet, door G. Vanhees, wonende te 3740 Borgloon, Stationsplein 9, E. Herckens, wonende te 3723 Kortessem, Lelielaan 21, B. Santermans, wonende te 2830 Wellen, Blokenstraat 10, en M. Follon, wonende te 3840 Borgloon, Guldenbodemlaan 69; - van de artikelen 22 en 23 van dezelfde wet, door C. Vennekens, wonende te 2150 Borsbeek, Frans Beirenslaan 52; - van artikel 42 van dezelfde wet, door E. De Baeck, wonende te 1840 Londerzeel, Linde 76, K. Minnen, wonende te 1540 Herfelingen, Barakkenbergstraat 5, en D. V.d.N.; - van de artikelen 37, 4°, en 39 van dezelfde wet, door D. Van der Niepen, voornoemd; - van artikel 19 van dezelfde wet, door L. Vanmassenhove, wonende te 8000 Brugge, Graaf de Meulenaerelaan 28; - van artikel 14 van dezelfde wet, door E. Herckens, voornoemd; - van de artikelen 11 en 44 van dezelfde wet, door P. De Ridder, wonende te 1861 Meise, Slozenstraat 36, F. Maes, A. Beeckman en F. Braem, voornoemd. 3 d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is

gekomen op 30 januari 2006, is beroep tot vernietiging

gesteld van artikel 42 van dezelfde wet, door de vzw « Nationaal Syndicaat van het Politie– en Veiligheidspersoneel », met zetel te 1040 Brussel, Generaal Bernheimlaan 18/20, F. Claes, wonende te 3500 Hasselt, Spoorwegstraat 95, en H. Roggeman, wonende te 9308 Hofstade, Kandriesstraat 11. e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is

gekomen op 30 januari 2006, is beroep tot vernietiging

gesteld van de artikelen 28 en 29 van dezelfde wet, door de vzw « Nationaal Syndicaat van het Politie– en Veiligheidspersoneel », met zetel te 1040 Brussel, Generaal Bernheimlaan 18/20, M. Buteneers, wonende te 3910 Neerpelt, Overwegstraat 25, en E. Peetermans, wonende te 3290 Diest, Keibergstraat 17. Die zaken,

geschreven onder de nummers 3867, 3868, 3872, 3880 en 3883 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. De Ministerraad heeft een memorie

gediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord

gediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord

gediend. Op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2006 : - zijn verschenen : . Mr. I. Durnez loco Mr. M. Van Bever, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij

de zaak nr. 3867; . Mr. P. Lahousse, advocaat bij de balie te Mechelen, voor de verzoekende partijen

de zaak nr. 3868; . Mr. C. Flamend, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen

de zaken nrs. 3880 en 3883; . Mr. D. D’Hooghe, advocaat bij de balie te Brussel, en hoofdcommissaris van politie M. De Mesmaeker, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken

beraad genomen. Bij beschikking van 9 november 2006 heeft het Hof de debatten heropend en de dag van de terechtzitting bepaald op 5 december 2006. 4 Op de openbare terechtzitting van 5 december 2006 : - zijn verschenen : . Mr. C. Flamend loco Mr. M. Van Bever, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij

de zaak nr. 3867; . Mr. C. Flamend, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. P. Lahousse, advocaat bij de balie te Mechelen, voor de verzoekende partijen

de zaak nr. 3868; . A. Beeckman, eerste verzoekende partij

de zaak nr. 3872,

eigen persoon; . Mr. P. Crispyn, advocaat bij de balie te Gent, voor de verzoekende partijen

de zaak nr. 3872, met uitzondering van A. Beeckman; . Mr. C. Flamend, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen

de zaken nrs. 3880 en 3883; . Mr. L. Schellekens loco Mr. D. D’Hooghe, advocaten bij de balie te Brussel, en hoofdcommissaris van politie M. De Mesmaeker, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken

beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II.

rechte -A- Verzoekschrift en memories

de zaak nr. 3867 A.1.

die zaak vordert de verzoekende partij, een vzw die beoogt de belangen te behartigen van de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie, de vernietiging van de artikelen 13, 15, 17 en 19 tot en met 31 van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten. Ze voert tegen die bepalingen twee middelen aan, namelijk de schending, enerzijds, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en, anderzijds, van artikel 184 van de Grondwet. Schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet A.2.1. Volgens de verzoekende partij

de zaak nr. 3867 worden de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie door de bestreden bepalingen gediscrimineerd doordat hun brevet niet naar behoren wordt gevaloriseerd. Zij kunnen immers slechts binnen de mobiliteit worden

geschaald als officier. 5 A.2.2. Zo voorziet het bestreden artikel 13

een vrijstelling van de basisopleiding voor overgang naar het middenkader of naar het officierskader. Leden van het basiskader die reeds een officierenopleiding hebben genoten, zoals de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie, kunnen, behoudens middels de

de bestreden artikelen 15 en 17 bepaalde mobiliteitsregeling, evenwel niet onmiddellijk overgaan naar het officierskader. Die mobiliteitsregeling biedt geen soelaas, vermits door het systeem van de aanstelling en van de « rode loper », en door de automatische bevordering van de geslaagden voor het examen voor bevordering tot de graad van officier van gerechtelijke politie de openstaande betrekkingen reeds

gevuld zijn. A.2.3. Het systeem van de « rode loper » voorziet

de mogelijkheid voor de personeelsleden van de hoogste middenkaders om tot de graad van commissaris te worden bevorderd. De houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie die

de « rode loper » kunnen worden opgenomen, hebben echter geen voorrang op de hoofdinspecteurs 1ste klasse die geen brevethouder zijn. Daarnaast kunnen houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie die

de lagere loonschalen vallen niet

de « rode loper » worden opgenomen, terwijl niet-brevethouders die

hogere loonschalen vallen dat wel kunnen. A.2.4. Ten slotte zouden houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie worden benadeeld

vergelijking met de personeelsleden die hun aanstelling

een hogere graad kunnen valoriseren, vermits hun brevet niet wordt gevaloriseerd. A.3.1.

een eerste onderdeel voert de verzoekende partij een discriminatie aan tussen, enerzijds, de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie en, anderzijds, de geslaagden voor het examen voor bevordering tot de graad van officier van gerechtelijke politie. Terwijl de geslaagden van de voormalige gerechtelijke politie opnieuw automatisch

het officierskader worden

geschaald, zonder de basisopleiding van officier te hebben gevolgd, dienen de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie nog steeds de selectieproeven voor het middenkader te doorlopen. De mobiliteitsregels (bestreden artikelen 15 en 17) bieden

de praktijk geen oplossing, aangezien ze niet tot een daadwerkelijke benoeming

het officierskader zullen leiden. De mogelijkheden om

het kader van de mobiliteit te solliciteren zijn volgens die partij louter theoretisch, nu er geen vacatures meer te begeven zullen zijn ten gevolge van het systeem van de « rode loper », ten gevolge van de aanstellingen en ten gevolge van de automatische bevordering van de geslaagden voor het examen voor bevordering tot de graad van officier van gerechtelijke politie (bestreden artikelen 21 tot en met 26). De verzoekende partij beklemtoont dat het niet haar bedoeling is de voormelde bepalingen vernietigd te zien

zoverre daarin aan de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie rechten worden toegekend. Zij wenst enkel die bepalingen

die zin aangepast te zien dat die brevethouders van de gemeentepolitie automatisch worden

geschaald

het officierskader. A.3.2. De Ministerraad betoogt dat de bestreden bepalingen geen schending

houden van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

dat verband verwijst hij naar de drie principes die de wetgever bij de redactie van de bestreden wet voor ogen stonden :

(1)de voorgestelde oplossingen moesten een afdoend antwoord bieden op de door het Hof

het arrest nr. 102/2003 vastgestelde discriminaties;

(2)er werd getracht om bij de overgang van de leden van de drie oorspronkelijke korpsen naar een geïntegreerde politie en bij hun

schaling

de nieuwe graden en weddeschalen de

2001 bereikte evenwichten te handhaven of te herstellen;

(3)ten slotte werd gekozen voor oplossingen die budgettair aanvaardbaar waren. De Ministerraad herinnert er nog aan dat oplossingen die tot extreme statuutwijzigingen zouden leiden, werden vermeden omdat zij rampzalige gevolgen zouden hebben voor de goede werking en organisatie van de diensten. Dergelijke wijzigingen zouden volgens hem de gevoelige evenwichten van het systeem

het gedrang kunnen brengen. A.3.3. Wat de beweerde discriminatie betreft tussen de houders van het brevet van officier van gemeentepolitie en de geslaagden voor het examen voor bevordering tot de graad van officier van gerechtelijke politie, betoogt de Ministerraad dat beide categorieën, dankzij de bestreden wetswijziging, hun vroegere rechten behouden, zodat zij op gelijke wijze worden behandeld. De geslaagden voor het examen voor bevordering tot de graad van officier van de voormalige gerechtelijke politie worden, net zoals vroeger, aansluitend benoemd

de graad van commissaris. De houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie kunnen nu, net zoals vroeger, hun brevet verzilveren via mobiliteit. Voor zover het Hof zou oordelen dat er toch sprake is van een verschil

behandeling, berust het hoe dan ook op een objectief criterium en is het redelijk verantwoord. Bij de toenmalige gerechtelijke politie was de toegang tot het hogere kader beperkt naar gelang van reële behoeften en was de mogelijkheid om de officierenopleiding te volgen voorbehouden aan een subcategorie van het middenkader. 6 Bovendien worden volgens de Ministerraad de valorisatieregels van de brevethouders van de toenmalige gemeentepolitie op

grijpende wijze uitgebreid en bestaat nog steeds de mogelijkheid van

terne sociale promotie met gereserveerde quota of,

dien de betrokkene houder is van een universitair diploma, om deel te nemen aan de externe werving van officieren. Volgens de Ministerraad beweert de verzoekende partij ten onrechte dat brevethouders aanspraak zouden kunnen maken op een benoeming

hun eigen standplaats, zoals de leden van de voormalige gerechtelijke politie. Hij merkt daarbij op dat zulks geen garantie was voor de leden van de voormalige gerechtelijke politie. Ten slotte wijst de Ministerraad op de budgettaire en functionele gevolgen van een retroactieve benoeming van de houders van het brevet van officier van gemeentepolitie tot het officierskader, zoals door de verzoekende partij wordt gevraagd. Dat zou volgens de Ministerraad leiden tot 3 000 bijkomende benoemingen tot officier. A.3.4. De verzoekende partij

de zaak nr. 3867 repliceert dat het argument van de Ministerraad dat de geslaagden voor het examen voor bevordering tot de graad van officier van de voormalige gerechtelijke politie enkel werden gerekruteerd naar gelang van de reële behoeften niet kan worden aangenomen, vermits ook voor hen een wervingsreserve werd aangelegd om de commissarissen te vervangen die na verloop van tijd op pensioen zouden gaan. Dat de geslaagden voor het examen voor bevordering tot de graad van officier van de voormalige gerechtelijke politie de zekerheid hadden om op relatief korte termijn officier te kunnen worden, verantwoordt, volgens diezelfde partij, niet de discriminatie die althans wordt

gevoerd. Ook budgettaire overwegingen zijn, volgens haar, geen aanvaardbaar criterium om te discrimineren. A.3.5.1.

zijn memorie van wederantwoord repliceert de Ministerraad dat de toegang tot het hogere kader van de voormalige gerechtelijke politie wel degelijk gebeurde naar gelang van de reële encadreringsbehoeften, vermits de examens om toegang te krijgen tot het hogere kader werden georganiseerd om vertrekken op te vangen en vermits quota werden

gesteld voor de deelname aan het examen. A.3.5.2. Die partij wijst tevens erop dat de wet van 3 juli 2005 de bevorderingsmogelijkheden van de brevethouders van de toenmalige gemeentepolitie op

grijpende wijze heeft verbeterd, vermits zij zonder bijkomend vergelijkend examen kunnen worden benoemd

het hogere kader en vermits de valorisatieregels van de brevethouders werden opgewaardeerd. Bovendien kunnen de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie hun brevet thans

de gehele geïntegreerde politie verzilveren. A.4.1.

het tweede onderdeel van het eerste middel betoogt de verzoekende partij

de zaak nr. 3867 dat de bestreden artikelen 13, 19, 28 en 29 een discriminatie

voeren tussen, enerzijds, de hoogste graden van de middenkaders van de drie voormalige korpsen (zelfs diegenen die geen officiersopleiding hebben genoten) en, anderzijds, de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie, doordat zowel de brevethouders als de personeelsleden die de loonschalen M5.2, M6, M7 of M7bis genieten en die niet

het bezit zijn van een brevet van officier van de gemeentepolitie, vrijgesteld worden van de basisopleiding voor overgang naar het officierskader (artikel 13) en via de « rode loper » tot de graad van commissaris kunnen worden bevorderd (artikelen 28 en 29). A.4.2. De Ministerraad betoogt

hoofdorde dat het tweede onderdeel niet ontvankelijk is. Hij wijst erop dat de verzoekende partij door de bekritiseerde gelijkstelling niet rechtstreeks en ongunstig kan worden geraakt, aangezien brevethouders hoe dan ook die maatregel kunnen genieten. Bovendien heeft het systeem van de « rode loper » geen negatieve gevolgen op hun bevorderingskansen, nu de benoemingen

de « rode loper » buiten kader geschieden.

zoverre het middel tegen artikel 19 is gericht wijst de Ministerraad bovendien erop dat de verzoekende partij geenszins uiteenzet hoe die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zou schenden. A.4.3. De verzoekende partij

de zaak nr. 3867 meent dat het tweede onderdeel wel degelijk ontvankelijk is, omdat diegenen die het voordeel van de « rode loper » genieten worden bevoordeeld. Bovendien kunnen de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie enkel meedingen naar een betrekking

het officierskader via mobiliteit. Zelfs

dien de benoemingen

het systeem van de « rode loper » buiten kader gebeuren, dan nog heeft dat de facto een

vloed op nieuwe aanwervingen : door dat systeem zullen

de nabije toekomst geen nieuwe aanwervingen meer gebeuren. 7 A.4.4. Volgens de Ministerraad bevestigen de gegevens van de mobiliteitscyclus van augustus en van december 2005 en van april 2006 dat de « rode loper » geen negatieve weerslag heeft op de bevorderingskansen van de brevethouders van de toenmalige gemeentepolitie en dat het onderdeel bijgevolg onontvankelijk is bij gebrek aan belang. A.4.5.

ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat het tweede onderdeel niet gegrond is. Oorspronkelijk voorzag het koninklijk besluit van 30 maart 2001 erin dat de personeelsleden die

de loonschalen M6, M7 en M7bis worden

geschaald, de graad van commissaris konden verkrijgen of konden meedingen naar betrekkingen die voor de commissarissen van politie openstaan.

het arrest nr. 102/2003 (B.23.4.1-B.23.4.4) heeft het Hof geoordeeld dat die maatregel discriminerend is, aangezien de gerechtelijke afdelingsinspecteurs met de vroegere loonschaal 2D wel die regeling kunnen genieten -

het nieuwe systeem hebben zij de loonschaal M7bis -, terwijl zulks niet het geval was voor de gerechtelijke afdelingsinspecteurs met de vroegere loonschaal 2C (thans

de loonschaal M5.2 geïntegreerd). Om aan die grondwettigheidskritiek tegemoet te komen heeft de wetgever thans voorzien

een versoepeling van de toegang tot de graad van commissaris voor de personeelsleden die

loonschaal M5.2 zijn

geschaald. De omstandigheid dat de personeelsleden die

de loonschalen M5.2, M6, M7 of M7bis zijn

geschaald

het bestreden artikel 13 met houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie worden gelijkgesteld is geenszins strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Immers,

dien mobiliteitsmogelijkheden aan die brevethouders worden geboden, moeten soortgelijke mobiliteitsmogelijkheden aan de gebrevetteerde adjudanten worden toegekend, nu beide categorieën

andere valorisatiedomeinen (zoals opleiding, baremische loopbaan en quota) gelijk worden behandeld.

het arrest nr. 102/2003 oordeelde het Hof

dezelfde zin (B.24.3.2).

zoverre het tweede onderdeel van het middel tegen het bestreden artikel 19 is gericht, wijst de Ministerraad erop dat die bepaling werd

gevoegd om de door het Hof vastgestelde discriminatie van de gerechtelijke afdelingsinspecteurs met de vroegere loonschaal 2C ten aanzien van de houders van het brevet van adjudant en van de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie ongedaan te maken.

zoverre het bestreden artikel 19 thans erin voorziet dat de gerechtelijke afdelingsinspecteurs 2C, zoals de gerechtelijke afdelingsinspecteurs 2D, naar de loonschaal M7bis kunnen overgaan, is die bepaling bijgevolg geenszins discriminerend. A.5.1.

het derde onderdeel van het eerste middel betoogt de verzoekende partij

de zaak nr. 3867 dat de bestreden artikelen 22, 23, 25, 26 en 27 een discriminatie

voeren tussen, enerzijds, de aangestelden en, anderzijds, de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie, doordat die brevethouders geen aanspraak kunnen maken op de voordelen die aan de aangestelden worden toegekend,

zonderheid op het vlak van de vrijstelling van nakoming van een aantal voorwaarden voor toelating en/of van de selectietests. A.5.2.1. De Ministerraad betoogt

hoofdorde dat het derde onderdeel niet ontvankelijk is. De verzoekende partij toont geenszins aan hoe de voordelen die aan de aangestelden worden toegekend een rechtstreeks en ongunstig gevolg op de loopbaan van brevethouders van de toenmalige gemeentepolitie zouden kunnen hebben. Overigens hebben de verzoekende partijen geen belang bij de vernietiging van de valorisatieregels die voor de aangestelden gelden, aangezien die regels enkel ertoe strekken de aangestelden, die reeds een ambt gekoppeld aan een hogere graad uitoefenen, ook

die graad te benoemen, wanneer zij slagen voor het vergelijkend examen. Die bezette ambten komen bijgevolg niet

aanmerking voor een vacantverklaring

het raam van de mobiliteit. A.5.2.2. Voor zover het onderdeel toch ontvankelijk wordt geacht, is het, volgens de Ministerraad, ongegrond. De regeling

zake de valorisatie is

gegeven door de overweging dat de

de hogere graad aangestelde personeelsleden reeds titularis zijn van dat ambt. Logischerwijs hoeven zij geen beroep op de mobiliteit te doen. Dit neemt echter niet weg dat zij wel aan het vergelijkend examen moeten deelnemen en,

dien zij geen vrijstelling genieten, de basisopleiding volledig moeten volgen. De brevethouders van de toenmalige gemeentepolitie hebben meer valorisatiemogelijkheden, waaronder de valorisatie via mobiliteit, zonder vergelijkend examen en zonder basisopleiding. A.5.3. De verzoekende partij

de zaak nr. 3867 is van oordeel dat het derde onderdeel van het middel wel degelijk ontvankelijk is. Zelfs

dien de bewering van de Ministerraad dat reeds een aantal leden van de gemeentepolitie tot commissaris en zelfs tot hoofdcommissaris werden aangesteld juist zou zijn, neemt zulks niet weg dat, wat de aanstellingen betreft, het zo goed als zeker is dat de leden van de voormalige rijkswacht de grote meerderheid van de aangestelden vormen. Het zou daarom wenselijk zijn dat de Ministerraad zou worden uitgenodigd een lijst voor te leggen waaruit blijkt uit welke korpsen de aangestelden afkomstig zijn. 8 A.6.1.

het vierde onderdeel van het eerste middel betoogt de verzoekende partij

de zaak nr. 3867 dat de bestreden artikelen 15 en 17 een discriminatie

voeren tussen, enerzijds, de universitaire brevethouders van het basiskader en, anderzijds, de niet-universitaire brevethouders van het basiskader, doordat de laatstvermelde categorie twaalf jaar kaderanciënniteit moet hebben, terwijl de niet-universitairen onderworpen waren aan een toelatingsproef en de universitairen daarentegen vrijgesteld waren van verschillende vakken tijdens de opleiding. A.6.2.

zoverre het vierde onderdeel tegen artikel 15 is gericht, is het volgens de Ministerraad niet gegrond, aangezien die bepaling geen enkel onderscheid maakt tussen universitairen en niet-universitairen en a fortiori geen twaalf jaar kaderanciënniteit voor niet-universitairen vereist. De Ministerraad is van mening dat de differentiatie met universitairen voor de overgang van het basis- naar het officierskader op een objectief criterium berust. Bovendien is het niet onredelijk om voor niet-universitairen bijkomend twaalf jaar anciënniteit te eisen, gelet op het verschil

opleiding tussen universitairen en niet-universitairen. Doordat de verzoekende partijen het feit bekritiseren dat niet-universitaire brevethouders van het basiskader, op grond van het bestreden artikel 17, twaalf jaar kaderanciënniteit moeten hebben om mee te dingen naar een openstaande betrekking van commissaris van politie, bekritiseren zij

werkelijkheid de voorwaarden om een functie van commissaris te verkrijgen. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, is zulk een middel niet gegrond (arrest nr. 102/2003, B.30.3). A.7.1.

het vijfde onderdeel van het eerste middel betoogt de verzoekende partij

de zaak nr. 3867 dat het bestreden artikel 19 een discriminatie

voert tussen, enerzijds, de brevethouders beneden de loonschaal M4.1 en, anderzijds, de brevethouders vanaf loonschaal M4.1, doordat enkel de laatstgenoemde brevethouders een aantal voordelen genieten,

zonderheid op het vlak van een bijkomende baremische loopbaanontwikkeling. A.7.2. Volgens de Ministerraad is het vijfde onderdeel ongegrond, aangezien het

geschaald zijn

een loonschaal beneden of boven M4.1 afhankelijk is van de anciënniteit van het betrokken personeelslid.

het arrest nr. 102/2003 heeft het Hof een gelijksoortige grondwettigheidskritiek verworpen door te overwegen dat het niet onredelijk is een verschillend lot voor te behouden aan de personeelsleden die over meer anciënniteit beschikken dan anderen (B.34.3.2). A.8.1.

het zesde onderdeel van het eerste middel betoogt de verzoekende partij

de zaak nr. 3867 dat de bestreden artikelen 13, 15, 17, 20, 21, 24, 28 en 29 een discriminatie

voeren tussen, enerzijds, de brevethouders en, anderzijds, de niet-brevethouders, doordat de niet-brevethouders kunnen doorstromen naar het officierskader zonder dat zij een officiersopleiding hebben genoten, terwijl de brevethouders wel zulk een opleiding hebben genoten. Door beide categorieën gelijk te behandelen wordt een discriminatie

het leven geroepen en wordt het brevet van officier van de gemeentepolitie niet gevaloriseerd. A.8.2. De Ministerraad is van mening dat het zesde onderdeel niet ontvankelijk, minstens niet gegrond is, om dezelfde redenen als die welke bij de weerlegging van het tweede onderdeel zijn uiteengezet. A.9.1.

het zevende onderdeel van het eerste middel betoogt de verzoekende partij

de zaak nr. 3867 dat het bestreden artikel 17 een discriminatie

voert tussen, enerzijds, de brevethouders

het basiskader en, anderzijds, de brevethouders

het middenkader, doordat de brevethouders

het basiskader over een kaderanciënniteit van ten minste 12 jaar of over een universitair diploma moeten beschikken om een beroep te kunnen doen op de mobiliteitsregeling naar de graad van commissaris, terwijl die voorwaarden niet gelden voor de brevethouders

het middenkader.

het verleden, daarentegen, golden dezelfde voorwaarden voor alle brevethouders. A.9.2. Volgens de Ministerraad is het zevende onderdeel niet gegrond. Het lijdt geen twijfel dat het verschil

behandeling van beide categorieën van brevethouders op een objectief criterium berust. Bovendien is het niet onredelijk om de bevordering van het basiskader naar het officierskader afhankelijk te maken van een aantal bijkomende voorwaarden die niet worden gesteld voor de personeelsleden van het middenkader, gelet op het feit dat de bevordering van het basiskader naar het officierskader een « sprong » van twee kaders

houdt en gelet op het verschil

ervaring vanuit het oogpunt van toegang via het basis- of middenkader. Het Hof heeft reeds

dezelfde zin geoordeeld (arrest nr. 102/2003, B.41.4). Overigens was de tweekadersprong (van basis- naar officierskader) oorspronkelijk niet mogelijk, zodat de regeling waarin het bestreden artikel 17 thans voorziet zeer voordelig is voor de personeelsleden van het basiskader. 9 A.10.1.

het achtste onderdeel van het eerste middel betoogt de verzoekende partij

de zaak nr. 3867 dat het bestreden artikel 13, § 2, 1°, een discriminatie

voert tussen, enerzijds, de houders van een brevet van hoofdonderofficier/adjudant bij de rijkswacht en, anderzijds, de houders van een brevet van officier bij de gemeentepolitie, doordat de brevetten van beide categorieën worden gelijkgesteld,

zonderheid op het vlak van de vrijstelling van de basisopleiding van het officierskader, met

begrip van de daaraan gekoppelde examens en opleidingsstages. Daarom dient

artikel 13, § 2, 1°, de zinsnede « of van het brevet van hoofdonderofficier bedoeld

artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht » te worden vernietigd. A.10.2. De Ministerraad betoogt

hoofdorde dat het achtste onderdeel niet ontvankelijk is, aangezien de verzoekende partij niet aantoont hoe de gelijkstelling van beide categorieën van brevethouders een rechtstreeks en ongunstig gevolg voor de loopbaan van de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie zou kunnen hebben. Die brevethouders kunnen hoe dan ook de bekritiseerde maatregel genieten. A.10.3.

ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat het achtste onderdeel ongegrond is om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet bij de weerlegging van het tweede onderdeel. Ten overvloede wijst die partij erop dat de verzoekende partij ten onrechte een discriminatie afleidt uit het feit dat het brevet van hoofdonderofficier/adjudant bij de rijkswacht toegang zou geven tot het officierskader. Mede gelet op het arrest nr. 102/2003 dienen de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie en de houders van het brevet van hoofdonderofficier/adjudant bij de rijkswacht op voet van gelijkheid te worden gesteld. A.10.4. Volgens de verzoekende partij

de zaak nr. 3867 is het onderdeel ontvankelijk, vermits niet- gelijken op een gelijke wijze worden behandeld. Wat de grond van het onderdeel betreft, voert die partij aan dat het brevet van hoofdonderofficier geen toegang gaf tot een bevordering voor het officierenkader. Vermits die brevethouders dezelfde rechten genieten als de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie, is er duidelijk sprake van een discriminatie. A.11.1.

het negende onderdeel van het eerste middel betoogt de verzoekende partij

de zaak nr. 3867 dat het bestreden artikel 21 een discriminatie

voert tussen, enerzijds, de brevethouders van het basiskader, vermeld

dat artikel, en, anderzijds, de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie, doordat de laatstvermelde categorie niet

artikel 21 is opgenomen. A.11.2. Volgens de Ministerraad is het negende onderdeel niet gegrond. Gelet op de eerder

herinnering gebrachte doelstellingen van de wet van 3 juli 2005, heeft de wetgever erover gewaakt om zoveel mogelijk de reeds toegepaste valorisatiemaatregelen voor de periode 2001-2006 te behouden. Daarom treedt het bestreden artikel 21 pas op 1 april 2006

werking (artikel 48, 5°, van de wet van 3 juli 2005) en wordt tot dat ogenblik het oorspronkelijke artikel XII.VII.15 RPPol behouden, zodat de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie, behorend tot het basiskader, tot dat ogenblik de

die bepaling vastgestelde valorisatie kunnen genieten. Overigens behouden de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie, behorend tot het basiskader, hoe dan ook de bevorderingsmogelijkheid via mobiliteit, wat het belangrijkste valorisatiemechanisme is. Bijgevolg is het hoegenaamd niet onredelijk om hen niet

het toepassingsgebied van het nieuwe artikel 21 op te nemen. Schending van artikel 184 van de Grondwet A.12.1. Het tweede middel dat door de verzoekende partij

de zaak nr. 3867 wordt aangevoerd, is afgeleid uit een schending van artikel 184 van de Grondwet door de artikelen 15 en 17 van de wet van 3 juli 2005,

zoverre die bepalingen erin voorzien dat « de Koning […] de nadere regels van de

het eerste lid bedoelde mobiliteit [kan] bepalen ». Die bepalingen werden volgens die partij aangenomen om de Koning ertoe

staat te stellen de kansen van niet-brevethouders

de mobiliteitsprocedures te vrijwaren. Die partij is evenwel van oordeel dat de aan de Koning gedelegeerde aangelegenheid betrekking heeft op essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst die krachtens artikel 184 van de Grondwet « door een wet » moeten worden geregeld, zodat die aangelegenheid niet aan de Koning kan worden gedelegeerd. A.12.2. De Ministerraad is van oordeel dat het tweede middel niet gegrond is.

dat verband betoogt hij dat artikel 108 van de Grondwet aan de Koning een algemene uitvoeringsbevoegdheid toekent, waarvan artikel 184 van de Grondwet niet afwijkt, zodat de Koning ook bevoegd is om de verordeningen en besluiten te 10 nemen die voor de uitvoering van de wetten

zake de organisatie en de bevoegdheid van de geïntegreerde politiedienst zijn vereist. De Ministerraad is bovendien van oordeel dat de nadere regels

zake mobiliteit hoegenaamd geen essentiële elementen uitmaken

de zin van artikel 184 van de Grondwet, zodat de Koning wel degelijk bevoegd is om daaromtrent op te treden. Verzoekschrift en memories

de zaak nr. 3868 A.13.1.1.

hun hoedanigheid van houder van een brevet van officier van de voormalige gemeentepolitie vorderen de verzoekende partijen

de zaak nr. 3868 de vernietiging van de artikelen 13, 15, 17 en 19 tot en met 31 van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten. A.13.1.2.

een enig middel voeren zij de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het brevet van officier van de voormalige gemeentepolitie niet naar behoren wordt gevaloriseerd

vergelijking met andere vergelijkbare categorieën. Zij verwijzen naar het arrest nr. 102/2003, verbeterd bij de beschikking van 14 juli 2004, waaruit blijkt dat de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie op gelijke wijze moeten worden behandeld als de geslaagden bij de gerechtelijke politie voor het examen voor bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris (overweging B.41.5.2 van het voormelde arrest). De verzoekende partijen

de zaak nr. 3868 zijn van oordeel dat de bestreden regeling de door het Hof vastgestelde discriminatie niet opheft. Die discriminatie wordt volgens die partijen niet verholpen door thans erin te voorzien dat

het kader van de mobiliteit naar een eventuele vacature kan worden meegedongen. Bovendien is de voorrang die de hoofdinspecteurs eerste klasse die houder zijn van het brevet van officier van de gemeentepolitie, volgens het oorspronkelijke wetsontwerp zouden genieten

het bestreden artikel 28 weggevallen, waardoor de discriminatie is blijven bestaan. A.13.2. Volgens de Ministerraad is het middel niet gegrond. Hij verwijst naar hetgeen

A.3.2 is gezegd. Wat het bestreden artikel 28 betreft, voert de Ministerraad aan dat de verzoekende partijen uit een wetsontwerp geen rechten kunnen putten. Voor het overige voert die bepaling geen ongelijkheid van behandeling

tussen de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie en de geslaagden voor het examen voor bevordering tot de graad van officier van gerechtelijke politie. A.13.3.1.

hun memorie van antwoord voeren de verzoekende partijen

de zaak nr. 3868 aan dat,

tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, de wetgever geen rekening heeft gehouden met de objectieve meerwaarde die brevetten van officier van de gemeentepolitie bieden. Dat een benoeming van de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie belangrijke budgettaire gevolgen zou hebben, verantwoordt het verschil

behandeling niet. A.13.3.2. Ten slotte kan, volgens die partijen, het verschil

behandeling tussen de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie en de geslaagden voor bevordering tot de graad van officier van gerechtelijke politie niet worden verantwoord aan de hand van het verschil

toegang tot de opleiding. De personen die tot de ene categorie behoren worden immers rechtstreeks bevorderd

het officierenkorps; de anderen daarentegen dienen hun mobiliteit aan te vragen en dienen geslaagd te zijn

het kader van de mobiliteitsprocedure. A.13.4. De Ministerraad herhaalt

zijn memorie van wederantwoord dat het bestreden artikel 28 geen ongelijkheid van behandeling

voert tussen de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie en de geslaagden voor het examen voor bevordering tot de graad van officier van de toenmalige gerechtelijke politie. Voor het overige onderstreept die partij dat bij de toepassing van de « rode loper » geen enkel brevet enige voorrang geniet. Verzoekschrift en memories

de zaak nr. 3872 A.14.1.

een eerste middel vorderen de verzoekende partijen D. Van den Bussche, C. Van Belleghem, P. De Bruyn en H. Vandenbussche de vernietiging van de artikelen 28 tot en met 30 van de wet van 3 juli 2005. Die bepalingen, die de mogelijkheid betreffen voor de personeelsleden van de hoogste middenkaders om via de 11 zogenaamde « rode loper » over te gaan naar het officierskader, zouden artikel 9, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 schenden,

zoverre het arrest nr. 102/2003 van het Hof niet correct wordt uitgevoerd.

dat arrest heeft het Hof artikel XII.VII.17 RPPol vernietigd,

zoverre het niet van toepassing zou zijn op de gerechtelijke afdelingsinspecteurs 2C. Bijgevolg dienen de gerechtelijke afdelingsinspecteurs 2C zonder meer

de regeling van de bestaande bepalingen te worden opgenomen. Het gezag van gewijsde van dat arrest verhindert dat de wetgever voor de « rode loper » nieuwe uitvoeringsmodaliteiten zou vaststellen die voor sommige personen nadelig zijn. De verzoekende partijen worden benadeeld door de spreiding

de tijd van die regeling en door de aanpassing van de prioriteitscategorieën en de daartoe gehanteerde anciënniteitregels. A.14.2. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen zich ten onrechte op een verworven recht beroepen. Door de vernietiging van het arrest nr. 102/2003 werd de wetgever geconfronteerd met een volkomen nieuwe situatie waarvoor hij,

haar geheel, een aanvaardbare oplossing diende uit te werken. Hij vermocht dan ook een nieuwe regeling tot stand te brengen, met nieuwe uitvoeringsmodaliteiten, die op alle begunstigden van toepassing zijn. De Ministerraad wijst tevens erop dat de verzoekende partijen niet verplicht zijn de « rode loper » af te wachten om bevorderd te worden tot de graad van commissaris van politie : artikel 17 van de wet van 3 juli 2005 biedt hun immers de mogelijkheid om rechtstreeks, zonder vergelijkend examen, deel te nemen aan de mobiliteit voor ambten van het officierskader, met een benoeming tot gevolg zo zij geslaagd zijn

het raam van die mobiliteitsprocedure. Daarnaast kunnen zij ook via sociale promotie toetreden tot het officierskader. A.14.3. Volgens de voornoemde verzoekende partijen beroepen zij zich niet op een verworven recht, maar voeren zij aan dat het arrest nr. 102/2003 een absoluut gezag van gewijsde geniet. Dat het overgangsrecht één geheel vormt, of dat de verzoekende partijen via sociale promotie kunnen toetreden tot het officierskader, verantwoordt niet dat afbreuk wordt gedaan dat gezag van gewijsde. A.15.1.

een tweede middel vorderen de verzoekende partijen F. Braem, A. Beeckman en F. Maes de vernietiging van de artikelen 9 en 35 van de wet van 3 juli 2005. Door een willekeurig toelagebedrag vast te stellen zouden die bepalingen, die een nieuwe regeling voor de wachttoelage bevatten, enerzijds, artikel 9, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 schenden

zoverre het arrest nr. 102/2003 van het Hof niet correct wordt uitgevoerd (eerste onderdeel) en, anderzijds, een niet verantwoord verschil

behandeling

voeren (tweede onderdeel). Volgens die partijen zijn de door de wetgever gehanteerde bedragen willekeurig. A.15.2.1. De Ministerraad voert allereerst aan dat de verzoekende partij F. Maes, een voormalig officier van de rijkswacht, geen belang heeft bij het middel, vermits zij artikel XII.II.28 RPPol, vóór de wijziging ervan bij artikel 9 van de wet van 3 juli 2005, niet heeft aangevochten bij het Hof. Bovendien bieden de bestreden bepalingen haar een keuzemogelijkheid die zij

het verleden niet had. Vermits het om een mogelijkheid gaat, en geen verplichting, kan er geen sprake zijn van het verlies van verworven rechten. A.15.2.2. Wat de grond van de zaak betreft, voert de Ministerraad aan dat de bestreden bepalingen een technisch probleem bij de uitvoering van het arrest nr. 102/2003 verhelpen, vermits de wachttoelage voor bepaalde officieren van de gemeentepolitie een forfaitair maximumbedrag betreft, terwijl sommige personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten punctueel per dienstprestatie werden vergoed. Om die twee categorieën gelijk te behandelen, was de wetgever verplicht een forfaitair maar redelijk toelagebedrag te bepalen. Het redelijk karakter van dat bedrag (32 443 frank) blijkt uit het feit dat reeds 313 officieren gekozen hebben voor het

rekening laten brengen van dat bedrag bij hun

schaling. Bovendien houden de bestreden bepalingen voor de verzoekende partijen een keuzemogelijkheid en geen verplichting

. A.15.3. Volgens de voornoemde verzoekende partijen verbeuren zij niet het recht om een beroep tot vernietiging

te stellen tegen bepalingen die een wetsbepaling wijzigen omdat ze de oorspronkelijke wetsbepaling niet hebben aangevochten. Zij voeren ook aan dat het feit dat de bestreden bepalingen een keuzemogelijkheid

voeren en geen verplichting, niet verhindert dat zij strijdig zouden zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.16.1.

een derde middel vorderen de verzoekende partijen G. Vanhees, E. Herckens, B. Santermans en M. Follon de vernietiging van de artikelen 14, 37, 3° en 42 van de wet van 3 juli 2005. Die bepalingen zouden artikel 9, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 schenden,

zoverre het arrest nr. 102/2003 van het Hof niet correct wordt uitgevoerd.

dat arrest had het Hof immers geoordeeld dat het feit dat de personeelsleden van 12 het basiskader van de gerechtelijke politie

de graad van hoofdinspecteur worden aangesteld en de leden van het basiskader van de lokale recherchediensten van de lokale politie niet,

strijd is met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Een correct rechtsherstel houdt

dat de actuele personeelsleden van het basiskader van de lokale recherche worden aangesteld

de graad van hoofdinspecteur van politie, wat de bestreden bepalingen nalaten te doen. A.16.2. Volgens de Ministerraad beogen die bepalingen de door het Hof

het arrest nr. 102/2003 vastgestelde discriminatie te doen verdwijnen, die erin bestond dat de personeelsleden van het basiskader

de federale gerechtelijke zuil

de hogere graad van hoofdinspecteur werden aangesteld en de leden van het basiskader van de lokale recherchediensten van de lokale politiekorpsen niet. Om dat te verhelpen wordt het nieuwe concept van « rechercheur » uitgewerkt. Dat concept zal, op beslissing van de gemeente- of politieraad,

de korpsen van de lokale politie kunnen worden toegepast. De Ministerraad wijst ook op artikel 14 van de wet van 3 juli 2005. Op grond van die bepaling kunnen de basiskaderleden van de lokale recherchediensten de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, verwerven. Zodoende worden de federale en de lokale politie op voet van gelijkheid behandeld. A.17.1.

een vierde middel voert de verzoekende partij C. Vennekens aan dat de artikelen 22 en 23 van de wet van 3 juli 2005, die de valorisering van de aanstellingen regelen,

strijd zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De personen die beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld

het bestreden artikel 23 worden anders behandeld dan de personen die beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld

artikel 22, vermits de eerste categorie van personen

het raam van de bevordering door overgang naar het middenkader gedurende vijf jaar wordt vrijgesteld van de persoonlijkheidsproef bedoeld

artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, en van het selectiegesprek bedoeld

artikel IV.I.15, eerste lid, 4°, terwijl die beperking

de tijd niet geldt voor de tweede categorie. Voor dat verschil

behandeling bestaat geen redelijke verantwoording. A.17.2. De Ministerraad wijst erop dat het overgangsrecht één geheel vormt. Vermits de wet van 3 juli 2005 wijzigingen doorvoert

dat overgangsrecht, onder meer naar aanleiding van het arrest van het Hof nr. 102/2003, dient die wet

haar totaliteit te worden bekeken. Daarnaast stelt de Ministerraad vast dat de personen die onder het toepassingsgebied van het bestreden artikel 23 vallen, dezelfde vrijstellingen genieten als zij die onder het toepassingsgebied van artikel 22 vallen, namelijk de vrijstelling van de persoonlijkheidsproef en van het selectiegesprek

het raam van de sociale promotie tot het middenkader. Dat het bestreden artikel 23

een beperking

de tijd van vijf jaar voorziet, wordt verklaard door het feit dat artikel 21 van de wet van 3 juli 2005 voor diezelfde periode

gereserveerde quota voorziet voor de vergelijkende examens

het raam van de sociale promotie tot het middenkader. Personeelsleden die onder het toepassingsgebied van artikel 22 vallen, genieten het voordeel van die quota niet. Bovendien worden de personen van de eerste categorie zonder mobiliteitsvereiste benoemd

de graad van hoofdinspecteur. A.17.

  1. De verzoekende partij herhaalt dat het feit dat het overgangsrecht één geheel vormt, niet verantwoordt dat afbreuk wordt gedaan dat gezag van gewijsde van het arrest nr. 102/
  2. A.18.1.1.

een vijfde middel vorderen de verzoekende partijen E. De Baeck, K. Minnen en D. Van der Niepen de vernietiging van artikel 42 van de wet van 3 juli 2005. A.18.1.2.

een eerste onderdeel voeren zij aan dat die bepaling

strijd is met het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof nr. 102/2003

zoverre die bepaling de personeelsleden van de lokale politiediensten geen aanstelling als hoofdinspecteur van politie garandeert, maar een totaal nieuwe regeling

voert. A.18.1.3.

een tweede, derde en vierde onderdeel voeren zij aan dat die bepaling strijdig is met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Allereerst mogen de personeelsleden van het basis- en middenkader voor de uitoefening van hun ambt en voor de duur van hun aanwijzing voor een betrekking

de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie de titel « rechercheur » voeren zonder dat daartoe een administratieve beslissing nodig is, terwijl

een opsporings- en recherchedienst van de lokale politie die titel enkel mag worden gevoerd na een beslissing van de gemeente- of politieraad (tweede onderdeel). Ten tweede worden de hoofdinspecteurs van politie van een opsporings- en recherchedienst van de lokale politie gediscrimineerd ten opzichte van de

specteurs van politie die die bepaling kunnen genieten, vermits beiden de titel van « rechercheur » mogen voeren, terwijl zij tot verschillende kaders behoren en de hoofdinspecteurs een 13 hogere bezoldiging ontvangen. Om dezelfde redenen worden de vastbenoemde hoofdinspecteurs van politie van de lokale politie die afkomstig zijn uit de toenmalige gemeentepolitie gediscrimineerd ten opzichte van de vastbenoemde

specteurs van politie afkomstig uit de rijkswacht. Vermits bovendien de personen van de tweede categorie een lagere bezoldiging ontvangen dan die van de eerste categorie, zal de bevoegde overheid om budgettaire redenen de voorkeur geven aan de lager bezoldigde personen (derde onderdeel). Ten slotte is er sprake van een discriminatie doordat de titel van « gerechtelijk commissaris » wordt

gesteld voor de benoemde en aangestelde commissarissen van politie en de commissarissen van politie eerste klasse van de federale politie, maar niet voor de commissarissen van politie van de lokale politie (vierde onderdeel). A.18.2.1. Volgens de Ministerraad is het middel onontvankelijk,

zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de bevoegde overheid veeleer de voorkeur zal geven aan lagere bezoldigde personeelsleden dan aan hoger bezoldigde personeelsleden, om hetzelfde werk te doen. Dat is louter hypothetisch. A.18.2.2. Ten gronde herhaalt de Ministerraad allereerst wat het

A.16.2 heeft aangevoerd. Bovendien is er geen sprake van een functionele degradatie van de hoofdinspecteurs. Het dragen van een functionele titel doet voor een personeelslid geen afbreuk aan zijn graad, noch aan zijn hiërarchisch gezag. Hij lijdt ook geen enkel statutair of functioneel nadeel. A.19.1.

een zesde middel voert de verzoekende partij D. Van der Niepen aan dat de artikelen 37, 4°, en 39 van de wet van 3 juli 2005 strijdig zouden zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Volgens die partij is het bestreden artikel 37, 4°, discriminerend voor de personeelsleden van wie de oorspronkelijke dienst een recherchedienst van een lokale politiezone is, die de aanvullende overgangstoelage « gerechtelijke zuil » genieten en die hun mobiliteit verkrijgen naar een dienst

tern Toezicht van de lokale politie, waar zij analoge taken vervullen als die welke zijn vermeld

het bestreden artikel 37, 4°. Zij blijven immers verstoken van de heropening van het recht op toelage bij hun terugkeer

hun recherchedienst van oorsprong. Ook het bestreden artikel 39 zou discriminerend zijn voor de personeelsleden die fungeren

een dienst

tern Toezicht van de lokale politie. A.19.2. Volgens de Ministerraad wordt de lokale recherche

de bestreden bepalingen op dezelfde wijze behandeld als de federale recherche : beiden hebben recht op de heropening van de bijkomende toelage en op een compenserende bijlage wanneer zij, als personeelslid van het middenkader, worden aangewezen bij één van de

die bepalingen vermelde diensten. De verzoekende partijen, daarentegen, beogen die regeling uit te breiden tot de diensten

tern Toezicht van de lokale politie. Die keuze behoort echter tot de soevereine beoordelingsvrijheid van de wetgever. Bovendien beoogde de wetgever met de bestreden bepalingen een wettig doel na te streven, namelijk de mogelijkheid van terbeschikkingstelling of van mobiliteit te waarborgen van personeelsleden van de politiediensten die de gewenste kwaliteiten bezitten om

de betrokken diensten te werken. Met betrekking tot de diensten

tern Toezicht van de lokale politie doet zich op dat vlak geen probleem voor. De diensten van de federale politie die belast zijn met taken van

tern toezicht vallen overigens ook niet onder het toepassingsgebied van de bestreden bepalingen. A.19.3. Volgens de verzoekende partij is de vergelijking tussen de lokale en de federale recherche irrelevant, vermits zij te dezen onderscheiden categorieën uit de lokale recherche wensen te vergelijken. Er is, volgens haar, geen redelijke verantwoording om personeelsleden van de diensten

tern Toezicht van de lokale politie buiten het toepassingsgebied van de bestreden wetsartikelen te houden. A.19.4. Volgens de Ministerraad legt de verzoekende partij niet uit welke categorieën zij met elkaar vergelijkt. Het middel zou bijgevolg onontvankelijk zijn, vermits niet duidelijk is welke ongelijkheid aangevochten wordt. A.20.1.

een zevende middel voert de verzoekende partij L. Vanmassenhove aan dat artikel 19 van de wet van 3 juli 2005 strijdig zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alsook met het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof nr. 102/2003. Door de bestreden bepaling kunnen de houders van een brevet van adjudant,

geschaald

de weddeschaal M5.2 wel doorstromen naar de weddeschaal M7bis, terwijl de houders van een brevet van adjudant,

geschaald

de weddeschaal M5.1, niet kunnen doorstromen naar de weddeschaal M7. Voor dat verschil

behandeling wordt geen enkele redelijke verantwoording gegeven. 14 A.20.2. De Ministerraad wijst erop dat de betrokken verzoeker op 1 april 2001

geschaald is

de loonschaal M4.1 en op 1 oktober 2003 bevorderd werd

de loonschaal M5.1. Bijgevolg kan niet worden beweerd dat de brevethouders adjudant die zijn

geschaald

de loonschaal M5.1 moeten kunnen doorstromen naar de loonschaal M7, vermits, enerzijds,

2001 niemand werd

geschaald

de loonschaal M5.1 en, anderzijds, de verzoeker aanspraak maakt op een dubbele baremische overgangsloopbaan. A.20.

  1. Volgens de verzoeker maakt hij slechts aanspraak op één baremische overgang, namelijk van M4.1 naar M
  2. A.21.1.

een achtste middel voeren voert de verzoekende partij E. Herckens aan dat artikel 14 van de wet van 3 juli 2005 strijdig zou zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Uit de Nederlandse tekst van die bepaling, volgens welke de leden van het basiskader die, op de datum van de oprichting van een korps van de lokale politie, zijn aangewezen voor een betrekking

een opsporings- en recherchedienst van de lokale politie, voor de duur van die aanwijzing de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, krijgen, zou voortvloeien dat ze die hoedanigheid verliezen wanneer ze van de ene naar de andere opsporings- en recherchedienst zouden overgaan. Personen die

de gerechtelijke zuil zijn aangewezen, kunnen daarentegen hun hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie behouden zolang zij, waar dan ook, recherche- en opsporingsopdrachten vervullen. A.21.2. Volgens de Ministerraad is er geen verschil

behandeling, vermits personeelsleden van de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie eveneens hun hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, verliezen wanneer ze de federale gerechtelijke zuil verlaten. A.21.3. De verzoekende partij schikt zich te dezen naar de wijsheid van het Hof. A.22.1.

een negende middel vorderen de verzoekende partijen P. De Ridder, F. Maes, A. Beeckman en F. Braem de vernietiging van de artikelen 11 en 44 van de wet van 3 juli 2005. A.22.1.1.

een eerste onderdeel voeren de verzoekende partijen P. De Ridder en F. Maes aan dat die bepalingen artikel 9, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof schenden doordat ze het arrest van het Hof nr. 102/2003 niet correct uitvoeren

zoverre bepaalde personeelsleden hun gezagsverhouding ten opzichte van ondergeschikten niet bewaard zien, terwijl personeelsleden die voorheen 1C waren door het bestreden artikel 11 wel hun gezagsverhouding bewaard zien. A.22.1.2.

een tweede onderdeel beroepen de verzoekende partijen A. Beeckman en F. Braem zich ook op artikel 9, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. De bestreden bepalingen zouden het arrest van het Hof nr. 102/2003 niet correct uitvoeren doordat zij door de bestreden bepalingen

geschaald worden

het lagere officierskader en zij geen hoger officier worden. Uit voormeld arrest zou immers voortvloeien dat zij recht hebben op die status. A.22.1.3.

een derde onderdeel voeren diezelfde verzoekende partijen de schending aan van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie doordat de voormalige gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C niet op een gelijke wijze worden behandeld als de voormalige gerechtelijke afdelingscommissarissen 1D, die wel

het hogere officierskader werden geïntegreerd. A.22.2.1. Volgens de Ministerraad is het middel onontvankelijk wat de verzoekers P. De Ridder en F. Maes betreft, die vóór de politiehervorming respectievelijk commissaris van politie-korpschef klasse 16 en kapitein-commandant bij de rijkswacht waren, en op 1 april 2001 de graad van commissaris van politie verkregen. Het Hof heeft

zijn arrest nr. 102/2003 al uitspraak gedaan over de

schaling van de commissarissen van politie-korpschef klasse 16 en van de kapitein-commandanten. A.22.2.2. Het middel is, volgens de Ministerraad

ieder geval ongegrond, vermits uit het arrest nr. 102/2003 enkel voortvloeit dat de wetgever de afdelingscommissarissen 1C diende

te schalen

een graad waardoor het hiërarchische gezag ten opzichte van de 1B’s wordt hersteld. Bovendien is de graad van commissaris van politie eerste klasse een overgangsgraad die zal verdwijnen zodra de laatste 1C de dienst zou verlaten. 15 A.22.2.3. Volgens de Ministerraad is het middel,

zoverre het gericht is tegen artikel 44, onontvankelijk bij gebrek aan belang wat de verzoekers A. Beeckman en F. Braem betreft. Zij waren vóór de politiehervorming gerechtelijk afdelingscommissaris bij de gerechtelijke politie, en verkregen - na de vernietiging van hun

schaling als commissaris van politie - door toepassing van de wet van 3 juli 2005 de graad van commissaris van politie eerste klasse. Vermits zij onder het toepassingsgebied van het bestreden artikel 44 vallen, kunnen zij niet erdoor worden gediscrimineerd. A.22.2.4. Het middel is, volgens de Ministerraad,

ieder geval ongegrond. De bevordering van de weddeschaal 1C naar 1D was immers geen automatisme. Ze werd aan zware vereisten onderworpen en kon slechts worden toegekend voor zover er vacante betrekkingen zijn. Bijgevolg kunnen de gerechtelijke afdelingscommissarissen met weddeschaal 1C niet worden vergeleken met de toenmalige gerechtelijke afdelingscommissarissen met weddeschaal 1D. Uit het arrest nr. 102/2003 vloeit voort dat de wetgever de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C diende

te schalen

een graad waardoor het hiërarchische gezag ten opzichte van de gerechtelijke commissarissen 1B wordt hersteld en hen

staat diende te stellen om functies uit te oefenen die verbonden zijn aan hun vroegere graad. Dat is door de bestreden bepalingen gebeurd. Uit voormeld arrest kan evenwel niet worden afgeleid dat de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C benoemd zouden moeten worden

de nieuwe graad van hoofdcommissaris van politie of dat geen proportionele benadering van de

schaling van de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C

de nieuwe graad van commissaris van politie eerste klasse mogelijk zou zijn. A.22.

  1. Volgens de verzoekende partijen voeren zij niet aan dat zij, als vroegere personeelsleden 1C, op dezelfde wijze moeten worden behandeld als de personeelsleden 1D door een benoeming tot hoofdcommissaris van politie, maar wel dat zij hoger officier moeten worden. A.22.
  2. Volgens de Ministerraad stellen de artikelen 18, 27, 32 en 33 van de wet van 3 juli 2005 de gerechtelijke afdelingscommissarissen 1C

staat om functies uit te oefenen die verbonden zijn aan hun vroegere graad. Zij kunnen via de mobiliteit verkrijgen naar alle ambten van hoofdcommissaris van politie. Verkrijgen zij een dergelijk ambt, dan worden zij

de graad van hoofdcommissaris van politie aangesteld voor de duur van hun aanwijzing met bijgaande valoriseringen. Bovendien krijgen zij, zo zij geslaagden 1D zijn, het directiebrevet. Verzoekschrift en memories

de zaak nr. 3880 A.23.1.

de zaak nr. 3880 vorderen de verzoekende partijen de vernietiging van artikel 42 van de wet van 3 juli 2005. Volgens hen schendt die bepaling de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet doordat de personeelsleden van de lokale politie de toelating nodig hebben van de gemeente- of politieraad om de functionele titel van rechercheur te mogen voeren, terwijl de personeelsleden van de federale politie automatisch die titel mogen hanteren. Dat verschil

behandeling, dat op zich niet is verantwoord, brengt bovendien ongelijkheden met zich mee, vermits de betrokkenen,

tegenstelling tot de

specteurs die

de federale gerechtelijke zuil zijn aangesteld tot hoofdinspecteur van politie, niet zijn vrijgesteld van de persoonlijkheidsproef en van het selectiegesprek. A.23.2.1. Volgens de Ministerraad beoogt de bestreden bepaling de door het Hof

het arrest nr. 102/2003 vastgestelde discriminatie te doen verdwijnen, die erin bestond dat de personeelsleden van het basiskader

de federale gerechtelijke zuil

de hogere graad van hoofdinspecteur werden aangesteld en de leden van het basiskader van de lokale recherches van de lokale politiekorpsen niet. Om dat te verhelpen wordt het nieuwe concept van « rechercheur » uitgewerkt. Dat concept zal, op beslissing van de gemeente- of politieraad,

de korpsen van de lokale politie kunnen worden toegepast. De Ministerraad wijst ook op artikel 14 van de wet van 3 juli

  1. Op grond van die bepaling kunnen de basiskaderleden van de lokale recherchediensten de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, verwerven. Zodoende worden de federale en de lokale politie op voet van gelijkheid behandeld. Bijgevolg kan er geen sprake zijn van een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 16 A.23.2.
  2. Wat de door de verzoekende partijen aangevoerde schending van artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet betreft, ziet de Ministerraad niet

hoe het feit dat de personeelsleden van de lokale politie de toelating nodig hebben van de gemeente- of politieraad om de functionele titel van rechercheur te mogen voeren, een aantasting zou

houden van hun recht op arbeid. A.23.3. Volgens de verzoekende partijen is het verschil

behandeling niet beperkt tot het verkrijgen van de toelating van de gemeente- of de politieraad om de functionele titel van rechercheur te mogen voeren. Daarnaast komt de uitwerking van het nieuwe concept niet tegemoet aan de motieven die ten grondslag liggen aan de vernietiging door het Hof

het arrest nr. 102/2003 van de artikelen XII.VII.21 en XII.VII.22 RPPol, vermits het geen aanstelling of mogelijkheid van aanstelling met zich meebrengt van de leden van het basiskader van de lokale politie tot de graad van hoofdinspecteur. Terwijl

de federale gerechtelijke pijler de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, automatisch verworven blijft door de generieke aanstelling

de graad van hoofdinspecteur, wordt die graad bij de lokale politie enkel verworven voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan : (

  1. i)het behoren tot de lokale recherchedienst bij de oprichting van het korps; (
  2. ii)een aanvraag

dienen bij de korpschef; (iii) een opleiding volgen; (iv) het slagen

een proef op het einde van voormelde opleiding. A.23.4. Volgens de Ministerraad bekritiseren de verzoekende partijen ten onrechte de aanstellingen

de federale gerechtelijke pijler

de graad van hoofdinspecteur met de daaraan gekoppelde hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt immers dat die valorisatie van de aanstellingen redelijk is verantwoord : gelet op het feit dat de betrokkenen reeds gedurende lange tijd een dergelijk ambt bezetten en uitoefenen, is het logisch dat zij van bepaalde selectieproeven

het raam van de overgang naar het hogere kader kunnen worden vrijgesteld. Gedurende hun ambtsuitoefening worden hun vaardigheden op voldoende wijze getest. Opdat een personeelslid zich geldig kan

schrijven voor het vergelijkend examen

het raam van de sociale promotie voor toegang tot het hogere kader, is trouwens statutair vereist dat de betrokkene een positieve evaluatie heeft. Hij is bovendien niet vrijgesteld van de beroepsproef. Verzoekschrift en memories

de zaak nr. 3883 A.24.1.

de zaak nr. 3883 vorderen de verzoekende partijen de vernietiging van de artikelen 28 en 29 van de wet van 3 juli 2005. Volgens hen schendt die bepaling de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet doordat alle bevorderingen via de « rode loper » over zeven jaar,

plaats van over twee jaar, worden gespreid. De vertraging

de carrière voor de betrokken personeelsleden houdt een discriminatie

ten opzichte van de regeling die voorheen van kracht was. Bovendien wordt niet

de mogelijkheid voorzien om, wanneer personeelsleden aan een bevordering verzaken, de openstaande plaatsen op te vullen door personeelsleden die normalerwijs pas later voor bevordering

aanmerking komen. A.24.2.

  1. Volgens de Ministerraad is het middel onontvankelijk, vermits de verzoekende partijen nalaten te zeggen welke categorieën van personen ongelijk worden behandeld. Ook wat de schending van artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet betreft, zou het middel onvoldoende zijn uitgewerkt. A.24.2.
  2. Volgens die partij is er hoe dan ook geen sprake van een schending van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 1°, van de Grondwet. Volgens haar gaan de verzoekende partijen ten onrechte ervan uit dat zij een verworven recht genoten. Door de vernietiging van artikel XII.VII.17 RPPol werd de wetgever met een nieuwe situatie geconfronteerd, waarvoor hij

haar geheel een nieuwe regeling diende uit te werken. De artikelen 28 tot en met 30 van de wet van 3 juli 2005 waarborgen daarom eenieders recht op bevordering, mits naleving van nieuwe uitvoeringsmodaliteiten die voor alle begunstigden gelden. Een regeling waarbij, wanneer personeelsleden aan een bevordering verzaken, de openstaande plaatsen opgevuld worden door personeelsleden die normalerwijs pas later voor bevordering

aanmerking komen, bestond ook niet

de door het Hof vernietigde bepalingen en uit het arrest nr. 102/2003 vloeit niet voort dat

een dergelijke regeling dient te worden voorzien. De Ministerraad verwijst ten slotte nog naar artikel 17 van de wet van 3 juli 2005, dat, ter compensatie van het opschuiven van het referentiejaar,

een bijkomende bevorderingsmogelijkheid voorziet via mobiliteit, zonder voorafgaand vergelijkend examen. Daarnaast beschikken de verzoekende partijen nog steeds over de 17 mogelijkheid om via sociale promotie toe te treden tot het officierskader. Daarbij genieten zij een volledige vrijstelling van de basisopleiding van het officierskader en van de kaderproef bedoeld

artikel 41 van de wet van 26 april 2002 en waren ze tot vóór kort opgenomen

de gereserveerde quota voor de geslaagden voor de vergelijkende bevorderingsexamens bedoeld

artikel XII.VII.16 RPPol. A.24.3.

  1. Wat de ontvankelijkheid betreft, doen, volgens de verzoekende partijen, de bestreden bepalingen een discriminatie ontstaan tussen, enerzijds, de voormalige adjudanten bij de rijkswacht en, anderzijds, de voormalige brigadecommandanten en andere commandanten van een politiebasiseenheid bij de voormalige rijkswacht. A.24.3.
  2. Ten gronde voeren de verzoekende partijen aan dat de overheid een nieuw concept niet vermag te verantwoorden op grond van een mogelijke verstoring van het evenwicht tussen de leden van de voormalige BOB en die van de gerechtelijke politie, vermits die problemen enkel betrekking hebben op de werking van de federale recherche. Er is dan ook geen reden om de loopbaan van de personeelsleden van de andere delen van de politie te vertragen,

zonderheid gelet op het feit dat het personeel

de federale gerechtelijke pijler reeds allerlei afzonderlijke maatregelen heeft genoten. Dat nieuwe bijkomende bevorderingsmogelijkheden worden gecreëerd via mobiliteit en via sociale promotie compenseert het nadeel dat de verzoekers leiden niet, vermits die een gedwongen mobiliteit met zich meebrengen en vermits er bijzonder veel kandidaten zullen zijn, onder meer door de nieuwe regels op het gebied van de valorisering van de brevetten. A.24.4. De Ministerraad herhaalt

zijn memorie van wederantwoord dat de verzoekende partijen de bestreden bepalingen ten onrechte verwijten niet

de mogelijkheid te voorzien om, wanneer personeelsleden aan een bevordering verzaken, de openstaande plaatsen op te vullen door personeelsleden die normalerwijs pas later voor bevordering

aanmerking komen.

een dergelijke mogelijkheid was niet voorzien

de door het Hof vernietigde regeling en uit het arrest nr. 102/2003 vloeit ook niet voort dat

een dergelijke regeling diende te worden voorzien. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van een aantal bepalingen van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten.

de zaken nrs. 3867 en 3868 is het beroep gericht tegen de artikelen 13, 15, 17 en 19 tot en met 31,

de zaak nr. 3872 tegen de artikelen 9, 11, 14, 19, 22, 23, 28 tot en met 30, 35, 37, 3° en 4°, 39, 42 en 44,

de zaak nr. 3880 tegen artikel 42 en

de zaak nr. 3883 tegen de artikelen 28 en 29 van de voormelde wet. De bestreden bepalingen - met uitzondering van de artikelen 42 en 44 - maken deel uit van hoofdstuk IV van de voormelde wet van 3 juli

  1. Dat hoofdstuk heeft als opschrift : « Wijzigingen van Deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de 18 rechtspositie van het personeel van de politiediensten (‘ RPPol ’), bekrachtigd door de programmawet van 30 december 2001 ». Die bepalingen luiden : « Art.
  2. Artikel XII.II.28 RPPol wordt aangevuld met het volgende lid : ‘ Onverminderd het eerste lid, kunnen de personeelsleden die op de datum van de

werkingtreding van dit besluit onder het toepassingsgebied van artikel XII.II.26 vallen en die het

het tweede lid bedoelde weddesupplement voor wachtprestaties vóór die

werkingtreding niet genoten, ervoor opteren om hun referentiebedrag te verhogen met 32 443 BEF (804,25 euro). Op dit bedrag wordt geen vermenigvuldigingsfactor toegepast. Deze optie gebeurt volgens de regels bepaald

artikel XII.XI.17, § 2, derde lid, 5°. ’ ». « Art. 11.

tabel D1 van bijlage 11 RPPol worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°

de eerste kolom wordt een punt 1.3.

gevoegd, luidende : ‘ 1.3. Commissaris van politie eerste klasse ’; 2°

de tweede kolom, linkerkant, worden, ter hoogte van het punt 1.3., zes lijnen

gevoegd, luidende : ‘ O2 (960 000-1 430 000) O2ir (1 075 200-1 601 600) O3 (1 000 000-1 600 000) O3ir (1 120 000-1 792 000) O4 (1 110 000-1 773 000) O4ir (1 176 600-1 879 380) ’; 3°

de tweede kolom, rechterkant, worden, ter hoogte van het punt 1.3., twee lijnen

gevoegd, luidende : ‘ O4bis (1 240 000-1 942 000) O4bisir (1 314 400-2 058 520) ’; 4°

de derde kolom wordt, ter hoogte van het punt 1.3., een punt 3.26.

gevoegd, luidende : ‘ 3.26. Gerechtelijk afdelingscommissaris/Laboratorium-afdelingscommissaris/Afdelings- commissaris van de dienst telecommunicatie ’; 19 5°

de vierde kolom wordt, ter hoogte van het punt 1.3., één lijn

gevoegd, luidende : ‘ 1C : 1 226 247 - 1 753 61313 ’. ». « Art. 13.

het RPPol wordt een artikel XII.IV.6

gevoegd, luidende : ‘ Art. XII.IV.

  1. - §
  2. Zijn volledig vrijgesteld van de basisopleiding van het middenkader, met

begrip van de daaraan gekoppelde examens en opleidingsstages, de personeelsleden van het basiskader : 1° die houder zijn van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld

het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of

artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming

de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming

de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie of van het brevet van hoofdonderofficier bedoeld

artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht; 2° die houder zijn van het brevet van

specteur van politie bedoeld

het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende de opleiding en de bevordering tot de graden van

specteur en hoofdinspecteur van politie alsmede van het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, bedoeld

artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, uitgereikt aan sommige leden van de gemeentepolitie. § 2. Zijn volledig vrijgesteld van de basisopleiding van het officierskader, met

begrip van de daaraan gekoppelde examens en opleidingsstages : 1° de personeelsleden van het middenkader die houder zijn van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld

het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of

artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming

de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming

de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie of van het brevet van hoofdonderofficier bedoeld

artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht; 2° de gewezen afdelingsinspecteurs die de loonschaal M5.2 genieten; 3° de personeelsleden die de loonschaal M6 genieten; 4° de personeelsleden die de loonschaal M7 of M7bis genieten. 20 § 3. De personeelsleden bedoeld

§ 2

zijn vrijgesteld van de kaderproef bedoeld

artikel 41 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten. § 4. De

§ 2

, 3°, bedoelde vrijstelling geldt vanaf 1 april 2004 en die bedoeld

§ 3vanaf 1 april 2006.

’ ». « Art. 14.

het RPPol wordt een artikel XII.IV.7

gevoegd, luidende : ‘ Art. XII.IV.7. - De personeelsleden van het basiskader die, op de datum van de oprichting van een korps van de lokale politie, zijn aangewezen voor een betrekking

een opsporings- en recherchedienst van de lokale politie verkrijgen, voor de duur van die aanwijzing, op hun vraag en mits het volgen van de daartoe bestemde opleiding, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. ’ ». « Art. 15.

het RPPol wordt een artikel XII.VI.6bis

gevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VI.6bis. - De personeelsleden bedoeld

artikel XII.IV.6, § 1, kunnen, zonder aanwezigheidsvoorwaarde

de huidige betrekking, via mobiliteit, meedingen naar betrekkingen die openstaan voor de hoofdinspecteurs van politie waardoor zij vervolgens,

dien zij voor een dergelijke betrekking worden aangewezen via mobiliteit,

die graad worden benoemd. De Koning kan de nadere regels van de

het eerste lid bedoelde mobiliteit bepalen. ’ ». « Art. 17.

het RPPol wordt een artikel XII.VI.8bis

gevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VI.8bis. - De personeelsleden bedoeld

artikel XII.IV.6, § 2, en de personeelsleden van het middenkader die reeds vóór 1 april 2001 de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van officier van bestuurlijke politie hadden, alsmede de personeelsleden van het basiskader die houder zijn van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld

het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of

artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming

de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming

de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie, en hetzij ten minste twaalf jaar kaderanciënniteit hebben, hetzij houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke

aanmerking worden genomen voor de aanwerving

de betrekkingen van niveau 1 bij de federale Rijksbesturen, kunnen, zonder aanwezigheidsvoorwaarde

de huidige betrekking, via mobiliteit, meedingen naar betrekkingen die openstaan voor de commissarissen van politie waardoor zij vervolgens,

dien zij voor een dergelijke betrekking worden aangewezen via mobiliteit,

die graad worden benoemd. De

het eerste lid bedoelde personeelsleden verkrijgen op de datum van hun benoeming

de graad van commissaris van politie de loonschaal O2. 21 De Koning kan de nadere regels van de

het eerste lid bedoelde mobiliteit bepalen. ’ ». « Art. 19.

het RPPol wordt een artikel XII.VII.11bis

gevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.11bis. - Er wordt voor de actuele personeelsleden die overeenkomstig artikel XII.II.21, derde lid, zijn

geschaald

de loonschaal M5.2 en die houder zijn van het brevet voor de bevordering naar de loonschaal 2D, bedoeld

artikel 110 van het koninklijk besluit van 19 december 1997 houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten, of van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld

het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of

artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming

de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming

de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie, of van het brevet van hoofdonderofficier bedoeld

artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht, een baremische loopbaan

gesteld voor de overgang tussen de loonschaal M5.2 en de loonschaal M7bis na achttien jaar kaderanciënniteit

het middenkader. Deze hogere loonschaal

de baremische loopbaan wordt niet toegekend

dien de geldende tweejaarlijkse functioneringsevaluatie “ onvoldoende ” is. ’ Art. 20. Voor het vroegere artikel XII.VII.15, § 3, eerste lid, 1°, a), RPPol, dat vernietigd is bij arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 van het Arbitragehof en de beschikking tot verbetering ervan van 14 juli 2004, treedt een nieuw artikel XII.VII.15, § 3, eerste lid, 1°, a), RPPol

de plaats, luidende : ‘ a) de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld

het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of

artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming

de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming

de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie; ’ Art.

  1. Artikel XII.VII.15 RPPol wordt vervangen als volgt : ‘ Art. XII.VII.
  2. - Gedurende vijf jaar, te rekenen vanaf 1 april 2006 en per vergelijkend examen, wordt een quota van 5 % van de vacatures voor de bevordering door overgang naar het middenkader voorbehouden aan de leden van het basiskader, laureaten van dit vergelijkend toelatingsexamen : 1° die houder zijn van het brevet van

specteur van politie bedoeld

het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende de opleiding en de bevordering tot de graden van

specteur en hoofdinspecteur van politie; 22 2° die houder zijn van het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, bedoeld

artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, uitgereikt aan sommige leden van de gemeentepolitie; 3° bedoeld

artikel 1, 6°, a), van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 betreffende de benoeming en de bevordering van personeelsleden van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie die naar de rijkswacht overgeplaatst zijn en houdende diverse andere statuutbepalingen omtrent die personeelsleden, opgeheven bij het koninklijk besluit van 24 augustus 2001, en die laureaat zijn van de examens, georganiseerd

de spoorwegpolitie, tot het verkrijgen van de graad van ondertoezichtscommissaris; 4° bedoeld

artikel 1, 6°, b), van het koninklijk besluit van 25 januari 2000 betreffende de benoeming en de bevordering van personeelsleden van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie die naar de rijkswacht overgeplaatst zijn en houdende diverse andere statuutbepalingen omtrent die personeelsleden, opgeheven bij het koninklijk besluit van 24 augustus 2001, en die laureaat zijn van de examens, georganiseerd

de zeevaartpolitie, tot het verkrijgen van de graad van luitenant der zeevaartpolitie (20E); 5° die op grond van artikel XII.VII.26 zijn aangesteld

de graad van hoofdinspecteur van politie. ’ Art. 22.

het RPPol wordt een artikel XII.VII.15bis

gevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.15bis. -

het raam van de bevordering door overgang naar het middenkader zijn de

artikel XII.VII.21 bedoelde personeelsleden van de federale politie vrijgesteld van de persoonlijkheidsproef bedoeld

artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, en van het selectiegesprek bedoeld

artikel IV.I.15, eerste lid, 4°. ’ Art. 23.

het RPPol wordt een artikel XII.VII.15ter

gevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.15ter. -

het raam van de bevordering door overgang naar het middenkader zijn de personeelsleden die bij toepassing van artikel XII.VII.26, tweede lid, zijn aangesteld

de graad van hoofdinspecteur van politie, gedurende vijf jaar te rekenen vanaf 1 april 2006, vrijgesteld van de persoonlijkheidsproef bedoeld

artikel IV.I.15, eerste lid, 2° en van het selectiegesprek bedoeld

artikel IV.I.15, eerste lid, 4°. De personeelsleden, laureaten van het vergelijkende examen bedoeld

het eerste lid en geslaagd

de eventuele basisopleiding, worden, zonder mobiliteitsvereiste, benoemd

de graad van hoofdinspecteur van politie. ’ Art.

  1. Artikel XII.VII.16, eerste lid, RPPol wordt vervangen als volgt : ‘ Art. XII.VII.
  2. - Gedurende vijf jaar te rekenen vanaf 1 april 2001 en per vergelijkend examen, wordt een quota van 25 % van de vacatures voor bevordering door overgang naar het officierskader voorbehouden aan de

artikel XII.IV.6, § 2, bedoelde personeelsleden, laureaten van dit vergelijkend toelatingsexamen. ’ 23 Art. 25.

het RPPol wordt een artikel XII.VII.16bis

gevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.16bis. -

het raam van de bevordering door overgang naar het officierskader zijn de

de artikelen XII.VII.23 en XII.VII.23bis bedoelde personeelsleden die zijn aangesteld

de graad van commissaris van politie, vrijgesteld van de kaderproef bedoeld

artikel 41 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, evenals van de persoonlijkheidsproef bedoeld

artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, en van het selectiegesprek bedoeld

artikel IV.I.15, eerste lid, 4°. ’ Art. 26.

het RPPol wordt een artikel XII.VII.16ter

gevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.16ter. - Gedurende vijf jaar te rekenen vanaf 1 april 2006 wordt, per vergelijkend examen, een quota van 5 % van de vacatures voor de bevordering door overgang naar het officierskader voorbehouden aan de personeelsleden bedoeld

de artikelen XII.VII.24 en XII.VII.26 die zijn aangesteld

de graad van commissaris van politie. De personeelsleden bedoeld

het eerste lid zijn vrijgesteld van de kaderproef bedoeld

artikel 41 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, evenals van de persoonlijkheidsproef bedoeld

artikel IV.I.15, eerste lid, 2° en van het selectiegesprek bedoeld

artikel IV.I.15, eerste lid, 4°. De personeelsleden, laureaten van het vergelijkende examen bedoeld

het eerste lid en geslaagd

de eventuele basisopleiding, worden, zonder mobiliteitsvereiste, benoemd

de graad van commissaris van politie met loonschaal O2. ’ Art. 27.

het RPPol wordt een artikel XII.VII.16quater

gevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.16quater. - De personeelsleden die bij toepassing van artikel XII.VII.25 of XII.VII.26 zijn aangesteld

de graad van hoofdcommissaris van politie worden, zonder mobiliteitsvereiste, benoemd

de graad van hoofdcommissaris van politie,

dien zij beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld

artikel 32, 1°, 3° tot 5°, van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten. ’ Art. 28. Artikel XII.VII.17, eerste en tweede lid, RPPol wordt vervangen als volgt : ‘

afwijking van artikel VII.II.6 en met uitzondering van het personeelslid bedoeld

artikel XII.VII.18, kan de hoofdinspecteur van politie die op de datum van de

werkingtreding van dit artikel de loonschaal M5.2, M6, M7 of M7bis geniet, worden bevorderd tot de graad van commissaris van politie

dien hij geen evaluatie “ onvoldoende ” geniet. De

het eerste lid bedoelde bevorderingen gaan

,

de loop van het vijfde jaar na de datum van

werkingtreding van dit artikel. Daartoe worden alle

het eerste lid bedoelde personeelsleden, per korps van oorsprong en per categorie van de respectieve graden 24 hoofdinspecteur eerste klasse, adjudant/adjudant-chef bij de rijkswacht, en gerechtelijk afdelingsinspecteur / laboratoriumafdelingsinspecteur /afdelingsinspecteur- electrotechnicus /afdelingsinspecteur voor gerechtelijke identificatie, gespreid over zeven jaren naar rata van, per jaar, één zevende van hun totaal aantal binnen hun categorie en dit

dalende volgorde van hun anciënniteit

die graad op de dag voorafgaand aan de

werkingtreding van dit artikel, aangevuld met de graadanciënniteit die zij sinds die

werkingtreding tot 1 april 2005 hebben opgebouwd. Om die volgorde vast te stellen geldt een voorrang van de adjudanten-chef op de adjudanten bij de voormalige rijkswacht en, wat de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten betreft, van de afdelingsinspecteurs met de loonschaal 2D op de andere afdelingsinspecteurs.

geval van aanwijzing na 1 april 2005 voor een betrekking

de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, blijft de voormelde spreiding op het betrokken personeelslid van toepassing. ’ Art. 29.

artikel XII.VII.18 RPPol worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste en het tweede lid die samen met het derde lid § 1 zullen vormen, worden vervangen als volgt : ‘ § 1.

afwijking van artikel VII.II.6, kan de hoofdinspecteur van politie, lid van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, die op de datum van de

werkingtreding van dit artikel de loonschaal M5.2, M6, M7 of M7bis geniet, worden bevorderd tot de graad van commissaris van politie,

dien hij geen evaluatie “ onvoldoende ” geniet en voorzover de

§ 2bedoelde proportionaliteit wordt nageleefd.

De

het eerste lid bedoelde bevorderingen gaan

,

de loop van het vijfde jaar na de datum van

werkingtreding van dit artikel. Daartoe worden alle

het eerste lid bedoelde personeelsleden, per korps van oorsprong en per categorie van de respectieve graden hoofdinspecteur eerste klasse, adjudant/adjudant-chef bij de rijkswacht, en gerechtelijk afdelingsinspecteur / laboratoriumafdelingsinspecteur / afdelings-

specteur-electrotechnicus / afdelingsinspecteur voor gerechtelijke identificatie, gespreid over zeven jaren naar rata van, per jaar, één zevende van hun totaal aantal binnen hun categorie en dit

dalende volgorde van hun anciënniteit

die graad op de dag voorafgaand aan de

werkingtreding van dit artikel, aangevuld met de graadanciënniteit die zij sinds die

werkingtreding tot 1 april 2005 hebben opgebouwd. Om die volgorde vast te stellen geldt een voorrang van de adjudanten-chef op de adjudanten bij de voormalige rijkswacht en, wat de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten betreft, van de afdelingsinspecteurs met de loonschaal 2D op de andere afdelingsinspecteurs.

geval van aanwijzing na 1 april 2005 voor een betrekking buiten de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, blijft de voormelde spreiding op het betrokken personeelslid van toepassing; ’ 2° het artikel wordt aangevuld met de volgende paragrafen : ‘ § 2. De

§ 1

, eerste lid, bedoelde proportionaliteit bestaat uit de verhouding tussen het aantal

een officiersgraad benoemde en aangestelde personeelsleden die op 1 april 2001 deel uitmaken van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie en afkomstig zijn uit de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten, respectievelijk voormalige rijkswacht. 25 Ten belope van ten hoogste het aantal aldus vastgesteld met betrekking tot de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten en met

achtneming van de evolutieve proportionele verhouding, kunnen personeelsleden van de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten tot commissaris van politie worden benoemd. Ten belope van ten hoogste het aantal aldus vastgesteld met betrekking tot de voormalige rijkswacht en met

achtneming van de evolutieve proportionele verhouding, kunnen personeelsleden van de voormalige rijkswacht tot commissaris van politie worden benoemd en kunnen, vervolgens, volgens de nadere regels bepaald door de Koning, nog actuele personeelsleden die tot het middenkader van de voormalige rijkswacht behoorden,

aanmerking komen voor de aanvulling. § 3. De personeelsleden die omwille van de

§ 2

bedoelde proportionaliteitsvoorwaarde niet binnen de

§ 1

, tweede lid, bedoelde zeven jaren kunnen worden bevorderd, worden vanaf 2012 en uiterlijk tot 2015

de graad van commissaris van politie benoemd volgens de nadere regels bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg

de Ministerraad. ’ Art. 30.

artikel XII.VII.19 RPPol wordt een tweede lid

gevoegd, luidende : ‘ De personeelsleden die voor deze bevordering

aanmerking komen, zullen vooraf door de overheid naar hun

tentie worden bevraagd. Hun schriftelijk antwoord tegen ontvangstbewijs, na een bedenktijd van drie maanden, is onherroepelijk. Het personeelslid dat geen antwoord verschaft binnen de gestelde termijn, wordt geacht definitief af te zien van deze bevorderingsmogelijkheid. ’ Art. 31.

het RPPol wordt een artikel XII.VII.23bis

gevoegd, luidende : ‘ Art. XII.VII.23bis. - De personeelsleden die het aantal opvullen bedoeld

artikel XII.VII.18, § 2, derde lid, worden, zolang zij lid blijven van de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, aangesteld

de graad van commissaris van politie. Voor het overige wordt het statuut van de

het eerste lid bedoelde personeelsleden bepaald overeenkomstig hun

schaling

het middenkader. ’ ». « Art. 35. Artikel XII.XI.17, § 2, derde lid, RPPol wordt aangevuld als volgt : ‘ 5° vermeerderd met 32 443 BEF (804,25 euro), voor de personeelsleden die op de datum van

werkingtreding van dit besluit onder het toepassingsgebied van artikel XII.II.26 vallen, die het

artikel XII.II.28, tweede lid, bedoelde weddesupplement niet genoten en die voor die

aanmerkingneming opteren. Op straffe van onontvankelijkheid wordt die optie uitgevoerd via schriftelijk verzoek tegen ontvangstbewijs aan het sociaal secretariaat GPI binnen de drie maanden die volgen op de bekendmaking van dit punt 5°

het Belgisch Staatsblad.

geval van de

aanmerkingneming van het voornoemde bedrag kunnen de personeelsleden evenwel, te definitieven en onherroepelijken titel, tot hun eventuele overgang naar de loonschaal O5 of O5ir, geen aanspraak maken op de toelagen bedoeld

de artikelen XI.III.6 en XI.III.10. ’ ». 26 « Art. 37.

artikel XII.XI.21 RPPol worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°

§ 1

, eerste lid, vervallen de woorden ‘ dat het statuut had van personeelslid van het operationeel korps van de rijkswacht of van een gemeentepolitiekorps en ’; 2°

§ 1

, wordt tussen het tweede en het derde lid het volgende lid

gevoegd : ‘ Voor de personeelsleden die zijn

geschaald

de loonschaal M1.2, respectievelijk M2.2, respectievelijk M3.2, respectievelijk M4.2 of M5.2 of respectievelijk M7bis, wordt deze toelage evenwel beperkt tot het bedrag dat wordt berekend op de volgende manier : de wedde van een personeelslid met dezelfde geldelijke anciënniteit en de analoge baremische loopbaan dat respectievelijk is

geschaald

de loonschaal M1.1, M2.1, M3.1, M4.1 of M7, vermeerderd met de toelage bedoeld

het tweede lid, 1°, verminderd met zijn eigen wedde en,

voorkomend geval, de toelage bedoeld

artikel XII.XI.51, § 1. ’; 3°

§ 2

vervallen de woorden ‘ bepaald

artikel XII.VII.22 evenals zij ’ en worden de woorden ‘

hetzelfde artikel XII.VII.22 ’ vervangen door de woorden ‘ door Ons ’; 4° § 3 wordt aangevuld met het volgende lid : ‘

dien evenwel het recht op de bijkomende toelage van een personeelslid is beëindigd door zijn aanwijzing voor een betrekking bij het Under Cover Team van de Directie van de Speciale Eenheden van de federale politie, de Algemene

spectie van de federale politie en van de lokale politie, de Gemengde Antiterroristische Groepering, de Dienst Enquêtes voor de politiediensten bij het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten of de Dienst Enquêtes voor de

lichtingendiensten bij het Vast Comité van Toezicht op de

lichtingendiensten, wordt dit recht heropend

dien het na afloop van de voornoemde aanwijzing daarop volgend opnieuw wordt aangewezen voor een dienst bedoeld

§ 1. ’ ».

« Art. 39.

artikel XII.XI.24 RPPol worden de volgende aanpassingen aangebracht : 1°

het eerste lid, 1°,

fine, worden de woorden ‘ de rechercheschool van de federale politie of f), ’

gevoegd tussen het woord ‘ e), ’ en de woorden ‘ of

een andere algemene directie ’; 2° het eerste lid, 1°, wordt aangevuld als volgt : ‘ f) bij de Algemene

spectie van de federale politie en van de lokale politie, de Gemengde Antiterroristische Groepering, de Dienst Enquêtes voor de politiediensten bij het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten of de Dienst Enquêtes voor de

lichtingendiensten bij het Vast Comité van Toezicht op de

lichtingendiensten. ’ ». « Art. 42.

dezelfde wet wordt een artikel 5bis

gevoegd, luidende : ‘ Art. 5bis. - § 1. De personeelsleden van het basiskader en het middenkader hanteren voor de uitoefening van hun ambt en voor de duur van hun aanwijzing voor een betrekking

de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, de functionele titel “ rechercheur ”. 27 De benoemde en aangestelde commissarissen van politie en de commissarissen van politie eerste klasse hanteren voor de uitoefening van hun ambt en voor de duur van hun aanwijzing voor een betrekking

de algemene directie gerechtelijke politie van de federale politie, de functionele titel “ gerechtelijk commissaris ”. § 2. Op beslissing van de gemeente- of politieraad hanteren de personeelsleden van het basiskader en het middenkader voor de uitoefening van hun ambt en voor de duur van hun aanwijzing voor een betrekking

een opsporings- en recherchedienst van de lokale politie, de functionele titel “ rechercheur ”. ’ ». « Art. 44.

dezelfde wet wordt een artikel 135bis,

gevoegd, luidende : ‘ Art. 135bis. -

afwijking van artikel 3 worden de

punt 1.3. van tabel D1 van bijlage 11 RPPol bedoelde commissarissen van politie eerste klasse

hiërarchische orde gerangschikt tussen de commissarissen van politie en de hoofdcommissarissen van politie. ’ ». Wat de zaak nr. 3867 betreft Ten aanzien van de bevoegdheid van het Hof B.2.1. De verzoekende partij

de zaak nr. 3867 voert een tweede middel aan, afgeleid uit een schending van artikel 184 van de Grondwet door de artikelen 15 en 17 van de wet van 3 juli 2005,

zoverre die bepalingen erin voorzien dat « de Koning […] de nadere regels van de

het eerste lid bedoelde mobiliteit [kan] bepalen ». Die bepalingen zouden volgens die partij zijn aangenomen om de Koning ertoe

staat te stellen de kansen van niet-brevethouders

de mobiliteitsprocedures te vrijwaren. Die partij is evenwel van oordeel dat die aangelegenheid betrekking zou hebben op essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst, die krachtens artikel 184 van de Grondwet « bij de wet » zouden moeten worden geregeld, zodat die aangelegenheid niet aan de Koning zou kunnen worden gedelegeerd. B.2.

  1. Noch artikel 142 van de Grondwet, noch de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof hebben het Hof de bevoegdheid verleend om wetskrachtige normen rechtstreeks aan artikel 184 van de Grondwet te toetsen. B.2.
  2. Het Hof is derhalve niet bevoegd om kennis te nemen van het tweede middel, aangevoerd

de zaak nr.

  1. 28 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het tweede, het derde, het zesde en het achtste onderdeel van het eerste middel B.3.
  2. Volgens de Ministerraad zouden het tweede, het derde, het zesde en het achtste onderdeel van het eerste middel, aangevoerd

de zaak nr. 3867, niet ontvankelijk zijn. De houders van een brevet van officier bij de gemeentepolitie zouden immers het voordeel van de maatregelen die

die vier onderdelen van het middel worden bestreden kunnen genieten. De verzoekende partij zou evenmin aantonen hoe die maatregelen rechtstreekse en ongunstige gevolgen voor de loopbaan van de brevethouders van de toenmalige gemeentepolitie zouden kunnen hebben, zodat de voormelde onderdelen van het middel niet ontvankelijk zouden zijn wegens ontstentenis van belang. B.3.2.

  1. De verzoekende partij is een vzw die beoogt de belangen te behartigen van de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie. B.3.2.
  2. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar maatschappelijk doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd. Te dezen is aan die voorwaarden voldaan. B.3.2.
  3. Nu de verzoekende partij belang heeft bij het beroep tot vernietiging, dient zij niet daarenboven te getuigen van een belang bij elk van de middelen of de onderdelen van de middelen die zij aanvoert. B.3.
  4. De excepties van de Ministerraad ten aanzien van de voormelde vier onderdelen van het middel worden verworpen. 29 Ten gronde B.
  5. Het koninklijk besluit van 30 maart 2001 (« RPPol ») regelt de rechtspositie van het personeel van de geïntegreerde politiedienst. Deel XII van dat besluit, waarin de overgangsbepalingen zijn opgenomen, werd bekrachtigd bij artikel 131 van de programmawet van 30 december
  6. Bij het arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 vernietigde het Hof een aantal bepalingen van het bekrachtigde deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart
  7. De bestreden wet van 3 juli 2005 strekt

hoofdzaak ertoe gevolg te geven aan het voormelde arrest nr. 102/2003. Daarbij is het volgens de parlementaire voorbereiding de bedoeling de door het Hof vastgestelde discriminaties te verhelpen. Voorts bevat de voormelde wet een aantal punctuele statutaire aanpassingen, onder meer

zake de mobiliteitsprocedure en de aanstellingen, die met het voormelde arrest geen verband houden (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, p. 3). De drie bekommernissen die aan de wet van 3 juli 2005 ten grondslag liggen met het oog op de bijsturing van bepaalde

schalingsregels en overgangsregelingen, werden

de parlementaire voorbereiding als volgt verwoord : « 1° uiteraard moesten de oplossingen juridisch steek houden en een afdoend antwoord bieden op de door het Hof gevolgde redeneringen en getrokken besluiten; 2°

de tweede plaats moest zorg worden gedragen voor de

2001 bereikte evenwichten. Er werd dus eerder gedacht

termen van continuïteit dan

termen van tabula rasa; 3° voorts was men ook de budgettaire gevolgen

dachtig. Bij het zoeken naar oplossingen heeft men dus getracht de kost zoveel mogelijk te beperken. Daarbij mochten de bijsturingen of aanpassingen geen hypotheek leggen op de goede werking van de politiediensten. Het verband met het tweede uitgangspunt lag daarbij voor de hand. Vervolgens was het zaak zich te hoeden voor nieuwe domino-effecten en ten slotte zouden,

de mate van het mogelijke, simpele en transparante oplossingen de voorkeur krijgen op complexe constructies. Dat is evenwel

overgangstoestanden en zeker

het licht van zo’n

gewikkelde en technische statutaire hervorming jammer genoeg soms een vrome wens… » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, pp. 4-5). 30 B.5. De aanneming van regels die ertoe strekken

een eenheidspolitie personeelsleden te

tegreren die afkomstig zijn van drie politiekorpsen waarbij die korpsen, wegens de specifieke opdrachten waarvoor ze

stonden, aan verschillende statuten waren onderworpen, impliceert dat aan de wetgever een voldoende beoordelingsmarge wordt gelaten, opdat een hervorming van een dergelijke omvang kan slagen. Zulks geldt evenzeer wanneer, zoals te dezen, de wetgever

die aangelegenheid opnieuw optreedt en zulks,

grote mate, om uitvoering te geven aan een arrest van het Hof. Hoewel het niet aan het Hof staat zijn beoordeling

de plaats te stellen van die van de wetgever, is het, daarentegen, ertoe gemachtigd te onderzoeken of de wetgever maatregelen heeft genomen die redelijkerwijze verantwoord zijn ten aanzien van de door hem nagestreefde doelstellingen. Bij dat onderzoek dient ermee rekening te worden gehouden dat het te dezen gaat om een bijzonder complexe aangelegenheid waarbij een regel die betrekking heeft op sommige aspecten ervan en die door bepaalde categorieën van personeelsleden als discriminerend kan worden ervaren, deel uitmaakt van een algehele regeling die tot doel heeft die politiekorpsen die elk hun eigen kenmerken hadden, te

tegreren. Hoewel sommige onderdelen van zulk een regeling, afzonderlijk beschouwd, relatief minder gunstig kunnen zijn voor bepaalde categorieën van personeelsleden, zijn zij daarom nog niet noodzakelijk zonder redelijke verantwoording

dien die regeling

haar geheel wordt onderzocht. Het Hof dient rekening te houden met het feit dat een vernietiging van bepaalde onderdelen van een dergelijke regeling het algehele evenwicht ervan zou kunnen verstoren. B.6. Het eerste middel

de zaak nr. 3867 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Dat middel bestaat uit negen onderdelen. Eerste onderdeel van het eerste middel

de zaak nr. 3867 B.

  1. De verzoekende partij voert een discriminatie aan tussen, enerzijds, de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie en, anderzijds, de geslaagden voor het examen voor bevordering tot de graad van officier van gerechtelijke politie. 31 Zij vordert de vernietiging van de artikelen 13, 15, 17, 20, 21 en 24 van de wet van 3 juli
  2. Nu de geslaagden van de voormalige gerechtelijke politie opnieuw automatisch

het officierskader worden

geschaald, zou ook het brevet van officier van de gemeentepolitie automatisch moeten worden gevaloriseerd en zulks met

gang van 1 april 2001. De valorisatieregels zouden

de praktijk geen oplossing bieden, aangezien ze niet tot een daadwerkelijke benoeming

het officierskader zullen leiden. Die partij wenst de bestreden bepalingen

die zin aangepast te zien dat de brevethouders van de gemeentepolitie automatisch worden

geschaald

het officierskader (loonschaal O2) vanaf 1 april

  1. B.8.
  2. De bestreden artikelen 13, 15, 17, 20, 21 en 24 van de wet van 3 juli 2005 hebben betrekking op de valorisatie van eertijds verworven brevetten. Krachtens artikel 48, 2°, van de wet van 3 juli 2005 hebben de artikelen 13, 20 en 24 uitwerking met

gang van 1 april 2001. Krachtens artikel 48, 5°, treedt artikel 21

werking op 1 april 2006. B.8.2.

het arrest nr. 102/2003, verbeterd bij de beschikking van 14 juli 2004, heeft het Hof,

het bij artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001 bekrachtigde deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, onder meer het artikel XII.VII.15, § 3, eerste lid, 1°, a), vernietigd. Die vernietigde bepaling luidde : « a) de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld

het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of

artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming

de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming

de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie; ». 32 De vernietiging van die bepaling wordt

B.41.5.2 van het arrest nr. 102/2003 als volgt gemotiveerd : « De door de Ministerraad aangevoerde elementen om te verantwoorden dat de geslaagden voor het examen voor bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris een automatische bevordering tot de graad van officier genieten,

tegenstelling tot de beginselen die als leidraad hebben gediend bij de valorisatie van de diploma’s van toepassing op alle leden van de voormalige politiekorpsen, maken het niet mogelijk op relevante en redelijke wijze het verschil

behandeling te verantwoorden dat aldus wordt gemaakt tussen de voormelde geslaagden en de geslaagden voor het examen voor officier bij de gemeentepolitie. Het is immers niet aangetoond dat die beide categorieën van geslaagden zich

dermate verschillende situaties bevonden dat ze op verschillende wijze dienden te worden behandeld ». De beschikking van 14 juli 2004, waarbij het arrest nr. 102/2003 werd verbeterd, wijzigt die motivering

houdelijk niet. B.8.3.

de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 juli 2005 worden de nieuwe valorisatieregels van de eertijds verworven brevetten uitvoerig toegelicht. De memorie van toelichting vermeldt : « Een derde onderwerp heeft uitstaans met de valoriseringsregels van de eertijds behaalde brevetten.

die context meent het Hof, geadieerd door houders van het brevet van officier van gemeentepolitie, dat laatstgenoemd brevet, getoetst aan het brevet officier GPP,

verhouding minder goed werd gevaloriseerd. Zoals hierna omstandig zal worden toegelicht en daartoe gehouden door de beschikking tot verbetering van het Arbitragehof van 14 juli 2004, werd die discriminatie teniet gedaan door het voorzien

nieuwe valoriseringsregels

zake de brevetten, waarvan sommige onmiddellijk

werking zullen treden. Op eigen

itiatief voegt de overheid daaraan een aantal valoriseringsregels

zake de aangestelden toe » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, p. 5). « Het ontworpen artikel 13 alsmede de ontworpen artikelen 15, 17, 20, 21, 24, 34 en 36 hebben betrekking op de valorisering van eertijds verworven brevetten en vergen ongetwijfeld een omstandige toelichting. De voormelde ontworpen artikelen houden rechtstreeks verband met artikel 20 van het ontwerp. Dat laatste slaat op artikel XII.VII.15 RPPol en verdient

het licht van voormelde beschikking tot verbetering van het Arbitragehof van 14 juli 2004, een diepgaande analyse. De juridische discussie die is gerezen en die het Hof heeft beslecht, is er één tussen de houders van het brevet van officier van gemeentepolitie en de toenmalige laureaten officier van de ex-GPP. 33 Voor de eerste categorie voorziet het RPPol valoriseringsregels

het raam van de overgang naar het middenkader (artikel XII.VII.15 RPPol) en het officierskader (artikel XII.VII.16 RPPol). Het brevet van officier van gemeentepolitie leidt concreet tot gereserveerde quota bij de bevorderingsexamens en tot een volledige vrijstelling van de navolgende basisopleiding. Dit neemt dus niet weg dat die brevethouders steeds aan het algemeen vergelijkend examen van sociale promotie moeten deelnemen vooraleer vervolgens, bij mobiliteit een ambt van de beoogde graad te kunnen bekomen en te kunnen worden benoemd. Meer nog, één van de basisbeginselen van het overgangsrecht is dat leden van het basiskader met een brevet (o.a. dat van officier van gemeentepolitie) geen twee kadersprongen

eens kunnen doen en dus niet rechtstreeks via

terne procedures kunnen meedingen voor examens en bedieningen van officier : de valorisering van hun brevet geschiedt dus via een tussenstap

het middenkader.

zijn overweging onder punt 42.1 van het arrest erkent het Hof impliciet de bezorgdheid om brevetten van eertijds op een evenwichtige wijze te valoriseren, gegeven het feit dat er ‘ verschillen bestonden tussen de verschillende korpsen, met name vanuit het oogpunt van toegang tot de opleiding ’. Wat de tweede categorie betreft, de laureaten officier van de voormalige GPP, zij werden bij de

schaling

het nieuwe statuut op 1 april 2001 onmiddellijk

geschaald en dus benoemd

de graad van commissaris. Op grond van die toestand vernietigde het Hof artikel XII.VII.15 […]. Met de beschikking van 14 juli 2004 corrigeerde het Arbitragehof het arrest

kwestie en besloot tot de partiële vernietiging van het artikel. Concreet wordt artikel XII.VII.15, § 3, eerste lid, 1°, a), RPPol vernietigd. Zoals de Raad van State doet opmerken, moet worden vastgesteld dat de valorisering van de brevetten door de

dit ontwerp opgenomen bepalingen en meer bepaald door de ontworpen artikelen 15 en 17 wordt uitgebreid. Die uitbreiding is zelfs substantieel : de vereiste van een vergelijkend examen vervalt en de betrokken personeelsleden kunnen bij een vacature via de mobiliteitsprocedure hun kans grijpen om hun brevet te verzilveren. Vraag is dan of dit afdoende tegemoetkomt aan de censuur van het Hof. De overheid meent van wel, nu beide categorieën, zijnde enerzijds de laureaten-officier van de voormalige GPP en anderzijds de andere bedoelde gebrevetteerden, gelijk worden behandeld.

derdaad, door

vulling van vacatures kunnen zij allen, zonder onderscheid en zonder bijkomende vergelijkende examens, worden benoemd

het hoger kader. Op grond van de toenmalige reële encadreringsbehoeften werden de betrokken laureaten officier GPP, na hun vergelijkende proeven, naar de basisopleiding gestuurd. Daarom hun benoeming op 1 april 2001

het reeds door hen de facto bezette ambt : door het Arbitragehof bestempeld als een maatregel die niet zonder verantwoording is (zie punt B.26.3. van het arrest). De tweede categorie, waaronder de gebrevetteerde officieren van de gemeentepolitie, kunnen dus voortaan ook hun benoeming via eenzelfde concept betrachten, weliswaar

‘ uitgesteld relais ’ omdat zij niet werden opgeleid op grond van reële encadreringsbehoeften. Zodoende wordt de gelijkheid bewerkstelligd en wordt de door het Hof als relevant bestempelde maatregel (zie punt B.26.3. van het arrest)

stand gehouden; dit alles zonder de grondvesten van een werkbaar HRM-beleid onderuit te halen, want ook dit is, gelet op het openbaar belang, een essentiële parameter

de redenering. […] 34

zake de brevetten zijn verder de ontworpen artikelen 15 en 17 van groot belang. Zij voorzien immers, zoals hiervoor reeds aangestipt,

een meer doorgedreven valorisering van de brevetten, waaronder o.a. dat van officier van gemeentepolitie. Concreet wordt voor de

die artikelen bedoelde personeelsleden voorzien

een bijkomende bevorderingsmogelijkheid via loutere mobiliteit. De bedoeling is om hen permanent (ad vitam) de mogelijkheid te bieden om rechtstreeks, dus zonder een voorafgaand vergelijkend examen, deel te nemen aan de mobiliteit voor ambten van het middenkader, respectievelijk officierskader en met een benoeming tot gevolg zo zij laureaat zijn van die mobiliteitsprocedure. Het betreft een maatregel die het dus

concreto mogelijk maakt voor o.a. de middenkaders- gebrevetteerden-officier van de voormalige gemeentepolitie om via een mobiliteitsprocedure, met andere woorden zonder bijkomende examens en dus net zoals vroeger, ambten van officier aan te vragen en eventueel te worden benoemd. Die mogelijkheid wordt zelfs opengetrokken naar de basiskaders-gebrevetteerden-officier die ofwel een universitair diploma bezitten ofwel 12 jaar kaderanciënniteit tellen. Daarmee wordt dus het verbod op de twee-kadersprong opgeheven, weliswaar onder diploma- dan wel anciënniteitsvoorwaarde. […] Gelet op de voorgenomen oplossing, kan artikel XII.VII.15 RPPol worden hersteld

zijn oude versie, d.w.z.

zijn versie vóór de vernietiging van een deel ervan door het voormelde rectificatie-arrest van het Arbitragehof. Dit is het voorwerp van het ontworpen artikel 20. Het ontworpen artikel 21 vervangt vanaf 1 april 2006 het voormelde herstelde artikel XII.VII.15 RPPol. Concreet zal er vanaf dan een nieuwe valoriseringsregel gelden voor de brevetten die een gedeeltelijke vrijstelling van de basisopleiding tot het middenkader impliceren, namelijk een gereserveerd quotum van 5 % bij de

gangsproeven. Gelet op het ontworpen artikel 13 moeten dan ook,

het raam van de bevordering door overgang naar het officierskader, alle als dusdanig beschouwde gebrevetteerden worden opgenomen

de actueel gereserveerde quota van 25 % bedoeld

artikel XII.VII.16 RPPol. Vandaar het ontworpen artikel 24 » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, pp. 13-17). B.8.4. De bestreden artikelen 13, 15, 17, 20, 21 en 24 strekken

hoofdzaak ertoe

nieuwe valorisatieregels

zake de brevetten te voorzien. Aldus beoogt de wetgever volgens de voormelde parlementaire voorbereiding gevolg te geven aan de gedeeltelijke vernietiging van artikel XII.VII.15 RPPol door het arrest nr. 102/2003, verbeterd bij de beschikking van 14 juli 2004. De valorisatie van de brevetten wordt op substantiële wijze uitgebreid, mede

het voordeel van de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie : - zij worden volledig vrijgesteld van de basisopleiding van het middenkader en van het officierskader, met

begrip van de daaraan gekoppelde examens en opleidingsstages (artikel 13); 35 - zij worden vrijgesteld van de kaderproef, bedoeld

artikel 41 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten (artikel 13); - zij krijgen, zonder aanwezigheidsvoorwaarde

de huidige betrekking, toegang tot het hogere kader bij mobiliteit (artikel 15 met betrekking tot het middenkader en artikel 17 met betrekking tot het officierskader); - zij worden opgenomen

een quotum van 25 pct. van de vacatures voor bevordering door overgang naar het officierskader (artikel 24). Gelet op die valorisatieregels heeft de wetgever het vernietigde artikel XII.VII.15, § 3, eerste lid, 1°, a), RPPol voor een periode van vijf jaar hersteld (artikel 20), namelijk van 1 april 2001 tot en met 31 maart 2006 (artikel 48, 2°). Vanaf 1 april 2006 vervangt artikel 21 de voormelde herstelde bepaling (artikel 48, 5°). Vanaf die datum zal een nieuwe valorisatieregel gelden « voor de brevetten die een gedeeltelijke vrijstelling van de basisopleiding tot het middenkader impliceren, namelijk een gereserveerd quotum van 5 % bij de

gangsproeven » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, p. 17). B.8.5. Door de mogelijkheden tot valorisatie van de brevetten -

het voordeel van onder meer de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie - wezenlijk uit te breiden, heeft de wet van 3 juli 2005 de rechtspositie van die brevethouders aanzienlijk verbeterd. Zulks neemt evenwel niet weg dat het verschil

behandeling tussen, enerzijds, de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie en, anderzijds, de geslaagden voor het examen voor bevordering tot de graad van officier van de gerechtelijke politie door de bestreden bepalingen niet volledig wordt opgeheven : de daadwerkelijke valorisatie van het brevet van officier van de gemeentepolitie zal afhangen van het openstaan van een betrekking van het beoogde niveau, terwijl de voormelde geslaagden bij de gerechtelijke politie automatisch

het officierskader kunnen worden benoemd en zulks vanaf 1 april

  1. 36 B.8.
  2. Mede gelet op de voormelde substantiële uitbreiding van de valorisatieregels, blijkt het te dezen niet onredelijk de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie niet toe te staan tevens het voordeel te genieten van een automatische overgang, met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2001, naar het officierskader, rekening houdend met de verschillen die tussen de verschillende korpsen bestonden, met name vanuit het oogpunt van toegang tot de opleiding. Immers, bij de voormalige korpsen was die toegang niet dezelfde, aangezien bij het ene korps wel, en bij het andere niet, de toestemming tot deelname aan de officiersopleiding afhankelijk was van de reële omkaderingsbehoefte

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.