id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.022 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070125.6 Arrest- Rolnummer: 22/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-15 Raadplegingen: 212 - laatst gezien 2026-06-29 11:18 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 982, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 167, vierde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen over artikel 982, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 167, vierde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gesteld door het Arbeidshof te Luik. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - 982,L2 - 04 Link Justel databank 19671009-04 Wet - 14-07-1994 - 167,L4 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3972 Arrest nr. 22/2007 van 25 januari 2007 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 982, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 167, vierde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gesteld door het Arbeidshof te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 24 april 2006 in zake G. Alamia tegen het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (Riziv) en in aanwezigheid van M. Matagne, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 2 mei 2006, heeft het Arbeidshof te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld :
- « Schendt artikel 982, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer het bepaalt : ‘ Behoudens een andersluidende wetsbepaling ’, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het in de wettelijke mogelijkheid voorziet een verschil in behandeling te creëren tussen rechtzoekenden, naar gelang van de evaluatiecriteria van het ereloon en de kosten van de gerechtsdeskundigen ? »;
- « Schendt artikel 167, vierde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een verschil in behandeling creëert tussen rechtzoekenden door de Koning ertoe te machtigen een tarief vast te stellen voor het ereloon en de kosten van de gerechtsdeskundigen, tarief waarvoor de evaluatiecriteria die van toepassing zijn in het gemeen recht, niet gelden ? ». Memories zijn ingediend door : - M. Matagne, wonende te 4500 Hoei, chaussée de Waremme 78; - de Ministerraad. M. Matagne heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 6 december 2006 : - zijn verschenen : . Mr. J. George, advocaat bij de balie te Hoei, voor M. Matagne; . Mr. G. Ninane loco Mr. D. Gérard, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In het kader van een beroep dat werd ingesteld tegen een administratieve beslissing inzake arbeidsgeschiktheid die werd genomen door de Gewestelijke Commissie van de Geneeskundige Raad voor invaliditeit, heeft dokter M. Matagne, geneesheer-deskundige aangewezen door de verwijzende rechter, twee staten neergelegd van kosten en erelonen, de ene overeenkomstig het verplicht tarief vastgesteld met toepassing van artikel 167, vierde lid, van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, en de andere volgens de gemeenrechtelijke criteria, wegens meer bepaald de complexiteit en de duur van zijn deskundigenonderzoek. Aangezien het Riziv die laatste staat van kosten en erelonen waarvan de deskundige vergoeding eist, betwist, heeft de verwijzende rechter geoordeeld dat, voor de rechtzoekenden inzake verzekering voor geneeskundige verzorging, de kwaliteit van de deskundigenonderzoeken dreigt te lijden onder de toepassing van een tarief dat geen rekening houdt met de criteria van de vrije tarifering die gelden op burgerrechtelijk vlak, onder andere de complexiteit en de duur van de werkzaamheden van de deskundigen. Overwegende dat op die manier een verschil in behandeling tussen rechtzoekenden wordt gecreëerd en dat dit verschil mogelijk niet verantwoord is door de objectieve verschillen, die het Hof heeft vastgesteld in zijn arrest nr. 137/99, tussen de deskundigenonderzoeken inzake sociale zekerheid en de gemeenrechtelijke deskundigenonderzoeken, heeft de verwijzende rechter beslist, zoals de deskundige erom verzocht, het Hof de voormelde prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- A.
- In zijn memorie wijst deskundige M. Matagne erop dat de Hoge Raad voor de Justitie, in zijn aanbeveling over het deskundigenonderzoek in strafzaken en sociale zaken, het wenselijk achtte een tariefschaal per uur in te voeren die voor de deskundigen voldoende aantrekkelijk zou zijn. M. Matagne is van mening dat een goed deskundigenonderzoek voor de rechtzoekende meer wordt gewaarborgd wanneer de kosten en erelonen van de deskundige worden bepaald op grond van de moeilijkheid en de duur van diens werkzaamheden. Er bestaat echter geen redelijk verband van evenredigheid tussen het door de in het geding zijnde bepalingen nagestreefde doel, namelijk een harmonisering van de kosten en erelonen van de gerechtsdeskundigen, en het aangewende middel, namelijk het schrappen van elke verwijzing naar de moeilijkheid en de duur van de werkzaamheden van het deskundigenonderzoek. Door het verplicht tarief bestaat dan ook de kans dat de deskundigen moeilijkheden ontwijken en hun methoden vereenvoudigen, hetgeen de betrokken rechtzoekenden kan benadelen. A.2.
- In zijn memorie herinnert de Ministerraad eraan dat het eerste deel van de zin van artikel 982, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek werd ingevoegd bij de wet van 26 juni 1992 teneinde, via andere wettelijke bepalingen, een tarifering in te voeren voor bepaalde erelonen van deskundigen bij koninklijk besluit, hoofdzakelijk op het vlak van de sociale zekerheid. Het doel dat daarbij werd nagestreefd, bestond erin een grotere voorspelbaarheid te waarborgen met betrekking tot de kosten van een deskundigenonderzoek, rekening houdend met de grote verschillen die werden vastgesteld tussen deskundigen en tussen arrondissementen. A.2.
- In hoofdorde oordeelt de Ministerraad dat de lering van het arrest nr. 137/99, waarbij de bestaanbaarheid wordt aangenomen van het verschil in behandeling tussen deskundigen, kan worden uitgebreid tot het verschil in behandeling tussen rechtzoekenden, zodat het Hof een arrest van onmiddellijk antwoord zou kunnen uitspreken waarbij wordt besloten tot niet-schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.2.
- Subsidiair is de Ministerraad van mening dat de prejudiciële vraag eigenlijk betrekking heeft op het koninklijk besluit van 14 november 2003 tot uitvoering van artikel 167, vierde lid, van de wet van 14 juli 1994, zodat het Hof niet bevoegd is om uitspraak te doen, en de vragen bijgevolg geen antwoord behoeven. 4 A.2.
- Meer subsidiair oordeelt de Ministerraad dat de in het geding zijnde bepalingen niet discriminerend zijn. Zo zijn de categorieën van rechtzoekenden waarvan sprake is in de prejudiciële vraag niet vergelijkbaar. Artikel 982, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek werd immers precies gewijzigd om het mogelijk te maken af te wijken van de gemeenrechtelijke criteria op het gebied van de sociale zekerheid, waarbinnen overigens de kosten van de medische deskundigenonderzoeken in principe systematisch ten laste worden gelegd van de instelling die ermee is belast de betrokken sociale wetgeving te doen naleven, terwijl in de andere rechtsgebieden die kosten in principe, op dezelfde wijze als de gerechtskosten, ten laste worden gelegd van de partij die in het ongelijk wordt gesteld : de « gemeenrechtelijke » rechtzoekenden en de rechtzoekenden op het vlak van de sociale zekerheid hebben dus niet op dezelfde wijze te maken met de kosten van een deskundigenonderzoek. Overigens, zelfs wanneer die rechtzoekenden als vergelijkbaar zouden worden beschouwd, dan nog berust het ingevoerde verschil in behandeling op objectieve criteria die verbonden zijn aan de eigen omstandigheden van elk contentieux, waarbij die verschillen overigens zijn toegestaan bij artikel 982, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, afhankelijk van de materie van het betrokken geschil. Het verschil in behandeling berust ten slotte op het rechtmatige doel van de wetgever om de tarifering van de medische deskundigenonderzoeken te uniformiseren teneinde een grotere gelijkheid te waarborgen tussen rechtzoekenden en tussen deskundigen die optreden in een welbepaald juridisch contentieux. Bovendien hangt de kwaliteit van een deskundigenonderzoek niet af van de wijze van vergoeding van de deskundige, die in zijn hoedanigheid van medewerker van het gerecht die onderworpen is aan de deontologische regels van zijn beroep en aan de wettelijke bepalingen, verplicht is zijn opdracht in eer en geweten te vervullen. De deskundige blijft dus vrij om de onderzoeken te bepalen die hij nuttig acht en die worden vergoed volgens de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, en de rechter kan, indien hij dat nodig acht, een aanvullend deskundigenonderzoek vorderen. De in het geding zijnde bepalingen hebben dus geen onevenredige gevolgen voor de betrokken rechtzoekenden die, indien zij worden gediscrimineerd, dat alleen zijn wegens de onzorgvuldige handelwijze van de deskundige; de prejudiciële vragen dienen bijgevolg ontkennend te worden beantwoord. A.3.
- In zijn memorie van antwoord oordeelt deskundige M. Matagne dat het verschil in behandeling tussen deskundigen waarover het Hof uitspraak heeft gedaan in het arrest nr. 137/99, verschilt van het verschil in behandeling tussen rechtzoekenden dat wordt opgeworpen in de in het geding zijnde prejudiciële vragen, zodat men de vaststelling van niet-schending vervat in het voormelde arrest niet kan uitbreiden tot het geval van deze zaak. A.3.
- Overigens heeft de aangevoerde discriminatie geen betrekking op het koninklijk besluit van 14 november 2003, maar wel op de mogelijkheid zelf om af te wijken van de gemeenrechtelijke criteria door toe te staan dat bepaalde deskundigenonderzoeken duurder zijn dan andere. A.3.
- Ten slotte mag men niet ervan uitgaan dat het feit dat de kosten en erelonen van de deskundige al dan niet ten laste worden genomen, een pertinent criterium is op grond waarvan kan worden beweerd dat de rechtzoekenden niet vergelijkbaar zijn; bovendien is de materie van het geschil geen objectief criterium dat een verschil in behandeling tussen vergelijkbare rechtzoekenden verantwoordt omdat iedere rechtzoekende het recht heeft te rekenen op de goede kwaliteit van het deskundigenonderzoek dat hij vordert. In plaats van een uniformisering mogelijk te maken van de financiële last die het deskundigenonderzoek inhoudt, brengen de in het geding zijnde bepalingen, door de invoering van één enkele tarifering zonder rekening te houden met de bijzonderheden van het deskundigenonderzoek, de gelijkheid onder de rechtzoekenden in gevaar. Zonder de door de Ministerraad vermelde deontologische regels en wettelijke bepalingen ter discussie te stellen, mag men de realiteit op het veld, waarmee de rechtscolleges en de deskundigen dagelijks worden geconfronteerd, niet miskennen. Doordat de vastgestelde schalen niet de complexiteit van de verrichte werkzaamheden in aanmerking nemen, kunnen de geneesheren-deskundigen hun opdracht echter niet met de vereiste onafhankelijkheid volbrengen, hetgeen bijdraagt tot het ontstaan van een justitie met twee snelheden. 5 -B- B.
- De basisregeling inzake de vergoeding van door de rechter met toepassing van artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek aangestelde deskundigen is neergelegd in dat Wetboek. Naar luid van artikel 982, tweede lid, van datzelfde Wetboek wordt, behoudens een andersluidende wetsbepaling, de staat van ereloon en kosten opgemaakt met inachtneming van de hoedanigheid van de deskundigen, de moeilijkheid en de duur van de verrichte werkzaamheden en de waarde van het geschil. Artikel 984, tweede lid, van hetzelfde Wetboek bepaalt dat, wanneer de partijen binnen vijftien dagen na de inlevering van het verslag hun instemming niet hebben betuigd met het bedrag van het ereloon en de kosten die door de deskundigen worden gevorderd, de rechter het bedrag van het ereloon en de kosten bepaalt, nadat de deskundige en de partijen door hem in raadkamer zijn gehoord. Artikel 988 bepaalt dat indien de deskundigen hun staat van ereloon en kosten niet indienen, de partijen aan de rechter kunnen vragen deze te begroten. B.
- Artikel 982, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet in de mogelijkheid om bij wet af te wijken van die algemene regelgeving, vermits het bepaalt : « Behoudens een andersluidende wetsbepaling, wordt de staat opgemaakt met inachtneming van de hoedanigheid van de deskundigen, de moeilijkheid en de duur van de verrichte werkzaamheden en de waarde van het geschil ». B.
- Artikel 167, vierde lid, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (hierna : de wet van 14 juli 1994) past in het kader van de mogelijkheid waarin de voormelde bepaling voorziet om af te wijken van de in het Gerechtelijk Wetboek vastgestelde evaluatiecriteria van de kosten en het ereloon van een deskundige, en bepaalt aldus het volgende : « In de zaken waarin een medisch expert wordt aangewezen, worden de voorschotten, de erelonen en de kosten van deze expert die vervat zijn in de nota die hij opstelt overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, aangeduid met toepassing van het door de Koning vastgestelde tarief ». Die bepaling werd uitgevoerd door het koninklijk besluit van 25 juni 1997 « tot vaststelling van het tarief van de erelonen en kosten voor de deskundigen aangewezen door de arbeidsgerechten inzake de geschillen betreffende de regeling voor verplichte verzekering voor 6 geneeskundige verzorging en uitkeringen », opgeheven en vervangen bij het koninklijk besluit van 14 november 2003 « tot vaststelling van het tarief van de erelonen en de kosten voor de deskundigen aangewezen door de arbeidsgerechten in het kader van medische deskundige onderzoeken inzake de geschillen betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, de gezinsbijslag voor werknemers en zelfstandigen, de werkloosheidsverzekering en de regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ». Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.
- In een eerste prejudiciële vraag ondervraagt de verwijzende rechter het Hof over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 982, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek doordat het, wanneer het bepaalt « behoudens een andersluidende wetsbepaling », voorziet in de wettelijke mogelijkheid om een verschil in behandeling te creëren tussen de rechtzoekenden, naar gelang van de evaluatiecriteria van het ereloon en de kosten van de gerechtsdeskundigen. B.
- De bewoordingen « behoudens een andersluidende wetsbepaling » werden in artikel 982, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek ingevoegd bij artikel 163 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen. Volgens de parlementaire voorbereiding had die wijziging tot doel « het mogelijk te maken om de tarieven voor de honoraria van deskundigen bij koninklijk besluit vast te stellen » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 480/6, p. 2). De wetgever beoogde op dat ogenblik een uitzondering in te voeren ten behoeve van de wetgeving inzake tegemoetkomingen voor gehandicapten, waarbij artikel 164 van de voormelde wet van 26 juni 1992 in die wettelijke afwijking voorzag (ibid., pp. 2 en 7). De mogelijkheid om af te wijken van de door het Gerechtelijk Wetboek vastgestelde evaluatiecriteria van de kosten en het ereloon van deskundigen werd vervolgens aangewend in verschillende wetgevingen inzake sociale zekerheid, onder andere in artikel 167, vierde lid, van de wet van 14 juli
- 7 B.6.
- Door toe te staan dat bij wet wordt voorzien in een wijze van tarifering van de kosten en het ereloon van deskundigen die afwijkt van de door het Gerechtelijk Wetboek bepaalde evaluatiecriteria van het ereloon en de kosten van deskundigen, beperkt artikel 982, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek zich ertoe te wijzen op het beginsel volgens hetwelk een bepaling van wetgevende aard mag afwijken van een andere bepaling van dezelfde aard. Wat meer bepaald het Gerechtelijk Wetboek betreft, dat in principe op alle rechtsplegingen van toepassing is, volgt overigens uit artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek dat deskundigenonderzoeken geregeld zijn door de artikelen 962 en volgende van het Wetboek, behoudens uitdrukkelijke afwijkende bepaling. B.6.
- De in het geding zijnde bepaling kan niettemin enkel toelaten dat bij wet wordt afgeweken van de criteria waarin zij voorziet met inachtneming van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Er mag dus niet van worden uitgegaan dat de in het geding zijnde bepaling als dusdanig toelaat een onverantwoord verschil in behandeling tussen rechtzoekenden in te voeren. De mogelijkheid om bij wet af te wijken van de criteria vermeld in artikel 982, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan op zich niet onbestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.
- In een tweede prejudiciële vraag ondervraagt de verwijzende rechter het Hof over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 167, vierde lid, van de wet van 14 juli 1994, in zoverre het een verschil in behandeling creëert tussen de rechtzoekenden door de Koning ertoe te machtigen een tarief vast te stellen voor het ereloon en de kosten van de gerechtsdeskundigen, tarief waarvoor de evaluatiecriteria die van toepassing zijn in het gemeen recht, niet gelden. 8 B.9.
- De tekst van artikel 167, vierde lid, van de wet van 14 juli 1994 gaat terug op artikel 73 van de wet van 15 februari 1993 tot hervorming van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering. In de parlementaire voorbereiding van die bepaling werd aan het volgende herinnerd : « Artikel 163 van de programmawet van 26 juni 1992 voorziet in artikel 982 van het Gerechtelijk Wetboek de mogelijkheid om bij wet af te wijken van het algemeen principe waarbij de erelonen en kosten van de deskundige opgemaakt worden ‘ met inachtneming van de hoedanigheid van de deskundigen, de moeilijkheid en de duur van de verrichte werkzaamheden en de waarde van het geschil ’. Een dergelijke uitzondering werd reeds ingevoerd in artikel 19 van de wet van 27 februari 1987 met betrekking tot de uitkeringen aan gehandicapten bij artikel 164 van de wet van 26 juni
- Het nieuwe artikel voert in de verplichte ziekteverzekering hetzelfde principe in » (Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 579/1, pp. 33-34). Het systeem van tarifering door de Koning, zoals bepaald in artikel 167, vierde lid, van de wet van 14 juli 1994, past dus in de verwezenlijking van het in B.5 vermelde doel van de wijziging van artikel 982, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. B.9.
- Terwijl de in B.1 vermelde gemeenrechtelijke regeling van toepassing is op een zeer breed en gevarieerd gamma aan deskundigen en deskundigenonderzoeken, hetgeen een meer uniforme regeling van erelonen en kosten vrijwel onmogelijk maakt, is de in B.2 vermelde bijzondere regeling van toepassing op een goed afgebakend domein : de medische expertises die door de arbeidsgerechten worden bevolen in het kader van geschillen voortvloeiende uit de wetgeving en reglementering betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Die expertises onderscheiden zich in meerdere opzichten en op objectieve wijze van de deskundigenonderzoeken die in de gemeenrechtelijke regeling zijn bedoeld, zowel naar de hoedanigheid van de deskundigen - het gaat immers noodzakelijkerwijze steeds om medische deskundigen, terwijl dat uiteraard in de gemeenrechtelijke regeling niet het geval is -, als naar de aard van de geschillen waarin zij worden geroepen op te treden - het gaat immers steeds om betwistingen in verband met de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, terwijl de 9 gemeenrechtelijke regeling van toepassing is op alle geschillen waarvoor geen bijzondere regels bestaan - en naar de vraag wie de gerechtelijke kosten moet dragen. In de gemeenrechtelijke regeling wordt naar luid van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, onverminderd de overeenkomst tussen partijen bekrachtigd in het eindvonnis, terwijl bij vorderingen ingesteld door of tegen gerechtigden van voormelde verzekering, behalve in geval van tergend of roekeloos geding, de instelling belast met de toepassing van bedoelde wetten en verordeningen, te dezen het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, steeds in de kosten wordt verwezen. B.9.
- Het verschil in de wijze van tarifering van de kosten en het ereloon van een deskundige berust dus op een objectief criterium. B.10.
- In antwoord op de vraag over de beperking van de honoraria van de medische deskundigen in het kader van de ziekteverzekering, heeft de minister van Sociale Zaken erop gewezen dat het invoeren van een uniforme schaal door de volgende overwegingen werd verantwoord : « De praktijk heeft uitgewezen dat de criteria vervat in artikel 982 van het Gerechtelijk Wetboek ontoereikend waren en grote verschillen toelieten voor de honorering van hetzelfde werk. Zo moest men niet alleen een aanzienlijk verschil vaststellen tussen de gemiddelden per expert, maar ook tussen de gemiddelden per rechtbank, zonder dat deze verschillen objectief verklaard konden worden. Het invoeren van een barema zal deze verschillen wegwerken. Daarbij komt dat er in de ziekteverzekering meer en meer expertises bevolen worden in geschillen die geen verband houden met het recht op uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid, maar [met] andere materies waar het bedrag dat reëel in betwisting is minder belangrijk is, zodat de vrees voor een dure expertise een hinderpaal kan worden tot het nemen van negatieve beslissingen » (Vraag nr. 525 van dhr. Jef Valkeniers van 10 oktober 1997, Vragen en antwoorden, Kamer, 1997-1998, p. 14319). B.10.
- De omstandigheid dat de expertisekosten, behalve in het geval van tergend of roekeloos geding, steeds ten laste komen van de instellingen belast met de toepassing van bedoelde verzekering, het feit dat de uit te voeren onderzoeken vrij goed met elkaar te vergelijken zijn en de omstandigheid dat vóór de invoering van de gekritiseerde wetgeving de aangerekende bedragen zonder aanwijsbare redenen sterk verschilden tussen individuele deskundigen en tussen gerechtelijke arrondissementen, verantwoorden op voldoende wijze 10 waarom de wetgever de Koning gemachtigd heeft ter zake tarieven vast te stellen, ongeacht het feit dat die maatregel niet in alle takken van het sociaal recht als regel is gesteld. B.11.
- Aangezien het verschil in de wijze van tarifering van de kosten en het ereloon van een deskundige is verantwoord, ziet het Hof niet in welk opzicht dat verschil zou kunnen leiden tot discriminatie onder rechtzoekenden. B.11.
- Uit het feit dat de medische expertises in het kader van geschillen met betrekking tot de wetgeving en regelgeving inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen onderworpen zijn aan een tarifering door de Koning, mag niet worden besloten dat de kwaliteit van die expertises minder goed zou zijn dan die van de gemeenrechtelijke deskundigenonderzoeken, noch dat de rechtzoekenden verschillend zouden worden behandeld naar gelang van de aard van het geschil waarvoor het deskundigenonderzoek wordt verricht. De deskundige is immers een medewerker van het gerecht die onderworpen is aan de wettelijke verplichtingen waarin de artikelen 962 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek voorzien, en die burgerlijk aansprakelijk kan worden gesteld in geval van foutieve onachtzaamheid; zijn opdracht, meer bepaald de kwaliteit van zijn onderzoek, mag niet worden beïnvloed door de wijze waarop hij wordt vergoed. Te dezen heeft de aangezochte medische deskundige steeds het recht om zijn aanwijzing te weigeren en, indien hij ze aanvaardt, zal hij zijn opdracht volbrengen met inachtneming van de deontologische regels van het medisch beroep en onder toezicht van de rechter, die overigens, indien hij vindt dat hij niet voldoende werd geïnformeerd, kan verzoeken om een aanvullend onderzoek of om een nieuw onderzoek door andere deskundigen. Bovendien kunnen de partijen steeds in onderlinge overeenstemming vragen om de deskundige te vervangen. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 982, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 167, vierde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 25 januari
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.022 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div