← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.023 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070125.7 Arrest- Rolnummer: 23/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-15 Raadplegingen: 206 - laatst gezien 2026-06-29 11:31 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 1, § 4, van de wet van 22 juni 1960 tot invoering van een wekelijkse rustdag in nering en ambacht schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1, § 4, van de wet van 22 juni 1960 tot invoering van een wekelijkse rustdag in nering en ambacht, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Luik. Wettelijke bepalingen: Wet - 21-06-1960 - 1,#4 - 30 Link Justel databank 19600621-30 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3982 Arrest nr. 23/2007 van 25 januari 2007 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1, § 4, van de wet van 22 juni 1960 tot invoering van een wekelijkse rustdag in nering en ambacht, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 4 mei 2006 in zake het openbaar ministerie tegen de nv « EVS » en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 9 mei 2006, heeft de Correctionele Rechtbank te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1, § 4, van de wet van 22 juni 1960 tot invoering van een wekelijkse rustdag in nering en ambacht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de handelaars die op dezelfde verkoopruimte een aan die wet onderworpen activiteit en een activiteit die daaraan niet is onderworpen, uitoefenen, verbiedt op de verplichte wekelijkse rustdag de verkoop voort te zetten van producten die onder de activiteit vallen die niet aan de wet is onderworpen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Didier Depreay, wonende te 4140 Sprimont, rue Lileutige 118; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 6 december 2006 : - zijn verschenen : . Mr. M. Geron, advocaat bij de balie te Luik, voor Didier Depreay; . Mr. M. Rigo loco Mr. F. Gosselin, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Verscheidene vennootschappen en hun bestuurder en zaakvoerder worden vervolgd omdat zij de wekelijkse rustdag die wordt opgelegd overeenkomstig de wet van 22 juni 1960 tot invoering van een wekelijkse rustdag in nering en ambacht, niet in acht hebben genomen. Die vennootschappen verkopen brood- en banketproducten alsmede belegde broodjes. Met toepassing van de voormelde wet van 22 juni 1960 voorziet een koninklijk besluit van 8 april 1965, op aanvraag van de betrokken beroepsverbonden, in een wekelijkse rustdag voor de verkoop van brood- en banketproducten. Dat verbod is echter niet van toepassing wanneer die producten bestemd zijn voor verbruik ter plaatse. 3 De beklaagden openen hun handelszaken elke dag, maar één dag per week worden de brood- en banketproducten niet aan de consumenten verkocht om meegenomen te worden maar uitsluitend om verbruikt te worden ter plaatse, in tegenstelling tot de belegde broodjes, die alle dagen worden verkocht om meegenomen te worden. De vervolgingen zijn dus gebaseerd op het principiële verbod op elke handelsactiviteit - de verkoop van belegde broodjes om mee te nemen - in dezelfde lokalen als diegene waarin een activiteit wordt uitgeoefend die aan een wekelijkse rustdag is onderworpen - de verkoop van brood- en banketproducten. D. Depreay, bestuurder en zaakvoerder van de vervolgde vennootschappen, de enige vervolgde natuurlijke persoon, pleit dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden zijn geschonden om reden van een discriminatie tussen de handelaars die uitsluitend een niet aan de wet onderworpen activiteit uitoefenen, enerzijds, en diegenen die in dezelfde lokalen zowel een dergelijke activiteit als een aan de wet onderworpen activiteit uitoefenen, anderzijds. Bovendien is de beklaagde voor de verwijzende rechter eveneens van mening dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden zijn geschonden doordat het verbod op elke handelsactiviteit in dezelfde lokalen door de Koning enkel kan worden gematigd op aanvraag van een beroepsverbond, waarbij de toetreding tot dat verbond afhankelijk is van een subjectieve en niet-gemotiveerde beslissing van zijn raad van bestuur. De verwijzende rechter heeft dus beslist aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1.

  1. In zijn memorie brengt D. Depreay de doelstelling van de wet van 22 juni 1960 in herinnering, die erin bestond om, op aanvraag van het bevoegde beroepsverbond, aan de handelaars en ambachtslui een wekelijkse rustdag toe te kennen net zoals de werknemers er een genieten. De doelstelling van het verbod om enige, zelfs niet- gereglementeerde, activiteit uit te oefenen wanneer in een rustdag werd voorzien in een activiteitssector, bestaat harerzijds erin fraudepraktijken te vermijden, in die zin dat men de niet-reglementering van een activiteit te baat zou nemen om op alle dagen van de week producten te verkopen die onder een activiteit vallen die aan een wekelijkse rustdag is onderworpen. A.1.
  2. De in het geding zijnde bepaling roept aldus een verschil in behandeling in het leven tussen de handelaars die uitsluitend een niet-gereglementeerde activiteit uitoefenen en diegenen die in dezelfde lokalen zowel een niet-gereglementeerde als een gereglementeerde activiteit uitoefenen. Concreet kan de handelaar wiens enige activiteit bestaat in de verkoop van belegde broodjes om mee te nemen, zijn activiteit zeven dagen op zeven uitoefenen, in tegenstelling tot de handelaars die in dezelfde lokalen zowel belegde broodjes als brood- en banketproducten verkopen en die elke activiteit, met inbegrip van de niet-gereglementeerde activiteit, moeten stopzetten op de wekelijkse rustdag, terwijl die activiteiten strikt genomen identiek zijn. A.1.
  3. De wetgever zelf heeft zich rekenschap gegeven van het onevenredige karakter van een louter verbod, vermits hij de wet van 22 juni 1960 heeft gewijzigd, eerst door te voorzien in een uitzondering voor de goederen die normalerwijze ter plaatse moeten worden verbruikt en vervolgens door de Koning toe te staan te voorzien in een afwijking van het beginsel van verbod op elke handelsactiviteit in dezelfde lokalen, op aanvraag van het betrokken beroepsverbond. In de parlementaire voorbereiding van die beide wetswijzigingen wordt aangenomen dat, wanneer er een risico van fraude bestaat, controle evenwel mogelijk is, en dat de toepassing van een strikt verbod in sommige gevallen te strenge gevolgen teweegbracht. De inachtneming van de wekelijkse rustdag kan overigens ook worden verzekerd door klachten van concurrenten, zodat er andere middelen dan een algemeen verbod bestaan om over de goede toepassing van de wet te waken. A.1.
  4. Bovendien zijn in onderhavig geval niet alle verkopers van brood- en van banketproducten, met name de voor de verwijzende rechter vervolgde vennootschappen, lid van het beroepsverbond van die sector, waarvan het toetredingsmechanisme afhangt van een discretionaire beslissing of men al dan niet wordt toegelaten. De vervolgde vennootschappen hebben overigens twee aanvragen gericht tot de beroepsverbonden van de brood- en banketbakkers teneinde een afwijking op het algemene verbod in te voeren, aanvragen die onbeantwoord zijn gebleven. Doordat de wetgever de mogelijkheid om te voorzien in een afwijking van het principiële verbod op elke handelsactiviteit uitsluitend afhankelijk maakt van het optreden van de 4 beroepsverbonden waartoe niet alle betrokkenen van de sector kunnen toetreden, verscherpt hij het verschil in behandeling onder de handelaars nog. A.
  5. In zijn memorie preciseert de Ministerraad dat enkel de laatste zin van artikel 1, § 4, eerste lid, van de wet van 22 juni 1960 in het geding is. Hij preciseert dat het algemeen verbod op elke, zelfs op bijkomstige wijze uitgeoefende activiteit in dezelfde lokalen als diegene waarin een gereglementeerde activiteit wordt uitgeoefend, werd uitgevaardigd teneinde een doeltreffende controle op de inachtneming van de wet te verzekeren, en de afdeling wetgeving van de Raad van State heeft overigens geen enkele bijzondere opmerking geformuleerd omtrent die bepaling. Er is evenwel gebleken dat dat algemene verbod te strenge onbillijke gevolgen heeft, zodat de wetgever de in het geding zijnde bepaling heeft gewijzigd door in de eerste plaats te voorzien in een afwijking voor de verkooppunten die aan de autosnelwegen gelegen zijn. De noodzaak van die afwijking voor het bijzondere geval van de verkooppunten van vloeibare brandstof heeft de wetgever ertoe aangezet de Koning bovendien toe te staan om in andere sectoren in een dergelijke afwijking te voorzien, en zulks voor elke handels- of ambachtelijke activiteit, op aanvraag van het betrokken beroepsverbond, waardoor aldus vermeden wordt om telkens de wet te moeten wijzigen wanneer een nieuwe afwijking noodzakelijk blijkt. In tegenstelling tot wat werd betoogd voor de verwijzende rechter, bevat de wet van 22 juni 1960, sinds de wetswijziging van 5 juli 1973, dus niet langer een algemeen verbod van opening dat geldt voor alle activiteiten met inbegrip van de niet-gereglementeerde activiteiten. Wanneer dus de afwijking niet wordt toegekend aan de betrokken handelaars, vindt de zogenaamde discriminatie die daaruit voortvloeit niet haar oorsprong in de wet van 22 juni 1960, maar in een akte van de uitvoerende macht, hetzij krachtens haar discretionaire bevoegdheid, hetzij omdat het betrokken verbond niet de aanvraag daartoe heeft ingediend. Aangezien de wet in een mogelijkheid van afwijking voorziet, kan geen enkele onevenredige inbreuk op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet worden vastgesteld. A.
  6. In zijn memorie van antwoord is D. Depreay van mening dat de bij de wet van 5 juli 1973 ingevoerde mogelijkheid van afwijking niet toelaat de onevenredige en onbillijke gevolgen weg te werken van het verbod op het uitoefenen van enige activiteit op dezelfde verkoopruimte als die waarop een activiteit wordt uitgeoefend die aan de wekelijkse rustdag is onderworpen. De Koning beschikt immers over geen enkele initiatiefbevoegdheid wat de toekenning van die afwijking betreft. Te dezen hebben de beroepsverbonden van de brood- en banketbakkerijen geen enkel belang om die afwijking te vorderen voor een activiteit - de verkoop van belegde broodjes - die niet deel uitmaakt van de specifieke activiteit waarvoor een wekelijkse rustdag werd gevraagd. Die afwijking werd overigens slechts in één sector aangenomen, die van de vloeibare brandstoffen voor voertuigen. In plaats van de gevolgen van de in het geding zijnde bepaling te matigen, houdt de mogelijkheid van afwijking op zichzelf een discriminatie in, vermits enkel de leden van de in het geding zijnde beroepsverbonden, na een wekelijkse rustdag te hebben aangevraagd, kunnen beslissen of dat verbod al dan niet wordt uitgebreid tot alle andere activiteiten. De discriminatie vindt dus niet haar oorsprong in een akte van de uitvoerende macht, zoals de Ministerraad beweert, vermits de Koning geen enkele initiatiefbevoegdheid heeft, maar wel degelijk in de in het geding zijnde wetsbepaling. A.
  7. In zijn memorie van antwoord is de Ministerraad van mening dat, rekening houdend met de mogelijkheid voor de Koning om af te wijken van het algemeen verbod, geen enkele discriminatie kan worden vastgesteld. De met elkaar vergeleken categorieën van handelaars zijn overigens niet vergelijkbaar, vermits die handelaars fundamenteel verschillende activiteiten uitoefenen, gelet op de producten die ze verkopen (uitsluitend belegde broodjes of belegde broodjes alsook brood- en banketproducten) en gelet op het door die beide categorieën van handelaars beoogde publiek alsmede op hun openingstijden. De handelaars die uitsluitend belegde broodjes verkopen richten zich immers tot een cliënteel die voornamelijk op etenstijd op hen een beroep doet, in het bijzonder voor de middagmaaltijd, in tegenstelling tot de bakkers, die eventueel belegde broodjes verkopen en zich de hele dag lang ter beschikking stellen van hun klanten : het publiek dat door de handelaars die uitsluitend belegde broodjes verkopen wordt beoogd, is dus beperkter dan dat van de bakkers. Door aan te voeren dat de wetgever een beoordelingsfout heeft gemaakt in verband met de keuze van een veralgemeend verbod, terwijl controlemaatregelen mogelijk zouden zijn, wil de beklaagde voor de verwijzende rechter zijn beoordeling in de plaats stellen van die van de wetgever; het komt echter noch hem, noch het Hof toe te onderzoeken of de nagestreefde doelstelling met andere maatregelen had kunnen worden bereikt. 5 -B- B.
  8. Artikel 1 van de wet van 22 juni 1960 tot invoering van een wekelijkse rustdag in nering en ambacht (hierna : wet van 22 juni 1960) bepaalt : « §
  9. Op aanvraag van een of meerdere beroepsverbonden en op gunstig advies van de Hoge Raad voor de Middenstand kan de Koning, wanneer het algemeen nut en de economische noodwendigheden het toelaten, een wekelijkse rustdag verplicht stellen in de tak van handel of ambacht welke dit of deze verbonden aanlangt. §
  10. Rechtstreekse verkoop aan de verbruiker, waarvoor kontakt met de klanten is vereist, is op die dag en in die sector verboden. Hetzelfde verbod geldt onder dezelfde voorwaarden voor ambachtelijke en andere dienstprestaties. Bestellingen ten huize zijn eveneens verboden. De verkopen en de ambachtelijke en andere dienstprestaties, die wegens geval van dringende noodzakelijkheid dienen uitgevoerd, vallen niet onder toepassing van deze wet. […] §
  11. Wanneer een wekelijkse rustdag verplicht is gesteld in een bepaalde tak van handel of ambacht, slaat het bij § 2 bepaald verbod op alle verkoopruimten waar deze werkzaamheid, zelfs op bijkomstige wijze, wordt uitgeoefend, met uitzondering van de verkooppunten gelegen op het domein der autosnelwegen. Voor de toepassing van deze bepaling maken de toe- en uitgangswegen geen deel uit van het domein der autosnelwegen. Behoudens wanneer de Koning er op aanvraag van het verzoekend verbond anders over beschikt, is het verbod insgelijks toepasselijk op alle andere in dezelfde lokalen uitgeoefende handels- of ambachtelijke werkzaamheden. Uitzondering wordt echter gemaakt voor de activiteit die erin bestaat aan de verbruiker, in speciaal daartoe uitgeruste inrichtingen, vooraf bereide waren af te leveren, op zodanige wijze aangeboden dat zij ter plaatse moeten worden verbruikt. Deze uitzondering is van toepassing zolang die activiteit niet gereglementeerd is ter uitvoering van deze wet. Door deze bepaling kunnen de ondernemingen met menigvuldige handels- of ambachtssectoren tot niet meer dan één rustdag per week worden verplicht. […] ». B.2.
  12. De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel 1, § 4, van de wet van 22 juni 1960 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de handelaars die op dezelfde verkoopruimte een aan die wet onderworpen activiteit en een activiteit die daaraan niet 6 is onderworpen, uitoefenen, verbiedt op de verplichte wekelijkse rustdag de verkoop voort te zetten van producten die onder de activiteit vallen die niet aan de wet is onderworpen. B.2.
  13. De prejudiciële vraag heeft dus enkel betrekking op de laatste zin van artikel 1, § 4, eerste lid, van de wet van 22 juni 1960, waartoe het Hof zijn onderzoek beperkt. B.3.
  14. Uit de motivering van het vonnis en de feiten van de zaak blijkt overigens dat het Hof wordt verzocht om de situatie van de handelaars die uitsluitend een activiteit uitoefenen die niet is onderworpen aan de wet van 22 juni 1960 te vergelijken met de situatie van de handelaars die in dezelfde lokalen zowel een activiteit uitoefenen die niet is onderworpen aan de wet van 22 juni 1960 als een activiteit die is onderworpen aan de wekelijkse rustdag. In het eerste geval kunnen de handelaars hun activiteit de hele week voortzetten, terwijl zij in het tweede geval, op de verplichte rustdag voor de aan de wet onderworpen activiteit, de activiteit die nochtans niet aan diezelfde wet is onderworpen, niet kunnen voortzetten. Bovendien zou de noodzaak van een aanvraag vanwege het betrokken beroepsverbond opdat de Koning in een afwijking zou voorzien van het principiële verbod op elke ambachtelijke of handelsactiviteit die wordt uitgeoefend in dezelfde lokalen als een activiteit die aan een wekelijkse rustdag is onderworpen eveneens een discriminatie in het leven roepen tussen de handelaars die toetreden tot het verbond en de andere handelaars. B.3.
  15. De vervolgingen voor de verwijzende rechter hebben betrekking op de verkoop van belegde broodjes, een activiteit die niet aan een wekelijkse rustdag is onderworpen, in dezelfde lokalen als de verkoop van brood- en banketproducten, een activiteit die aan een wekelijkse rustdag is onderworpen krachtens het koninklijk besluit van 8 april 1965 « tot invoering van een wekelijkse rustdag in de handelstakken van de brood- en banketbakkerij », genomen met toepassing van artikel 1, § 1, van de wet van 22 juni
  16. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie waarin handelsactiviteiten in dezelfde lokalen worden gecumuleerd. B.
  17. Doordat de wet van 22 juni 1960 de Koning toestaat een wekelijkse rustdag op te leggen aan de sectoren die daartoe een aanvraag hebben ingediend via de betrokken beroepsverbonden, had zij tot doel de gezondheid van de zelfstandigen te beschermen en hun 7 daarbij de vrijheid te laten om te oordelen of de invoering van een verplichte rustdag noodzakelijk was en die rustdag te kiezen zonder andere verplichtingen dan die welke zij beslissen zich op te leggen om met hun concurrenten te strijden. Die wetgeving had tot doel een evenwicht te bewaren tussen het privéleven van de zelfstandige handelaars en het belang van de consumenten, door voor de betrokken sectoren een optionele regeling in te voeren die niet nodeloos het spel van de vrije concurrentie ondermijnt. Door de invoering van een dergelijke regeling afhankelijk te maken van het initiatief van de beroepsverbonden die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 5 van de wet van 22 juni 1960, heeft de wetgever ervoor geopteerd aan de vertegenwoordigers van de actoren van de betrokken beroepsgroep de zorg over te laten om te bepalen of een verplichte wekelijkse rustdag in de betrokken sector nuttig is : « Belangrijk is de noodzakelijke tussenkomst van de beroepsvereniging, vermits deze het initiatief moet nemen om de wet toepasselijk te kunnen maken op alle beoefenaars van het beroep in kwestie. Indien de vereniging van oordeel is dat er geen probleem bestaat voor haar beroep, dan zal zij geen aanvraag doen, en blijft de toestand van vóór de wet bestaan » (Parl. St., Senaat, 1959-1960, nr. 364, p. 4). B.5.
  18. Artikel 1, § 4, van de wet van 22 juni 1960 bepaalde in de originele versie ervan : « Wanneer een wekelijkse rustdag verplicht is gesteld in een bepaalde tak van handel of ambacht, slaat het bij § 2 bepaald verbod op alle verkoopruimten waar deze werkzaamheid, zelfs op bijkomstige wijze, wordt uitgeoefend. In dat geval is het verbod insgelijks toepasselijk op alle andere in dezelfde lokalen uitgeoefende handels- of ambachtelijke werkzaamheden. Door deze bepaling kunnen de ondernemingen met menigvuldige handels- of ambachtssectoren tot niet meer dan één rustdag per week worden verplicht ». In de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 juni 1960 werd uiteengezet : « Er bleef nog een netelige kwestie te beslechten, namelijk het geval van de ondernemingen waarvan de werkzaamheid zich over meerdere verschillende beroepssectoren uitstrekt en waarvan één of meer sectoren aan de sluitingsverplichting zouden onderworpen zijn. Het wetsontwerp bepaalt ter zake dat, zohaast een sluitingsdag voor een bepaald beroep wordt opgelegd, het geheel der verkoopruimten waar dit beroep wordt uitgeoefend, het weze zelfs te 8 bijkomende of ondergeschikte titel, aan de sluitingsverplichting is onderworpen, met het voorbehoud dat een dergelijke maatregel het ondernemingshoofd nooit tot meer dan één sluitingsdag per week kan verplichten » (Parl. St., Kamer, 1959-1960, nr. 470/1, p. 5). B.5.
  19. De keuze voor die uitbreiding van de wekelijkse rustdag werd verantwoord als volgt : « Zou het denkbaar zijn dat men bijvoorbeeld in één en dezelfde winkel waar bijvoorbeeld textiel- en papierwaren worden verkocht de ene waren zou mogen blijven verkopen terwijl er een rustdag voorzien is in de andere branche. Zo iets is niet mogelijk, want elke kontrole zou er door uitgesloten worden » (Parl. St., Kamer, 1959-1960, nr. 470/4, p. 8). De wetgever gaf zich overigens rekenschap ervan dat die bepaling « zeer dikwijls van toepassing [zal] zijn, want ons land telt zeer talrijke gemengde ondernemingen » (ibid.). Het verbod om de niet aan de wekelijkse rustdag onderworpen activiteit uit te oefenen, wordt echter slechts toegepast wanneer de beide activiteiten worden uitgeoefend in hetzelfde lokaal : « Anders zou het zijn wanneer deze werkzaamheden worden uitgeoefend in van elkander gescheiden ruimten; in zulk geval kan de ene stopgezet en de andere voortgezet worden » (ibid.). B.6.
  20. Artikel 1 van de wet van 30 juli 1963 tot wijziging van de wet van 22 juni 1960 tot invoering van een wekelijkse rustdag in nering en ambacht heeft vervolgens een nieuw lid ingevoegd in artikel 1, § 4, dat bepaalt : « Uitzondering wordt echter gemaakt voor de activiteit die erin bestaat aan de verbruiker, in speciaal daartoe uitgeruste inrichtingen, vooraf bereide waren af te leveren, op zodanige wijze aangeboden dat zij ter plaatse moeten worden verbruikt. Deze uitzondering is van toepassing zolang die activiteit niet gereglementeerd is ter uitvoering van deze wet ». B.6.
  21. Die wetswijziging strekte ertoe rekening te houden met de situatie van de « snackbars » door hun een afwijking te verlenen op het principiële verbod van elke ambachtelijke of handelsactiviteit in dezelfde lokalen als die waarin een activiteit wordt uitgeoefend die is onderworpen aan een wekelijkse rustdag. De verantwoording voor dat principiële verbod werd overigens in herinnering gebracht in de parlementaire voorbereiding van de wet van 1963 : 9 « Deze bepaling bleek noodzakelijk omdat de grote meerderheid van onze handelsondernemingen en ambachten gemengde ondernemingen zijn waarin activiteiten worden uitgeoefend die tot verschillende handels- of ambachtssectoren behoren, en dat het onmogelijk zou zijn de toepassing van de wetgeving na te gaan, indien alle gemengde ondernemingen op de rustdag die zij gekozen hebben, hun andere werkzaamheden, niet door een reglementering bedoeld, mochten uitoefenen » (Parl. St., Senaat, 1962-1963, nr. 241, p. 1). B.
  22. Het is de wet van 5 juli 1973 « tot wijziging van de wet van 22 juni 1960 tot invoering van een wekelijkse rustdag in nering en ambacht, gewijzigd bij de wet van 30 juli 1963 en bij de wet van 6 maart 1964 » die artikel 1, § 4, eerste lid, heeft vervangen door de huidige tekst ervan, die het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag. Wat de doelstelling van die bepaling betreft, wordt gepreciseerd : « […] beoogt het voorliggend ontwerp het algehele verbod van verkoop, dat ingevolge de wet van 22 juni 1960 betrekking had op alle in de betrokken bedrijfsruimte verrichte handels- of ambachtelijke werkzaamheden, bij middel van een koninklijk besluit geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken. Terwijl de wet van 22 juni 1960 om redenen van efficiënte controle dit algemeen verbod invoerde, bleek alras dat zulks tot onbillijke gevolgen aanleiding gaf. […] De wet van 30 juli 1963 heeft logischerwijze de al te strakke regeling van de wet van 22 juni 1960 aangepast. Vermits dergelijke toestanden zich nog in andere sectoren kunnen voordoen, zou telkens een wetwijziging noodzakelijk zijn. Om die reden bepaalt het onderhavig ontwerp dat een afwijking van het algemeen verbod voor elke handels- of ambachtelijke werkzaamheid, bij middel van koninklijk besluit kan worden toegestaan. Weliswaar moet het betrokken beroepsverbond zelf deze aanvraag tot afwijking indienen » (Parl. St., Kamer, 1972-1973, nr. 488/2, p. 2). B.
  23. Uit wat voorafgaat blijkt dat, wanneer een handelaar verscheidene activiteiten uitoefent in dezelfde lokalen, zonder echter te worden beoogd in een van de afwijkingen bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 22 juni 1960, hij, wanneer hij een activiteit uitoefent die is onderworpen aan de wekelijkse rustdag, een wekelijkse rustdag in acht moet nemen ten aanzien van alle activiteiten die hij uitoefent in dezelfde lokalen als die waarin hij de gereglementeerde activiteit uitoefent. 10 B.9.
  24. Wanneer de wetgever in de mogelijkheid voorziet om een verplichte wekelijkse rustdag op te leggen per activiteitensector, beantwoordt het aan de nagestreefde doelstelling dat een systeem wordt ingevoerd dat ertoe strekt fraude te vermijden. De keuze van een algemeen verbod op elke handelsactiviteit die wordt uitgeoefend in dezelfde lokalen als die waarin een gereglementeerde activiteit wordt uitgeoefend, werd, zoals in herinnering is gebracht in B.5.2, verantwoord door de onmogelijkheid om de inachtneming van de wet van 22 juni 1960 doeltreffend te controleren. B.9.
  25. Wanneer de wetgever ernaar streeft de inachtneming van een wetgeving die van toepassing is in alle sectoren van handel en ambacht te verzekeren, kan hij overigens geen rekening houden met alle bijzondere situaties waarin activiteiten in dezelfde lokalen worden gecumuleerd. Wanneer de gecumuleerde activiteiten, zoals te dezen, betrekking hebben op de verkoop van brood- en banketproducten en de verkoop van belegde broodjes, blijkt de controle op de naleving van de wet des te moeilijker denkbaar daar er een klaarblijkelijke samenhang bestaat tussen de gecumuleerde activiteiten. B.9.
  26. Het in de in het geding zijnde bepaling bedoelde principiële verbod is dus verantwoord ten aanzien van de met de wet van 22 juni 1960 nagestreefde doelstelling. B.10.
  27. Wanneer een handelaar verscheidene ambachtelijke of handelsactiviteiten uitoefent in dezelfde lokalen, biedt hij overigens aan de consumenten producten van verschillende aard aan op één enkele plaats van verkoop : dankzij de lokalisatie op één plaats van verscheidene activiteiten geniet hij tevens een gunstige concurrentiepositie, vermits hij zich tot een publiek richt dat potentieel ruimer is dan datgene waartoe zich een handelaar richt die slechts één, al dan niet gereglementeerde activiteit uitoefent. B.10.
  28. Ten slotte is het in de in het geding zijnde bepaling bedoelde principiële verbod niet van dien aard dat het onevenredige gevolgen heeft ten aanzien van de handelaars waarop het van toepassing is, vermits de handelaar die niet onderworpen wenst te worden aan het verbod op enige activiteit in dezelfde lokalen over de mogelijkheid beschikt om afzonderlijke lokalen in te richten voor elke activiteit. 11 B.11.
  29. Bovendien wordt het systeem waarbij, op aanvraag van het betrokken beroepsverbond, bij koninklijk besluit kan worden afgeweken van dat principiële verbod verantwoord door de wil om aan de vertegenwoordigers van de betrokken actoren de zorg over te laten om te oordelen over de noodzaak van een afwijking. Dat mechanisme is volkomen coherent met de in B.4 in herinnering gebrachte keuze van de wetgever om de concurrentieregels zo min mogelijk te ondermijnen, door aan de beroepsverbonden de zorg over te laten om te bepalen of de invoering van een wekelijkse rustdag in de betrokken activiteitensector noodzakelijk is. Uit de totaliteit van het systeem bedoeld in de wet van 22 juni 1960 blijkt immers dat enkel de betrokken beroepsverbonden over het initiatief beschikken om zowel de invoering van een wekelijkse rustdag aan te vragen als om een afwijking aan te vragen van het principiële verbod op elke ambachtelijke of handelsactiviteit in dezelfde lokalen als die waarin een gereglementeerde activiteit wordt uitgeoefend. Aangezien de wekelijkse rustdag wordt opgelegd per activiteitensector, vermocht de wetgever te oordelen dat de beroepsverbonden die voldoen aan de in de wet vastgestelde voorwaarden van representativiteit de referentiegesprekspartners vormen die de belangen van de betrokken sector vertegenwoordigen. B.11.
  30. De omstandigheid of een handelaar al dan niet toetreedt tot het beroepsverbond van de activiteitensector is bijgevolg niet relevant ten aanzien van de doelstelling die wordt nagestreefd met de hele regeling die wordt ingevoerd bij de wet van 22 juni
  31. B.
  32. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1, § 4, van de wet van 22 juni 1960 tot invoering van een wekelijkse rustdag in nering en ambacht schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 25 januari
  33. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.023 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.