← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.025 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070130.5 Arrest- Rolnummer: 25/2007 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-11 Raadplegingen: 207 - laatst gezien 2026-06-29 10:57 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 35, tweede lid, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat de vergoeding niet vroeger kan ingaan dan 120 dagen vóór de datum van het indienen van de aanvraag. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - SOCIALE ZEKERHEID - Beroepsziekte - Vergoeding PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 35, tweede lid, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, gesteld door het Arbeidshof te Luik. Sociaal recht - Sociale zekerheid - Beroepsziekten - Arbeidsongeschiktheid - Aanvraag tot schadeloosstelling - 1. Privé sector - Beperking van de terugwerkende kracht van de schadeloosstelling - 2. Openbare sector - Ontstentenis van beperking. Wettelijke bepalingen: Wet - 02-06-1970 - 35,L2 - 02 Link Justel databank 19700602-02 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3888 Arrest nr. 25/2007 van 30 januari 2007 ___________ In zake : de prejudiciële vraag over artikel 35, tweede lid, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, gesteld door het Arbeidshof te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 12 januari 2006 in zake Denise Barbier tegen het Fonds voor de Beroepsziekten, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 31 januari 2006, heeft het Arbeidshof te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 35, tweede lid, van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de slachtoffers van een beroepsziekte uit de privésector, wier aanvraag niet langer kan terugwerken dan 120 dagen vóór de datum van de aanvraag, en de slachtoffers van een beroepsziekte in de openbare sector, ten aanzien van wie een dergelijke beperking niet geldt, verschillend behandelt ? ». Memories zijn ingediend door : - Denise Barbier, wonende te 5590 Ciney, rue du Condroz 28/A1; - de Ministerraad. Denise Barbier heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 5 december 2006 : - zijn verschenen : . Mr. M. Moussebois, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. P. Rondiat, advocaat bij de balie te Dinant, voor Denise Barbier; . Mr. J. Sambon loco Mr. G. Demez, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Pierre Furnemont is werkzaam als loontrekkend verwarmingstechnicus. Op 2 juli 1992 dient hij via zijn verzekeringsinstelling een aanvraag in bij het Fonds voor de Beroepsziekten (hierna : FBZ) tot schadeloosstelling voor een ziekte die hij heeft opgelopen door in aanraking te komen met asbest. Tot tweemaal toe, zijnde op 13 april 1994 en op 14 augustus 1996, weigert het FBZ een tegemoetkoming. 3 Op 26 februari 1999 overlijdt Pierre Furnemont. Op 15 juni 1999 dient zijn echtgenote, Denise Dubois, een nieuwe aanvraag tot schadeloosstelling in. Bij beslissingen van 24 juli 2000 erkent het FBZ dat Pierre Furnemont overleden is ten gevolge van een beroepsziekte die voorkomt op de lijst en kent het aan zijn echtgenote een vergoeding toe voor de begrafeniskosten, alsmede een jaarlijkse vergoeding. Op 20 juli 2001 daagt de echtgenote van Pierre Furnemont het FBZ voor de Arbeidsrechtbank te Dinant en eist zij de storting van vergoedingen die sinds het begin van de ziekte van haar overleden echtgenoot, die volgens haar op 1 januari 1992 begon, werden berekend. Bij vonnis van 6 mei 2003 verklaart de Rechtbank de eis van Denise Barbier gedeeltelijk vervallen en gedeeltelijk niet gegrond. Denise Barbier tekent hoger beroep aan tegen dat vonnis. Bij arrest van 12 januari 2006, veroordeelt het Arbeidshof te Luik het FBZ ertoe aan de appellante, in haar hoedanigheid van rechthebbende van haar overleden echtgenoot, een rente te storten die de periode van 18 februari 1999 tot 26 februari 1999 voor 100 procent dekt. Die beperkte periode wordt verantwoord met toepassing van artikel 35, tweede lid, van de gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten. Dat artikel bepaalt immers dat wanneer de arbeidsongeschiktheid blijvend is, de vergoeding ten vroegste ingaat honderdtwintig dagen vóór de datum van het indienen van de aanvraag. Te dezen werd de aanvraag ingediend op 18 juni 1999. Denise Barbier betwist de beperking van de terugwerkende kracht van de aanvraag, die is verankerd in het voormelde artikel 35, tweede lid. Zij verzoekt om het stellen van een vraag aan het Arbitragehof in verband met de mogelijke discriminatie die zou kunnen voortvloeien uit toepassing van die norm, in zoverre die tot gevolg heeft dat de slachtoffers van een beroepsziekte uit de privésector verschillend worden behandeld ten aanzien van de slachtoffers van een beroepsziekte uit de overheidssector, die niet aan een dergelijke beperking worden onderworpen. III. In rechte -A- Memorie van Denise Barbier, appellante voor de verwijzende rechter A.1. Denise Barbier doet gelden dat zij niet inziet hoe de specifieke kenmerken van de privésector een beperkende maatregel zouden verantwoorden zoals die welke wordt bedoeld in artikel 35 van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten terwijl een dergelijke regel niet bestaat in de overheidssector, noch op het niveau van de deelentiteiten noch op het niveau van de lokale besturen. Memorie van de Ministerraad A.2.1. De Ministerraad stelt dat de betwiste bepaling haar oorsprong vindt in de wet van 24 december 1968 waarbij een artikel 31bis werd ingevoegd in de wet van 24 december 1963. Dat artikel voorzag toen in een terugwerkende kracht beperkt tot 60 dagen vóór de aanvraag. Die beperking werd in de parlementaire voorbereiding verantwoord door de zorg de preventieve actie te versterken teneinde te vermijden dat de slachtoffers wachten tot zij zwaar aangetast zijn alvorens een aanvraag in te dienen bij het FBZ. De maatregel werd tevens verantwoord door het feit dat het Fonds geen ernstige begroting zou kunnen opmaken, omdat het niet de aard en de omvang van de bestaande schade kan beramen. 4 Ten slotte werd de maatregel van de wetgever eveneens gemotiveerd door maatschappelijke overwegingen : een vermindering van de uitgaven voor het Fonds voor de Beroepsziekten en het feit dat de werknemers ertoe worden aangezet een aanvraag tot schadeloosstelling te gelegener tijd in te dienen teneinde te vermijden dat hun gezondheidstoestand verslechtert, mochten ze blijven voortwerken. De Ministerraad stelt dat de amendementen die strekten tot de schrapping van die beperking van de terugwerkende kracht tot 60 dagen, werden verworpen. De termijn van 60 dagen werd op 120 dagen gebracht bij de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen teneinde aan het slachtoffer de nodige tijd te laten om van meet af aan een volledig dossier in te dienen ter staving van zijn aanvraag vanaf het ogenblik waarop de wet voorzag in een verplicht formulier daartoe. A.2.2. De Ministerraad doet gelden dat voor de overheidssector de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » een kaderwet is, zodat de personeelsleden van een overheidsinstelling daaraan enkel zijn onderworpen wanneer een koninklijk besluit in de toepassing ervan voorziet. Uit een koninklijk besluit van 5 januari 1971 blijkt dat voor de personeelsleden van de sector waar het van toepassing is, de renten « verschuldigd [zijn] vanaf de eerste dag van de maand tijdens welke de ongeschiktheid een blijvend karakter vertoont of het overlijden plaats vindt ». Een koninklijk besluit van 21 januari 1993, waarbij de kaderwet wordt toegepast op de personeelsleden uit de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, preciseert tevens in artikel 20 ervan dat de renten « verschuldigd [zijn] vanaf de eerste dag van de maand welke overeenstemt met die van het overlijden of met de maand waarin de ongeschiktheid een blijvend karakter vertoont ». A.2.3. De prejudiciële vraag zou verkeerd zijn gesteld in zoverre zij de wet van 3 juli 1967 tegenover de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 zou plaatsen terwijl de uitvoeringsbesluiten van eerstgenoemde wet in verscheidene maatregelen in de overheidssector kunnen voorzien. De Ministerraad somt vervolgens verscheidene bepalingen op in verband met de preventie en het herstel van de beroepsziekten die eigen zijn aan de overheidssector en is van mening dat, aangezien het om verschillende sectoren gaat met eigen specifieke kenmerken, de overheidssector en de private sector verschillend kunnen worden behandeld zonder dat zulks daarom discriminerend is. Hij citeert verscheidene arresten van het Hof die in die richting zouden gaan. A.2.4. Wat meer in het bijzonder artikel 35, tweede lid, van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 betreft is de Ministerraad van oordeel dat de doelstellingen van een sterkere preventieve aanpak, van vereenvoudiging van het financieel beheer van het Fonds voor de Beroepsziekten en de maatschappelijke overwegingen die de beperking van de terugwerkende kracht in de private sector hebben verantwoord, niet in dezelfde mate voorhanden zijn in de openbare sector. De kenmerken van de openbare sector, namelijk de vastheid van betrekking, het doorgaans statutaire karakter, de taken van algemeen belang die er worden verricht, het feit dat de overheid zelf de bedoelde vergoedingen voor de beroepsziekten verschuldigd is en niet het FBZ, en ten slotte het feit dat de verklaring « zo spoedig mogelijk » moet worden ingediend bij de bevoegde dienst, zouden het aangeklaagde verschil in behandeling verantwoorden. Memorie van antwoord van Denise Barbier, appellante voor de verwijzende rechter A.3.1. De appellante voor de verwijzende rechter betoogt dat de Ministerraad zich baseert op algemene overwegingen die, aangezien ze onvoldoende precies zijn en niet echt ingaan op het onderwerp van de prejudiciële vraag, het niet mogelijk maken te besluiten dat het verschil in behandeling op een objectief criterium zou berusten en redelijkerwijze verantwoord zou zijn ten aanzien van de door de wetgever nagestreefde doelstelling. De Ministerraad zou niet aantonen hoe de in het bestreden artikel 35 vastgestelde regel in overeenstemming zou zijn met de logica van het systeem waartoe hij behoort, namelijk het systeem van de privésector, ten opzichte van de openbare sector. A.3.2. Het argument van de vastheid van betrekking in de overheidssector zou niet volstaan; Denise Barbier betoogt immers dat in de huidige tendens de arbeidsbetrekkingen in de overheidssector nagenoeg of uitsluitend een contractueel karakter hebben. De omstandigheid dat de in de overheidssector verrichte taken 5 van algemeen belang zijn, zou evenmin het verschil in behandeling kunnen verantwoorden. Noch de hoedanigheid van schuldenaar van de vergoedingen noch de termijn waarin de aangifte van ziekte moet worden ingediend zouden fundamentele verschillen vormen die eigen zijn aan de interne werking van de beide sectoren en waardoor het aangeklaagde verschil in behandeling zou kunnen worden verantwoord. -B- B.1. Het Hof wordt ondervraagd over de mogelijke schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 35, tweede lid, van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, in zoverre die bepaling tot gevolg heeft dat de slachtoffers van een beroepsziekte uit de privésector, wier aanvraag tot schadeloosstelling niet langer kan terugwerken dan 120 dagen vóór de datum van de aanvraag, enerzijds, en de slachtoffers van een beroepsziekte in de openbare sector, ten aanzien van wie een dergelijke beperking niet geldt, anderzijds, verschillend worden behandeld. B.2.1. Artikel 35, tweede lid, van de voormelde gecoördineerde wetten vindt zijn oorsprong in de wet van 24 december 1968, waarbij een artikel 31bis werd ingevoegd in de wet van 24 december 1963 betreffende de schadeloosstelling voor en de voorkoming van beroepsziekten, dat toen luidde als volgt : « Wanneer de tijdelijke arbeidsongeschiktheid blijvend wordt, vervangt een jaarlijkse vergoeding van 100 pct. bepaald naar de graad van de blijvende ongeschiktheid, de tijdelijke vergoeding te rekenen van de dag waarop de ongeschiktheid van bestendige aard is. Wanneer de arbeidsongeschiktheid van in de beginne blijvend is, wordt een jaarlijkse vergoeding toegekend van 100 pct. bepaald naar de graad van de blijvende ongeschiktheid, te rekenen vanaf het begin van de ongeschiktheid; de vergoeding zal evenwel niet vroeger kunnen ingaan dan zestig dagen voor de datum van het indienen van de aanvraag. […] ». B.2.2. De wetgever verantwoordde destijds de beperking van de terugwerkende kracht van de schadeloosstelling door de bekommernis om de preventieve actie, zoals die in wet van 24 december 1963 werd vastgelegd, te versterken, aangezien vastgesteld werd dat heel wat slachtoffers van beroepsziekten wachtten tot zij zwaar waren aangetast vooraleer zij een aanvraag bij het Fonds voor de Beroepsziekten (hierna : FBZ) indienden. Dat Fonds ondervond dan ook moeilijkheden om bepaalde maatregelen van preventieve aard in werking 6 te stellen. Het financieel beleid van het Fonds werd bovendien ten zeerste bemoeilijkt door de onmogelijkheid om een ernstige begroting op te maken omdat men niet de omvang en de aard van de bestaande schade kon ramen (Parl. St., Kamer, B.Z. 1968, nr. 83/1, p. 3). De aan die beperking verbonden voordelen werden in de parlementaire voorbereiding als volgt beschreven : «

  1. a)Voor het Fonds voor de beroepsziekten : een vermindering van uitgaven die geraamd wordt op : 125 miljoen voor 1969, 183 miljoen voor 1970.
  2. b)Voor het slachtoffer zelf : Het komt geregeld voor dat zieke werknemers blijven voortwerken zonder een aanvraag om uitkering in te dienen, met het gevolg dat hun gezondheidstoestand vaak verergert. Hadden zij integendeel tijdig een aanvraag ingediend of een aangepaste werkgelegenheid gevonden, dan zou de graad van invaliditeit waarschijnlijk niet zo hoog liggen en zouden hun kansen op genezing ongetwijfeld groter zijn geweest. De voorgestelde beperking van de retroactiviteit zal de zieke, het ziekenfonds of het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers ertoe aanzetten om zo spoedig mogelijk een aanvraag om uitkering bij het Fonds voor de beroepsziekten in te dienen, indien er aanleiding bestaat te veronderstellen dat de zieke door een beroepsziekte is aangetast. Zij hebben er allen financieel belang bij » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1968, nr. 83/7, p. 5). B.2.3. De termijn van 60 dagen waarin de wet van 24 december 1968 oorspronkelijk voorzag, werd op 120 dagen gebracht bij de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen (Belgisch Staatsblad, 30 april 1996). De parlementaire voorbereiding van de wet van 29 april 1996 vermeldt daaromtrent : « In de praktijk stellen we evenwel vast dat gemiddeld drie of vier maal stukken moeten worden opgestuurd alvorens een aanvraag als volledig kan worden beschouwd. Dat is noch voor het slachtoffer, noch voor het F.B.Z een goede zaak : het onderzoek van de aanvraag kan niet onmiddellijk worden aangevat aangezien het F.B.Z moet wachten op de ontbrekende stukken of die moet opvragen. 7 Artikel 10 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde zal het F.B.Z. er bovendien toe verplichten binnen 90 dagen gevolg te geven aan de aanvragen die het Fonds worden toegestuurd. Teneinde het slachtoffer of zijn lasthebber ertoe te verplichten onmiddellijk een volledige aanvraag in te dienen, brengt de voorgestelde tekst de terugwerkende kracht van 60 op 120 dagen. Die langere termijn moet het de betrokkene mogelijk maken onmiddellijk een volledig dossier samen te stellen, dat vervolgens in één keer naar het Fonds wordt gestuurd, zonder dat hij daarbij bepaalde rechten verliest » (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 352/11, pp. 26-27). B.3.1. Voor wat de openbare sector betreft, bepaalt artikel 23 van de wet van 3 juli 1967 « betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector » : « Onverminderd de verkregen rechten op renten en andere vergoedingen, komen noch de leden van een personeel waarop een koninklijk besluit de bij deze wet ingestelde regeling toepasselijk heeft verklaard, noch hun rechthebbenden, vanaf de inwerkingtreding van dat koninklijk besluit nog langer in aanmerking voor de wetsbepalingen inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen, ongevallen op de weg naar of van het werk en beroepsziekten. De Koning is gemachtigd om aan de onderhavige wet aan te passen de wetten die bepalingen bevatten inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen, uit ongevallen op de weg naar en van het werk of uit beroepsziekten van openbare ambtsdragers ». B.3.2. Artikel 17 van het koninklijk besluit van 5 januari 1971 betreffende de schadevergoeding voor beroepsziekten in de overheidssector verwijst naar artikel 20 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, onder voorbehoud van de vervanging van de woorden « de consolidatie » door de woorden « de ongeschiktheid een blijvend karakter vertoont ». Het genoemde koninklijk besluit is volgens artikel 1 ervan van toepassing op : « 1° de besturen en andere diensten van de federale ministeries alsook de andere rijksdiensten, met inbegrip van de rechterlijke macht; 2° de Raad van State; 3° de besturen en andere diensten van de Regeringen van de Gemeenschappen en Gewesten, met inbegrip van de inrichtingen van onderwijs georganiseerd door of namens de Gemeenschappen, alsook de besturen en andere diensten van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van het College van de Franse 8 Gemeenschapscommissie, met inbegrip van de inrichtingen van onderwijs georganiseerd door of namens de Franse Gemeenschapscommissie; 4° de onderwijsinrichtingen die door één van de Gemeenschappen of door de Franse Gemeenschapscommissie gesubsidieerd worden; 5° de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra, diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de pedagogische begeleidingsdiensten ». Het voormelde artikel 20 bepaalt dat, onverminderd artikel 25 van de wet van 3 juli 1967, de renten verschuldigd zijn vanaf de eerste dag van de maand tijdens welke de consolidatie of het overlijden plaatsvindt. B.3.3. Het koninklijk besluit van 21 januari 1993 « betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, ten gunste van sommige personeelsleden uit de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, aangesloten bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten » bepaalt in artikel 20 ervan dat onverminderd artikel 25 van de wet van 3 juli 1967, de renten verschuldigd zijn vanaf de eerste dag van de maand welke overeenstemt met die van het overlijden of met die waarin de ongeschiktheid een blijvend karakter vertoont. B.3.4. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wet van 3 juli 1967 werd aangenomen om personeelsleden in overheidsdienst « te verzekeren tegen de gevolgen van de ongevallen op de weg of de plaats van het werk en de beroepsziekten ». « Het nagestreefde doel bestaat erin hun een stelsel te bezorgen dat kan vergeleken worden met het stelsel dat reeds toegepast wordt in de privé-sector ». Nochtans « oordeelde [de Regering] het noch mogelijk noch wenselijk de personeelsleden van de overheidsdiensten te onderwerpen aan dezelfde bepalingen als de arbeiders en de bedienden uit de privé-sector. Het statuut der ambtenaren bevat particulariteiten waarmee rekening dient te worden gehouden en die in zekere gevallen, het aanvaarden van eigen regelen rechtvaardigen » (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 1023/1, pp. 3 en 4; in dezelfde zin : Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 242, pp. 2-3). Ook al « [is er] van een eenvoudige uitbreiding van het stelsel van de privésector tot de openbare sector […] dus geenszins sprake » (Parl. St., Kamer, 1966-1967, nr. 339/6, p. 2), toch moet worden opgemerkt dat wat betreft de definiëring van de begrippen arbeidsongeval, ongeval op de weg naar en van het werk en beroepsziekte, het « parallellisme met de privé-sector […] daarbij volledig [wordt] doorgetrokken » (ibid., p. 5). 9 B.4.1. Aangezien het door de objectieve verschillen tussen beide categorieën van werknemers verantwoord is dat zij aan verschillende systemen zijn onderworpen, kan worden aanvaard dat bij een nadere vergelijking van beide systemen verschillen in behandeling aan het licht komen, nu eens in de ene zin, dan weer in de andere, onder voorbehoud dat elke regel dient overeen te stemmen met de logica van het systeem waarvan die regel deel uitmaakt. B.4.2. De eigen logica van de twee systemen verantwoordt dat er verschillen bestaan, meer bepaald wat de procedureregels, het niveau en de modaliteiten van de vergoeding betreft. Het behoort, mits inachtneming van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, tot de bevoegdheid van de wetgever te oordelen of een grotere gelijkschakeling al dan niet wenselijk is en in voorkomend geval te bepalen op welk tijdstip en op welke wijze via concrete maatregelen vorm moet worden gegeven aan een grotere uniformiteit tussen beide regelgevingen. B.5. In tegenstelling tot het arbeidsongeval, dat voortvloeit uit een plotse gebeurtenis die zich voordoet tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, is de beroepsziekte een ziekte waarvan het slachtoffer, met een zekere intensiteit en gedurende een bepaalde tijd, werd blootgesteld aan het beroepsrisico van die ziekte. De beroepsziekte ontwikkelt zich na verloop van tijd zodat het tijdstip waarop aangifte ervan moet worden gedaan soms moeilijk vast te stellen is. B.6. Bovendien vertonen beroepsziekten een evolutief karakter en met de ontwikkeling van de technieken variëren ook de oorzaken zelf ervan. Terwijl de wetgever oorspronkelijk had geopteerd voor een lijst van de ziekten die aanleiding geven tot schadeloosstelling, waarbij het oorzakelijk verband tussen de blootstelling aan het risico en de ziekte in dat geval werd vermoed (artikel 30 van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten; koninklijk besluit van 28 maart 1969 houdende vaststelling van de lijst van die beroepsziekten), heeft hij later aan die lijst de ziekte toegevoegd « die niet voorkomt op de lijst […] maar die op een determinerende en rechtstreekse wijze het gevolg is van de beroepsuitoefening » waarbij het bewijs van het oorzakelijk verband in dat geval moet worden geleverd door het slachtoffer of zijn rechthebbenden (artikel 30bis, ingevoegd in de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten bij 10 artikel 100 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen). Volgens de parlementaire voorbereiding van dat artikel 30bis « [hebben] echter, de industriële ontwikkeling, het verschijnen van nieuwe technieken en nieuwe produkten, die een veelvoud van ziekten met een beroepsoorzaak veroorzaken, […] als gevolg dat een uitsluitende toepassing van het lijstensysteem niet meer voldoende is » (Parl. St., Senaat, 1990-1991, nr. 1115-1, p. 46). B.7. Ten slotte wordt de lijst zelf herhaaldelijk bijgewerkt teneinde rekening te houden met het gebruik van nieuwe producten en het verschijnen van nieuwe risico’s en nieuwe ziekten. B.8. Door te bepalen dat het recht op vergoeding « niet vroeger [ingaat] dan honderd twintig dagen voor de datum van het indienen van de aanvraag », stelt de wetgever het aanvangspunt van dat recht vast op een datum die niet noodzakelijkerwijze overeenstemt met die waarop de blijvende arbeidsongeschiktheid is begonnen. De verwijzende rechter doet opmerken dat die beperking ongunstige gevolgen kan hebben voor de zieke « wanneer het erom gaat een beroepsziekte aan te geven die zich in de overgrote meerderheid van de gevallen slechts zeer langzaam aftekent en slechts uitzonderlijk vanaf de eerste symptomen kan worden herkend als een beroepsziekte ». B.9. Vanwege de ontwikkeling die de sector van de beroepsziekten heeft gekend, vermocht de wetgever maatregelen te nemen die de uitgaven ten laste van het Fonds voor de Beroepsziekten beperken, die dat Fonds in staat stellen prognoses te maken en die preventieve maatregelen bevorderen door de zieke ertoe aan te zetten zijn ziekte aan te geven zodra de eerste symptomen opduiken. Die bekommernissen verantwoorden dat, wanneer een nieuwe ziekte wordt toegevoegd aan de lijst, het slachtoffer slechts aanspraak kan maken op schadeloosstelling vanaf de datum waarop die ziekte is ingeschreven (artikel 36 van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten), dat het bedrag van de vergoeding wordt beperkt indien de graad van ongeschiktheid minder dan 5 of 10 pct. bedraagt (artikel 35, derde lid), dat de cumulatie van vergoedingen wordt beperkt (artikel 35, vierde lid), dat de door een beroepsziekte getroffen persoon wordt verwijderd van de activiteit die hem blootstelt aan het risico van die ziekte (artikel 37, § 1), of nog dat een verjaringstermijn wordt bepaald. 11 B.10. Doordat de wetgever het slechts mogelijk maakt om een vergoeding toe te kennen ten vroegste 120 dagen vóór de datum van de indiening van de aanvraag, heeft hij daarentegen een maatregel genomen die onevenredige gevolgen kan hebben, rekening houdend met de in B.6 tot B.9 in herinnering gebrachte elementen. B.11. De Ministerraad, die zich baseert op het verslag namens de Commissie voor de Sociale Voorzorg voorafgaand aan de wet van 24 december 1968 (Parl. St., Kamer, B.Z. 1968, nr. 83/7, pp. 4-5), doet voorts gelden dat indien het slachtoffer van een beroepsziekte met terugwerkende kracht aanspraak kon maken op het voordeel van de vergoedingen, het slachtoffer ofwel, wanneer het regelmatig heeft gewerkt, zijn loon zou cumuleren met de vergoedingen terwijl zijn gezondheidstoestand is verergerd, ofwel, indien het ziek is geweest, de voordelen zou hebben genoten van de ziekte- en invaliditeitsverzekering of van het Nationaal Pensioenfonds voor Mijnwerkers waaraan het Fonds voor de Beroepsziekten de « ten onrechte uitbetaalde » uitkeringen inzake ziekte of invaliditeitspensioen zou moeten terugbetalen. B.12. Het blijkt niet dat de bekritiseerde maatregel evenredig is met die nagestreefde doelstellingen, die zouden kunnen worden bereikt door te voorzien in anticumulatiemaatregelen en door de maatregelen van opsporing en preventie te verbeteren. Wat betreft de verplichting voor het Fonds om de bedragen terug te betalen die andere instellingen in zijn plaats hebben betaald, gaat het om een administratief probleem dat niet kan opwegen tegen het nadeel voor de werknemer die, wegens een ziekte waarvan hij de oorsprong niet kende, zonder schadeloosstelling daarvoor de economische en lichamelijke gevolgen van zijn ongeschiktheid heeft ondergaan. B.13. Uit wat voorafgaat, vloeit voort dat het niet redelijkerwijze verantwoord is om het recht op vergoeding in de privésector « niet vroeger [te laten] ingaan dan honderd twintig dagen voor de datum van het indienen van de aanvraag » terwijl de wetgever het niet nodig heeft geacht een dermate korte termijn vast te stellen in de openbare sector. Noch de aard van de band die de werknemer met zijn werkgever verbindt, noch de omstandigheid dat in de openbare sector opdrachten van algemeen belang worden verricht, noch de procedure tot schadeloosstelling die verschillend is in de beide sectoren, zijn van die 12 aard dat ze het in de prejudiciële vraag aangeklaagde verschil in behandeling kunnen verklaren. Het blijkt evenmin dat de omstandigheid dat de vergoedingen in het ene geval ten laste komen van het Fonds voor de Beroepsziekten en in het andere ten laste van de Schatkist, het bekritiseerde verschil kan verantwoorden. Het is immers het Fonds voor de Beroepsziekten dat, met toepassing van artikel 6, 5°, van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten, aan de slachtoffers van beroepsziekten van de lokale en provinciale besturen de voordelen toekent bedoeld in de wet van 3 juli 1967, die betrekking heeft op de openbare sector, zodat het Fonds vergoedingen uitbetaalt aan slachtoffers op wie de retroactiviteit, die wordt beperkt tot 120 dagen die de aanvraag voorafgaan, niet van toepassing is. B.14. Daaruit volgt dat artikel 35, tweede lid, van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, in zoverre het tot gevolg heeft dat de slachtoffers van een beroepsziekte uit de privésector, wier aanvraag niet langer kan terugwerken dan 120 dagen vóór de datum van de aanvraag, en de slachtoffers van een beroepsziekte in de openbare sector, ten aanzien van wie een dergelijke beperking niet geldt, verschillend worden behandeld, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 13 Om die redenen, Het Hof zegt voor recht : Artikel 35, tweede lid, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat de vergoeding niet vroeger kan ingaan dan 120 dagen vóór de datum van het indienen van de aanvraag. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 30 januari 2007. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.025 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.