id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 30 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.026 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070130.6 Arrest- Rolnummer: 26/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-14 Raadplegingen: 220 - laatst gezien 2026-06-29 10:57 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 6, § 2, 1°, van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 6, § 2, 1°, van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Personenbelasting - Deel van het inkomen dat belastingvrij is - Verhoogd bedrag -
- Niet-hertrouwde weduwenaar of weduwe met kind(eren) ten laste -
- Ongehuwde ouder met kind(eren) ten laste -
- Niet-hertrouwde uit de echt gescheiden ouder met kind(eren) ten laste - Uitsluiting. Wettelijke bepalingen: Wet - 07-12-1988 - 6,#2,1$ - 33 Link Justel databank 19881207-33 Grondwet 1994 - 10 - 30 Grondwet 1994 - 11 - 30 Tekst van de beslissing Rolnummer 3956 Arrest nr. 26/2007 van 30 januari 2007 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 6, § 2, 1°, van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen, gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 30 maart 2006 in zake P. Jans tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 5 april 2006, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 6, § 2, 1°, van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie dat de in § 1 van dat artikel 6 vastgestelde belastingvrije bedragen worden verhoogd met 35 000 BEF voor de niet-hertrouwde weduwnaar of weduwe, alsook voor de ongehuwde vader of moeder die één of meer kinderen ten laste heeft, terwijl de gescheiden ouder, ook al is die niet hertrouwd, niet-ongehuwd is in de zin van die bepaling ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 5 december 2006 : - is verschenen : Mr. F. Colpaert, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers A. Alen en J. Spreutels verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het geschil voor het verwijzende rechtscollege betreft een betwisting over een aanslag in de personenbelasting. De belastingplichtige meende dat zij, met toepassing van artikel 6, § 2, 1°, van de wet van 7 december 1988 « houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met zegel gelijkgestelde taksen », aanspraak kon maken op belastingvermindering als alleenstaande ongehuwde moeder. Aangezien zij één kind ten laste had en zij niet meer gehuwd was, diende volgens haar het gedeelte van het belastbare inkomen dat is vrijgesteld van belasting, overeenkomstig die bepaling te worden verhoogd. De administratie oordeelde dat de belastingplichtige geen aanspraak kon maken op de voormelde verhoging van het vrijgesteld inkomen. Zij was weliswaar gescheiden, maar haar kind diende te worden geacht nog vóór de echtscheiding te zijn verwekt, zodat zij niet als « ongehuwde moeder » kon worden beschouwd. Het Hof van Beroep te Antwerpen, waarbij voorziening tegen de beslissing van de administratie was ingesteld, volgde het standpunt van de belastingplichtige. Dat arrest werd evenwel verbroken door het Hof van Cassatie, dat stelde dat een gescheiden ouder, ook al is die niet hertrouwd, niet « ongehuwd » is in de zin van artikel 6, § 2, 1°, van de voornoemde wet van 7 december
- 3 Alvorens uitspraak ten gronde te doen, heeft het Hof van Beroep te Brussel, waarnaar de zaak was verwezen, de voormelde prejudiciële vraag gesteld. III. In rechte -A- Standpunt van de Ministerraad A.
- De Ministerraad zet uitvoerig de totstandkoming en de ratio legis van de in het geding zijnde bepaling uiteen, met inbegrip van de wijzigingen die zij heeft ondergaan. Daaruit blijkt wel degelijk de bedoeling van de wetgever om het voordeel te beperken tot de ongehuwde ouder, dit is de ouder die « nooit gehuwd geweest » is (Parl. St., Senaat, 1980-1981, nr. 577-2, pp. 15-16). Op grond van de parlementaire voorbereiding zijn de begunstigden van de verhoging van het belastingvrije inkomen, de personen die ten minste één kind ten laste hebben en bovendien, hetzij niet-hertrouwde weduwe of weduwenaar zijn, hetzij een nooit gehuwde ouder. Ook de uit de echt gescheiden en niet-hertrouwde ouder die ten minste één kind ten laste had dat evenwel na de echtscheiding was verwekt, werd beschouwd als ongehuwde ouder en genoot het voordeel van de maatregel. De beperking tot die categorie van belastingplichtigen werd ingegeven door de overweging dat artikel 6, § 2, 4°, bedoeld was om de eerste nood te lenigen bij een brutale of plotse gebeurtenis en dat een echtscheiding of feitelijke scheiding niet met een overlijden kon worden gelijkgesteld (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 597/7, pp. 108-109). A.
- De Ministerraad wijst verder erop dat aan de in het geding zijnde ongelijke behandeling een einde is gekomen ingevolge de wijziging van artikel 133, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, door artikel 25 B van de wet van 10 augustus
- Door die wetswijziging werd, met ingang van het aanslagjaar 2003, de toeslag op de belastingvrije som verleend aan een belastingplichtige die alleen wordt belast, op voorwaarde dat hij één of meer kinderen ten laste heeft op 1 januari van het aanslagjaar (Parl. St., Kamer, 2000- 2001, DOC 50-1270/001, p. 7). Onder « belastingplichtige die alleen wordt belast » moet worden verstaan, de belastingplichtige die fiscaal als « alleenstaande » wordt beschouwd en voor wie een individuele aanslag wordt gevestigd (ibid., p. 22). A.
- De Ministerraad gedraagt zich naar de wijsheid van het Hof om te oordelen of de motivering die aan de in het geding zijnde bepaling ten grondslag ligt, relevant en evenredig is ten aanzien van het nagestreefde doel, ermee rekening houdend dat een vroegere wetgeving niet discriminerend is om de enkele reden dat de wetgever een nieuwe regel verkieslijk acht boven de vroegere. -B- B.
- De prejudiciële vraag betreft artikel 6, § 2, 1°, van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen, dat luidt : « §
- Bovendien worden de voornoemde bedragen [bedoeld zijn de bedragen betreffende het gedeelte van het belastbaar inkomen dat van belasting wordt vrijgesteld] verhoogd : 4 1° met 35 000 frank voor de niet-hertrouwde weduwnaar of weduwe, alsook voor de ongehuwde vader of moeder die één of meer kinderen ten laste heeft ». B.
- Het verwijzende rechtscollege wenst van het Hof te vernemen of die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre zij een verschil in behandeling zou instellen tussen, enerzijds, de niet-hertrouwde weduwnaar, de niet-hertrouwde weduwe, de ongehuwde vader en de ongehuwde moeder die één of meer kinderen ten laste hebben en een verhoging van het belastingvrije inkomen genieten, en, anderzijds, de gescheiden ouder, ook al is die niet hertrouwd, die één of meer kinderen ten laste heeft en dat voordeel niet geniet. B.
- De in het geding zijnde bepaling gaat terug op artikel 21 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 (Belgisch Staatsblad, 15 augustus 1980; err. Belgisch Staatsblad, 9 september 1980), dat een belastingvermindering verleende aan de niet-hertrouwde weduwnaars en weduwen met één of meer kinderen ten laste (invoeging van artikel 81, § 1, 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1964). Dat voordeel werd bij artikel 10 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de fiscale en financiële bepalingen (Belgisch Staatsblad, 14 februari 1981), met ingang van het aanslagjaar 1982, uitgebreid tot de niet-gehuwde ouder die één of meer kinderen ten laste heeft (wijziging van het voormelde artikel 81, § 1, 9°). B.
- De uitsluiting, op grond van voormelde parlementaire voorbereiding, van de feitelijk gescheiden levende en de van tafel en bed of uit de echt gescheiden ouder met één of meer kinderen ten laste, van de voormelde belastingvermindering (parlementaire vraag nr. 238 van 12 april 1985, Bull. Vr. en Antw., nr. 25, Kamer, 1984-1985, p. 2812), tenzij het gaat om een uit de echt gescheiden, niet-hertrouwde ouder die één of meer na de echtscheiding verwekte kinderen ten laste heeft (parlementaire vraag nr. 160 van 6 maart 1987, Bull. Vr. en Antw., nr. 19, Kamer, 1986-1987, p. 1912, met ingang van het aanslagjaar 1987 op basis van de circulaire Ci.RH.331/374.682, Bull. Belastingen, juni 1986, nr. 651, p. 1115), is de wetgever niet ontgaan bij de voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling, waarbij de belastingvermindering werd vervangen door een verhoging van het van belasting vrijgestelde inkomen : « De heer Defosset vraagt zich af waarom de in artikel 6, § 2, 1° bepaalde verhoging van het van belasting vrijgesteld inkomen met 35 000 frank aan de uit de echt gescheiden of feitelijk gescheiden echtgenoot met kinderlast wordt onthouden. 5 De heer Clerfayt heeft vanuit dezelfde bekommernis een amendement (nr. 46) ingediend dat deze leemte poogt op te vullen. Iedere discriminatie tussen de één oudergezinnen dient zijns inziens te worden vermeden. […] Meer in het algemeen en bijvoorbeeld in de situatie als bedoeld in artikel 6, § 2, 1° zou men, aldus de Minister, kunnen stellen dat echtscheiding of feitelijke scheiding evenzeer brutale of plotse gebeurtenissen zijn. Hij vraagt niettemin de verwerping van het amendement (nr. 46) van de heer Clerfayt » (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 597/7, pp. 108-109). B.
- Het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de niet-hertrouwde weduwnaar, de niet-hertrouwde weduwe, de ongehuwde vader en de ongehuwde moeder die één of meer kinderen ten laste hebben en, anderzijds, de niet-hertrouwde uit de echt gescheiden ouder die één of meer kinderen ten laste heeft, berust op een objectief criterium, namelijk de burgerlijke staat van de betrokken belastingplichtige. B.
- De in het geding zijnde bepaling strekt ertoe de begunstigden een fiscaal voordeel toe te kennen vanwege het feit dat zij alleen zouden instaan voor hun kinderen. Op grond van het onderscheidingscriterium betreft het uitsluitend belastingplichtigen die hun huwelijkspartner door overlijden hebben verloren of nooit een huwelijkspartner hebben gehad. B.
- Het op de burgerlijke staat van de belastingplichtige ouder gebaseerde onderscheidingscriterium is van dien aard dat een deel van de belastingplichtigen het voordeel van de verhoging van de belastingvrije inkomsten wordt ontnomen om de enkele reden dat zij voordien gehuwd zijn geweest. Nochtans valt geenszins uit te sluiten dat de uit de echt gescheiden belastingplichtige ouder, net zoals de categorie van de begunstigde belastingplichtigen, alleen moet instaan voor een kind. Uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling blijkt geenszins - en het Hof ziet evenmin in - op grond van welke overweging aan die ouder, die, door alleen te moeten instaan voor een kind, in een situatie kan verkeren die vergelijkbaar is met die van de begunstigde categorieën van belastingplichtigen, dat voordeel wordt ontzegd. Het onderscheidingscriterium is derhalve niet pertinent om het in het geding zijnde verschil in behandeling te kunnen verantwoorden. B.
- De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. 6 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 6, § 2, 1°, van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 30 januari
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div