← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.027

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.027 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070221.7 Arrest- Rolnummer: 27/2007 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-15 Raadplegingen: 402 - laatst gezien 2026-07-03 19:56 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - POLITIE - Geïntegreerde politiediensten PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten, ingesteld door A. Massin en anderen. Geïntegreerde politiedienst - Personeel - Statuut - Voorwaarden en modaliteiten van de integratie van de politiediensten -

  1. Bevorderingsvoorwaarden - Houders van een brevet van officier van de voormalige gemeentepolitie -
  2. Graden -
  3. Bezoldigingsregeling - a. - Loonschalen - b. Baremische bevordering - c. Bijkomende toelage -
  4. Samenstelling van het kader - Functionele titel van rechercheur -
  5. Mobiliteit -
  6. Aanstelling - Valorisatie. # Rechten en vrijheden - Jurisdictionele waarborgen - Recht op toegang tot de rechter. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-2005 - 53 ELI link Pub nr 2005000427 Tekst van de beslissing Rolnummers 3839, 3847, 3854, 3856, 3878 en 3879 Arrest nr. 27/2007 van 21 februari 2007 In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten, ingesteld door A. Massin en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 28 december 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 december 2005, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 8 tot 48 en, in ondergeschikte orde, van de artikelen 13 tot 15, 17, 19 tot 34, 36, 40 en 42 van de wet van 3 juli 2005 tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juli 2005, tweede editie), door A. Massin, wonende te 4801 Stembert, Chemin de la Lande 81, J.-M. Rocks, wonende te 4802 Heusy, avenue de Ningloheid 21, en E. Zune, die keuze van woonplaats doet te 4000 Luik, rue Charles Morren
  7. b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 16 januari 2006, heeft G. Alessandro, wonende te 4610 Beyne-Heusay, rue du Bassin 19, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 13, 17 en 48, 2°, van dezelfde wet. c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 januari 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 9, 11, 14, 17, 18, 22, 26, 27, 35, 44 en 47 van dezelfde wet, door J. Berckmans, wonende te 1850 Grimbergen, Immelvoortstraat 15, B. Bastin, wonende te 1340 Ottignies, rue du Tiernat 1, L. Stas, wonende te 1450 Villeroux, rue de la Brasserie 7, en J.-Y. Stas, wonende te 6210 Les Bons Villers, Drève de la Source
  8. d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 januari 2006, is beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet door de vzw « Vakbond van de Belgische politie », met zetel te 1060 Brussel, Henri Jasparlaan 114/19, J.-L. Allard, wonende te 1180 Brussel, de Foestraetslaan 18a, A. Anciaux, wonende te 5580 Rochefort, rue de Busson 28, F. Arce, wonende te 4257 Berloz, rue de Willine 52, A.-L. Bavier, wonende te 7090 Ronquières, rue Jules Dekeyn 4, B. Beddegenoodts, wonende te 3070 Kortenberg, Leuvensesteenweg 310/15, P. Boúúaert, wonende te 8200 Brugge, Stockveldelaan 24, V. Bulté, wonende te 9406 Ninove, Groenstraat 73a, J.-P. Callens, wonende te 9300 Aalst, Hof Leeuwergem 35, L. Caprasse, wonende te 4190 Ferrières, Route de Renier 2, H. Chatin, wonende te 5580 Rochefort, avenue de Ninove 182 B, H. Colin, wonende te 5500 Furfooz, rue du Camp Romain 27, W. Cuypers, wonende te 3201 Langdorp, Kersenstraat 23, M. De Beul, wonende te 5300 Andenne, Chant d’Oiseaux 509, E. De Dorpel, wonende te 1755 Gooik, Ekelendriesstraat 7, N. De Groof, wonende te 2830 Willebroek, Bormstraat 39, P. De Scheemaeker, wonende te 9090 Melle, Wautersdreef 1, S. Deberdt, wonende te 3730 Hoeselt, Sitsingenstraat 4, N. Debrulle, wonende te 4020 Luik, rue Joseph Dejardin 68, R. Dekelver, wonende te 3090 Overijse, Waversesteenweg 174, P. Delmoitiez, wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Wilde Zwanenlaan 20, F. Delvaux, wonende te 7160 Piéton, rue du Centenaire 5, B. Delvigne, wonende te 5580 Lessive, rue de l’Ile 19, E. Demaret, wonende te 3401 Walshoutem, Vredestraat 14, P. Depuydt, wonende te 2800 Mechelen, Brusselsesteenweg 476, S. Devriese, wonende te 2980 Halle, Heiblok 6, W. Dobbeleire, wonende te 2600 Berchem, Thaliastraat 56, C. Estienne, wonende te 1030 Brussel, Chazallaan 58, H. François, wonende te 8400 Oostende, Zandvoordedorpstraat 84, C. Geerts, wonende te 2390 Malle, Dokter Meeusstraat 9, D. Gossaert, wonende te 8800 Roeselare, Noordlaan 84, P. Grelet, wonende te 1330 Rixensart, avenue des Ramiers 32, A. Gribbe, wonende te 9310 Moorsel, Koebrugstraat 47, D. Guide, wonende te 1020 Brussel, Leopold I-straat 123, L. Guide, 3 wonende te 6470 Sivry, rue de La Louvière 14, W. Gysels, wonende te 3550 Heusden-Zolder, Koerselsebaan 16, F. Haedens, wonende te 9630 Zwalm, Steenweg 43, E. Haelewyn, wonende te 8820 Torhout, Brildam 21, S. Haesen, wonende te 3271 Averbode, Martenstraat 34, P. Helyn, wonende te 1780 Wemmel, Koningin Elisabethlaan 14, L. Herbay, wonende te 6970 Tenneville, Prelle 21, J.-C. Impens, wonende te 9420 Aaigem, Eekhout 15, E. Inion, wonende te 9000 Gent, Offerlaan 106, S. Jacquemin, wonende te 1000 Brussel, Troonsafstandsstraat 13, B. Jeurissen, wonende te 3700 Tongeren, Coversstraat 42, P. Lallieu, wonende te 7900 Leuze-en-Hainaut, rue du Gard 17, J.-C. Lambert, wonende te 5651 Laneffe, Vieille Route 21, P. Lambert, wonende te 4845 Jalhay, route de la Gileppe 12A, G. Laurent, wonende te 7900 Leuze-en-Hainaut, chaussée de Tournai 3, D. Lauwers, wonende te 2630 Aartselaar, Karel Van de Woestijnelaan 46, J. Lawaese, wonende te 8620 Nieuwpoort, Pieter Braechelaan 61, F. Le Fèvre, wonende te 7700 Moeskroen, Aelbekesteenweg 155, M. Lheureux, wonende te 4052 Beaufays, route de l’Abbaye 108, D. Lizin, wonende te 1342 Limelette, avenue du 11e Zouaves 17, E. Luyten, wonende te 2040 Mortsel, Grotenhof 48, L. Magermans, wonende te 4671 Saive, rue Nifiet 203, P. Mardulier, wonende te 2600 Berchem, F. Bauduinstraat 1, G. Meynen, wonende te 2950 Kapellen, Peedreef 33, V. Migeot, wonende te 5000 Namen, rue Eugène Hambursin 37, D. Moulin, wonende te 7730 Leers-Nord, rue de Néchin 4, L. Nijs, wonende te 1640 Sint-Genesius-Rode, Bronstraatje 8, M. Nowak, wonende te 1120 Brussel, Kraatveldstraat 137/37, E. Pappens, wonende te 9700 Oudenaarde, Vontstraat 67, S. Peelaers-Pelsmaekers, wonende te 2820 Bonheiden, Eksterveldlaan 59, D. Pellegrims, wonende te 2820 Bonheiden, Waversteenweg 62, A. Poels, wonende te 1090 Brussel, Charles Woestelaan 97, I. Ringoot, wonende te 9200 Dendermonde, Gentsesteenweg 180, B. Rodrique, wonende te 7141 Carnières, rue Bughin 35, Y. Rouchet, wonende te 4610 Beyne-Heusay, rue des Heids 9, E. Saint-Jean, wonende te 5300 Vezin, rue de Montigni 475 A, A. Scheerens, wonende te 2221 Heist-op-den-Berg, Dorpsstraat 53, L. Scholten, wonende te 8572 Anzegem, Meerbeekstraat 18, M. Serneels, wonende te 2860 Sint-Katelijne-Waver, Goorboslei 8/12, G. Tulmans, wonende te 3920 Lommel, Eendrachtstraat 6, S. Van Bossele, wonende te 9130 Kieldrecht, Olmenlaan 15, S. Van de Velde, wonende te 9500 Geraardsbergen, Ruisenbroek 5, M. Van de Weygaerde, wonende te 2530 Boechout, Oude Baan 11, V. Van Elewyck, wonende te 1090 Brussel, Charles Woestelaan 94, C. Van Mechelen, wonende te 4837 Membach, rue Hubert Braun 29, P. Van Osselaer, wonende te 9111 Belsele, Molenwijk 17, M. Van Pee, wonende te 2800 Mechelen, Nokerstraat 35, A. Vandeput, wonende te 3020 Herent, Mechelsesteenweg 710 A, F. Vandermesse, wonende te 5070 Fosses-la-Ville, chaussée de Charleroi 15, T. Vandervelden, wonende te 9050 Gentbrugge, Bernheimlaan 33, L. Vandierendonck, wonende te 8800 Roeselare, Ardooiesesteenweg 456, H. Vanhecke, wonende te 9620 Zottegem, Gentse Steenweg 43, S. Verbeurgt, wonende te 9630 Zwalm, Zuidlaan 26, B. Verelst, wonende te 3120 Tremelo, Dennenlaan 10, P. Verplancke, wonende te 8000 Brugge, Albrecht Rodenbachstraat 9, B. Verschelde, wonende te 8520 Kuurne, Kortrijksestraat 94, D. Verstraete, wonende te 8800 Roeselare, Toekomststraat 11, P. Vervaet, wonende te 9160 Lokeren, Pastorijstraat 11, P. Vollon, wonende te 3300 Tienen, Verbindingstraat 13, W. Wellens, wonende te 2220 Heist-op-den-Berg, Kleistraat 30, S. Willems, wonende te 9000 Gent, Rooigemlaan 2/11, S. Wilputte, wonende te 3401 Walshoutem, Vredestraat 14, J.-P. Adant, wonende te 1050 Brussel, Boondaalsesteenweg 651, D. Authuys, wonende te 1800 Vilvoorde, Kursaalstraat 31, Y. Beckers, wonende te 5020 Vedrin, rue G. Châtelain 15, S. Bielen, wonende te 4470 Saint-Georges, rue de la Bourse 144, C. Billiau, wonende te 2400 Mol, Luxemburglaan 7, P. Bodart, wonende te 4053 Embourg, Voie de Liège 105, M. Bourguignon, wonende te 5380 Fernelmont, rue Albert Ier 67, X. Breuls de Tiecken, 4 wonende te 1970 Wezembeek-Oppem, Ter Meerenlaan 5, A. Buis, wonende te 5030 Sauvenière, Chemin de Grand-Leez 5a, J.-P. Buyle, wonende te 9860 Oosterzele, Marktwegel 8, M. De Boer, wonende te 2640 Mortsel, De Valk 5, P. De Cafmeyr, wonende te 3220 Holsbeek, Gobbelsrode 68, D. De Jonghe, wonende te 8420 De Haan, Leeuwerikenlaan 13, A. De Meester, wonende te 2800 Mechelen, Paardenstraatje 17, D. De Ridder, wonende te 2520 Ranst, John van den Eyndelaan 8, A. De Ruyck, wonende te 7700 Moeskroen, Bloemenstraat 73, W. De Ryck, wonende te 2030 Antwerpen, Successiestraat 3, C. Debrouwere, wonende te 1090 Brussel, Dupréstraat 53, P. Decamp, wonende te 5000 Namen, avenue de la Plante 58, R. Delfosse, wonende te 4100 Boncelles, route du Condroz 76/27, A. Delplanque, wonende te 7603 Bon-Secours, avenue de la Basilique 86, J.-P. Delval, wonende te 4260 Fallais, rue de Bossiaux 21, D. Delzenne, wonende te 7500 Doornik, rue Albert Asou 47/2, D. Demeyere, wonende te 8550 Zwevegem, Lindelaan 31, C. Denayer, wonende te 5020 Malonne, chaussée de Charleroi 599, R. Depraetere, wonende te 3300 Tienen, Hoegaardenstraat 58, L. Deraedt, wonende te 2100 Antwerpen, Schotensesteenweg 72, P. Dhondt, wonende te 9660 Brakel, Vanakkerdries 16, P. Dubois, wonende te 7640 Antoing, rue Neuve 18, J. Dufour, wonende te 3001 Leuven, Narcissenlaan 13, D. Englebert, wonende te 6950 Nassogne, Haute voie de Marche 45, M. Fontaine, wonende te 4000 Luik, rue du gros Gland 15, J. François, wonende te 3321 Outgaarden, Melkstraat 1, T. Frère, wonende te 5190 Balâtre, rue des Blancs 28, E. Gevaert, wonende te 8520 Kuurne, Harelbeeksestraat 72/412, G. Gillis, wonende te 9300 Aalst, Ouden Dendermondse Steenweg 256/2, B. Godar, wonende te 7501 Orcq, Résidence Christine 3, S. Goethals, wonende te 9100 Sint-Niklaas, H. Consciencestraat 97, M. Jorissen, wonende te 3001 Heverlee, Willem de Croylaan 19, F. Lacomble, wonende te 4052 Beaufays, Voie de l’Air Pur 48, M. Lamant, wonende te 7530 Gaurain-Ramecroix, rue de la Fontaine 11, M. Leentjes, wonende te 4000 Luik, rue de la Treille 21, R. Lemaire, wonende te 2018 Antwerpen, Sint-Vincentiusstraat 69, C. Leybaert, wonende te 3090 Overijse, Kersenbomenlaan 50, P. Libon, wonende te 4530 Warnant-Dreye, place du Tilleul 4, C. Link, wonende te 1330 Rixensart, rue Edouard Dereume 17, N. Lombart, wonende te 4530 Vieux-Waleffe, rue Baillerie 8, P. Mahaut, wonende te 1450 Gentinnes, rue des Maieurs 10, E. Mathonet, wonende te 4610 Beyne-Heusay, rue de Magnée 118, J. Meert, wonende te 9310 Moorsel, Kokstraat 55, N. Merckx, wonende te 9250 Lebbeke, Zavel 41, E. Noel, wonende te 5000 Namen, avenue Vauban 4, J.-P. Petitjean, wonende te 4218 Couthuin, rue Pravée 15A, J. Pochet, wonende te 5590 Ciney, route de Ocquier 47, C. Poeck, wonende te 2610 Wilrijk, Koornbloemstraat 230, L. Raquet, wonende te 7500 Doornik, Chemin de Bouvignes 52, P. Remy, wonende te 1180 Brussel, Beeckmanstraat 32, L. Roelandts, wonende te 2820 Bonheiden, Vijverstein 10, C. Sougnez, wonende te 4350 Remicourt, rue des Combattants 3, M.-G. Spitaels, wonende te 1602 Vlezenbeek, Smidsestraat 12, M. Stuer, wonende te 2560 Kessel, Torenvenstraat 35, R. Stylemans, wonende te 9400 Ninove, Nederkouter Weg 3, P. Taton, wonende te 6534 Gozée, rue des Renards 16, D. Tembuyser, wonende te 9700 Oudenaarde, Dries ter Biest 15, X. Thiebaut, wonende te 7911 Frasnes-les-Buissenal, Contrepré 8, P. Tittelbach, wonende te 4550 Nandrin, rue sur Haies 59, B. Van Belleghem, wonende te 1630 Linkebeek, Hoekstraat 34, H. Van den Bergh, wonende te 2812 Muizen, Laurierlaan 13, P. Van den Boom, wonende te 2940 Stabroek, Steemlandlaan 16, L. Van Herck, wonende te 9406 Ninove-Outer, Kerkstraat 3, L. Van Lishout, wonende te 2930 Brasschaat, De Aard 32, J. Van Looy, wonende te 2288 Grobbendonk, Herenthoutsesteenweg 38, P. Van Tongerloo, wonende te 9070 Destelbergen, Adrien De Grootestraat 17, J. Vanhecke, wonende te 8550 Zwevegem, Van Halewynstraat 27, P. Vanhove, wonende te 8860 Lendelede, Bauwelarestraat 12, J. Verbruggen, wonende te 8500 Kortrijk, Godfried Devreeselaan 33, 5 P. Vrancken, wonende te 3010 Leuven, Garestalaan 23, A. Ysewijn, wonende te 9120 Beveren, Heiveldstraat 31, D. Van Rampelberg, wonende te 8800 Roeselare, Lijnwaadstraat 23, E. Nollet, wonende te 2100 Antwerpen, Schotensesteenweg 60, J. Windels, wonende te 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 963, C. Asselman, wonende te 5101 Erpent, rue du Grand Tige 19, E. Baekelmans, wonende te 2660 Hoboken, Parijslaan 3, P. Bertrand, wonende te 4672 Saint-Remy, Voie du Pont 24, I. Bombeke, wonende te 9860 Scheldewindeke, Gaversesteenweg 35, J.-C. Braine, wonende te 4020 Luik, Quai du Roi Albert 22/13, L. Carels, wonende te 8300 Knokke, Esdoornstraat 76, O. Caucheteux, wonende te 7540 Quartes, Croisette 41, L. Ceulemans, wonende te 2547 Lint, Kriekhof 8, P. Charles, wonende te 4020 Luik, rue F. Dehousse 8, A. Chauvin, wonende te 6060 Gilly, rue Deviller 8, F. De Costere, wonende te 8500 Kortrijk, Saint-Cloudlaan 8, E. Degrave, wonende te 1560 Hoeilaart, Edgard Sohiestraat 69, G. Delrue, wonende te 8680 Koekelare, Middelstraat 5b, J. Delvenne, wonende te 4170 Comblain-au-Pont, Céromont 64, D. Feremans, wonende te 1880 Kapelle-op-den-Bos, Oudstrijdersstraat 50, J.-M. Gehasse, wonende te 4340 Awans, rue Alexandre Vanstapel 11, W. Gerits, wonende te 3620 Lanaken, Arkstraat 43, H. Goven, wonende te 5020 Temploux, rue des Comognes de Temploux 4, P. Hubeau, wonende te 8530 Harelbeke, Berkenlaan 81, B. Jeusette, wonende te 4280 Hannuit, rue des Prés 5a, L. Mestdag, wonende te 8000 Brugge, Colettijnhof 2, P. Priem, wonende te 8790 Waregem, Stormestraat 37, J. Raman, wonende te 9270 Laarne, Scheestraat 17, A. Rucci, wonende te 4670 Blégny, rue de Virinol 1, A. Scheerlinck, wonende te 2018 Antwerpen, Van Luppenstraat 27, M. Servais, wonende te 6030 Marchienne-au-Pont, route de Beaumont 70, H. Stabel, wonende te 2640 Mortsel, Maxlaan 27, M. Van den Meerssche, wonende te 9310 Moorsel, Gevergemveldbaan 25, J.-P. Van der Auwelaer, wonende te 5003 Namen, rue du Château 44, P. Van Helsland, wonende te 9620 Zottegem, Bevegemstraat 6, J. Van Overdijn, wonende te 1420 Eigenbrakel, rue des Genêts 12, D. Van Ruymbeke, wonende te 7904 Tourpes, rue Bachy 3, L. Vandoorne, wonende te 8956 Kemmel, Bergstraat 11, S. Verbeeck, wonende te 3120 Tremelo, Meiboomlaan 26, G. Willemart, wonende te 5001 Belgrade, rue de Balsamines 13, E. Wilmet, wonende te 2800 Mechelen, Paardenkerkhofstraat 36, M. Wuyts, wonende te 2200 Herentals, Beukenlaan 28, G. Bal, wonende te 1070 Brussel, Korte Wolvenstraat 21, P. Barbieux, wonende te 7540 Rumillies, rue de la Solitude 7, E. Beckers, wonende te 1755 Gooik, Abbeloosstraat 1a, L. Berger, wonende te 5150 Soye, rue du Vivier 8, P. Berlengé, wonende te 9120 Melsele, Vossenstraat 15, J. Boone, wonende te 1200 Brussel, Stokkelsesteenweg 247, R. Callewaert, wonende te 8700 Tielt, Deinsesteenweg 168, R. Carette, wonende te 7911 Moustier, Coquereaumont 36, J. Cours, wonende te 9230 Wetteren, Oosterzelesteenweg 74, N. Creten, wonende te 3400 Landen, Een Meilaan 8, W. Degroeve, wonende te 2030 Antwerpen, Chicagostraat 30, A. Delcourt, wonende te 6141 Forchies, rue Prisonniers de Guerre 28, A. Delcroix, wonende te 1400 Nijvel, rue Théo Berthels 5/7, J. Delecluse, wonende te 7640 Antoing, Chemin du Triquet 8, A. Dewez, wonende te 5101 Erpent, rue Joli Champ 6, F. Dorao, wonende te 4000 Luik, rue Naniot 240, B. Famenne, wonende te 1160 Brussel, Papedelle 30/7, E. Hammels, wonende te 2520 Ranst, Broechemsesteenweg 42, M. Hennuyez, wonende te 7503 Froyennes, chaussée de Lannoy 149, P. Hublin, wonende te 2110 Wijnegem, Kasteellei 48, M. Iterbeke, wonende te 9840 De Pinte, Eeuwfeestwal 44, S. Josson, wonende te 1653 Dworp, Hoogkouten 6, E. Lebon, wonende te 5000 Beez, rue des Perdrix 15, J.-P. Lekens, wonende te 8310 Brugge, Rapaertstraat 28, L. Leleux, wonende te 7971 Wadelincourt, rue de Basecles 49, P. Lermytte, wonende te 2100 Deurne, Schotensesteenweg 295, M. Messely, wonende te 7540 Rumillies, rue Nouvelle 9, P. Neirynck, wonende te 8800 Roeselare, Klokkeputstraat 131, R. Prégaldien, wonende te 4671 Housse, route de Housse 95, P. Raes, wonende te 7830 Zullik, rue de la 6 Procession 34, M. Ruiters, wonende te 2000 Antwerpen, Venusstraat 19/16, A. Sanquin, wonende te 5190 Jemeppes-sur-Sambre, rue du Clair Chêne 45, J. Saume, wonende te 1160 Brussel, Molignéestraat 33, I. Schellis, wonende te 3500 Hasselt, Oudstrijderslaan 18, L. Schoonbaert, wonende te 9290 Overmere, Wilgenpark 26, F. Seyler, wonende te 4500 Hoei, Chemin de la Haute Sarte 20, D. Van Essche, wonende te 1410 Waterloo, Clos Las Cases 17, M. Van Lierde, wonende te 9500 Geraardsbergen, Guilleminlaan 25, E. Vanden Eynde, wonende te 1390 Graven, Sentier des Cinq Bonniers 15, C. Verboomen, wonende te 3001 Heverlee, Jef Van Hooflaan 11, R. Vercauteren, wonende te 9100 Beveren, L. Mortelmanssstraat 5, R. Walraet, wonende te 9500 Geraardsbergen, Elzenstraat 3, W. Wels, wonende te 2980 Halle-Zoersel, Brakenberg 51, en C. Wouters, wonende te 3110 Rotselaar, Gildenstraat
  9. e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 januari 2006, heeft P. Kaspers, wonende te 4460 Grâce-Hollogne, avenue Louis de Brouckère 13, beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet, in het bijzonder van de artikelen 11, 18, 32, 33 en 44 ervan. f. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 januari 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 januari 2006, heeft I. Dumoulin, wonende te 4170 Comblain-au-Pont, Au Halleux 72, beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet, in het bijzonder van de artikelen 9 en 35 ervan. Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3839, 3847, 3854, 3856, 3878 en 3879 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de Ministerraad; - P. Gilon, wonende te 4600 Wezet, Allée des Fauvettes 14, M. Marion, wonende te 4624 Fléron, rue Louis Pasteur 25 en J.-C. Olin, wonende te 4100 Seraing, rue des Sapins
  10. De verzoekende partijen, behalve de verzoekende partij in de zaak nr. 3879, hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad en P. Gilon en anderen hebben memories van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 21 november 2006 heeft het Hof de zaken in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 5 december 2006 na de verzoekende partijen in de zaak nr. 3856 te hebben verzocht bij het Hof op de dag van de terechtzitting een afschrift neer te leggen van het ministerieel besluit van 14 februari (of juni) 2000 « betreffende de indeling van de betrekkingen van de gerechtelijke politie bij de parketten bij de brigades en het commissariaat-generaal » dat zij in hun memories aanvoeren. Op de openbare terechtzitting van 5 december 2006 : - zijn verschenen : . Mr. J.-M. Secretin, advocaat bij de balie te Luik, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 3839; 7 . Mr. J.-M. Rigaux, advocaat bij de balie te Luik, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 3847; . Mr. B. Gribomont, tevens loco Mr. D. Lagasse, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 3854; . Mr. B. Cambier, Mr. D. Renders en Mr. F. Piret, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 3856; . Mr. M. Detry, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 3878; . Mr. G. Van Hoorebeke, advocaat bij de balie te Brussel, M. De Mesmaeker, hoofdcommissaris bij de federale politie, en E. Helpens, adviseur-jurist bij de federale politie, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de zaak nr. 3839 Wat de ontvankelijkheid betreft A.
  11. A. Massin, J.-M. Rocks en E. Zune vorderen, in hoofdorde, de vernietiging van de artikelen 8 tot 48 van de wet van 3 juli 2005 « tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten » en, in ondergeschikte orde, die van de artikelen 13 tot 15, 17, 19 tot 34, 36, 40 en 42 van die wet. A.2.
  12. A. Massin is op 7 januari 1996 benoemd in de graad van politieagent bij de gemeentepolitie van Verviers en is sinds 18 juni 1999 houder van het brevet van officier van de gemeentepolitie (hierna : OGP- brevet). J.-M. Rocks, die op 1 februari 1994 is benoemd in de graad van politieagent bij dezelfde gemeentepolitie, heeft op 23 mei 1997 hetzelfde brevet behaald. Vanaf die datum heeft hij tot 1 december 1997 het ambt van inspecteur in het middenkader van die gemeentepolitie waargenomen. De eerste twee verzoekende partijen zijn op 1 juli 1999 aangewezen bij de gerechtelijke afdeling van de gemeentepolitie van Verviers waar zij het ambt van rechercheur hebben uitgeoefend en zijn op 1 april 2001 benoemd in de graad van inspecteur van politie met weddeschaal B
  13. Bij besluit van 29 juni 2005 heeft de politieraad van de zone Vesdre J.-M. Rocks benoemd in de hoedanigheid van hoofdinspecteur van politie in het operationeel kader van de lokale politie van die zone. 8 E. Zune is op 1 februari 1994 benoemd in de graad van politieagent bij de gemeentepolitie van Verviers. Op 14 juni 1996 heeft hij het OGP-brevet behaald. Vanaf 23 mei 1997 heeft hij het ambt van inspecteur van politie in het middenkader van dezelfde gemeentepolitie waargenomen. Op 1 juli 1999 is hij aangewezen bij de gerechtelijke afdeling van die gemeentepolitie om er het ambt van rechercheur uit te oefenen en op 1 april 2001 is hij benoemd in de graad van inspecteur van politie met weddeschaal B
  14. A.2.
  15. De Ministerraad betwist het gewettigde karakter van het belang van de eerste twee verzoekende partijen, omdat zij de statutaire voordelen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (RPPol) en van de wet van 3 juli 2005 reeds hebben genoten. In dat opzicht merkt hij op dat A. Massin op 14 december 2005 is benoemd in de graad van hoofdinspecteur van politie op grond van artikel XII.VI.6bis RPPol, ingevoegd bij artikel 15 van die wet, en dat hij, dankzij zijn OGP-brevet, niet heeft moeten deelnemen aan de proeven voor de sociale promotie tot het middenkader, zodat hij in de graad van commissaris van politie zou kunnen worden benoemd op grond van artikel XII.VI.8bis RPPol. De Ministerraad merkt ook op dat J.-M. Rocks op grond van artikel XII.VII.15 RPPol, zoals het luidde vóór de vervanging ervan bij artikel 21 van de wet van 3 juli 2005, op 29 juni 2005 is benoemd in de graad van hoofdinspecteur van politie en dat hij is geslaagd voor alle proeven van het vergelijkend examen voor de sociale promotie 2004-2005 tot het middenkader en is vrijgesteld van de basisopleiding van het middenkader dankzij zijn OGP-brevet, zodat hij in de graad van commissaris van politie zou kunnen worden benoemd op grond van artikel XII.VI.8bis RPPol. De Ministerraad merkt ten slotte op dat E. Zune eveneens op grond van die bepaling in die graad zou kunnen worden benoemd, aangezien hij twaalf jaar anciënniteit in het basiskader heeft. A.2.
  16. De verzoekende partijen repliceren dat de benoeming van de eerste verzoekende partij in het middenkader dateert van na de opstelling van het verzoekschrift tot vernietiging en dat haar hiervan pas kennis is gegeven nadat dat verzoekschrift aan de griffie was verstuurd. Zij voegen eraan toe dat de eerste twee verzoekende partijen uitsluitend ten bewarende titel hebben beslist hun OGP-brevet te valoriseren op grond van de artikelen XII.VI.6bis en XII.VII.15 RPPol. Zij onderstrepen dat die maatregelen minder gunstig blijven dan die welke andere personeelsleden hebben kunnen genieten die zich nochtans bevonden in een situatie die met die van de verzoekende partijen vergelijkbaar was. A.
  17. Volgens de Ministerraad is het beroep tot vernietiging in hoofdorde onontvankelijk in zoverre het een identieke behandeling aanklaagt van de houders van het brevet van hoofdonderofficier bij de rijkswacht en de houders van het OGP-brevet, daar de vrijstellingen van opleidingen die worden beoogd in het nieuwe artikel XII.IV.6, § 1, 1°, en § 2, 1°, RPPol - ingevoegd bij artikel 13 van de wet van 3 juli 2005 - identiek zijn met die waarin artikel 69 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 « betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten en houdende diverse overgangsbepalingen » voorziet. Hij voert aan dat het onderhavige beroep niet kan verhelpen dat tegen dat koninklijk besluit geen beroepen tot nietigverklaring te gelegener tijd bij de Raad van State zijn ingesteld. De verzoekende partijen antwoorden dat artikel 13 van de wet van 3 juli 2005 niettemin een wetsbepaling blijft waarvan de bestaanbaarheid met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie door het Hof kan worden nagegaan en dat de ontstentenis van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State tegen een identieke reglementaire bepaling niet kan worden geïnterpreteerd als een erkenning van de bestaanbaarheid van de bestreden bepaling met dat beginsel. A.
  18. De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partijen geen belang erbij hebben de vernietiging te vorderen van de bepalingen van de wet van 3 juli 2005 betreffende de zogenaamde procedure van de « rode loper », daar die alleen betrekking heeft op de personeelsleden van de hogere middenkaders van de oorspronkelijke korpsen. De Ministerraad onderstreept dat de verzoekende partijen, bij de politiehervorming, zijn opgenomen in het basiskader, dat zij nooit een van de graden van het middenkader van de gemeentepolitie hebben verkregen en dat zij recentelijk « zijn opgenomen in de lagere schalen van het middenkader ». 9 De verzoekende partijen antwoorden dat zij belang erbij hebben de vernietiging te vorderen van de artikelen 28 tot 32 van die wet. Zij merken in dat opzicht op dat de wetgever duidelijk had moeten uiteenzetten waarom hij meer belang hecht aan de verworven ervaring zonder opleiding dan aan de kennis die is opgedaan in het kader van een specifieke opleiding, en vragen dat het voordeel van de procedure van de « rode loper » wordt uitgebreid tot de houders van het OGP-brevet of dat aan die laatstgenoemden een identieke valorisatie wordt toegekend. A.
  19. De Ministerraad is van mening dat de eerste twee verzoekende partijen, aangezien zij behoren tot het middenkader - en bijgevolg ambtshalve de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings (OGPHPK) -, geen belang erbij hebben de vernietiging te vorderen van artikel 14 van de wet van 3 juli 2005, dat artikel XII.IV.7 RPPol invoegt. Hij is van mening dat de derde verzoekende partij evenmin belang erbij heeft die vernietiging te vorderen, daar zij is vrijgesteld van de in die bepaling beoogde opleiding op grond van protocol nr. 103 van het Onderhandelingscomité voor de politiediensten van 14 mei 2003 en de bijlagen erbij. De Ministerraad voegt eraan toe dat de verzoekende partijen, op grond van de artikelen 15 en 17 van de wet van 3 juli 2005, voortaan in alle politiediensten via mobiliteit kunnen toetreden tot het officierskader, ongeacht hun anciënniteit in de huidige betrekking, en dat zij voortaan zijn vrijgesteld van het vergelijkend examen voor de promotie door overgang naar het hoger kader, in tegenstelling tot de andere personeelsleden die slechts beperkte « valorisatiemaatregelen » genieten. De verzoekende partijen antwoorden dat zij belang erbij hebben de vernietiging van artikel 14 van de wet van 3 juli 2005 te vorderen. Zij onderstrepen dat de eerste twee verzoekende partijen, die niet konden dingen naar een gespecialiseerde betrekking van rechercheur, om te kunnen toetreden tot het middenkader ertoe verplicht zijn geweest te solliciteren naar een « algemene » betrekking, terwijl zij ambtshalve in het middenkader hadden moeten worden aangesteld en hun ambt van rechercheur hadden moeten behouden indien zij op dezelfde wijze zouden zijn behandeld als de in artikel XII.VII.21 RPPol beoogde personeelsleden, die zijn aangesteld in de graad van hoofdinspecteur, waardoor zij benadeeld worden. De verzoekende partijen antwoorden ook dat de derde verzoekende partij lid is van het personeel van het basiskader en het ambt van rechercheur bij haar lokale politie uitoefent, ambt dat zij reeds uitoefende vóór de politiehervorming. Zij preciseren dat het protocol nr. 103 van 14 mei 2003 geen enkele bindende kracht heeft, dat de toepassing ervan afhankelijk is van de goede wil van de overheden en zich ertoe beperkt de derde verzoekende partij vrij te stellen van de opleiding die is verbonden aan het verkrijgen van de hoedanigheid van OGPHPK, zonder haar daarom in het middenkader aan te stellen in de graad van hoofdinspecteur van politie. Zij preciseren ook dat zij de vernietiging van artikel 14 van de wet van 3 juli 2005 niet vorderen als houder van het OGP-brevet, maar dat zij die vorderen in zoverre zij vóór de politiehervorming het ambt van rechercheur bij de gemeentepolitie uitoefenden en zij in die hoedanigheid geen aanstelling in het middenkader konden genieten, aanstelling die nochtans is toegekend aan andere categorieën van het personeel die, in andere politiekorpsen, vóór de politiehervorming vergelijkbare ambten uitoefenden. De Ministerraad repliceert dat het gegeven dat de eerste twee verzoekende partijen hebben beslist om, via mobiliteit of door sociale promotie naar het middenkader, hun benoeming aan te vragen in een algemene betrekking, niet betekent dat zij belang hebben bij het vorderen van de voormelde vernietiging. De derde verzoekende partij kan, volgens de Ministerraad, via mobiliteit toetreden tot zowel het middenkader als het officierskader, wat een aanzienlijke verbetering van haar statutaire situatie vormt. A.6.
  20. P. Gillon, M. Marion en J.-C. Olin doen aan het Hof hun opmerkingen toekomen in verband met de eerste discriminatie die de verzoekende partijen aanvoeren (A.8). De tussenkomende partijen, die zijn geslaagd voor het examen met het oog op de bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris dat in 1999 is georganiseerd en die op 1 april 2001 zijn opgenomen in de graad van commissaris van politie met weddeschaal O2, zijn thans commissaris bij de Gerechtelijke Dienst Arrondissement (GDA) van Luik en verantwoorden hun belang met name door het gegeven dat de verzoekende partijen hun situatie met de hunne vergelijken. A.6.
  21. De verzoekende partijen zijn van mening dat de tussenkomende partijen geen gewettigd en toereikend belang erbij hebben om tussen te komen. Zij merken op dat die laatstgenoemden een automatische « valorisatie » van hun slagen voor het voormelde examen hebben genoten met toepassing van artikel XII.II.25 RPPol. Zij voegen eraan toe dat het beroep tot vernietiging, dat die bepaling niet beoogt, niet zou kunnen leiden tot de terugzetting in graad van de tussenkomende partijen. 10 Wat betreft het enig middel afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet A.
  22. A. Massin, J.-M. Rocks en E. Zune zijn van oordeel dat sommige bestreden bepalingen de personeelsleden die houder zijn van het OGP-brevet benadelen ten opzichte van andere vergelijkbare personeelscategorieën, terwijl andere bestreden bepalingen diezelfde personen en andere personeelscategorieën die zich nochtans in objectief verschillende situaties bevinden, gelijk behandelen. Overwegende dat die verschillende of identieke behandelingen niet redelijk verantwoord zijn, voeren zij zes discriminaties aan. Ten aanzien van de eerste discriminatie A.8.
  23. De verzoekende partijen voeren een discriminatie aan tussen de houder van een OGP-brevet en de geslaagde voor de selectieproeven voor de bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris. Zij herinneren eraan dat, volgens het arrest nr. 102/2003 van het Hof, het verschil in behandeling dat artikel XII.VII.15, § 3, eerste lid, 1°, a), RPPol invoerde tussen die twee categorieën van personen, discriminerend was. Zij zijn van mening dat het, om die discriminatie weg te nemen, noodzakelijk was aan het voormelde brevet een « valorisatie » toe te kennen die identiek is met de automatische bevordering waarin artikel XII.II.25 RPPol voor de voormelde geslaagden voorzag. De verzoekende partijen zijn van mening dat de artikelen 13, 15, 17, 19, 20 en 24 « valorisatiemaatregelen » bevatten die indruisen tegen het arrest nr. 102/2003 - dat de « valorisatie » van het OGP-brevet als dusdanig ontoereikend bevindt -, en die discriminerend zijn door het voorwaardelijke karakter ervan en die onder de houders van dat brevet verschillen in behandeling invoeren ten koste van met name de personeelsleden van het basiskader. Zij merken in dat opzicht op dat alleen de agenten die « op geldige wijze zijn gekozen » om naar het middenkader of het officierskader over te gaan, de vrijstelling genieten waarin het nieuwe artikel XII.IV.6, §§ 1 en 2, RPPol voorziet, zodat die vrijstelling op zich geen valorisatie van het voormelde brevet inhoudt. De verzoekende partijen verwijzen ook naar de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State betreffende het verschil in behandeling in het voordeel van de geslaagden voor de selectieproeven voor de bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de vrijstelling waarin het nieuwe artikel XII.IV.6, § 2, 1°, RPPol voorziet, alleen wordt toegekend aan de personeelsleden van het middenkader. De verzoekende partijen merken vervolgens op dat de « valorisatie » van het voormelde brevet waarin het nieuwe artikel XII.IV.6bis RPPol voorziet, eveneens voorwaardelijk is, vermits zij afhankelijk is van het slagen voor een vergelijkend examen en « aan een mobiliteit is verbonden ». Zij verklaren dat de « valorisatie » waarin het nieuwe artikel XII.VI.8bis RPPol voor het personeel van het basiskader voorziet nog meer aan voorwaarden is gekoppeld, vermits men, om die te genieten, naast het slagen voor een vergelijkend examen en « de toepassing van een mobiliteit », nog voldoende anciënniteit moet hebben en in het bezit moet zijn van een bepaald diploma of getuigschrift. Zij zijn van mening dat het verschil dat wordt gemaakt tussen de leden van het basiskader en de leden van het middenkader niet verenigbaar is met de lering uit het arrest nr. 102/
  24. Zij bekritiseren ook de verschillen die de nieuwe artikelen XII.VII.11bis en XII.VII.16 RPPol respectievelijk invoeren onder de ambtenaren van het middenkader die houder zijn van het OGP-brevet, naargelang zij in dat kader meer of minder dan achttien jaar anciënniteit hebben, en tussen de leden van het middenkader en die van het basiskader. De verzoekende partijen betreuren dat de twee voornaamste nieuwe maatregelen inzake « voorwaardelijke valorisatie » van het OGP-brevet - waarin de nieuwe artikelen XII.VI.6bis en XII.VI.8bis RPPol voorzien - geen terugwerkende kracht hebben, zodat niet is getracht de vastgestelde discriminatie weg te werken of te beperken, terwijl de nadelige gevolgen ervan erger worden, vermits de interne en de externe aanwervingen, alsook de toepassing van de procedure van de « rode loper » het middenkader en het officierskader geleidelijk invullen. De verzoekende partijen onderstrepen ten slotte dat artikel 20 van de wet van 3 juli 2005 - dat een terugwerkende kracht heeft tot 1 april 2001 -, door artikel XII.VII.15, § 3, eerste lid, 1°, a), RPPol over te nemen, het gezag van gewijsde schendt van het arrest nr. 102/2003, gelezen in het licht van de beschikking tot verbetering van 14 juli 2004, dat die bepaling heeft vernietigd, zodat het aan het Hof staat het discriminerende karakter van die maatregel opnieuw vast te stellen. Zij voeren aan dat de aanneming van het nieuwe artikel XII.VII.15 RPPol - ingevoerd bij artikel 21 van de wet van 3 juli 2005 -, dat op 1 april 2006 in werking is getreden, geen gevolgen heeft, vermits de bij het vroegere artikel XII.VII.15 geregelde reserve van betrekkingen tot vijf jaar beperkt was. 11 A.8.2.
  25. De Ministerraad leidt uit het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State betreffende de artikelen 13, 15, 17, 20, 21, 24, 34 en 36 van de wet van 3 juli 2005 en de memorie van toelichting van het wetsontwerp betreffende die bepalingen af dat de houder van het OGP-brevet en de geslaagde voor de selectieproeven voor de bevordering tot de graad van officier van gerechtelijke politie gelijk worden behandeld. Hij is van mening dat een verschil in behandeling tussen beide categorieën zou steunen op een objectief criterium en redelijk verantwoord zou zijn. Hij onderstreept in dat verband dat het OGP-brevet, uitgereikt na afloop van een specifieke opleiding, geen « verworven recht » vormde om te worden benoemd, zelfs niet op termijn, in het officierskader, vermits een dergelijke benoeming alleen kon plaatshebben via mobiliteit na het openstellen van een vacante plaats en een selectie van kandidaten. Hij onderstreept dat alleen de weigering van de korpschef kon verhinderen dat de leden van het basiskader en het middenkader van de gemeentepolitie toegang hadden tot de opleiding tot officier van die politie. De Ministerraad erkent dat de twee categorieën van personen die met elkaar worden vergeleken, in het officierskader van hun respectief korps konden worden benoemd. Hij is niettemin van mening dat tussen hen een essentieel verschil bestond. Hij wijst in dat verband erop dat de leden van de gerechtelijke politie aan de opleiding voor het verkrijgen van de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris alleen konden deelnemen « op basis van een bepaald aantal vacante plaatsen », dat overeenstemde met de werkelijke behoeften voor het invullen van het kader, zodat de geslaagden voor het examen voor het verkrijgen van die graden de zekerheid hadden om, op korte termijn, te worden benoemd in de met die opleiding overeenstemmende graad. Volgens de Ministerraad zouden alle geslaagden voor het in 1999 ingerichte examen al lang zijn benoemd indien de hervorming van de politie er niet was geweest. Hij merkt ook op dat op 31 maart 2001 achthonderd personen houder waren van het OGP-brevet en duizend vijfhonderd officieren op dezelfde datum in functie waren bij de gemeentepolitie. De Ministerraad is bijgevolg van mening dat dat statutair verschil een gelijkstelling van beide voormelde categorieën in de weg staat en dat het verantwoord is aan de houders van het voormelde brevet geen automatische benoeming in de graad van commissaris van politie toe te kennen. De Ministerraad merkt in dat verband op dat het Hof artikel XII.II.25 RPPol niet heeft vernietigd, maar dat het alleen de ontoereikende mogelijkheden inzake valorisatie van dat brevet in het geding heeft gebracht. De Ministerraad voert aan dat de wetgever, door die mogelijkheden aanzienlijk uit te breiden, het arrest nr. 102/2003 correct heeft uitgevoerd. In dat opzicht merkt hij in de eerste plaats op dat de vereiste van een vergelijkend examen is afgeschaft en dat de houders van het brevet via mobiliteit « hun kans kunnen wagen » wanneer een betrekking vacant wordt verklaard, teneinde dat brevet te valoriseren. Hij merkt op dat die personen alle in het RPPol bepaalde valorisatiemogelijkheden behouden en preciseert dat de artikelen 15 en 17 van de wet van 3 juli 2005 hun de mogelijkheid bieden hun brevet onvoorwaardelijk te valoriseren door, via mobiliteit, te dingen naar betrekkingen van het middenkader of het officierskader, wat drie gevolgen heeft : een benoeming mogelijk maken zonder een periode van aanwezigheid in de « huidige betrekking » te vereisen, de houder van het OGP-brevet vrijstellen van een deelname aan het vergelijkend examen voor de bevordering door overgang naar het hoger kader of van het volgen van de basisopleiding van dat kader en een afwijking invoeren van een van de belangrijkste regels van de oorspronkelijke hervorming, namelijk « het verbod van de twee- kadersprong ». Daarnaast merkt de Ministerraad op dat die houders hun brevet zowel bij de lokale politie als bij de federale politie kunnen valoriseren, met andere woorden in een ruimer kader dan indertijd bij de gemeentepolitie. De Ministerraad verklaart in de tweede plaats dat de artikelen 13 en 24 van de wet van 3 juli 2005 andere uitgebreide mogelijkheden bevatten om het OGP-brevet te valoriseren. De Ministerraad voert vervolgens aan dat een automatische benoeming van de houders van dat brevet met terugwerkende kracht tot 1 april 2001 een onevenredige maatregel zou zijn. Hij citeert B.41.4 van het arrest nr. 102/2003 en voert in de eerste plaats aan dat die personen opleidingen hebben kunnen volgen die duizenden andere personeelsleden niet hebben kunnen genieten. Vervolgens voert hij aan dat een dergelijke automatische benoeming zou hebben geleid tot een onredelijke versnelling van de loopbaan van de houders van dat brevet die, zonder politiehervorming, nog met honderden zouden zijn geweest, terwijl de geslaagden voor het examen voor de bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris zonder die hervorming in elk geval op zeer korte termijn in die graden zouden zijn benoemd, zodat het verantwoord is dat zij zijn opgenomen in het officierskader van de nieuwe politie. De Ministerraad verwijst in dat opzicht naar het koninklijk besluit van 17 december 1998 « betreffende de bevordering van gerechtelijke agenten bij de parketten tot de graad van gerechtelijk commissaris of van laboratoriumcommissaris ». De Ministerraad voert ten slotte aan dat de retroactieve benoeming van ongeveer achthonderd houders van het OGP-brevet in de graad van commissaris van politie - vrijwel uitsluitend bij de lokale politie - een aanzienlijke impact op de begroting en gevaarlijke gevolgen op het vlak van de organisatie van de politie zou hebben gehad. De Ministerraad verwijst naar de memorie die hij heeft ingediend in de zaken nrs. 3797 tot 3802 en herinnert eraan dat een dergelijke 12 retroactieve benoeming de benoeming zou hebben vereist van bijna drieduizend extra personeelsleden in het officierskader. In dat verband leidt hij uit B.22.2 van het arrest nr. 102/2003 af dat de adjudanten bij de rijkswacht en adjudant-chefs bij de rijkswacht, brigadecommandanten, een opleiding hebben gekregen die gelijkwaardig is aan die van de houders van het OGP-brevet, zodat de voormelde retroactieve benoeming automatisch zou hebben geleid tot die van die adjudanten, die zou hebben geleid tot de benoeming van de adjudanten bij de rijkswacht en adjudant-chefs bij de rijkswacht opgenomen in de weddeschaal M7, alsook tot die van de hoofdinspecteurs eerste klasse van de gemeentepolitie, opgenomen in de weddeschaal M6, en die van de gerechtelijke afdelingsinspecteurs van de gerechtelijke politie die de weddeschalen 2C en 2D genoten, opgenomen in de schalen M5.2 en M7bis. Dergelijke gevolgen zouden in strijd zijn geweest met een van de grondbeginselen van de wet van 3 juli 2005 : de keuze van nieuwe maatregelen die financieel en functioneel draaglijk waren. A.8.2.
  26. De Ministerraad merkt op dat artikel 15 van de wet van 3 juli 2005 onder de agenten van het basiskader geen verschil in behandeling invoert tussen de houders van een universitair diploma en diegenen die geen dergelijk diploma bezitten. Hij is van mening dat het verschil dat artikel 17 van de wet van 3 juli 2005 tussen die twee categorieën invoert - door een anciënniteit van twaalf jaar voor de houders van een universitair diploma te vereisen -, wat de overgang van het basiskader naar het officierskader betreft, berust op een objectief criterium, en dat dat verschil redelijk verantwoord is, gelet op het verschil in opleiding dat een dergelijk diploma inhoudt. Volgens de Ministerraad komt het ter discussie brengen van de voorwaarde inzake kaderanciënniteit bepaald in artikel 17 in zoverre die van toepassing is op de inspecteurs van politie die houder zijn van het OGP- brevet en geen universitair diploma bezitten, neer op het bekritiseren van de voorwaarden inzake het verkrijgen « van het ambt » van commissaris van politie. Hij is echter van mening dat de verzoekende partijen geen belang erbij hebben het discriminerende karakter van dat verschil in behandeling aan te klagen, aangezien de eerste twee verzoekende partijen thans deel uitmaken van het middenkader en de derde verzoekende partij thans beschikt over de vereiste twaalf jaar anciënniteit om via mobiliteit over te gaan naar het officierskader. De Ministerraad verwijst naar B.30.3 van het arrest nr. 102/2003 en voegt ten slotte eraan toe dat het beginsel van de veranderlijkheid van de openbare dienst toestaat dat vroegere regels worden gewijzigd zonder afbreuk te doen aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. A.8.
  27. De verzoekende partijen antwoorden dat hun beroep niet gericht is tegen de verschillen in behandeling die steunen op de anciënniteit of het bezit van een universitair diploma en die voortvloeien uit de artikelen 17 en 19 van de wet van 3 juli
  28. Zij preciseren dat die twee bepalingen volgens hen deel uitmaken van een regeling voor de valorisatie van het OGP-brevet die voorwaardelijk blijft, zodat zij belang erbij hebben die bepalingen te bestrijden. Daarnaast preciseren zij dat de nieuwe bepalingen van de wet van 3 juli 2005 die de voorwaardelijke valorisatie van het OGP-brevet regelen, aantonen dat het bij het arrest nr. 102/2003 veroordeelde verschil in behandeling blijft bestaan. De verzoekende partijen onderstrepen dat het, om toe te treden tot het middenkader en het officierskader overeenkomstig de nieuwe artikelen XII.VI.6bis en XII.VI.8bis RPPol, noodzakelijk is een procedure van mobiliteit te volgen die een selectie omvat in de vorm van een vergelijkend examen, zodat de nieuwe regeling alleen gunstiger is dan de vorige in zoverre zij een extra vrijstelling van opleiding bevat. Zij merken ook op dat een mobiliteitsaanvraag een nieuwe dergelijke aanvraag binnen de daaropvolgende drie jaar onmogelijk maakt en dat de geslaagden voor de selectieproeven voor de bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris die in 2001 automatisch in een hoger kader zijn benoemd, dat recht om een mobiliteitsaanvraag in te dienen, hebben behouden. Volgens de verzoekende partijen houdt een mobiliteitsaanvraag voor de houder van een OGP-brevet bovendien verschillende opofferingen in, zoals de eventuele verandering van een geografische aanstelling of het verlies van een gespecialiseerde betrekking. De verzoekende partijen besluiten dat de benoeming van de houders van dat brevet in het middenkader of in het officierskader voorwaardelijk blijft door de selectieproeven die inherent zijn aan de mobiliteitsprocedure. De verzoekende partijen herinneren eraan dat de geslaagden voor het examen voor de bevordering tot de graad van commissaris of laboratoriumcommissaris op 1 april 2001 een automatische valorisatie van hun diploma hebben genoten in het ambt dat zij bekleden, terwijl uit het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State blijkt dat de « valorisatie » van de OGP-brevetten voorwaardelijk blijft. De verzoekende partijen voeren aan dat het Hof, in zijn arrest nr. 102/2003, heeft erkend dat die twee categorieën van personen met elkaar vergelijkbaar zijn, ondanks de verschillen in de toegang tot de opleiding. Zij herinneren in dat opzicht eraan dat het aantal ambtenaren van de gerechtelijke politie die de opleiding van 13 gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris mogen volgen, niet was vastgesteld op basis van het werkelijke aantal vacante plaatsen, maar op basis van een « voorspelling » van het aantal plaatsen dat op korte of middellange termijn vacant zou kunnen worden verklaard, zodat het aantal geslaagden niet altijd overeenstemde met de werkelijke behoeften van het kader; dat de benoeming van die geslaagden niet automatisch was, maar een kandidatuur en in voorkomend geval een selectie veronderstelde; dat die benoeming bijgevolg in het gedrang kon komen door met name disciplinaire sancties, een nieuwe beroepskeuze of een terbeschikkingstelling om medische redenen; en dat de gemeenten de afwezigheidsattesten uitreikten om de opleidingen te volgen voor het verkrijgen van het OGP-brevet, rekening houdend met het aantal op min of meer lange termijn in te vullen plaatsen van officier, zodat de benoeming van de houders van dat brevet zo goed als verzekerd was. De verzoekende partijen voeren ook aan dat, behoudens in enkele kleine gemeenten, de toewijzing van de vacante posten van het officierskader van de gemeentepolitie werd voorafgegaan door een oproep aan de kandidaten, waarbij die overwegend werden geselecteerd op basis van de anciënniteit, zodat de meeste houders van het voormelde brevet de datum van hun benoeming in het officierskader bijna konden voorzien. De verzoekende partijen merken daarnaast op dat de opleidingen die voorafgingen aan het verkrijgen van dat brevet alleen werden georganiseerd wanneer er een voldoende aantal leerlingen was en dat het bijgevolg gebeurde dat geen enkele opleiding werd georganiseerd. De verzoekende partijen merken ten slotte op dat, volgens de vakverenigingen, er ongeveer tweehonderdvijftig houders van het OGP-brevet zouden zijn; dat er ongeveer achttienduizend voormalige leden van de gemeentepolitie zijn; dat er duizend achthonderd voormalige leden van de gerechtelijke politie zijn en dat tweeënvijftig geslaagden voor het examen voor de bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris een automatische benoeming in het officierskader hebben genoten. De verzoekende partijen zijn van mening dat de drieduizend extra officieren waarnaar de Ministerraad verwijst, de leden omvatten van het middenkader die houder zijn van het brevet van hoofdonderofficier bij de rijkswacht (adjudant en adjudant-chef), wier situatie niet vergelijkbaar is met die van de houders van het OGP- brevet. Zij verwijzen naar A.13.2.5 van het arrest nr. 102/
  29. Zij zijn van mening dat B.22 van dat arrest alleen betrekking heeft op de adjudanten of adjudant-chefs, brigadecommandanten van de rijkswacht. Zij merken ook op dat de auditeur van de Raad van State die belast was met het onderzoek van het beroep tot nietigverklaring van de eerste versie van het RPPol wees op het duidelijke verschil tussen het brevet van hoofdonderofficier bij de rijkswacht - dat slechts een gewone specialisatie was - en het OGP-brevet - dat na een volwaardige opleiding werd uitgereikt -, verschil dat ook voortvloeit uit artikel 47 van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 « houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van de gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graden van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie » dat de vrijstelling voor de officieren bij de rijkswacht niet uitbreidt tot de adjudanten en adjudant-chefs. De verzoekende partijen voeren ook aan dat de opleiding die voorafgaat aan de uitreiking van dat brevet veel uitgebreider is dan die welke de laatstgenoemde personen hebben gevolgd die het brevet van hoofdonderofficier bij de rijkswacht hebben behaald. Zij herinneren ten slotte eraan dat alle soortgelijke brevetten die nog niet zijn gevaloriseerd, « ruimschoots verjaard » zijn, vermits, volgens artikel 28 van het koninklijk besluit van 1 april 1996 « betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht », de geldigheid van het brevet van hoofdonderofficier bij de rijkswacht tot vijf jaar was beperkt. De verzoekende partijen besluiten hieruit dat de automatische benoeming in het officierskader van de houders van het OGP-brevet niet moest leiden tot de vergelijkbare benoeming van alle adjudanten en adjudant-chefs die op een benoeming wachtten. A.8.
  30. De Ministerraad repliceert dat de ingevoerde mobiliteitsprocedure een aanzienlijke stap voorwaarts is voor de houders van het OGP-brevet die voortaan kunnen dingen naar een vacante plaats in het officierskader in heel België. Hij is van mening dat die procedure soepeler en eenvoudiger is dan de « zogeheten procedure van de ‘ sociale promotie ’ ». Hij merkt op dat zij slechts enkele voorwaarden omvat waarin artikel VI.II.21 RPPol voorziet. Voorts onderstreept hij dat die procedure niet voorziet in meerdere eliminerende selectieproeven zoals de « zogeheten procedure van de ‘ sociale promotie ’ », die een werkelijk vergelijkend examen is bestaande uit twee grote fasen, waarbij de eerste de proeven omvat waarin de artikelen VII.II.16 en volgende RPPol voorzien, en de tweede de fase is waarin de geslaagde voor het vergelijkend examen voor de sociale promotie via mobiliteit dingt naar een vacante betrekking die overeenstemt met zijn nieuwe graad. A.8.5.
  31. De tussenkomende partijen zijn van mening dat de wetgever, overeenkomstig B.41.4 van het arrest nr. 102/2003, enerzijds, heeft aangetoond dat de verschillen tussen de voorwaarden voor het verkrijgen van het OGP-brevet en de proeven die leiden tot de bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris het door de verzoekende partijen aangeklaagde verschil in behandeling verantwoorden en, anderzijds, dat brevet voldoende heeft « gevaloriseerd ». 14 De tussenkomende partijen voeren aan dat het bezit van dat brevet niet volstond om tot officier van de gemeentepolitie te worden benoemd. Zij preciseren dat elke gemeente specifieke selectiecriteria vaststelde en dat de gemeenteraad aan de Koning twee personen voordroeg, terwijl de burgemeester een derde persoon kon voordragen. Zij leggen in dat verband een oproep tot kandidaatstelling van een gemeente voor. Zij merken op dat het slagen voor de proeven met het oog op de bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris een voorwaarde was die volstond voor de bevordering tot die graden. De tussenkomende partijen merken ook op dat de officieren bij de rijkswacht, de onderofficieren bij de rijkswacht die geslaagd waren voor het examen van officier bij de rijkswacht en de geslaagden voor het examen van gerechtelijk officier bij de parketten waren vrijgesteld van het bezit van het OGP-brevet om te worden benoemd tot commissaris of adjunct-commissaris van de gemeentepolitie, terwijl het bezit van dat brevet geen vrijstelling inhield van de selectieproeven voor het examen van officier bij de rijkswacht of gerechtelijk officier. Daarnaast zijn zij van mening dat de opleiding die voorafgaat aan de uitreiking van het OGP-brevet niet vergelijkbaar is met de proeven die worden georganiseerd met het oog op de bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris. De tussenkomende partijen voegen eraan toe dat elke provincieschool jaarlijks tientallen OGP-brevetten uitreikte, zodat, gelet op het jaarlijks vereiste aantal officieren, talrijke houders van dat brevet werden gepensioneerd of de politie hebben verlaten zonder het ooit te hebben kunnen laten valoriseren. Zij merken ook op dat de bevorderingen tot officier van de gemeentepolitie niet waren voorbehouden aan de leden van dat politiekorps. Zij merken op dat de proeven met het oog op de bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris daarentegen alleen indien nodig werden georganiseerd en dat zij werden voorbehouden aan de leden van de gerechtelijke politie bij de parketten. A.8.5.
  32. De tussenkomende partijen preciseren dat de benoeming van een houder van het OGP-brevet in het officierskader, dankzij de bestreden wet, op dezelfde wijze is geregeld als de toegang tot elke andere betrekking zonder vergelijkend examen. Zij merken op dat het niveau van de graad van adjunct-commissaris van de gemeentepolitie varieerde tussen 1 en 2 naar gelang van de « klasse » van de gemeente, terwijl de geslaagden voor het examen voor de bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris in het middenkader afkomstig waren uit niveau 2+. Zij voegen eraan toe dat, onder de categorieën van personen waarnaar de verzoekende partijen verwijzen, alleen de voormelde personen waren geslaagd voor een examen van niveau
  33. Zij merken op dat het brevet van officier van de gemeentepolitie geen diploma of getuigschrift is dat wordt aanvaard voor de aanwerving in het niveau 1 van de federale administratie. Zij verwijzen ten slotte naar B.26.3 van het arrest nr. 102/
  34. Zij herinneren eraan dat geen enkele categorie van het personeel van de voormalige politiekorpsen « twee- kadersprongen » heeft genoten. A.8.5.
  35. De tussenkomende partijen besluiten dat het OGP-brevet een wetenschappelijke voorbereiding op de functies van officier van de gemeentepolitie erkent die voor elkeen openstaat, terwijl de proeven die worden georganiseerd voor de bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris iets hebben van een aanwerving van officieren van rang 10, die openstaat voor bepaalde leden van de gerechtelijke politie. Zij merken op dat de officieren van de gemeentepolitie werden opgeleid alvorens eventueel te worden aangeworven, terwijl de geslaagden voor de voormelde bevorderingsproeven werden aangeworven alvorens te worden opgeleid. A.8.
  36. De verzoekende partijen verwijzen naar B.41.5.2 van het arrest nr. 102/2003 en antwoorden aan de tussenkomende partijen dat de situatie van de houder van het OGP-brevet vergelijkbaar is met die van de geslaagde voor het examen voor de bevordering tot de graad van gerechtelijk commissaris of laboratoriumcommissaris. Zij leiden uit artikel 18 van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 af dat de opleiding die wordt gevolgd met het oog op het behalen van het OGP-brevet, was gelijkgesteld met niveau
  37. Zij verklaren dat de overgrote meerderheid van de steden de oproep tot kandidaatstelling voor de posten van officier beperkte tot de leden van het korps van de gemeentepolitie, wat tot gevolg had dat alle houders van het OGP-brevet, waarvan zij het aantal relativeren, zeker waren van een benoeming. 15 Daarnaast merken zij op dat de geslaagden voor het voormelde bevorderingsexamen ook moesten wachten totdat een plaats vrijkwam alvorens te worden bevorderd, zodat sommigen mogelijk de politie hadden verlaten alvorens het slagen voor dat examen te hebben kunnen laten valoriseren. De verzoekende partijen onderstrepen dat de voorwaardelijke valorisatie die uit de nieuwe wet voortvloeit, onderworpen blijft aan een bevordering via mobiliteit die op zich een werkelijk vergelijkend examen vormt. Ten aanzien van de tweede discriminatie A.9.
  38. De verzoekende partijen bekritiseren de nieuwe artikelen XII.IV.6, § 1, 1°, en § 2, 1°, XII.VI.6bis, XII.VI.8bis en XII.VII.11bis RPPol - respectievelijk ingevoegd bij de artikelen 13, 15, 17 en 19 van de wet van 3 juli 2005 - in zoverre zij de houder van het brevet van hoofdonderofficier bij de rijkswacht op dezelfde wijze behandelen als de houder van het OGP-brevet. De verzoekende partijen voeren aan dat die gelijke behandeling de houder van dat brevet benadeelt, vermits die hem op onverantwoorde wijze in concurrentie doet treden met personen die houder zijn van een lager diploma. De verzoekende partijen voeren daarnaast aan dat het verschil in behandeling dat artikel XII.VII.16, eerste lid, RPPol - zoals vervangen bij artikel 24 van de wet van 3 juli 2005 - invoert tussen de houder van het brevet van hoofdonderofficier bij de rijkswacht die deel uitmaakt van het middenkader en de houder van het OGP- brevet die deel uitmaakt van het basiskader, discriminerend is, in zoverre de laatstgenoemde uitgesloten is van het voordeel van de door die bepaling ingevoerde voorbehouden quota. Zij zijn van mening dat het verschil in behandeling dat voortvloeit uit het nieuwe artikel XII.VII.16, eerste lid, RPPol afbreuk doet aan de perspectieven van valorisatie van de eerste en de derde verzoekende partij. De verzoekende partijen zetten uiteen dat het OGP-brevet niet evenwaardig is aan dat van hoofdonderofficier bij de rijkswacht, gelet op de aard zelf van de verleende opleidingen en de toegangsvoorwaarden ervan. In dat verband merken zij op dat alleen de officieren bij de rijkswacht de vrijstelling genoten waarin artikel 47 van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 voorziet. Zij merken ook op dat, volgens het verslag van de auditeur van de Raad van State die belast was met het onderzoek van de vordering tot schorsing van het RPPol, ingesteld door de eerste twee verzoekende partijen, de twee voormelde brevetten klaarblijkelijk verschillend zouden zijn opgevat. De verzoekende partijen merken ten slotte op dat de houder van het OGP-brevet « op nuttige wijze kon dingen » naar een betrekking van niveau 1 bij de gemeentelijke administratie, terwijl het brevet van hoofdonderofficier bij de rijkswacht geen toegang verleende tot enige bestuurlijke betrekking van dat niveau. A.9.
  39. De Ministerraad antwoordt dat de identieke behandeling van de houder van het brevet van hoofdonderofficier bij de rijkswacht en de houder van het OGP-brevet niet kennelijk onredelijk is, gelet op het gezag van gewijsde « dat die gelijkenis dekt ». Hij is van mening dat de verzoekende partijen de gevolgen van andere overgangsbepalingen aanklagen, in zoverre zij « hun eigen valorisatieregels volledig zouden ondermijnen », veeleer dan de aard zelf van de regels inzake de valorisatie van hun OGP-brevet. De Ministerraad leidt uit B.24.3.2 van het arrest nr. 102/2003 af dat de twee voormelde categorieën gelijk moeten worden behandeld. Hij is van mening dat het Hof in B.22.2 van datzelfde arrest heeft erkend dat de adjudant en de adjudant-chef, brigadecommandant van de rijkswacht, rechtstreeks tot officier konden worden benoemd. Hij leidt hieruit af dat de houder van het brevet van hoofdonderofficier bij de rijkswacht een opleiding heeft gevolgd die vergelijkbaar is met die van de houder van het OGP-brevet, zodat zij dezelfde valorisatiemogelijkheden kunnen genieten. A.9.
  40. De verzoekende partijen zijn van mening dat het Hof in B.24.3.2 van het arrest nr. 102/2003 het gewettigde karakter van de gelijke behandeling van beide categorieën van personen niet heeft aanvaard. Daarnaast preciseren zij dat de functies van adjudant en adjudant-chef bij de rijkswacht niet kunnen worden gelijkgesteld met de hoedanigheid van brigadecommandant en merken zij op dat een adjudant of een adjudant- chef die geen brigadecommandant was, niet in het officierskader moest worden opgenomen. 16 Ten aanzien van de derde discriminatie A.10.
  41. De verzoekende partijen voeren een discriminatie aan tussen de houder van het OGP-brevet en de adjudant bij de rijkswacht of de adjudant-chef bij de rijkswacht, brigadecommandant. Zij verklaren dat die laatstgenoemden automatisch zijn opgenomen in het officierskader, met toepassing van artikel XII.II.25 RPPol, terwijl de nieuwe bepalingen die in dat RPPol zijn ingevoegd bij de wet van 3 juli 2005, alleen voorzien in een « voorwaardelijke valorisatie » van het voormelde brevet, en bovendien alleen naar het rechtstreeks hogere kader, vermits de leden van het basiskader eerst moeten overgaan naar het middenkader om te kunnen dingen naar de functies van het officierskader. De verzoekende partijen leiden uit artikel 47 van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 af dat de hoofdonderofficieren bij de rijkswacht - adjudanten en adjudant-chefs - die officier van de gemeentepolitie wensten te worden, de met die functie overeenstemmende opleiding moesten volgen en het overeenstemmende brevet moesten behalen, zelfs al waren zij brigadecommandant. Zij besluiten hieruit dat die commandanten zich in een lagere positie bevonden dan de houders van het OGP-brevet. Zij voegen eraan toe dat die commandanten, die zich bevonden in een hiërarchisch gezien lagere positie dan een officier bij de rijkswacht, gelet op de gelijkwaardigheid tussen een officier bij de rijkswacht en een officier van de gemeentepolitie die wordt erkend in artikel 47 van het koninklijk besluit van 25 juni 1991, zich ook bevonden in een lagere positie dan de officieren van de gemeentepolitie. De verzoekende partijen vragen zich af waarom de hoedanigheid van brigadecommandant van de rijkswacht een voordeligere opname in de nieuwe politie verantwoordt dan die welke is voorbehouden aan de houder van het OGP-brevet, terwijl dat diploma meer waarde heeft dan dat van de adjudanten of adjudant-chefs. A.10.
  42. De Ministerraad is van mening dat de overdreven valorisatie van het OGP-brevet door de verzoekende partijen onevenredig en onverantwoord is. Daarnaast merkt hij op dat op grond van artikel XII.VI.8bis RPPol, ingevoegd bij artikel 17 van de wet van 3 juli 2005, niet kan worden aangevoerd dat een lid van het basiskader altijd eerst moet overgaan naar het middenkader om te kunnen toetreden tot het officierskader. Hij herinnert ten slotte eraan dat, volgens B.22 en B.35.4.3 van het arrest nr. 102/2003, de opname van de adjudant en de adjudant-chef bij de rijkswacht, brigadecommandanten, in het officierskader, om reden dat zij een brigade leidden die gelijkwaardig was aan de basispolitie-eenheden die door officieren-korpschefs van de gemeentepolitie werden geleid, een maatregel is die overeenstemt met de doelstellingen van de hervorming en die niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de rechten van de verzoekende partijen die geen dergelijke leidinggevende functies uitoefenden. Volgens de Ministerraad zou het gezag van gewijsde « dat die gelijkenis van behandeling dekt » het aangeklaagde verschil in behandeling verantwoorden. A.10.
  43. De verzoekende partijen repliceren dat het Hof, in het arrest nr. 102/2003, niet heeft verklaard dat de houder van het OGP-brevet zich bevindt in een situatie die dermate verschillend is van die van de brigadecommandant van de rijkswacht dat diens verschillende behandeling niet discriminerend is. Zij betwisten niet de opname van de brigadecommandant in het officierskader, maar veeleer de ontstentenis van een dergelijke opname voor de houder van het OGP-brevet. De verzoekende partijen onderstrepen de grote verwantschap van de aard en de inhoud van de functie van brigadecommandant en die van officier van de gemeentepolitie. Zij zijn van mening dat de houder van het OGP- brevet in de praktijk de zekerheid had de overeenstemmende functie op termijn uit te oefenen, zodat het gewettigd was met die toekomstige benoeming rekening te houden om hem in het officierskader op te nemen. De verzoekende partijen merken op dat een dergelijke inaanmerkingneming van een toekomstige benoeming wordt aangevoerd om de opname van de gerechtelijk commissaris en van de laboratoriumcommissaris van de gerechtelijke politie in het officierskader te verantwoorden. Ten aanzien van de vierde discriminatie A.11.
  44. De verzoekende partijen bekritiseren het verschil in behandeling tussen de houder van een OGP- brevet en de kandidaat-officieren bij de rijkswacht bedoeld in artikel XII.XI.43, § 2, 4° tot 7°, RPPol. Zij verklaren dat die laatstgenoemden automatisch zijn opgenomen in het officierskader, met toepassing van 17 artikel XII.II.25 RPPol, terwijl alleen is voorzien in een « voorwaardelijke valorisatie » van het voormelde brevet. De verzoekende partijen merken op dat, volgens artikel XII.XI.43, § 2, 4° tot 7°, RPPol, die niet- gediplomeerde kandidaat-officieren bij de rijkswacht slechts zijn aangesteld in de graad die hun is toegekend bij de inwerkingtreding van het RPPol, in afwachting dat zij hun opleiding met succes voltooien. Zij leiden hieruit af dat, bij de politiehervorming, de benoemingsprocedure niet aan de gang was. Zij merken vervolgens op dat, hoewel vóór de politiehervorming noch de houder van het OGP-brevet, noch de kandidaat-officier bij de rijkswacht in het officierskader waren benoemd, de eerstgenoemde zijn opleiding van officier reeds met succes had voltooid, terwijl de laatstgenoemde die opleiding nog niet had voltooid. Zij preciseren ook dat die laatstgenoemde de in artikel 47 van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 bepaalde vrijstelling niet genoot, zodat hij, om tot officier van de gemeentepolitie te worden benoemd, de overeenstemmende opleiding met succes moest voltooien. A.11.
  45. De Ministerraad is van mening dat, gelet op het gezag van gewijsde van B.41.4 van het arrest nr. 102/2003 - waarmee het Hof het vermeende verschil in behandeling reeds niet discriminerend zou hebben bevonden -, de aangevoerde discriminatie « onontvankelijk » is. Voor het overige is hij van mening dat dat verschil in behandeling niet discriminerend is. Uit artikel 27, eerste lid en vierde lid, eerste zin, van de wet van 27 december 2000 « houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten » leidt hij af dat de kandidaat-officier bij de rijkswacht zich op het ogenblik van de politiehervorming bevond in een situatie die niet vergelijkbaar was met en fundamenteel verschilde van die van de houder van het OGP-brevet. Hij preciseert dat die kandidaat tijdens zijn opleiding was aangesteld in een graad van officier en een weddeschaal genoot die met die graad overeenstemde, terwijl de houder van het OGP-brevet ressorteerde onder het basiskader of het middenkader en een aan zijn graad verbonden weddeschaal genoot. De Ministerraad voegt eraan toe dat artikel 27 van de wet van 27 december 2000 zou worden toegepast op de houder van dat brevet die betrokken was bij een bevorderingsprocedure die aan de gang was op het ogenblik van de politiehervorming, zodat hij, in voorkomend geval, tot officier had kunnen worden benoemd. Het verschil in behandeling zou bovendien te wijten zijn aan het verschil tussen het statuut van de rijkswacht en dat van de gemeentepolitie, waarbij het eerste bepaalde dat de aspirant ambtshalve werd benoemd in het officierskader zodra hij slaagde voor de basisopleiding, terwijl het tweede niet voorzag in de automatische benoeming van de houder van het OGP-brevet. A.11.
  46. De verzoekende partijen repliceren dat B.41.4 van het arrest nr. 102/2003 geen betrekking heeft op de grondwettigheid van het bekritiseerde verschil in behandeling. Zij herinneren ten slotte eraan dat de toegang tot de opleiding van officier van de gemeentepolitie in de praktijk afhing van de toestemming van de korpschef die rekening hield met de noden van de dienst. Ten aanzien van de vijfde discriminatie A.12.
  47. De verzoekende partijen bekritiseren de artikelen 28 tot 32 van de wet van 3 juli 2005 in zoverre zij de houder van het OGP-brevet en de hoofdinspecteurs van politie die, op 1 april 2001, de weddeschalen M5.2, M6, M7 of M7bis genieten, verschillend behandelen. Zij onderstrepen dat die laatstgenoemden een automatische bevordering in het officierskader genieten, alleen op basis van het kader waarin zij zich bevonden en van de situatie van hun weddeschaal op 1 april 2001, los van hun opleiding en hun diploma’s, terwijl de houder van het OGP-brevet slechts een hypothetische en voorwaardelijke toegang tot het officierskader heeft, ondanks de opleiding die hij met succes heeft voltooid en de verworven bekwaamheden om op termijn het ambt van officier uit te oefenen. De verzoekende partijen vragen zich af waarom de wetgever een feitelijke situatie bevoordeelt ten opzichte van bekwaamheden die specifiek zijn verworven in het kader van een gerichte opleiding. De verzoekende partijen merken op dat het statuut in beginsel « uniek en ondeelbaar » is en vragen zich ook af waarom een lid van het middenkader dat op basis van dat brevet is benoemd en de weddeschaal M1 geniet, de bevordering van de « rode loper » niet geniet, terwijl andere leden van dat kader die de weddeschalen M5.2, M6, M7 en M7bis genieten wel een automatische benoeming zonder bijzondere diplomavoorwaarde genieten, en dit uitsluitend op basis van een vroegere positie in de weddeschaal die niet langer bestaat sinds de opheffing ervan vijf jaar eerder. 18 De verzoekende partijen zijn ook van mening dat rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van die « bevorderingen van de rode loper » voor het kader. De personen die deze genieten, zouden « zonder mobiliteit en in een te groot aantal » worden benoemd, zodat geen enkele plaats zal openstaan zolang er te veel ambtenaren, en dus « buiten het kader », worden bevorderd. Hieruit vloeit volgens de Ministerraad voort dat de houder van het OGP-brevet de positieve gevolgen van de wet van 3 juli 2005 pas na verschillende jaren zal voelen, terwijl die wet rechtstreekse en versnelde bevorderingen toekent aan andere categorieën van personeelsleden. A.12.
  48. De Ministerraad preciseert in zijn antwoord eerst dat, zoals uit artikel XII.VII.19, eerste lid, RPPol blijkt, de begunstigde van de procedure van de « rode loper » in zijn eigen betrekking zal worden benoemd en dus niet de plaats inneemt van de personeelsleden die, bijvoorbeeld, « een beroep doen op de mobiliteit », vermits de benoemingen « buiten het kader » gebeuren. De Ministerraad is van mening dat de verschillende behandeling van de houder van het OGP-brevet zoals die voortvloeit uit de artikelen 28 tot 31 van de wet van 3 juli 2005, verantwoord is. Hij herinnert eraan dat de vernietiging van artikel XII.VII.17 RPPol met het arrest nr. 102/2003 de wetgever heeft geplaatst voor een dilemma dat hij heeft opgelost door ieders rechten op een dergelijke bevordering te vrijwaren door het toepassingsgebied ervan uit te breiden tot de gerechtelijke afdelingsinspecteurs die een hoge weddeschaal genieten, behoudens nieuwe uitvoeringsvoorwaarden die op alle begunstigden van een dergelijke bevordering van toepassing zijn. De Ministerraad is van mening dat het verschil in behandeling redelijk verantwoord is. Hij onderstreept dat de procedure van de « rode loper » hoofdzakelijk de personeelsleden van de hogere middenkaders van de vroegere politiekorpsen beoogt die, door hun grote anciënniteit, beschikten over een ervaring die dicht aanleunde bij die van de personeelsleden die in het officierskader zijn benoemd. Hij voegt eraan toe dat dat voordeel niet kon worden voorbehouden aan de houder van het OGP-brevet, noch aan de houder van het brevet van hoofdonderofficier bij de rijkswacht, maar stelt vast dat een hoofdinspecteur van de gemeentepolitie, die de weddeschaal M6 geniet en houder is van dat brevet, van die procedure gebruik kan maken. De Ministerraad besluit hieruit dat niet op grond van het brevet wordt bepaald wie die procedure kan genieten, maar wel op grond van hun anciënniteit en het niveau van de ervaring die zij hebben opgedaan als lid van het hoger middenkader van het oorspronkelijk korps. De Ministerraad verwijst in dat opzicht naar B.34.3.2 van het arrest nr. 102/
  49. Hij voegt eraan toe dat de artikelen XII.VI.6bis en XII.VI.8bis RPPol - ingevoegd bij de artikelen 15 en 17 van de wet van 3 juli 2005 - de houder van het OGP-brevet andere mogelijkheden bieden om tot het officierskader toe te treden. Ten slotte is de Ministerraad van mening dat de opleiding tot officier van de gemeentepolitie niet kan worden vergeleken met de « op het terrein » opgedane ervaring die is vereist om « de rode loper » te genieten. A.12.
  50. De verzoekende partijen vragen zich af waarom de wetgever meer waarde hecht aan de jaren ervaring in het middenkader van een oorspronkelijk politiekorps dan aan een specifieke opleiding tot officier. Zij voeren aan dat de wijze waarop de Ministerraad de gevolgen van de op grond van de procedure van de « rode loper » uitgevoerde benoemingen voorstelt, geen rekening houdt met de praktijk binnen de lokale politie. Zij merken op dat een begunstigde van die procedure, van bij zijn benoeming, taken en functies uitoefent die verband houden met zijn nieuwe graad, zodat de natuurlijke vertrekken niet zullen worden gecompenseerd zolang het kader niet wordt herzien « op zijn nominale waarde ». Die nieuwe aanstelling zou het voorrecht zijn van de korpschef die daarvan gebruik moet maken op een wijze die het meest aangepast is aan de rationele werking van het politiekorps dat hij bestuurt. Volgens de verzoekende partijen stellen de begunstigden van die procedure « aldus elke openingstelling van een plaats uit, vermits zij te groot in aantal zijn en eerst zullen moeten verdwijnen alvorens het officierskader vrije plaatsen telt die via mobiliteit kunnen worden ingevuld ». Ten aanzien van de zesde discriminatie A.13.1.
  51. De verzoekende partijen voeren ten slotte een discriminatie aan ten aanzien van de « aangestelde agenten ». A.13.1.
  52. Zij merken in de eerste plaats op dat artikel XII.IV.7 RPPol - ingevoegd bij artikel 14 van de wet van 3 juli 2005 - de discriminatie grotendeels laat bestaan die het Hof ertoe heeft gebracht, met het arrest nr. 102/2003, de artikelen XII.VII.21 en XII.VII.22 RPPol te vernietigen (B.32.3.2 en B.32.3.3). 19 De verzoekende partijen herinneren eraan dat de tweede verzoekende partij bij de Raad van State, op grond van artikel 18 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, een beroep heeft ingesteld tot nietigverklaring van het ministerieel besluit van 14 november 2001 « tot aanwijzing van bepaalde personeelsleden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken die naar het administratief en logistiek kader van de federale politie overgaan en houdende de graad- en loonschaaltoewijzing aan bepaalde personeelsleden van de federale politie », aangenomen ter uitvoering van artikel XII.VII.21 RPPol. Zij merken ook op dat, in het kader van het onderzoek van dat beroep, de Staat heeft gepreciseerd dat het Hof die bepaling niet als dusdanig had vernietigd, maar alleen in zoverre het toepassingsgebied ervan niet is uitgebreid tot de leden van de gemeentepolitie die equivalente recherchefuncties uitoefenen. De verzoekende partijen merken op dat de wet van 3 juli 2005 artikel XII.VII.21 RPPol nochtans niet in die zin wijzigt, zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State dat suggereerde. De verzoekende partijen merken op dat de in artikel XII.VII.21 RPPol beoogde personeelsleden, in tegenstelling tot de in het nieuwe artikel XII.IV.7 RPPol beoogde personen, zijn aangesteld in de graad van hoofdinspecteur van politie, de functies uitoefenen die zijn verbonden aan het middenkader en de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, zonder dat te moeten aanvragen of een opleiding te volgen. Zij merken ook op dat de opleiding van de bewakings- en opsporingsbrigades van de rijkswacht oorspronkelijk nochtans geen toegang tot die hoedanigheid verleende. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de in het nieuwe artikel XII.IV.7 RPPol beoogde opleiding niet bestaat en dat er tot in 2007 een overvloed is aan kandidaten voor de basisopleiding tot rechercheur, waardoor de termijn kan worden geëvalueerd die zal verlopen alvorens de opleiding tot officier van gerechtelijke politie is vastgesteld en wordt georganiseerd. A.13.1.
  53. Daarnaast stellen de verzoekende partijen vast dat artikel XII.VII.15bis RPPol - ingevoegd bij artikel 22 van de wet van 3 juli 2005 - aan de personeelsleden van het basiskader die met toepassing van artikel XII.VII.21 RPPol zijn aangesteld, mogelijkheden biedt die niet worden toegekend aan de personeelsleden die worden beoogd in het nieuwe artikel XII.IV.7 RPPol. Zij zijn van mening dat artikel 22 van de wet van 3 juli 2005 een maatregel is die ertoe strekt de regularisatie van de situatie van de aangestelde personen te bevorderen door hun benoeming mogelijk te maken vóór de nietigverklaring van die aanstellingen door de Raad van State, en dat dat doel verklaart waarom het toepassingsgebied van artikel XII.VII.21 RPPol niet is uitgebreid. A.13.1.
  54. De verzoekende partijen betwisten bovendien de grondwettigheid van het verschil in behandeling dat wordt gemaakt door artikel 5bis van de wet van 26 april 2002 « houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten » - ingevoegd bij artikel 42 van de wet van 3 juli 2005 - tussen de personeelsleden van het basiskader en van het middenkader, naargelang zij zijn aangewezen voor een betrekking bij de algemene directie Gerechtelijke Politie van de federale politie (DGJ) of bij een opsporings- en recherchedienst van de lokale politie. Zij hebben vragen bij de verantwoording van de bevoegdheid van de gemeenteraad of de politieraad om te beslissen over de toekenning van de titel van rechercheur aan de laatstgenoemden, doordat die titel wordt gebruikt bij de uitoefening van functies met een uitsluitend gerechtelijke draagwijdte. De verzoekende partijen zijn van mening dat de vereiste van een beslissing van de gemeenteraad of van de politieraad niet verenigbaar is met de uniciteit van het statuut, verkondigd in de artikelen 119 tot 122 van de wet van 7 december 1998 « tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus », en dat het verschil in behandeling dat daaruit voortvloeit niet objectief en redelijk verantwoord is. Zij onderstrepen dat die vereiste een groot gevaar voor verwarring met zich meebrengt, vermits de keuze van de lokale overheden tot gevolg zal hebben dat in een politiezone een titel wordt toegekend aan personen die zich bevinden in dezelfde situatie als een persoon van een andere zone die die titel niet zal kunnen dragen. De verzoekende partijen voegen eraan toe dat de « lokale rechercheurs », in tegenstelling tot de « federale rechercheurs », hun hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, en hun « hypothetische aanstelling » verliezen wanneer zij hun opsporings- en recherchedienst van de lokale politie verlaten voor een GDA, een andere lokale politie of een andere dienst van hun eigen zone. A.13.1.
  55. De verzoekende partijen merken daarnaast op dat artikel XII.VII.15 RPPol - zoals vervangen bij artikel 21 van de wet van 3 juli 2005 - een verschil in behandeling invoert tussen het lid van het basiskader dat houder is van het OGP-brevet en het lid van het basiskader dat wordt aangesteld in de graad van hoofdinspecteur van politie op basis van artikel XII.VII.26 RPPol. 20 De verzoekende partijen zijn van mening dat het nieuwe artikel XII.VII.15, 5°, RPPol artikel XII.VII.26, vierde lid, RPPol tegenspreekt, vermits het aan de daarin beoogde personeelsleden een specifieke voorrang toekent die verbonden is aan hun aanstelling in het middenkader, terwijl zij blijven deel uitmaken van het basiskader en hun statuut overeenkomstig die inschaling is bepaald. De verzoekende partijen vragen zich af hoe de aanstelling in het middenkader die voorrang verantwoordt, die niet is toegekend aan het lid van het basiskader dat houder is van het OGP-brevet. Zij onderstrepen in dat verband dat die aanstelling, verbonden aan hun aanwezigheid binnen een GDA, verloren gaat indien zij vertrekken naar een andere federale of lokale dienst. De verzoekende partijen beweren dat artikel XII.VII.15 RPPol tot doel heeft de situatie van de begunstigden van die aanstellingen « in hun betrekking » zo snel mogelijk te regulariseren als beloning of erkenning van de tijd gedurende welke zij die functies hebben uitgeoefend. Zij verwijzen in dat verband naar de memorie van toelichting van het wetsontwerp dat de wet van 3 juli 2005 is geworden. Zij zijn van mening dat die bepaling geen enkel verband houdt met het arrest nr. 102/2003 en dat het gaat om een specifieke regularisatiemaatregel die, door snelle benoemingen, afbreuk doet aan de doeltreffendheid van de maatregelen inzake de voorwaardelijke « valorisatie » van het OGP-brevet. De verzoekende partijen verklaren dat de in artikel XII.VII.15 RPPol vervatte maatregel het lid van het basiskader benadeelt dat het ambt van rechercheur bij de lokale politie uitoefent en dat, in die hoedanigheid, een aanstelling in het middenkader wordt geweigerd. Die persoon zou worden benadeeld ten opzichte van het personeelslid van het basiskader dat in het middenkader is aangesteld, vermits hij, in tegenstelling tot de laatstgenoemde, geen ervaring in dat laatste kader zal kunnen aanvoeren. De verzoekende partijen merken ook op dat de in artikel XII.VII.15, 5°, RPPol bedoelde aanstellingen zijn « uitgehold », vermits een aanstelling in de regel niet meer is dan een tijdelijke en functionele invulling van een betrekking in afwachting van de benoeming van een « regelmatige kandidaat » en dat die bepaling het aangestelde lid van het basiskader in staat stelt « te dingen naar [zijn] eigen betrekking, die niet opnieuw zal worden opengesteld via externe mobiliteit en dus niet toegankelijk zal zijn » voor het lid van het basiskader, situatie waarin de verzoekende partijen zich bevinden. A.13.1.
  56. Volgens de verzoekende partijen behandelt artikel XII.VII.15ter RPPol - ingevoegd bij artikel 23 van de wet van 3 juli 2005 - het personeelslid dat is aangesteld in de graad van hoofdinspecteur van politie met toepassing van artikel XII.VII.26, tweede lid, RPPol anders dan het personeelslid van het basiskader dat houder is van het OGP-brevet. De verzoekende partijen voeren aan dat artikel XII.VII.15ter RPPol beantwoordt aan dezelfde doelstellingen als artikel XII.VII.15 RPPol en, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in verband met die laatste bepaling, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Zij vergelijken die wetsbepaling met de maatregelen waarin de artikelen 13, 15 en 17 van de wet van 3 juli 2005 voorzien voor het personeelslid van het basiskader dat houder is van het OGP-brevet. Zij voegen eraan toe dat alleen de ervaring opgedaan door het aangestelde personeelslid dat wordt beoogd in artikel XII.VII.15ter RPPol op zich het voordeel niet kan verantwoorden dat hem wordt toegekend en dat het personeelslid dat een opleiding voor de toekomstige officieren met succes heeft voltooid, niet kan genieten. A.13.1.
  57. Volgens de verzoekende partijen voeren de artikelen XII.VII.16bis, XII.VII.16ter en XII.VII.16quater RPPol - respectievelijk ingevoegd bij de artikelen 25, 26 en 27 van de wet van 3 juli 2005 - een discriminerend verschil in behandeling in tussen, enerzijds, het personeelslid dat is aangesteld in de graad van commissaris van politie beoogd in de artikelen XII.VII.23 en XII.VII.23bis RPPol, het personeelslid dat is aangesteld in de graad van commissaris van politie beoogd in de artikelen XII.VII.24 en XII.VII.26 RPPol en het personeelslid dat is aangesteld in de graad van afdelingscommissaris van politie, met toepassing van de artikelen XII.VII.25 en XII.VII.26 RPPol, en, anderzijds, het personeelslid van het basiskader dat houder is van het OGP-brevet. De verzoekende partijen voeren aan dat de artikelen XII.VII.16bis, XII.VII.16ter en XII.VII.16quater RPPol op geen enkele objectieve en redelijke verantwoording berusten, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in verband met artikel XII.VII.15ter RPPol. Zij voegen eraan toe dat de ambtenaren die eerder zijn aangesteld binnen de lokale gemeentepolitie - de waarnemende inspecteurs en commissarissen - bij de politiehervorming geen aanstelling hebben genoten, vermits zij rechtstreeks in hun kader en in hun oorspronkelijke graad zijn opgenomen, zonder dat met hun functionele positie rekening is gehouden. 21 A.13.2.
  58. In verband met de functionele titel van rechercheur wijst de Ministerraad in de eerste plaats erop dat de artikelen 37, 3°, 40 en 42 van de wet van 3 juli 2005 verband houden met de artikelen XII.VII.21 en XII.VII.22 RPPol die door het arrest nr. 102/2003 zijn vernietigd. Hij preciseert dat de titel van « rechercheur » zowel door het lid van het basiskader als door het lid van het middenkader kan worden gedragen, teneinde rekening te houden met de motieven van die vernietiging. In dat verband verwijst hij naar artikel XII.IV.7 RPPol - ingevoegd bij artikel 14 van de wet van 3 juli 2005 - dat aan het lid van het basiskader van een opsporings- en recherchedienst van de lokale politie het recht toekent om, zoals alle andere leden van de gerechtelijke diensten, de hoedanigheid te verkrijgen van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings - hoedanigheid die het essentiële element vormt voor de personeelsleden die in een gerechtelijke eenheid werken. De Ministerraad leidt hieruit af dat er geen discriminatie bestaat tussen de personeelsleden van de gerechtelijke diensten, vermits de lokale benoemende overheid niet kan weigeren die hoedanigheid toe te kennen. Hij voegt eraan toe dat artikel XII.IV.7 RPPol zal bijdragen tot de verbetering van het personeelsbeheer en tot een werking van de politie die beter tegemoetkomt aan de verwachtingen van de hoofden en personeelsleden van de gerechtelijke diensten. De Ministerraad onderstreept vervolgens dat de regel vervat in artikel XII.IV.7 RPPol niet moet worden verward met die in artikel 5bis van de wet van 26 april
  59. Hij preciseert dat de personeelsleden die de DGJ verlaten, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, verliezen, alsook hun aanstelling in de graad van hoofdinspecteur van politie, zodat er op dat vlak geen discriminatie bestaat tussen de federale gerechtelijke diensten en de lokale gerechtelijke diensten. Ten slotte is de Ministerraad van mening dat het verschil in behandeling dat artikel 5bis van de wet van 26 april 2002 invoert tussen de personeelsleden van het basiskader en van het middenkader, naargelang zij zijn aangewezen voor een betrekking binnen de DGJ of binnen een opsporings- en recherchedienst van de lokale politie, niet discriminerend is. Hij voert aan dat de onderliggende doelstelling van die bepaling erin bestaat zowel aan de federale overheid als aan de lokale overheden de zorg over te laten om te beslissen over de toekenning van de functionele titel van rechercheur. Hij voert aan dat de federale wetgever met die bepaling rechtstreeks gebruik heeft gemaakt van die mogelijkheid door die titel toe te kennen aan de betrokken personeelsleden van de federale politie. A.13.2.
  60. De Ministerraad merkt op dat artikel XII.VII.15 RPPol - zoals vervangen bij artikel 21 van de wet van 3 juli 2005 - de andere brevetten die de leden van het basiskader in de vroegere politiekorpsen hebben behaald, gelijktijdig valoriseert. Hij voert aan dat die bepaling aan hen betrekkingen voorbehoudt « via selectieproeven in het kader van de sociale promotie, alsook een gedeeltelijke vrijstelling van de opleiding ». De Ministerraad onderstreept dat de houder van het OGP-brevet de in de artikelen 15 en 17 van de wet van 3 juli 2005 bepaalde maatregelen geniet en is van mening dat niet kan worden beschouwd dat artikel XII.VII.15 RPPol ten aanzien van die personen discriminerend is. Vervolgens herinnert hij eraan dat de wetgever rekening heeft gehouden met de continuïteit, het evenwicht, de veiligheid en de transparantie wanneer hij heeft beslist de valorisatiemaatregelen te behouden die van kracht waren tussen 2001 en 2005 - zoals die welke is bepaald in artikel XII.VII.15 RPPol voor de leden van het basiskader die houder zijn van het OGP-brevet -, en « die gelden tot 1 april 2006, waarbij vanaf die datum nieuwe valorisatiemaatregelen worden ingevoerd », zoals die welke worden vermeld in de artikelen 15 en 17 van de wet van 3 juli 2005 die de betrokkenen vrijstellen van het vergelijkend examen voor de bevordering door overgang naar het hogere kader en waarop de eerste verzoekende partij reeds een beroep heeft gedaan. Hij voegt eraan toe dat de wetgever heeft getracht de samenhang en de gelijkheid tussen de verschillende brevetten in acht te nemen, vermits voortaan zowel de houder van het OGP-brevet als de houder van het brevet van hoofdonderofficier bij de rijkswacht niet langer het in het nieuwe artikel XII.VII.15 RPPol bedoelde quotum genieten - wegens de aanneming van gunstigere valorisatiemaatregelen vervat in de artikelen 15 en 17 van die wet. Hij merkt op dat het kleine quotum van artikel 21 betrekking heeft op andere categorieën van personeelsleden die geen houder zijn van « ‘ hoge ’ brevetten ». De Ministerraad verklaart ten slotte dat de verzoekende partijen geen reden tot klagen hebben, te meer omdat zij herhaaldelijk de gelegenheid hebben gehad hun OGP-brevet te valoriseren. De eerste verzoekende partij had reeds aanspraak kunnen maken op de toepassing van artikel XII.VI.6bis RPPol en zou de maatregelen kunnen blijven genieten waarin de artikelen 13, 15, 17 en 24 van de wet van 3 juli 2005 voorzien. A.13.2.
  61. De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partijen geen belang erbij hebben de maatregelen te betwisten betreffende de personeelsleden die zijn aangesteld in de graad van commissaris van 22 politie of in die van afdelingscommissaris van politie, omdat zij geen betrekking van een dergelijke graad hebben uitgeoefend of thans uitoefenen. De Ministerraad voert in verband met die maatregelen aan dat de in de artikelen XII.VII.16ter en XII.VII.16quater RPPol beoogde personeelsleden sinds hun mobiliteit die betrekking uitoefenen, zodat het logisch is hen vrij te stellen van bepaalde selectieproeven in het kader van de bevordering door overgang naar het hoger kader, vermits hun bekwaamheden werden geëvalueerd tijdens de uitoefening, gedurende meerdere jaren, van het beschouwde ambt. De Ministerraad voegt eraan toe dat die personen zijn onderworpen aan een stelselmatige evaluatie van hun geschiktheid voor de uitoefening van het hogere ambt en dat een goede evaluatie een voorwaarde vormt om deel te nemen aan het vergelijkend examen voor de sociale promotie door overgang naar het hoger kader. Hij leidt hieruit af dat de begunstigden van de voormelde vrijstelling zijn onderworpen aan andere controles, zoals de evaluatieprocedure die is geregeld in de omzendbrieven GPI 11 en GPI 11bis. De Ministerraad preciseert dat die personen moeten deelnemen aan de beroepsproef die het mogelijk maakt de klassering van alle kandidaten voor het vergelijkend examen met het oog op de sociale promotie op te maken. De Ministerraad leidt hieruit af dat de draagwijdte van de maatregelen waarin de artikelen 26 en 27 van de wet van 3 juli 2005 voorzien, zeer beperkt is, vermits de objectiviteit en de concurrentie tussen de kandidaten gewaarborgd is. De Ministerraad is ook van mening dat de ontstentenis van een vereiste van mobiliteit kan worden verklaard door het gegeven dat diegene die al geruime tijd een hogere functie uitoefent, niet moet zoeken naar een andere vacante plaats van hetzelfde niveau als dat van de functie die hij via mobiliteit uitoefent. De Ministerraad onderstreept voorts dat de verzoekende partijen, op grond van de artikelen 15 en 17 van de wet van 3 juli 2005, in tegenstelling tot de aangestelde personeelsleden, voortaan zijn vrijgesteld van het vergelijkend examen voor de sociale promotie om over te gaan naar het officierskader. A.13.3.
  62. In verband met de artikelen 21, 22 en 23 van de wet van 3 juli 2005 antwoorden de verzoekende partijen dat zij niet het verschil in behandeling van de houder van het OGP-brevet aanklagen, maar wel de verschillende behandeling van de rechercheur van de gemeentepolitie die opsporingsfuncties uitoefende die vergelijkbaar zijn met die welke andere personeelsleden in andere politiekorpsen uitoefenden die een voordelige aanstelling hebben genoten. Zij zijn daarnaast van mening dat de draagwijdte van de nieuwe valorisatiemaatregelen voor de houder van het OGP-brevet sterk dient te worden gerelativeerd en dat die maatregelen te dezen in elk geval niet relevant zijn. De verzoekende partijen vragen zich daarnaast af of vermeende spanningen tussen de rechercheurs van de gerechtelijke politie en die van de rijkswacht kunnen verantwoorden dat al die personen van het basiskader later een benoeming in het middenkader genieten na erin te zijn aangesteld. Zij verklaren ten slotte dat het gegeven dat de eerste verzoekende partij is kunnen toetreden tot het middenkader, haar haar belang niet ontneemt om de vernietiging te vorderen van de wet van 3 juli 2005, aangezien de voordelen die zijn toegekend aan andere personeelsleden ertoe leiden dat haar concurrenten in het vooruitzicht van een latere opname in het officierskader talrijker worden. Bovendien zou de eerste verzoekende partij zijn bevorderd via mobiliteit naar een algemene betrekking die haar haar gespecialiseerde functie van rechercheur waarvoor zij zich gedurende verschillende jaren volledig heeft ingezet, zou kunnen doen verliezen. A.13.3.
  63. De verzoekende partijen herinneren eraan dat het doel van de maatregelen waarin de artikelen 25, 26 en 27 van de wet van 3 juli 2005 voorzien, het verschil niet verantwoordt tussen de opgedane ervaring die een valorisatie zonder mobiliteit zou verantwoorden, en de specifieke opleiding tot officier die alleen via mobiliteit zou moeten worden gevaloriseerd. De verzoekende partijen merken op dat het systeem van de evaluatie van het personeel pas begin 2006 is ingevoerd en vragen zich af op basis van welk mechanisme de in de graad van commissaris van politie of in die van afdelingscommissaris van politie aangestelde personeelsleden sinds hun aanstelling objectief en stelselmatig konden worden geëvalueerd tijdens de uitoefening van hun ambt. Zij voegen eraan toe dat die personen hun geschiktheid voor die functie hebben kunnen aantonen, in tegenstelling tot de houder van het OGP-brevet die « op het terrein » niet heeft kunnen aantonen in welke mate zijn specifieke opleiding hem heeft voorbereid op de uitoefening van een functie van officier. De verzoekende partijen antwoorden ten slotte dat de « valorisatie van een aanstelling door sociale promotie, zonder mobiliteit » te verkiezen is boven een « valorisatie via mobiliteit ». Zij merken op dat een 23 mobiliteit kan leiden tot een geografische verplaatsing en dat, in de meeste gevallen, de persoon die thans een post van officier bezet, een voordeel zal genieten ten opzichte van een onbekende kandidaat wanneer de overheid een persoon zal moeten kiezen om die post definitief toe te kennen. Zij herinneren eraan dat het niet verantwoord is de houder van een OGP-brevet niet het voordeel toe te kennen van maatregelen die identiek zijn met die waarin de artikelen 25, 26 en 27 van de wet van 3 juli 2005 voorzien. Ten aanzien van de zaak nr. 3847 Wat de ontvankelijkheid betreft A.14.
  64. G. Alessandro vordert de vernietiging van de artikelen 13, 17 en 48, 2°, van de wet van 3 juli
  65. Hij is een voormalig inspecteur van de gemeentepolitie met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, en is thans hoofdinspecteur van politie. Hij geniet de weddeschaal M3.
  66. Hij voert aan dat de bestreden bepalingen hem een rechtstreekse toegang ontzeggen tot het officierskader in de betrekking die hij invult op het ogenblik van de indiening van het beroep; dat die bepalingen hem ertoe verplichten deel te nemen aan examens, opleidingsstages te volgen en te wachten totdat een plaats in het officierskader vrijkomt om de graad van commissaris van politie te verkrijgen. Hij is van mening dat de verschillen die de artikelen 13 en 17 van de wet van 3 juli 2005 invoeren, hem beletten om, overeenkomstig artikel 48, 2°, van de wet van 3 juli 2005, sinds 1 april 2001 een wedde van officier te verkrijgen en vanaf die datum zijn functie in die graad met zekerheid uit te oefenen. A.14.
  67. De Ministerraad is van mening dat het beroep tot vernietiging te laat is ingediend en niet ontvankelijk is wegens ontstentenis van een belang van de verzoekende partij, wier situatie door de bestreden bepalingen niet is gewijzigd. Hij is van mening dat het probleem waarnaar de verzoekende partij verwijst, voortvloeit uit haar opname, in april 2001, in de weddeschaal M3.1, terwijl de hoofdinspecteurs van eerste klasse van de gemeentepolitie zijn opgenomen in de weddeschaal M
  68. Hij voert aan dat de verzoekende partij met haar beroep die inschaling, die zij daarvóór nochtans nooit heeft betwist, in het geding tracht te brengen. Hij voert aan dat de bestreden bepalingen noch de inschaling van de verzoekende partij en die van de hoofdinspecteurs van eerste klasse van de gemeentepolitie, noch de volledige vrijstelling van de basisopleiding van het officierskader die de begunstigden van de weddeschaal M6 reeds vóór de inwerkingtreding van de wet van 3 juli 2005 genoten op grond van artikel 69 van het koninklijk besluit van 20 november 2001, hebben gewijzigd. De wetgever zou te dezen erover hebben gewaakt de personeelsleden met weddeschaal M5.2, M6, M7 en M7bis op dezelfde wijze te behandelen en zou, met name om rekening te houden met het arrest nr. 102/2003, nieuwe bepalingen hebben moeten aannemen voor de gerechtelijke afdelingsinspecteurs van de gerechtelijke politie met weddeschaal 2C en dus dezelfde bepalingen hebben moeten aannemen voor de begunstigden van de vier voormelde weddeschalen. Hij merkt ten slotte op dat de vier categorieën van personeelsleden die in artikel XII.IV.6, § 2, 2° tot 4°, RPPol worden beoogd, altijd op billijke en vergelijkbare wijze zijn behandeld. Wat betreft het enig middel afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet A.15.1.
  69. G. Alessandro bekritiseert, in een eerste onderdeel, het verschil in behandeling door artikel XII.IV.6, § 2, 2° tot 4°, §§ 3 en 4, RPPol - ingevoegd bij artikel 13 van de wet van 3 juli 2005 - en artikel 48, 2°, van die wet tussen, enerzijds, de hoofdinspecteurs eerste klasse van de gemeentepolitie die allen de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, hebben en de weddeschalen M5.2 tot M7bis genieten en, anderzijds, de hoofdinspecteurs van politie, die de weddeschalen M1 tot M4 genieten en die dezelfde hoedanigheid hebben. De verzoekende partij verklaart dat die twee categorieën waartussen geen objectief criterium van onderscheid bestaat, identieke diploma’s bezitten en identieke functies en opdrachten uitoefenen. Zij verwijst in dat opzicht naar B.20.5.1 tot B.20.6 van het arrest nr. 102/
  70. Zij voegt eraan toe dat die twee categorieën identiek zijn, zowel vanuit het oogpunt van de functionele hiërarchie als vanuit het oogpunt van de hiërarchie volgens de graad. Vervolgens citeert de verzoekende partij B.23.4.2 van het arrest nr. 102/2003 en stelt zij vast dat er geen enkel verschil in anciënniteit, diploma en opleiding bestaat tussen die twee categorieën en dat het enige criterium van onderscheid de weddeschaal is. 24 Daarnaast leidt de verzoekende partij uit B.24.3.2 en B.41.5.2 van het arrest nr. 102/2003 af dat de enige verantwoording voor dat verschil in behandeling van budgettaire aard is, en niet aanvaardbaar is omdat zij de fundamentele regels van het openbare ambt betreffende de graden en de weddeschalen, zoals het gelijkheidsbeginsel, in het geding brengt. Een dergelijke verantwoording zou het bestuur toelaten ambtenaren die dezelfde opleiding, hetzelfde diploma en dezelfde opdrachten hebben, verschillend te behandelen. De verzoekende partij voegt eraan toe dat de wetgever, om zijn begroting te verlichten, kon afzien van de terugwerkende kracht waarin artikel 48, 2°, van de wet van 3 juli 2005 voorziet. De verzoekende partij erkent dat een verschil tussen, enerzijds, de leden van het middenkader die een weddeschaal M1 tot M4 genieten en de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie hadden en, anderzijds, diegenen die die hoedanigheid niet hadden, zou zijn verantwoord op basis van het verschil in functies en titels. A.15.1.
  71. De Ministerraad antwoordt dat het verschil in behandeling tussen de hoofdinspecteurs eerste klasse en de hoofdinspecteurs evenredig en objectief verantwoord is. Hij verwijst naar de artikelen 1 en 3 van het koninklijk besluit van 13 oktober 1986 « tot vaststelling van de graden van het personeel van de gemeentepolitie » en merkt op dat de graad van hoofdinspecteur eerste klasse hiërarchisch hoger was dan die van hoofdinspecteur van politie. De Ministerraad voert ook aan dat de aan die graden gekoppelde weddeschalen verschillend waren. Hij merkt op dat, volgens het koninklijk besluit van 14 november 1986 « houdende de algemene bepalingen betreffende de benoeming tot de graad van hoofdinspecteur eerste klasse bij de stedelijke politie », twee reglementaire mogelijkheden bestonden om toe te treden tot de graad van hoofdinspecteur eerste klasse : de bevordering en de openbare oproep. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partij sinds 30 augustus 2000 voldeed aan de voorwaarden om een benoeming in die graad aan te vragen en dat zij een andere weddeschaal dan die van de hoofdinspecteurs eerste klasse geniet omdat zij vóór de hervorming niet in die graad is benoemd. De Ministerraad voegt eraan toe dat het discriminerend zou zijn geweest het voordeel van dezelfde weddeschaal toe te kennen aan alle politieambtenaren met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie. Daarnaast zou de wetgever herhaaldelijk hebben gepreciseerd dat er geen verband bestond tussen de benoeming of de aanstelling in sommige graden en de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier bij de procureur des Konings, en van officier van bestuurlijke politie. De Ministerraad betwist ook de realiteit van de budgettaire motieven. In dat verband merkt hij op dat het verschil in behandeling een objectief en redelijk verschil handhaaft dat reeds bestond binnen de gemeentepolitie en is verantwoord door het gegeven dat de hoofdinspecteurs hun functie uitoefenden onder het bevel van de hoofdinspecteurs eerste klasse wier graad hiërarchisch hoger was en werd toegekend na een strenge selectie, en die een hogere weddeschaal genoten. De Ministerraad verwijst ook naar B.23.4.2 van het arrest nr. 102/
  72. De Ministerraad is ten slotte van mening dat het gegeven dat in sommige gevallen de opleidingen en de opdrachten van beide met elkaar vergeleken categorieën identiek zijn, niet relevant is, gelet op het verschil in graad. Hij merkt in dat opzicht op dat het bestaan van een dergelijke gelijkenis tussen de functie van opperwachtmeester en die van adjudant bij de rijkswacht de wetgever niet ervan heeft vrijgesteld die twee graden op verantwoorde wijze van elkaar te onderscheiden door rekening te houden met hun verschillende plaats in de hiërarchie. A.15.2.
  73. In een tweede onderdeel bekritiseert G. Alessandro artikel XII.VI.8bis RPPol - ingevoegd bij artikel 17 van de wet van 3 juli 2005 - in zoverre het de officieren van gerechtelijke politie die ook de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie hebben, anders behandelt dan de officieren van gerechtelijke politie die die hoedanigheid niet hebben. De verzoekende partij merkt op dat de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie wordt toegekend « bij eenvoudige delegatie van de burgemeester » volgens de behoeften na het vaststellen van inbreuken op bepaalde wetgevingen, zoals die op de milieuwetgeving. Hij beweert een groot aantal officieren van gerechtelijke politie te kennen die deze hoedanigheid « bij delegatie van de burgemeester » hebben verkregen en wier hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie is erkend bij artikel 4 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. Hij is van mening dat niets de burgemeester belet die functie te delegeren aan een officier van gerechtelijke politie. Hij preciseert dat de toekenning van die hoedanigheid losstaat van het volgen van een opleiding of het behalen van een diploma, wat niet het geval is voor de titel van officier van gerechtelijke politie. De verzoekende partij voegt daaraan toe dat er « geen enkele bijzondere valorisatie » bestaat van de diploma’s 25 van de leden van het middenkader die op cumulatieve wijze de titel van officier van gerechtelijke politie en die van officier van bestuurlijke politie dragen. A.15.2.
  74. De Ministerraad antwoordt dat dat verschil in behandeling niet discriminerend is. De verzoekende partij zou niet uitleggen hoe de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie geen relevant criterium van onderscheid is. De Ministerraad citeert artikel 4 van de wet van 5 augustus 1992, zoals het luidde vóór de wijziging ervan bij de wet van 7 december 1998, en voegt eraan toe dat die hoedanigheid niet bestond bij de gerechtelijke politie bij de parketten, dat die slechts op zeer strenge wijze bij de rijkswacht werd toegekend en dat die bij de gemeentepolitie was voorbehouden aan de leden van het officierskader en niet bij eenvoudige delegatie van de burgemeester werd toegekend. Hij onderstreept in dat opzicht dat een dergelijke delegatie onwettig is, dat een hoedanigheid alleen bij de wet of door de Koning wordt toegekend en dat die laatstgenoemde nooit gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid die Hem wordt verleend bij artikel 4, tweede lid, van de wet van 5 augustus 1992 wat de gemeentepolitie betreft. Hij voegt eraan toe dat een dergelijke hoedanigheid niet wordt gedelegeerd en dat alleen de bevoegdheden en de ondertekening kunnen worden gedelegeerd mits aan strikte voorwaarden is voldaan. De Ministerraad preciseert ten slotte dat het de begunstigde van de zogeheten procedure van de « rode loper » vrijstaat een beroep te doen op de mobiliteitsprocedure teneinde sneller toe te treden tot het officierskader. A.15.2.
  75. G. Alessandro antwoordt dat, mocht de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie wettelijk zijn voorbehouden aan de officieren van de gemeentepolitie, hij de bepaling niet begrijpt die de officieren van bestuurlijke politie vrijstelt van de opleiding tot officier. Hij merkt op dat, volgens de Ministerraad, die bepaling alleen betrekking zou hebben op de brigadecommandanten van de rijkswacht. Ten aanzien van de zaak nr. 3854 Wat de ontvankelijkheid betreft A.16.
  76. J. Berckmans vordert de vernietiging van de artikelen 11 en 44 van de wet van 3 juli
  77. Hij is een voormalig commissaris van politie (niet-korpschef) klasse 20, en is met toepassing van de artikelen XII.II.25 tot XII.II.28 RPPol bij de lokale politie opgenomen in de graad van commissaris van politie met weddeschaal O4bis. A.16.
  78. De Ministerraad merkt op dat de eerste verzoekende partij geen aanwijzing voor een betrekking van korpschef van de lokale politie heeft aangevraagd overeenkomstig het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 « houdende vaststelling van de voorwaarden en de modaliteiten van de eerste aanstelling in bepaalde betrekkingen van de lokale politie », noch heeft gedongen naar een betrekking van afdelingscommissaris van politie op basis van artikel XII.VI.9 RPPol. In hoofdorde is hij van mening dat het beroep tot vernietiging, in zoverre het is gericht tegen de artikelen 11 en 44 van de wet van 3 juli 2005, niet ontvankelijk is gelet op het gezag van gewijsde. Hij citeert B.29.2.4 van het arrest nr. 102/2003 en is van mening dat het Hof zich reeds heeft uitgesproken over een identiek beroep van dezelfde verzoekende partij in verband met de wijze waarop de commissarissen van politie (niet-korpschefs) klasse 20 in de nieuwe politie zijn opgenomen. Daarnaast betwist hij het belang van de verzoekende partij om de situatie van de commissarissen van politie (korpschefs) klasse 17 aan te klagen. A.16.
  79. De eerste verzoekende partij citeert B.29.1, B.29.2.3 en B.29.2.4 van het arrest nr. 102/2003 en antwoordt dat het gezag van gewijsde haar beroep niet onontvankelijk maakt, vermits het betrekking heeft op nieuwe bepalingen en op een andere kwestie. Zij is overigens van mening dat haar belang om de situatie van de commissarissen van politie (korpschefs) klasse 17 aan te klagen, voortvloeit uit het gegeven dat, zoals in het arrest nr. 102/2003 (B.29.2.3) is opgemerkt, die laatstgenoemden functies uitoefenen die gelijkwaardig zijn met die van de commissarissen van politie (niet-korpschefs) klasse
  80. A.17.
  81. J. Berckmans en B. Bastin vorderen de vernietiging van de artikelen 17, 18 en 47, 2°, van de wet van 3 juli
  82. De tweede verzoekende partij is een voormalig gerechtelijk commissaris van de gerechtelijke politie bij de parketten met weddeschaal 1A en is in de federale politie opgenomen in de graad van commissaris van politie met weddeschaal O
  83. 26 Zij voeren aan dat de opheffing van artikel XII.VI.9 RPPol hen voortaan ertoe verplicht te dingen naar de betrekkingen die openstaan voor de afdelingscommissarissen van politie met naleving van de algemene voorwaarden waarin artikel VII.II.4 RPPol voorziet. A.17.
  84. De Ministerraad is van mening dat de eerste en de tweede verzoekende partij geen belang erbij hebben de vernietiging van artikel 17 van de wet van 3 juli 2005 te vorderen, daar zij op 1 april 2001 tot commissaris van politie zijn benoemd. A.17.
  85. De eerste en de tweede verzoekende partij antwoorden dat artikel 17 van de wet van 3 juli 2005 samen met de artikelen 18 en 47 van dezelfde wet een geheel van bepalingen vormen betreffende de mogelijkheid om via mobiliteit te dingen naar een betrekking in de graad van commissaris van politie of van afdelingscommissaris van politie, die die mogelijkheid opheffen voor de commissarissen van politie, terwijl die mogelijkheid wordt behouden of verbeterd voor sommige leden van het middenkader of het basiskader. A.18.
  86. L. Stas vordert de vernietiging van de artikelen 14 en 22 van de wet van 3 juli
  87. Hij is een voormalig lid van de recherchedienst van de gemeentepolitie en is op 1 april 2001, met toepassing van de artikelen XII.II.15 tot XII.II.17 RPPol bij de lokale politie opgenomen in de graad van inspecteur van politie. Via mobiliteit is hij op 1 januari 2003 opgenomen in de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst van de federale politie van het arrondissement Nijvel. Daarnaast heeft hij de in artikel XII.VII.22 RPPol beoogde opleiding gevolgd en de bijkomende toelage verkregen bedoeld in artikel XII.XI.21, § 2, RPPol. A.18.
  88. De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partij geen enkel belang heeft om de vernietiging te vorderen van artikel 22 van de wet van 3 juli 2005, omdat zij op 1 april 2001 geen deel uitmaakte van de DGJ of de gedeconcentreerde gerechtelijke eenheden van de federale politie, zodat zij niet wordt beoogd door artikel XII.VII.21 RPPol. De Ministerraad voegt eraan toe dat het belang van de verzoekende partij om die vernietiging te vorderen, evenmin kan voortvloeien uit het aanvoeren van een discriminatie tussen de « federale gerechtelijke pijler » en de « lokale gerechtelijke pijler », omdat zij sinds 1 januari 2003 deel uitmaakt van de eerste. A.18.
  89. L. Stas antwoordt dat hij belang erbij heeft het discriminerende karakter van artikel 22 van de wet van 3 juli 2005 aan te klagen, in zoverre dat artikel hem uitsluit van het toepassingsgebied ervan en de discriminatie verergert die het Hof in het arrest nr. 102/2003 heeft vastgesteld in verband met de artikelen XII.VII.21 en XII.VII.22 RPPol. A.19.
  90. J.-Y. Stas vordert de vernietiging van de artikelen 26 en 27 van de wet van 3 juli
  91. Als gerechtelijk commissaris van de gerechtelijke politie bij de parketten met weddeschaal 1A is hij op 1 april 2001 bij de federale politie opgenomen in de graad van commissaris van politie met weddeschaal O3, met toepassing van de artikelen XII.II.25 tot XII.II.28 RPPol. Hij oefende de functie uit van « administratief directeur bij de gerechtelijke dienst van het arrondissement Nijvel » - die « volgens de organieke tabel » dient te worden ingevuld door een hogere officier – en is op 1 april 2001 in de graad van afdelingscommissaris aangesteld bij een koninklijk besluit van 18 februari 2003, genomen met toepassing van artikel XII.VII.26 RPPol, van artikel 12 van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 « houdende vaststelling van de voorwaarden en de modaliteiten van de eerste aanstelling in bepaalde betrekkingen van de federale politie en van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie », en van de artikelen 2 en 3 van het ministerieel besluit van 16 januari 2001 « tot uitvoering van artikel 12 van het koninklijk besluit van 31 oktober 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden en de modaliteiten van de eerste aanstelling tot bepaalde betrekkingen van de federale politie en van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie ». Hij voert aan dat hij op 1 april 2004 met toepassing van artikel 13 van dat koninklijk besluit van 31 oktober 2000 had moeten worden benoemd in de graad van hoger officier en dat die aanvragen in die zin bij de bevoegde overheid zonder gevolg zijn gebleven. A.19.
  92. De Ministerraad is van mening dat de verzoekende partij, als commissaris van politie, aangesteld in de graad van afdelingscommissaris van politie, geen belang erbij heeft de vernietiging te vorderen van artikel 26 van de wet van 3 juli 2005, dat alleen betrekking heeft op de personeelsleden die zijn aangesteld in de graad van commissaris van politie die in die graad wensen te worden benoemd. 27 De Ministerraad is van mening dat het beroep t

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.