id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.030 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070221.9 Arrest- Rolnummer: 30/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-07-24 Raadplegingen: 233 - laatst gezien 2026-06-29 11:37 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 4, § 2, tweede lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag over artikel 4, § 2, tweede lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Strafrecht - Opschorting, uitstel en probatie - Opschorting van de uitspraak van een veroordeling - Veroordeling tot de gerechtskosten - Hoger beroep - Termijn. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-06-1964 - 4,§2,L2 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3977 Arrest nr. 30/2007 van 21 februari 2007 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 4, § 2, tweede lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 28 april 2006 in zake Ben Berden, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 5 mei 2006, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 4, § 2, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de inverdenkinggestelde slechts over een termijn van 24 uren beschikt om tegen een beschikking van de raadkamer waarbij een opschorting wordt gelast, hoger beroep aan te tekenen voor wat de gerechtskosten betreft, terwijl men overeenkomstig artikel 6 van diezelfde wet 15 dagen heeft om beroep aan te tekenen voor zover het de regeling van de burgerlijke belangen betreft, te meer daar de veroordeling tot de gerechtskosten een burgerlijk karakter vertoont ? ». Memories zijn ingediend door : - Ben Berden, wonende te 3680 Maaseik, Koningin Astridlaan 94; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 6 december 2006 : - zijn verschenen : . Mr. M. Van Nooten loco Mr. J. Maeschalck, advocaten bij de balie te Brussel, voor Ben Berden; . Mr. E. Jacubowitz, tevens loco Mr. P. De Maeyer, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en R. Henneuse verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Op 6 december 2005 heeft de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren ten aanzien van de verzoekende partij voor de verwijzende rechter de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gelast en die partij veroordeeld tot de betaling van de gerechtskosten. Op 21 december 2005 heeft onder meer de verzoekende partij voor de verwijzende rechter hoger beroep ingesteld tegen die beschikking, doch enkel voor wat betreft de gerechtskosten. 3 In het kader van die procedure heeft de verwijzende rechter de hierboven geformuleerde prejudiciële vraag gesteld. III. In rechte -A- Memorie van de verzoekende partij voor de verwijzende rechter A.1. De verzoekende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre de inverdenkinggestelde slechts over een termijn van vierentwintig uren beschikt om hoger beroep in te stellen tegen een beschikking van de raadkamer waarbij de opschorting van uitspraak wordt gelast, voor zover het hoger beroep betrekking heeft op de gerechtskosten. Het hoger beroep is in dat geval immers beperkt tot de « burgerlijke veroordelingen ». A.2. Volgens die partij staat het burgerlijk karakter van de veroordeling tot de gerechtskosten vast. Dit houdt in dat een hoger beroep tegen dat deel van de beschikking van de raadkamer die de opschorting heeft gelast, overeenkomstig artikel 6, vierde lid, van de wet van 29 juni 1964 dient te worden ingesteld binnen de gewone correctionele beroepstermijn van vijftien dagen. De gerechtskosten worden overigens enkel in die bepaling, en niet in de in het geding zijnde bepaling, vermeld. A.3. Indien evenwel de in het geding zijnde bepaling zo wordt geïnterpreteerd dat een inverdenkinggestelde slechts over een termijn van vierentwintig uren beschikt om hoger beroep in te stellen tegen een beschikking van de raadkamer waarbij de opschorting wordt gelast, voor zover het hoger beroep enkel betrekking heeft op de gerechtskosten, bestaat er een verschil in behandeling dat niet redelijk is verantwoord tussen, enerzijds, het hoger beroep wat de burgerlijke belangen betreft (artikel 6 van de wet van 29 juni 1964) en, anderzijds, het hoger beroep tegen de veroordeling tot de gerechtskosten op grond van de in het geding zijnde bepaling. A.4. De verzoekende partij voor de verwijzende rechter verwijst nog naar het arrest nr. 76/2006 van 10 mei 2006, waarin het Hof, dat omtrent dezelfde bepaling werd ondervraagd, heeft geoordeeld dat de procureur des Konings en de burgerlijke partij niet behoren tot vergelijkbare categorieën. Te dezen gaat het echter om een veroordeling met een burgerlijk karakter, zodat de inverdenkinggestelde wiens hoger beroep betrekking heeft op de gerechtskosten, enerzijds, en de inverdenkinggestelde wiens hoger beroep betrekking heeft op de burgerlijke belangen, anderzijds, vergelijkbare categorieën zijn. De situatie van eerstgenoemde is ook vergelijkbaar met die van de burgerlijke partij. A.5. De verzoekende partij voor de verwijzende rechter verwijst ook naar het arrest nr. 25/2001 van 1 maart 2001, waarin het Hof omtrent dezelfde bepaling heeft geoordeeld dat een termijn van vierentwintig uren om hoger beroep aan te tekenen tegen het strafrechtelijke luik van een beschikking waarbij het onderzoeksgerecht de opschorting van uitspraak gelast, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Dat oordeel zou immers verantwoord zijn gelet op het doel van de wetgever, dat erin bestaat het verloop van het onderzoek niet te vertragen. Te dezen wordt het onderzoek evenwel niet vertraagd, vermits het beroep enkel betrekking heeft op de gerechtskosten. De termijn van vierentwintig uren is dan ook onredelijk kort. A.6. De verzoekende partij voor de verwijzende rechter wijst op een aantal bijkomende discriminaties. Zo zou de inverdenkinggestelde die hoger beroep aantekent tegen het onderdeel « gerechtskosten » van de beschikking van de raadkamer die de opschorting van uitspraak gelast, worden gediscrimineerd ten opzichte van (
- i)de inverdenkinggestelde die hoger beroep aantekent tegen de beslissing met betrekking tot de gerechtskosten, wanneer het vonnisgerecht de opschorting van uitspraak verleent, (
- ii)de burgerlijke partij die hoger beroep aantekent tegen de beslissing van de raadkamer op burgerlijk vlak en (iii) het openbaar ministerie dat hoger beroep zou aantekenen tegen het onderdeel « gerechtskosten » van de beschikking van de raadkamer die de opschorting van uitspraak gelast. Eerstgenoemde beschikt immers slechts over een termijn van vierentwintig uren om hoger beroep in te stellen terwijl de andere categorieën over een termijn van vijftien dagen beschikken. 4 A.7. Bovendien worden twee niet-vergelijkbare gevallen op dezelfde wijze behandeld, namelijk de inverdenkinggestelde die hoger beroep aantekent tegen het onderdeel « gerechtskosten » van de beschikking van de raadkamer die hem opschorting van uitspraak verleent, enerzijds, en de inverdenkinggestelde die hoger beroep aantekent tegen de opschorting zelf, anderzijds. Allereerst betreft de opschorting zelf het strafrechtelijke aspect van de zaak, terwijl de veroordeling tot de gerechtskosten een burgerrechtelijke aspect betreft. Bovendien dient de beklaagde in te stemmen met de opschorting, terwijl dit niet het geval is wat de gerechtskosten betreft. A.8. De verzoekende partij voor de verwijzende rechter voert ten slotte aan dat de in het geding zijnde bepaling niet voldoet aan de eisen van nauwkeurigheid, duidelijkheid en voorspelbaarheid, in zoverre ze zo wordt geïnterpreteerd dat het hoger beroep tegen het onderdeel « gerechtskosten » van de beschikking van de raadkamer die de opschorting van uitspraak gelast, binnen vierentwintig uren moet worden ingesteld. Bijgevolg zou er ook sprake zijn van een schending van het wettigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Memorie van de Ministerraad A.9. Volgens de Ministerraad past de korte beroepsprocedure bepaald in de in het geding zijnde bepaling in het doel van de wetgever, namelijk te komen tot een snelle beslissing over de vraag of aan de voorwaarden van de opschorting is voldaan. Aangezien de opschorting enkel kan worden bevolen met instemming van de verdachte, is een lange beroepstermijn niet noodzakelijk. A.10. De Ministerraad erkent evenwel dat de in het geding zijnde bepaling onevenredige gevolgen heeft wanneer ze in die zin wordt geïnterpreteerd dat de beroepstermijn van vierentwintig uren ook geldt voor het onderdeel « gerechtskosten » van de beschikking van de raadkamer die de opschorting van uitspraak gelast. De beschikking van de raadkamer waarbij de opschorting wordt gelast is voor wat betreft de andere burgerlijke belangen immers aan een beroepstermijn van vijftien dagen onderworpen. A.11. De Ministerraad stelt evenwel een andere interpretatie van de in het geding zijnde bepaling voor. In die interpretatie valt de regeling van de gerechtskosten onder de regeling van de burgerlijke belangen in de zin van artikel 6, vierde lid, van de wet van 29 juni 1964, zodat de in het geding zijnde bepaling daarop niet van toepassing is. De beroepstermijn bepaald in dat artikel zou enkel betrekking hebben op het strafrechtelijke luik van het hoger beroep, en niet op het beroep op het burgerrechtelijke vlak, met inbegrip van de gerechtskosten. In die interpretatie bestaat er geen verschil in behandeling meer. -B- B.1. Artikel 4, § 2, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie bepaalt : « De procureur des Konings en de verdachte kunnen tegen de beschikking van de raadkamer waarbij de opschorting wordt uitgesproken, verzet doen om reden dat aan de voorwaarden tot verlening van de opschorting niet voldaan is. Het verzet, dat binnen vierentwintig uren moet worden aangetekend, wordt voor de kamer van inbeschuldigingstelling gebracht ». B.2. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of de termijn waarin het tweede lid van die bepaling voorziet, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre de inverdenkinggestelde die hoger beroep instelt (« verzet doet ») tegen de 5 beschikking waarbij de raadkamer de opschorting gelast, voor wat de gerechtskosten betreft, slechts over een termijn van vierentwintig uur beschikt, terwijl een partij die hoger beroep instelt tegen dezelfde beschikking, voor wat de regeling van de burgerlijke belangen betreft, over een termijn van vijftien dagen beschikt. B.3. Wanneer de rechter de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gelast, moet hij, op grond van artikel 6, tweede lid, van de wet van 29 juni 1964, de beklaagde veroordelen in de kosten, die worden bepaald overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken. Het verzet binnen vierentwintig uren, zoals bepaald in artikel 4, § 2, van de wet van 29 juni 1964, is het enige rechtsmiddel dat kan worden aangewend tegen de veroordeling in de kosten uitgesproken door de raadkamer die de opschorting van de veroordeling gelast (Cass., 23 november 1983, Arr. Cass., 1983-1984, p. 352). De verwijzende rechter vraagt die situatie te vergelijken met die waarbij hoger beroep wordt ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer tot regeling van de burgerlijke belangen, wat dient te gebeuren binnen dezelfde termijn als hoger beroep in correctionele zaken (artikel 6, vierde lid, van de wet van 29 juni 1964), zijnde vijftien dagen. B.4. De wetgever vermocht te oordelen dat, teneinde het verloop van het onderzoek niet te vertragen, de door de raadkamer gelaste opschorting moest worden aangevochten binnen een bijzonder korte termijn, die hij op vierentwintig uur heeft vastgesteld. Het verschil tussen die termijn en de termijn van vijftien dagen die betrekking heeft op het hoger beroep dat is gericht tegen een opschorting waartoe is besloten door de correctionele rechtbank, kan niet als discriminerend worden beschouwd. B.5. Ofschoon de veroordeling in de gerechtskosten geen straf is, maar een burgerlijk karakter heeft, is ze een juridisch gevolg van de beslissing over de strafvordering. Volgens de parlementaire voorbereiding : « [verplicht] paragraaf 2 van artikel 2 […] de vonnisgerechten om, wanneer zij de opschorting van de veroordeling uitspreken, de delinquent tot de kosten en, indien daartoe aanleiding is, tot de bijzondere verbeurdverklaring te veroordelen. 6 Men ziet immers niet in dat de verdachten, dank zij een in hun belang getroffen maatregel, zouden kunnen ontsnappen aan de kosten die werden gemaakt bij de procedure, waarvan zij het voorwerp zijn, of aan een verbeurdverklaring die in heel wat gevallen geboden is » (Parl. St., Kamer, 1956-1957, nr. 598/1, p. 9). De veroordeling tot de gerechtskosten is derhalve onlosmakelijk verbonden met de opschorting van de uitspraak van de veroordeling. B.6. Dat is niet het geval met de burgerlijke vordering. Het onderzoeksgerecht dat de opschorting van de uitspraak van de veroordeling gelast, dient enkel uitspraak te doen over de burgerlijke vordering voor zover die vordering bij dat gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nadat het onderzoeksgerecht de opschorting van de uitspraak heeft gelast, verhindert evenwel niets dat het slachtoffer van het misdrijf, wanneer het zich geen burgerlijke partij heeft gesteld, die vordering bij de burgerlijke rechter aanhangig maakt. B.7. Artikel 6 van de wet van 29 juni 1964 maakt een onderscheid tussen, enerzijds, de kosten die verband houden met de strafvordering (artikel 6, tweede lid) en, anderzijds, de kosten die verband houden met de burgerlijke vordering (artikel 6, derde en vierde lid). B.8. Gelet op de nauwe band die bestaat tussen, enerzijds, de opschorting van de uitspraak van de veroordeling en, anderzijds, de veroordeling tot de gerechtskosten, die beide uitsluitend betrekking hebben op de strafvordering, geldt voor beide beslissingen dezelfde termijn van hoger beroep, namelijk vierentwintig uur. De beslissingen met betrekking tot de burgerlijke vordering zijn onderworpen aan een termijn van hoger beroep van vijftien dagen. B.9. Het onderwerp van de strafvordering en dat van de burgerlijke vordering zijn fundamenteel verschillend. De strafvordering heeft betrekking op de toepassing van de straffen, terwijl de burgerlijke vordering het herstel beoogt van de schade die door een misdrijf is veroorzaakt. De inverdenkinggestelde die veroordeeld is in de kosten van de strafvordering, bevindt zich bijgevolg in een situatie die niet vergelijkbaar is met die van de inverdenkinggestelde die tot een schadevergoeding is veroordeeld tegenover de burgerlijke partij, en evenmin met die van de inverdenkinggestelde of van de burgerlijke partij die is veroordeeld in de kosten die verbonden zijn aan de burgerlijke vordering. B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 4, § 2, tweede lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 februari 2007. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux A. Arts PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.030 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div