id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 februari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.031 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070221.4 Arrest- Rolnummer: 31/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-11 Raadplegingen: 300 - laatst gezien 2026-06-29 11:47 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het de wateringen niet uitsluit van het toepassingsgebied van dat artikel. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Hasselt. Strafrecht - Algemeen strafrecht - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen - Toepassingsgebied -
- Uitzonderingen - Bepaalde publiekrechtelijke rechtspersonen -
- Wateringen. Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 5,L4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3980 Arrest nr. 31/2007 van 21 februari 2007 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Hasselt. Het Arbitragehof, samengesteld uit de rechters M. Bossuyt en P. Martens, waarnemend voorzitters, en de rechters R. Henneuse, E. De Groot, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van rechter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 7 maart 2006 in zake de vzw « Natuurpunt Beheer » en het openbaar ministerie tegen Emile Thys en de watering « Het Schulensbroek », waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 9 mei 2006, heeft de Correctionele Rechtbank te Hasselt de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het in dit artikel genoemde publiekrechtelijke rechtspersonen uit het toepassingsgebied van artikel 5 van het Strafwetboek sluit, terwijl de watering, zoals geregeld in de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen, niet uit het toepassingsgebied van artikel 5 van het Strafwetboek wordt gesloten ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de vzw « Natuurpunt Beheer », met maatschappelijke zetel te 2800 Mechelen, Kardinaal Mercierplein 1; - de watering « Het Schulensbroek », met zetel te 3560 Lummen-Linkhout, Kerkevennestraat 39; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 11 januari 2007 : - zijn verschenen : . Mr. B. Dejan loco Mr. P. Helsen, advocaten bij de balie te Hasselt, voor de watering « Het Schulensbroek »; . Mr. S. Brugmans loco Mr. V. Engelen, advocaten bij de balie te Hasselt, voor de vzw « Natuurpunt Beheer »; . Mr. P. De Maeyer, tevens loco Mr. E. Jacubowitz, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers M. Bossuyt en P. Martens verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In de loop van de jaren 2001, 2002 en 2003 werden door de watering « Het Schulensbroek », publiekrechtelijke rechtspersoon, werken uitgevoerd aan de waterlopen die zijn gelegen binnen het territoriale gebied waarvoor deze bevoegd is. Die werken, die werden goedgekeurd door de provinciegouverneur, zouden zijn uitgevoerd in strijd met de decretale bepalingen betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. De Correctionele Rechtbank te Hasselt stelt vast dat bepaalde publiekrechtelijke rechtspersonen, krachtens artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek, niet als strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersoon kunnen worden beschouwd. De wateringen behoren echter niet daartoe. De beklaagde houdt staande dat de wateringen publiekrechtelijke rechtspersonen zijn die zijn belast met een essentiële politieke opdracht in een representatieve democratie en die beschikken over democratisch verkozen organen. Doordat de wateringen als strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersonen moeten worden beschouwd, zou artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek niet bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De Correctionele Rechtbank oordeelt dat het nodig is om daarover een vraag te stellen aan het Hof. III. In rechte -A- A.
- De watering « Het Schulensbroek » betoogt dat de wateringen vergelijkbaar zijn met de in artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek vermelde rechtspersonen, vermits een watering een publiekrechtelijke rechtspersoon is met een rechtstreeks, democratisch verkozen orgaan, wat volgens de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling het criterium was om bepaalde rechtspersonen uit te sluiten van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Ze stelt overigens vast dat sommige van de in het artikel vermelde rechtspersonen niet beschikken over een rechtstreeks verkozen orgaan. Dit is namelijk het geval voor de meeste openbare centra voor maatschappelijk welzijn en voor de meergemeentepolitiezones. De wateringen vertonen bijgevolg een grotere vergelijkbaarheid met de overige publiekrechtelijke rechtspersonen die in het artikel worden vermeld dan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de meergemeentepolitiezones. A.
- De watering « Het Schulensbroek » meent dat er geen objectieve en redelijke verantwoording bestaat voor het verschil in behandeling dat door de in het geding zijnde bepaling in het leven wordt geroepen. Uit de parlementaire voorbereiding en uit het arrest nr. 128/2002 van het Hof blijkt dat de wetgever een dubbel onderscheidingscriterium heeft gehanteerd om rechtspersonen van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid uit te sluiten, namelijk
(1)de publiekrechtelijke aard van de rechtspersoon en
(2)het beschikken over een rechtstreeks, democratisch verkozen orgaan. In de parlementaire voorbereiding is geen enkel criterium te vinden op grond waarvan de wateringen, die publiekrechtelijke rechtspersonen zijn met een rechtstreeks, democratisch verkozen orgaan, dienen te worden onderscheiden van de in artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek vermelde rechtspersonen. Het verschil in behandeling berust dus niet op een objectief criterium, laat staan dat het pertinent zou zijn. A.
- Dat de wateringen publiekrechtelijke rechtspersonen zijn met een rechtstreeks, democratisch verkozen orgaan, blijkt, volgens de watering « Het Schulensbroek », uit de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen. Volgens die wet zijn de wateringen openbare besturen en worden de bestuursleden, de voorzitter en de ondervoorzitter aangewezen door de algemene vergadering die bestaat uit alle personen die een zakelijk recht bezitten in het territoriale gebied van de watering. Bovendien zijn de wateringen belast met een essentiële politieke opdracht in een representatieve democratie, wat blijkt uit artikel 1 van die wet, naar luid waarvan ze als taak hebben « het verwezenlijken van de doelstellingen en het rekening houden met de beginselen zoals bedoeld in de artikels 4, 5 en 6 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid en het uitvoeren van het 4 deelbekkenbeheerplan ». Het bestuur van een watering wordt gecontroleerd door de algemene vergadering en is dus onderworpen aan politieke controle. Bovendien staan de wateringen onder het toezicht van de deputatie van de provincie. A.
- De vzw « Natuurpunt Beheer », burgerlijke partij voor de verwijzende rechter, verwijst naar het arrest nr. 128/2002 van het Hof en leidt daaruit af dat de wetgever bij het bepalen van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen rekening moet houden met het feit dat publiekrechtelijke rechtspersonen activiteiten kunnen ontplooien die soortgelijk zijn aan die van privaatrechtelijke rechtspersonen. De publiekrechtelijke rechtspersonen die zich alleen door hun juridisch statuut van de privaatrechtelijke rechtspersonen onderscheiden, kunnen niet van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen worden uitgesloten. Dit is wel het geval voor de publiekrechtelijke rechtspersonen die zijn belast met een essentiële politieke opdracht in een representatieve democratie, beschikken over een democratisch verkozen vergadering en organen hebben die aan politieke controle zijn onderworpen. A.
- De vzw « Natuurpunt Beheer » is van oordeel dat de wateringen niet voldoen aan de criteria die door het Hof zijn gehanteerd in zijn arrest nr. 128/2002, op grond waarvan de uitsluiting van bepaalde rechtspersonen van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid kan worden verantwoord. Ze betwist niet dat de wateringen publiekrechtelijke rechtspersonen zijn, maar wel dat ze belast zouden zijn met een « essentiële politieke opdracht ». De taak van de wateringen is immers beperkt tot aangelegenheden die betrekking hebben op het integraal waterbeleid, zoals bedoeld in het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid. De taak van de wateringen verschilt grondig van de taak van de in artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek vermelde publiekrechtelijke rechtspersonen, die allen een « essentiële » politieke opdracht vervullen. De wateringen beschikken evenmin over democratisch verkozen organen. Volgens artikel 12 van de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen bestaat de algemene vergadering van een watering uit de stemgerechtigde ingelanden. Ingelanden in de zin van die bepaling zijn zij die een titel hebben van zakelijke rechten waaraan genot van de in het gebied van de watering gelegen erven is verbonden. Enkel de personen die voldoen aan bepaalde voorwaarden inzake het bezit van zakelijke rechten zijn dus stemgerechtigd. Het democratisch gehalte van de wateringen verschilt dus grondig van dat van de in artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek vermelde rechtspersonen. De organen van de wateringen zijn ten slotte evenmin onderworpen aan politieke controle. Noch de algemene vergadering, noch het bestuur dienen politieke verantwoording af te leggen. Ofschoon de beslissingen en handelingen van de wateringen onderworpen zijn aan het administratief toezicht van de deputatie van de provincie, kan dit toezicht bezwaarlijk worden beschouwd als een politieke controle. De deputatie kan de wateringen immers niet politiek ter verantwoording roepen. De controle op de wateringen verschilt dus grondig van de politieke controle op de in artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek vermelde rechtspersonen. A.
- De Ministerraad verwijst eveneens naar het arrest nr. 128/2002 van het Hof, waaruit kan worden afgeleid dat de in artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek bepaalde uitzonderingen op de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen aanvaardbaar zijn, maar eveneens dat die uitzonderingen beperkt moeten blijven. A.
- De Ministerraad betoogt dat het democratisch gehalte van de wateringen minstens moet worden genuanceerd. Uit artikel 15 van de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen blijkt dat het stemrecht in de algemene vergadering vooral is weggelegd voor de « grote ingelanden », zijnde diegenen die een bepaalde oppervlakte grond bezitten. Krachtens artikel 32 van die wet worden de leden van het bestuur benoemd door de algemene vergadering, waarin dus niet alle eigenaars - laat staan alle inwoners - stemgerechtigd zijn. De wateringen hebben volgens de Ministerraad meer eigenschappen gemeen met de parastatalen en de verenigingen van mede-eigenaars, dan met de in artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek vermelde rechtspersonen. A.8.
- De watering « Het Schulensbroek » is het niet eens met de stelling van de overige partijen dat de wateringen niet zouden beschikken over democratisch verkozen organen. Om van een « democratisch verkozen orgaan » te kunnen spreken, is vereist dat de instelling wordt bestuurd door personen die rechtstreeks worden verkozen uit de eigen gelederen, wat onbetwistbaar het geval is bij de organen van de wateringen. Het feit dat niet elke ingelande of inwoner van een watering stemrecht heeft, doet daaraan geen afbreuk. De ingelanden die 5 een zakelijk recht hebben op een eigendom die niet voldoet aan de voorwaarden om stemrecht te verkrijgen, kunnen zich immers, volgens artikel 15 van de wet van 5 juli 1956, groeperen en zo wel een afgevaardigde naar de algemene vergadering sturen. Om van een « democratisch verkozen orgaan » te kunnen spreken, is bovendien niet vereist dat iedere inwoner stemrecht heeft. Dit is immers ook niet het geval bij de publiekrechtelijke rechtspersonen die wel van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid zijn uitgesloten. Bij de meergemeentezones en bij de meeste openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden de bestuursorganen immers niet door de bevolking verkozen. Ook bij de verkiezingen voor de organen van de andere in artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek vermelde rechtspersonen zijn niet alle inwoners stemgerechtigd. Minderjarigen en bepaalde categorieën van vreemdelingen hebben bijvoorbeeld geen stemrecht. A.8.
- De watering « Het Schulensbroek » is het ook oneens met de stelling van de overige partijen dat de wateringen niet aan politieke controle zouden zijn onderworpen. Politieke controle houdt niet in dat er een hogere hiërarchische overheid moet bestaan waaraan verantwoording moet worden afgelegd, wel dat het bestuursorgaan verantwoording is verschuldigd aan een algemene vergadering. Het bestuur van de watering is onderworpen aan de controle van de algemene vergadering, net zoals de regering is onderworpen aan de controle van het parlement. A.
- De vzw « Natuurpunt Beheer » antwoordt dat de leden van de raden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden verkozen door de gemeenteraadsleden die op hun beurt rechtstreeks zijn verkozen en dat de openbare centra onder de politieke controle van de gemeenteraad staan. Het kan bovendien niet worden ontkend dat de openbare centra voor maatschappelijk welzijn een essentiële politieke opdracht hebben, in tegenstelling tot de wateringen. A.10.
- De Ministerraad antwoordt dat, zelfs indien zou blijken dat de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de meergemeentezones niet van het toepassingsgebied van artikel 5 van het Strafwetboek mochten worden uitgesloten - quod non -, dan nog zulks niet betekent dat de wateringen ook van dat toepassingsgebied zouden moeten worden uitgesloten. Bovendien beschikken sommige openbare centra voor maatschappelijk welzijn wel over een rechtstreeks democratisch verkozen orgaan en vermocht de wetgever van oordeel te zijn dat het niet wenselijk is om een verschil in behandeling in te stellen tussen de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, naargelang zij al dan niet over een rechtstreeks verkozen orgaan beschikken. A.10.
- De Ministerraad wijst ook erop dat de meergemeentezones pas later in artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek zijn opgenomen en dat het Hof in zijn arrest nr. 128/2002 geen rekening lijkt te hebben gehouden met die wetswijziging. Het Hof heeft zich daarna nog uitgesproken over de betrokken bepaling in de arresten nr. 42/2003, nr. 99/2003, nr. 75/2004, nr. 8/2005 en nr. 24/2005, zonder dat de toevoeging van de meergemeentezones tot de vaststelling van ongrondwettigheid heeft moeten leiden. In het arrest nr. 8/2005 gaat het Hof uit van de gewijzigde versie van artikel 5 van het Strafwetboek, maar neemt onverkort de redenering van het arrest nr. 128/2002 over. Daaruit kan worden afgeleid dat de toevoeging van de meergemeentezones geen invloed heeft gehad op de redenering en het besluit van het arrest nr. 128/2002 over. Overigens heeft de Raad van State, afdeling wetgeving, geen enkel bezwaar geformuleerd bij het voornemen om de meergemeentezones toe te voegen aan de lijst van de in artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek opgesomde publiekrechtelijke rechtspersonen. De meergemeentezones bevinden zich trouwens in een situatie die vergelijkbaar is met de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Zij beschikken over rechtspersoonlijkheid en oefenen de respectieve bevoegdheden van de gemeenteraad, het schepencollege en de burgemeester betreffende de organisatie en het beheer van het lokale politiekorps uit. Vermits de gemeenten van het toepassingsgebied van artikel 5 van het Strafwetboek zijn uitgesloten, dienden dus ook de meergemeentezones ervan te worden uitgesloten. A.10.
- Ten slotte is de Ministerraad van oordeel dat, zelfs indien alle redenen die tot de uitsluiting van de in artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek vermelde rechtspersonen hebben geleid, ook van toepassing zouden zijn op de wateringen - quod certe non -, dan nog zulks niet zou betekenen dat de keuze van de wetgever om de wateringen niet uit te sluiten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Uit het arrest nr. 128/2002 van het Hof blijkt immers dat de uitsluiting van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid de uitzondering moet blijven. In het arrest nr. 1/2004 heeft het Hof overigens geoordeeld dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet de wetgever niet verplichten om iedere uitzondering op het gemeen recht ten voordele van sommige administratieve overheden toepasselijk te maken op alle administratieve overheden. 6 -B- B.1.
- Artikel 5 van het Strafwetboek luidt als volgt : « Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd. Wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, kan enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan worden veroordeeld. Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd kan hij samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld. Met rechtspersonen worden gelijkgesteld : 1° tijdelijke verenigingen en verenigingen bij wijze van deelneming; 2° vennootschappen bedoeld in artikel 2, derde lid van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, alsook handelsvennootschappen in oprichting; 3° burgerlijke vennootschappen die niet de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen. Voor de toepassing van dit artikel kunnen niet als strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersoon worden beschouwd : de federale staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ». B.1.
- De verwijzende rechter vraagt of het vierde lid van dat artikel bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat het de erin vermelde publiekrechtelijke rechtspersonen uitsluit van het toepassingsgebied van artikel 5, dat betrekking heeft op de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, maar dit niet doet voor de wateringen, zoals geregeld in de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen. B.
- De parlementaire voorbereiding van artikel 5 van het Strafwetboek geeft aan dat de wetgever de « georganiseerde criminaliteit » wilde bestrijden, waarbij wordt onderstreept dat het vaak niet mogelijk is ze grondig aan te pakken « wegens de onmogelijkheid strafrechtelijke vervolgingen in te stellen tegen rechtspersonen », wat « [ertoe] leidt […] dat bepaalde vormen van crimineel gedrag dikwijls onbestraft blijven, niettegenstaande de vaak 7 zeer ernstige verstoring van de maatschappelijke en economische orde waarmee deze criminaliteitsvormen gepaard gaan » (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 2093/5, p. 2). Hij had eveneens tot doel gevolg te geven aan aanbevelingen van het Comité van Ministers van de Raad van Europa « over de criminaliteit in de zakenwereld en de verantwoordelijkheid van ondernemingen-rechtspersonen voor strafbare feiten die ze in de uitoefening van hun activiteiten plegen » (ibid.). Zijn initiatief « [sloot bovendien] aan bij een aantal recente wetgevende innovaties, met name de wet van 10 januari 1999 op de criminele organisaties en de wet van 10 februari 1999 betreffende de bestraffing van corruptie » (ibid.). De wetgever heeft bijgevolg geoordeeld dat rechtspersonen op strafrechtelijk gebied met natuurlijke personen moeten worden gelijkgesteld. B.
- In het vierde lid van artikel 5 van het Strafwetboek heeft de wetgever een aantal publiekrechtelijke rechtspersonen uitgesloten van het toepassingsgebied van dat artikel, dat betrekking heeft op de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, meer bepaald de federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. B.4.
- De publiekrechtelijke rechtspersonen onderscheiden zich van de privaatrechtelijke rechtspersonen, doordat zij enkel opdrachten van openbare dienstverlening vervullen en uitsluitend het algemeen belang moeten dienen. De wetgever kan redelijkerwijs oordelen dat hij, vanuit zijn bekommernis de georganiseerde criminaliteit te bestrijden, niet verplicht is ten aanzien van de publiekrechtelijke rechtspersonen dezelfde maatregelen te nemen als ten aanzien van de privaatrechtelijke rechtspersonen. B.4.
- De wetgever moet echter rekening houden met het feit dat publiekrechtelijke rechtspersonen activiteiten kunnen ontplooien die soortgelijk zijn aan die van privaatrechtelijke rechtspersonen, en dat bij het uitoefenen van zulke activiteiten de eerstgenoemden zich schuldig kunnen maken aan misdrijven die in geen enkel opzicht verschillen van misdrijven gepleegd door laatstgenoemden. Opdat zijn doel, dat erin bestaat een einde te maken aan de strafrechtelijke onverantwoordelijkheid van rechtspersonen, in overeenstemming is met het gelijkheidsbeginsel, komt het hem toe de publiekrechtelijke 8 rechtspersonen die zich alleen door hun juridisch statuut van de privaatrechtelijke rechtspersonen onderscheiden, niet uit het toepassingsgebied van de wet uit te sluiten. B.4.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat publiekrechtelijke rechtspersonen in principe strafrechtelijk verantwoordelijk zijn, en dat de uitzondering op die regel in het algemeen alleen betrekking heeft op die publiekrechtelijke rechtspersonen « die een rechtstreeks, democratisch verkozen orgaan hebben » (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-1217/1, p. 3). B.4.
- Het verschil in behandeling van rechtspersonen naargelang zij al dan niet een democratisch verkozen orgaan hebben, berust op een pertinent criterium. De publiekrechtelijke rechtspersonen opgesomd in artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek vertonen het bijzondere kenmerk dat zij hoofdzakelijk belast zijn met een essentiële politieke opdracht in een representatieve democratie, dat zij beschikken over democratisch verkozen vergaderingen en dat zij organen hebben die aan een politieke controle zijn onderworpen. De wetgever kon redelijkerwijze vrezen dat, indien hij die rechtspersonen strafrechtelijk aansprakelijk zou maken, een collectieve strafrechtelijke aansprakelijkheid zou worden uitgebreid tot situaties waarin ze meer nadelen dan voordelen vertoont, door onder meer klachten uit te lokken waarvan het werkelijke doel zou zijn via strafrechtelijke weg politiek strijd te voeren. B.
- Luidens artikel 1 van de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen (hierna : wet van 5 juli 1956), zoals vervangen bij artikel 78, § 1, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, zijn de wateringen openbare besturen, buiten de polderzones ingesteld, met als taak, binnen de grenzen van hun territoriaal gebied, het verwezenlijken van de doelstellingen en het rekening houden met de beginselen zoals bedoeld in de artikelen 4, 5 en 6 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid en het uitvoeren van het deelbekkenbeheerplan. De wateringen staan meer bepaald in voor het ontwikkelen, beheren en herstellen van watersystemen, met het oog op het bereiken van de randvoorwaarden die nodig zijn voor het behoud ervan, en met het oog op het multifunctionele gebruik, waarbij de behoeften van de huidige en komende generaties in rekening wordt gebracht. Ze zijn publiekrechtelijke rechtspersonen. 9 B.6.
- Krachtens de artikelen 12 en 29 van de wet van 5 juli 1956 heeft iedere watering een algemene vergadering en een bestuur. B.6.
- De algemene vergadering bestaat uit de stemgerechtigde ingelanden, waaronder dient te worden verstaan de personen die een titel hebben van zakelijke rechten waaraan genot van de in het gebied van de watering gelegen erven is verbonden (artikel 12 van de wet van 5 juli 1956). Het reglement van elke watering moet, ten minste, stemrecht waarborgen aan iedere ingelande die grond bezit van een oppervlakte zoals bepaald in artikel 15 van de wet van 5 juli 1956 (de zogenaamde « grote ingelanden »), maar eigenaars die afzonderlijk geen recht hebben op een stem, kunnen hun eigendommen groeperen tot het in het reglement vastgestelde minimum, om gezamenlijk een afgevaardigde (met één stem) naar de algemene vergadering te zenden. B.6.
- Het bestuur van de watering bestaat, volgens artikel 29 van de wet van 5 juli 1956, uit een voorzitter, een ondervoorzitter en beheerders, van wie het aantal wordt bepaald door het reglement. Wanneer de watering aan minder dan vier ingelanden toebehoort, worden de voorzitter, de ondervoorzitter en de beheerders benoemd door de gouverneur. In de andere gevallen benoemt de algemene vergadering de leden van het bestuur onder de ingelanden. B.7.
- Hoewel de organen van de wateringen een aantal kenmerken van democratisch verkozen organen vertonen, is het democratische gehalte ervan verschillend van dat van de organen van de federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. B.7.
- De algemene vergadering van een watering wordt uitsluitend samengesteld uit personen die bepaalde zakelijke rechten hebben in het gebied waarin de watering bevoegdheden heeft. In beginsel hebben enkel de ingelanden die zakelijke rechten hebben op gronden van een bepaalde oppervlakte (de « grote ingelanden »), recht op een persoonlijke stem in die vergadering. De samenstelling van de vergadering wordt noch rechtstreeks, noch indirect bepaald aan de hand van verkiezingen, naar aanleiding waarvan de burgers hun mening te kennen kunnen 10 geven over het door de vertegenwoordigers en de bestuurders gevoerde en voorgestelde beleid. Dit brengt met zich mee dat aan de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de wateringen geen risico is verbonden dat klachten zouden worden ingediend waarvan het werkelijke doel zou zijn via strafrechtelijke weg politiek strijd te voeren. B.7.
- Het is juist dat sommige van de in artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek opgesomde publiekrechtelijke rechtspersonen niet beschikken over een rechtstreeks verkozen orgaan, namelijk de meergemeentezones en sommige openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Wat de openbare centra voor maatschappelijk welzijn betreft, kon de wetgever echter redelijkerwijze van oordeel zijn dat het niet is aangewezen om tussen die centra onderling een onderscheid te maken, naargelang hun raad rechtstreeks wordt verkozen - wat het geval is in een aantal faciliteitengemeenten - of niet. In soortgelijke zin kon de wetgever redelijkerwijze van oordeel zijn dat de meergemeentezones dienen te worden uitgesloten van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen, aangezien de organen ervan dezelfde bevoegdheden uitoefenen als de organen van de gemeenten in de eengemeentezones. Bovendien wordt de samenstelling van de betreffende organen indirect bepaald door de voor de gemeenteraden georganiseerde verkiezingen, naar aanleiding waarvan de burgers ook hun mening over het door de meergemeentezones en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn gevoerde beleid te kennen kunnen geven. B.
- De opdracht van de wateringen, die in hoofdzaak het ontwikkelen, beheren en herstellen van watersystemen betreft, is bovendien verschillend van de opdracht van de in het vierde lid van artikel 5 van het Strafwetboek vermelde rechtspersonen, die alle zijn belast met een essentiële politieke opdracht in een representatieve democratie. Uit de omstandigheid dat de wateringen binnen bepaalde grenzen heffingen kunnen invoeren die het karakter hebben van belastingen en het niet-naleven van hun reglementen strafbaar kunnen stellen, kan op zich geen verplichting voor de wetgever worden afgeleid om de in artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek vervatte uitzondering uit te breiden tot de wateringen. 11 B.
- De voormelde verschillen verantwoorden dat de wateringen niet worden uitgesloten van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 5, vierde lid, van het Strafwetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, in zoverre het de wateringen niet uitsluit van het toepassingsgebied van dat artikel. Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 februari
- De griffier, De wnd. voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Bossuyt PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.031 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.048 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div