id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.036 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070307.3 Arrest- Rolnummer: 36/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-14 Raadplegingen: 236 - laatst gezien 2026-06-29 10:55 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten schendt de artikelen 10, 11, 22 en 172 van de Grondwet niet, in zoverre het niet van toepassing is op de overlevende feitelijk samenwonende. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Fiscaal recht - Successierechten - Heffingsgrondslag - Groepsverzekering waarop de werkgever van de overledene heeft ingetekend -
- Feitelijk samenwonenden -
- Echtgenoten. # Rechten en vrijheden - Recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. Wettelijke bepalingen: Wetboek der successierechten - 30-03-1936 - 8,L6,3$ - 30 ELI link Pub nr 1936033051 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 22 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummer 3979 Arrest nr. 36/2007 van 7 maart 2007 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 27 april 2006 in zake Marie Jehotte tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 8 mei 2006, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten de artikelen 10, 11, 22 en 172 van de Grondwet, in zoverre het enkel aan de overlevende echtgenoot, met uitsluiting van de overlevende feitelijk samenwonende die blijk geeft van het feit dat hij gedurende verscheidene jaren heeft samengewoond met de overledene, het voordeel voorbehoudt van de in die bepaling bedoelde uitzondering op het beginsel dat renten en kapitaal die door toedoen van de werkgever van de overledene werden gevestigd tot uitvoering van een groepsverzekeringscontract worden gelijkgesteld met legaten ? ». Memories zijn ingediend door : - Marie Jehotte, wonende te 4680 Oupeye, rue de Fexhe-Slins 134; - de Waalse Regering; - de Ministerraad; - de Vlaamse Regering. Marie Jehotte en de Vlaamse Regering hebben memories van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 11 januari 2007 : - zijn verschenen : . Mr. X. Thiebaut, advocaat bij de balie te Luik, voor Marie Jehotte; . Mr. M.-P. Donéa loco Mr. M. Eloy, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Waalse Regering; . Mr. B. Lespire, advocaat bij de balie te Luik, voor de Ministerraad; . Mr. R. Deblauwe en Mr. G. Coupez, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Bij eigenhandig testament van 1 juni 2003 heeft Pierre Lambrecht Marie Jehotte, zijn levensgezellin sinds zes jaar, aangesteld als algemene legataris. Pierre Lambrecht is overleden te Oupeye op 24 juni
- In het raam van de erfopvolging heeft Marie Jehotte een som van 313 690,79 euro verkregen, die voornamelijk bestaat in een groepsverzekeringskapitaal. Aangezien die som werd belast tegen het successietarief dat van toepassing is « tussen vreemden », zijnde 77,4 pct., heeft Marie Jehotte de som van 242 946,71 euro moeten betalen. Na te hebben berekend dat indien zij gehuwd was geweest met de erflater zij slechts een som had dienen te betalen van 2 280,21 euro, stelt Marie Jehotte voor de Rechtbank van eerste aanleg te Luik een vordering in tot terugbetaling van de som van 240 666,50 euro. Zij is van mening dat de belasting waaraan zij is onderworpen strijdig is met de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet en met de artikelen 8 en 12 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag. De Rechtbank van eerste aanleg te Luik acht zich niet bevoegd om de grondwettigheid van een wettelijke bepaling te beoordelen en legt de voormelde prejudiciële vraag voor aan het Hof. In tussentijd heeft de administratie aan Marie Jehotte ingevolge het arrest nr. 107/2005 van het Hof de door haar te veel betaalde successierechten terugbetaald (ten bedrage van 13 870 euro). Dat arrest had artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 oktober 2003 « houdende wijziging van de artikelen 48 en 54 van het Wetboek der successierechten » vernietigd in zoverre het het heffingspercentage inzake successierechten hoger dan op 80 pct. vaststelt. III. In rechte -A- Standpunt van de eisende partij voor de verwijzende rechter A.
- Volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege roept artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten een verschil in behandeling in het leven tussen, enerzijds, de overlevende echtgenoot die als legaat van zijn overleden echtgenoot kapitaal ontvangt dat in zijn voordeel is gevestigd ter uitvoering van een groepsverzekeringscontract en dat een vrijstelling geniet en, anderzijds, de overlevende samenwonende partner die successierechten moet betalen die zijn berekend alsof die partner een vreemde was bij het beding ten behoeve van een derde. Nadat ze de in het geding zijnde bepaling in haar historische context heeft belicht, brengt de eisende partij in herinnering dat de doelstelling van de wetgever erin bestond te zorgen voor een strikt verdelende rechtvaardigheid door, enerzijds, alle situaties te beogen met soortgelijke economische gevolgen en, anderzijds, overwegingen van maatschappelijke aard in acht te nemen, door het voor de overlevende echtgenoot mogelijk te maken te worden vrijgesteld voor de sommen die voortvloeien uit een groepsverzekering waarop de werkgever van de overledene heeft ingetekend. Zij zegt vervolgens niet te begrijpen waarom die uitzondering niet zou kunnen worden toegepast op de overlevende samenwonende. Zij is in het bijzonder van mening dat ten aanzien van de door de in het geding zijnde bepaling beoogde doelstelling, namelijk de affectieve band meten, kan worden verantwoord dat de overlevende echtgenoot en de overlevende samenwonende op voet van gelijkheid worden geplaatst en dat het onweerlegbare karakter van de in het geding zijnde bepaling jegens haar in ieder geval indruist tegen het beginsel van gelijkheid en niet- discriminatie. Het criterium van onderscheid is dus niet relevant. Op dezelfde wijze, zo vervolgt de eisende partij voor de feitenrechter, is het verband van evenredigheid niet redelijk : het tarief schommelt tussen ongeveer 0 pct. en 30 of 80 pct. op dezelfde sommen, naargelang het om een overlevende echtgenoot of een overlevende samenwonende gaat. De eisende partij voert de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en in het bijzonder de schending van het 4 recht op het privé- en gezinsleven dat, volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat daaraan een evolutieve interpretatie wordt gegeven en aldus te dezen, zo meent de eisende partij voor de verwijzende rechter, wat betreft het statuut van de samenwonenden in vergelijking met dat van de echtgenoten. In haar memorie van antwoord betwist Marie Jehotte dat zowel de Ministerraad als de Waalse Regering en de Vlaamse Regering de niet-vergelijkbaarheid aanvoeren tussen, enerzijds, de gehuwde echtgenoten en, anderzijds, de feitelijk samenwonenden. Het Hof heeft overigens, zo vervolgt zij, geoordeeld dat die beide categorieën van personen vergelijkbaar waren ten aanzien van tal van fiscaalrechtelijke bepalingen. Ook dient het feit te worden vermeld dat de Vlaamse gewestwetgever reeds tweemaal in verband met de aangelegenheid van de schenkings- en successierechten, de zogenaamde « feitelijke » gezinnen en de gehuwde echtgenoten op voet van gelijkheid heeft geplaatst. De federale wetgever zelf behandelt in artikel 34, § 1, 2°, b), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (hierna : WIB) 1992 het bij het overlijden van de verzekerde uitbetaalde groepsverzekeringskapitaal inzake personenbelastingen op dezelfde wijze, ongeacht of de betaling gebeurt ten gunste van de echtgenoot van de verzekerde of van de met hem feitelijk samenwonende. De eisende partij voor de feitenrechter vermeldt bovendien in haar memorie van antwoord dat een bedrijfsvoorheffing van 35 050,69 euro werd afgehouden op het vereffende kapitaal. De administratie heeft de successierechten geheven op het beschikbare bedrag van 248 973,49 euro. Zij voegt daaraan toe dat eenzelfde voorheffing van 16,66 pct. door de verzekeringsmaatschappij moet worden afgehouden op grond van artikel 40, c, van bijlage III bij het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het WIB. Zij preciseert voorts dat deelnemingen in de winst hunnerzijds zijn vrijgesteld van inkomstenbelastingen, ongeacht of de uitbetaling gebeurt ten gunste van de echtgenoot of van de feitelijk samenwonende (artikel 40 van het WIB). Marie Jehotte wil niet de met de in het geding zijnde bepaling nagestreefde maatschappelijke doelstelling betwisten maar zij kan niet de zin begrijpen van de redenering die de gewestregeringen daaruit afleiden. Ofschoon het relevant is dat bij de fiscale behandeling van de groepsverzekeringen de echtgenoten worden bevoordeeld, vermits het gaat om een aanvulling van het wettelijk overlevingspensioen waarop zij reeds recht hebben, dient a fortiori hetzelfde te gelden voor de feitelijk samenwonenden die, in tegenstelling tot de echtgenoten en zoals de tussenkomende partijen overigens zeer terecht in herinnering hebben gebracht, niet over een wettelijk pensioen beschikken naar aanleiding van het overlijden van hun levensgezel. Indien de interpretatie wordt gevolgd die de tegenpartij voorstaat, komt dat dus neer op een tweevoudige bestraffing van de overlevende feitelijk samenwonende : enerzijds, kan hij niet beschikken over een wettelijk pensioen naar aanleiding van het overlijden van zijn levensgezel, wat hier niet wordt betwist, en, anderzijds, wordt het groepsverzekeringskapitaal dat door de werkgever van de overledene is gevestigd sterk belast wat de successierechten betreft. Standpunt van de Ministerraad A.
- De Ministerraad beaamt dat, doordat artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten de vrijstelling enkel toekent aan de overlevende echtgenoot of, bij gebreke, aan zijn kinderen die de leeftijd van 21 jaar niet hebben bereikt, het de echtgenoten daadwerkelijk anders behandelt dan de niet-gehuwde paren. Dat verschil is echter verantwoord, vermits het op een objectief verschil berust tussen de juridische situatie van de echtgenoten, die ten aanzien van elkaar en ten aanzien van derden rechten en plichten hebben, en de niet- gehuwde paren, voor wie zulks niet het geval is. Onder die plichten hebben de echtgenoten een plicht tot bijstand (artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek). Het Hof heeft reeds meermaals, zo vervolgt de Ministerraad, beslist dat dat verschil historisch gezien op overwegingen van algemeen, economisch en budgettair beleid berust. Standpunt van de Waalse Regering A.
- Zelfs indien wordt geoordeeld dat de feitelijk samenwonenden en de gehuwde paren vergelijkbare groepen van personen zijn, is artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten relevant en evenredig met de daarin nagestreefde doelstellingen, zo meent de Waalse Regering. Die bepaling heeft tot doel het rustpensioen of het overlevingspensioen aan te vullen waarop de overlevende echtgenoot - en hij alleen - recht heeft, indien hij tenminste één jaar gehuwd is op het ogenblik van het overlijden. In die mate is het redelijk dat het groepsverzekeringskapitaal een gunstigere fiscale behandeling geniet wanneer het wordt geïnd door de overlevende echtgenoot. In zoverre dat kapitaal een wijze van uitgestelde bezoldiging vormt, is het overigens relevant dat daaraan een fiscale behandeling wordt voorbehouden waarbij rekening wordt gehouden met het feit 5 dat, indien diezelfde bedragen aan de werknemer zouden zijn uitbetaald tijdens zijn beroepsleven, zij een voor de echtgenoten gezamenlijk inkomen hadden gevormd. Standpunt van de Vlaamse Regering A.
- De Vlaamse Regering is in de eerste plaats van mening dat de beide met elkaar vergeleken categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn. De echtgenoten hebben rechten en plichten die rechtstreeks voortvloeien uit het huwelijk (artikelen 213, 215, 217, 221 en 222 van het Burgerlijk Wetboek). Zij hebben in het bijzonder het recht om een levensstandaard te genieten die, naar hun vermogen, overeenstemt met hun gezamenlijke inkomsten. Die rechten worden soms voortgezet na de echtscheiding. Indien het Hof zou oordelen dat de beide categorieën van personen vergelijkbaar zijn, berust het te dezen gemaakte verschil tussen de echtgenoten en de samenwonenden hoe dan ook op een objectief criterium, namelijk de verschillende rechtstoestand die tussen beiden bestaat. Dat verschil is redelijkerwijze verantwoord, zo vervolgt de Vlaamse Regering, gelet op de met artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten nagestreefde doelstelling, namelijk het behoud van de levensstandaard garanderen aan personen die beslist hebben om in het huwelijk te treden en daardoor rechten maar ook plichten hebben die de samenwonenden niet hebben. In haar memorie van antwoord verwijst de Vlaamse Regering naar verscheidene overwegingen in het arrest nr. 107/2005 van het Hof teneinde, enerzijds, met name de niet-vergelijkbaarheid van de situaties te verantwoorden en, anderzijds, te oordelen dat het gemaakte verschil in behandeling tussen echtgenoten en samenwonenden voortvloeit uit een politieke keuze waarover het Hof zich niet kan uitspreken. -B- B.
- De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten, vervangen bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 12 van 18 april 1967 tot wijziging van het Wetboek der successierechten, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en van het Wetboek der zegelrechten. De eerste vijf leden van dat artikel 8 bepalen dat verschillende sommen, renten of waarden die een persoon geroepen is kosteloos te ontvangen op grond van een door de overledene gesloten contract, worden geacht als legaat te zijn verkregen en dat zij bijgevolg aan successierechten zijn onderworpen. Het zesde lid van dat artikel bepaalt dat het niet van toepassing is : « […] 3° op de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de overledene werden gevestigd ten behoeve van de overlevende echtgenoot van de overledene of, bij gebreke, ten behoeve van zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering hetzij van een groepsverzekeringscontract onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming en beantwoordende aan de voorwaarden gesteld door 6 de reglementering betreffende de controle van zulke contracten, hetzij van het bindend reglement van een voorzorgsfonds opgericht ten behoeve van het personeel van de onderneming; […] ». B.2.
- Aan het Hof wordt gevraagd of de voormelde bepaling de artikelen 10, 11, 22 en 172 van de Grondwet schendt, in zoverre zij niet toepasbaar is op de overlevende feitelijk samenwonende. Het Hof beperkt het onderzoek van de prejudiciële vraag tot het door de verwijzende rechter voorgelegde geval. Het dient zich derhalve niet uit te spreken over de situatie van de wettelijk samenwonenden, die inzake successierechten aan dezelfde tarieven als echtgenoten zijn onderworpen. B.2.
- De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 172 van de Grondwet is een bijzondere toepassing van dat beginsel in fiscale aangelegenheden. Artikel 22 van de Grondwet waarborgt het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven. B.
- Artikel 8 van het Wetboek der successierechten roept een fictie in het leven volgens welke de sommen, renten of waarden die een persoon geroepen is kosteloos te ontvangen, bij het overlijden van de overledene, ingevolge een contract dat een door de overledene of door een derde ten behoeve van de verkrijger gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen, en derhalve deel uitmaken van het actief van de nalatenschap. Op die sommen zijn bijgevolg successierechten verschuldigd. Luidens het zesde lid van die bepaling is zij niet van toepassing op sommige sommen, renten en kapitalen, waaronder de kapitalen en renten gevestigd door toedoen van de werkgever van de overledene ten behoeve van diens echtgenoot of kinderen. B.4.
- De in het geding zijnde bepaling doet derhalve een verschil in behandeling ontstaan tussen de overlevende echtgenoot en de overlevende feitelijk samenwonende. Voor de laatstgenoemden blijven de renten en kapitalen afkomstig van een door de werkgever van de overledene afgesloten groepsverzekering tot de heffingsgrondslag van de successierechten behoren. Voor de eerstgenoemden maken die renten en kapitalen geen deel uit van de heffingsgrondslag. 7 B.4.
- De Waalse en de Vlaamse Regering werpen op dat de echtgenoten en de feitelijk samenwonenden niet voldoende vergelijkbaar zijn, inzonderheid doordat hun juridische situatie verschillend is. Men mag verschil en niet-vergelijkbaarheid evenwel niet verwarren. De verschillende juridische situatie waarin de overlevende echtgenoot en de overlevende feitelijk samenwonende zich bevinden neemt niet weg dat zij beiden renten en kapitalen kunnen hebben ontvangen die werden gevestigd door toedoen van de werkgever van de overledene met wie zij een levensgemeenschap vormden. De exceptie van niet-vergelijkbaarheid wordt verworpen. B.
- Uit het verslag aan de Koning dat het koninklijk besluit van 18 april 1967 voorafgaat waarbij in artikel 8 van het Wetboek der successierechten het hiervoor bedoelde voordeel werd ingevoegd, blijkt dat dat besluit voornamelijk twee doelstellingen beoogde : enerzijds, te zorgen voor een strikt verdelende rechtvaardigheid door alle situaties met soortgelijke economische gevolgen te beogen en, anderzijds, de inachtneming van overwegingen van maatschappelijke orde door een weduwe (Pasin. 1967, p. 420) en, naar aanleiding van de wetswijziging van 30 december 1988 (Parl. St., Kamer, 1988-1989, nr. 609/1, pp. 97 en 98), een weduwnaar in staat te stellen te worden vrijgesteld voor de sommen die voortvloeien uit een groepsverzekering waarop de werkgever van de overledene heeft ingetekend. B.6.
- Het bepalen van de heffingsgrondslag van een belasting komt de bevoegde fiscale wetgever toe. Wanneer hij daartoe criteria van onderscheid hanteert, moeten die objectief en redelijk kunnen worden verantwoord. B.6.
- Het verschil in behandeling tussen echtgenoten en feitelijk samenwonenden steunt op het objectieve gegeven dat hun juridische toestand verschilt, zowel wat betreft de persoonlijke verplichtingen jegens elkaar, als wat betreft hun vermogensrechtelijke toestand. De echtgenoten zijn aldus tijdens het hele huwelijk elkaar hulp en bijstand verschuldigd (artikel 213 van het Burgerlijk Wetboek) en zij dienen hun inkomen bij voorrang aan hun 8 bijdrage in de lasten van het huwelijk te besteden (artikel 217 van het Burgerlijk Wetboek), waartoe zij gehouden zijn naar hun vermogen (artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek). B.6.
- De wetgever kan inzake successierechten maatregelen nemen die in verband staan met de in het burgerlijk recht tot uiting gebrachte doelstelling om een vorm van gezinsleven te bevorderen die de voormelde rechten en verplichtingen impliceert en die, naar zijn oordeel, betere kansen op stabiliteit biedt. B.6.
- Door aan de overlevende feitelijk samenwonende niet het voordeel toe te kennen dat in de in het geding zijnde bepaling aan de overlevende echtgenoot wordt toegekend, heeft de wetgever een maatregel genomen die niet zonder redelijke verantwoording is rekening houdend met de in B.6.3 in herinnering gebrachte doelstelling. Er moet bovendien rekening worden gehouden met het feit dat men beslist te huwen of buiten het huwelijk samen te wonen met kennis van de voor- en nadelen van de ene en de andere samenlevingsvorm. B.
- Ten aanzien van het recht op de eerbiediging van het privé- en gezinsleven ziet het Hof niet in hoe de in het geding zijnde bepaling daaraan afbreuk doet. Niet alleen brengt de bepaling geenszins de vrije keuze in het geding om al dan niet te huwen, maar bovendien hangt de toepasbaarheid van de bepaling niet af van de bewijsvoering van het bestaan van een affectieve band tussen de beoogde personen, aangezien het enige criterium waarmee rekening wordt gehouden het bestaan is van de juridische band van het huwelijk op het ogenblik van het overlijden van de overledene. B.8.
- De eisende partij voor de verwijzende rechter werpt nog op dat de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 16 ervan en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt en in haar memorie van antwoord vergelijkt zij de in het geding zijnde bepaling met artikel 34, § 1, 2°, b), van het WIB 1992, krachtens hetwelk bedrijfsvoorheffing verschuldigd is op groepsverzekeringskapitaal dat bij het overlijden van de verzekerde wordt uitbetaald, ongeacht de persoon ten gunste van wie het bedrag wordt gestort. 9 B.8.
- De verwijzende rechter heeft het Hof enkel ondervraagd over een mogelijke schending van de artikelen 10, 11, 22 en 172 van de Grondwet. De partijen voor het Hof vermogen de draagwijdte van de prejudiciële vraag niet te wijzigen of uit te breiden. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 8, zesde lid, 3°, van het Wetboek der successierechten schendt de artikelen 10, 11, 22 en 172 van de Grondwet niet, in zoverre het niet van toepassing is op de overlevende feitelijk samenwonende. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 7 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.036 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div