← België

ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.037

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.037 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070307.4 Arrest- Rolnummer: 37/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-14 Raadplegingen: 254 - laatst gezien 2026-06-30 12:00 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De artikelen 80, derde lid, en 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vragen betreffende de artikelen 80 en 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, gesteld door de Rechtbank van koophandel te Namen en de Rechtbank van koophandel te Luik. Handelsrecht - Faillissement - Verschoonbaarheid -

  1. Echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde -
  2. Ex-echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde -
  3. Kosteloze persoonlijke borg van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-08-1997 - 80 - 80 ELI link Pub nr 1997009766 Wet - 08-08-1997 - 80,L3 - 80 ELI link Pub nr 1997009766 Wet - 08-08-1997 - 82 - 80 ELI link Pub nr 1997009766 Wet - 08-08-1997 - 82,L2 - 80 ELI link Pub nr 1997009766 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Rolnummers 3987 en 4021 Arrest nr. 37/2007 van 7 maart 2007 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 80 en 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, gesteld door de Rechtbank van koophandel te Namen en de Rechtbank van koophandel te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 8 mei 2006 in zake de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tegen Jean-Marie Molitor en in aanwezigheid van Monique Dauvin, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 12 mei 2006, heeft de Rechtbank van koophandel te Namen de volgende prejudiciële vragen gesteld :
  4. « Geeft artikel 82 van de faillissementswet [van 8 augustus 1997], zoals het werd gewijzigd bij de wet van 2 februari 2005, aanleiding tot discriminatie tussen de echtgenoot die ten gevolge van de verschoonbaarheid van de gefailleerde wordt bevrijd van de - onder meer fiscale - schulden waarvoor hij aansprakelijk is door de werking van de wet, en de ex- echtgenoot, die niet zou kunnen worden bevrijd van diezelfde schulden ten gevolge van de verschoonbaarheid van zijn gefailleerde ex-echtgenoot ? »;
  5. « Schenden de artikelen 80, derde lid, en 82, tweede lid, van de faillissementswet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat, tenzij hij zijn onvermogen frauduleus organiseerde, elke natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, geheel of gedeeltelijk kan worden bevrijd van zijn verbintenis wanneer die niet in verhouding staat tot zijn vermogen en tot zijn inkomsten, en dat los van het lot dat aan de gefailleerde is voorbehouden, terwijl de echtgenoot van de gefailleerde alleen ten gevolge van de verschoonbaarheid van de gefailleerde wordt bevrijd van de schuld waarvoor hij persoonlijk aansprakelijk is, wat veronderstelt dat zijn lot noodzakelijkerwijs verbonden is aan dat van de gefailleerde ? ». b. Bij vonnis van 27 juni 2006 in zake Fabienne Rockus tegen de nv « Europabank », en in aanwezigheid van Ives Matagne, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 30 juni 2006, heeft de Rechtbank van koophandel te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 80 en artikel 82 van de faillissementswet [van 8 augustus 1997], zoals het werd gewijzigd bij de wet van 2 februari 2005, door de discriminerende aard ervan, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, of geven zij aanleiding tot een eventuele objectieve discriminatie : - tussen de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde en de vóór het faillissement uit de echt gescheiden echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde, terwijl die echtgenoot en die ex-echtgenoot hun verplichtingen zijn aangegaan onder een identiek huwelijksvermogensstelsel; - tussen een uit de echt gescheiden ex-echtgenoot van de gefailleerde en de gefailleerde, terwijl zij een gezins- en economische entiteit vormden die een gemeenschappelijk doel nastreefde, waarbij de gefailleerde kan worden bevrijd van de financiële gevolgen dankzij de verschoonbaarheid, terwijl zijn ex-echtgenoot, als gevolg van de echtscheiding, datzelfde voordeel niet kan verkrijgen; - tussen de vóór het faillissement uit de echt gescheiden echtgenoot van de gefailleerde en de persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, terwijl de vóór het faillissement uit de echt gescheiden echtgenoot nooit de regeling zal kunnen genieten van de persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, hoewel het 3 mogelijk is dat zijn verbintenis niet voortvloeide uit winstbejag, maar gewoon het gevolg was van de toepassing van het huwelijksvermogensstelsel, zoals bijvoorbeeld artikel 221 en/of de systematische praktische gevolgen van artikel 1418 van het Burgerlijk Wetboek ? ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3987 en 4021 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. Memories zijn ingediend door : - de nv « Europabank », waarvan de maatschappelijke zetel is gevestigd te 9000 Gent, Burgstraat 170, in de zaak nr. 4021; - de Ministerraad, in de twee zaken. Op de openbare terechtzitting van 11 januari 2007 : - zijn verschenen : . Mr. K. Devolder loco Mr. M. Van den Daelen, advocaten bij de balie te Gent voor de nv « Europabank », in de zaak nr. 4021; . Mr. G. Ninane loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen Zaak nr. 3987 J.-M. Molitor, uit de echt gescheiden van M. Dauvin, wordt in staat van faillissement verklaard bij vonnis van 27 maart 2003, waarbij hem eveneens het voordeel van verschoonbaarheid wordt toegekend. Tegen dat vonnis is derdenverzet ingesteld, dat aan de verwijzende rechter is voorgelegd. De ex-echtgenote van de gefailleerde, M. Dauvin, is vrijwillig in de zaak tussengekomen om het voordeel te verkrijgen van de verschoonbaarheid die aan de gefailleerde is toegekend, in haar hoedanigheid van echtgenote van die laatste tot 4 februari
  6. Op de vraag of de door de wet van 2 februari 2005 doorgevoerde wijziging van artikel 82 van de faillissementswet van toepassing is op het hem voorgelegde geschil - en na de partijen die vraag te hebben gesteld -, antwoordt de verwijzende rechter bevestigend, met verwijzing naar het arrest nr. 68/2004 van het Hof. 4 Wat vervolgens de vraag betreft of diezelfde wetswijziging van toepassing is op de ex-echtgenoot van een gefailleerde, die uit de echt gescheiden is voordat die laatste verschoonbaar werd verklaard, merkt de verwijzende rechter op dat die oplossing « logisch » lijkt, maar wijst hij eveneens op de heldere formulering van het nieuwe artikel 82, die niet voor die interpretatie pleit. Hij stelt dan ook de eerste prejudiciële vraag die in die zaak aan het Hof is voorgelegd. Vanuit de hypothese dat de ex-echtgenoot van een gefailleerde, hoewel hij een mogelijke begunstigde is van het nieuwe artikel 82, in werkelijkheid het voordeel ervan niet zou kunnen genieten - wanneer verschoonbaarheid aan de gefailleerde werd geweigerd -, vraagt de verwijzende rechter zich overigens af of het verschil in behandeling dat daaruit zou voortvloeien tussen die ex-echtgenoot of echtgenoot, enerzijds, en de personen die zich persoonlijk zeker stelden voor een gefailleerde, anderzijds, grondwettig is : het lot van de eerstgenoemden is verbonden aan dat van de gefailleerde, in tegenstelling tot de laatstgenoemden, die van hun verbintenis kunnen worden bevrijd los van het feit of de gefailleerde verschoonbaar is verklaard. Hij stelt bijgevolg de tweede prejudiciële vraag die in die zaak aan het Hof werd voorgelegd. Zaak nr. 4021 Ook in die zaak gaat de echtscheiding vooraf aan het vonnis van faillietverklaring. De ex-echtgenote, die in haar hoedanigheid van borg door de schuldeiser is opgeroepen, vraagt om de toepassing te genieten van artikel 82 van de faillissementswet en, subsidiair, van artikel 80 van diezelfde wet. Na te hebben geoordeeld dat geen enkele van die twee bepalingen van toepassing kan zijn op de ex- echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde - omdat respectievelijk de echtscheiding voorafging aan het faillissement, en er uit de aard van de zaak geen sprake is van belangeloosheid wanneer een van de echtgenoten zich persoonlijk borg stelt voor de andere -, stelt de verwijzende rechter de bovenvermelde prejudiciële vragen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag die is gesteld in de zaak nr. 3987 en in de zaak nr. 4021 (verschil in behandeling tussen de ex-echtgenoot en de echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde) A.1.
  7. De Ministerraad wijst in de eerste plaats op de wijzigingen die aan artikel 82 van de faillissementswet zijn aangebracht door de wetten van 4 september 2002 en 2 februari 2005, alsook op de arresten van het Hof nrs. 69/2002 en 78/2004 die daartoe aanleiding hebben gegeven. Als gevolg van die wijzigingen wordt de verschoonbaarheid van de gefailleerde voortaan uitgebreid tot diens echtgenoot, en dat los van de oorsprong van de verbintenis van die laatste, oorsprong die gewild of wettelijk kan zijn. A.1.
  8. De Ministerraad trekt de doelstelling in twijfel die de verwijzende rechter - uitsluitend in de zaak nr. 3987 - aan de wetgever toeschrijft toen die laatste het nieuwe artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet goedkeurde : volgens de verwijzende rechter was het de bedoeling een oplossing te vinden voor het feit dat de ex- echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde na de echtscheiding persoonlijk aansprakelijk zou kunnen blijven voor fiscale schulden die tijdens het huwelijk waren ontstaan, in tegenstelling tot de verschoonbaar verklaarde gefailleerde zelf. De Ministerraad onderstreept, op basis van zowel de parlementaire voorbereiding als de arresten van het Hof nrs. 78/2004 en 67/2006, dat het werkelijke doel erin bestond te vermijden dat de vervolgingen op de goederen van de echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten raken doordat die inkomsten, in geval van gemeenschap van goederen, in het gemeenschappelijke vermogen van het echtpaar terechtkomen. Zulk een gevolg zou strijdig zijn met het doel dat met de verschoonbaarheid wordt nagestreefd, namelijk de gefailleerde in staat stellen opnieuw van start te gaan. 5 Aangezien er na de echtscheiding niet langer sprake is van een gemeenschappelijk vermogen - en het voormelde risico bijgevolg niet bestaat -, kan niet worden verantwoord dat de verschoonbaarheid wordt uitgebreid tot de ex-echtgenoot van de gefailleerde, noch dat daardoor de belangen worden opgeofferd die de schuldeisers van de gefailleerde op rechtmatige wijze kunnen laten gelden tegenover de ex-echtgenoot, die aansprakelijk is voor de schulden die tijdens het huwelijk zijn gemaakt. De faillissementswetgeving dient op evenwichtige wijze rekening te houden met alle in het geding zijnde belangen, met inbegrip van die van de schuldeisers. A.1.
  9. De eerste prejudiciële vraag die in elke zaak is gesteld, dient bijgevolg voor de Ministerraad ontkennend te worden beantwoord. A.
  10. De nv Europabank (in de zaak nr. 4021) verdedigt dezelfde stelling als de Ministerraad, op basis van zowel het arrest nr. 67/2006 van het Hof als de parlementaire voorbereiding van de wijziging die door de wet van 4 september 2002 is aangebracht aan artikel 82 van de faillissementswet. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 4021 (verschil in behandeling tussen de ex- echtgenoot van de gefailleerde en de gefailleerde) A.
  11. De nv « Europabank » verwijst naar haar argumentatie met betrekking tot de eerste vraag die is gesteld in de zaak nr.
  12. Zij wijst erop dat het niet « het bestaan is van een gezins- en economische entiteit die een gemeenschappelijk doel nastreeft » dat de wetgever ertoe heeft gebracht het voordeel van verschoonbaarheid uit te breiden tot de echtgenoot, maar wel de bekommernis om te vermijden dat de verschoonbaar verklaarde gefailleerde onrechtstreeks het voordeel van die verschoonbaarheid verliest wegens vervolgingen die zijn ingesteld tegen zijn echtgenoot, evenwel ten laste van hun gemeenschappelijk vermogen. A.4.
  13. In zijn memorie die werd ingediend in de zaak nr. 4021 stelt de Ministerraad in de eerste plaats vast dat, in tegenstelling tot de gefailleerde, diens ex-echtgenoot niet in staat van faillissement verkeert. Het feit dat schulden zijn ontstaan uit een vroeger huwelijk, mag niet ertoe leiden dat de ex-echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde van zijn verbintenis wordt bevrijd, zo niet wordt op buitenmatige wijze afbreuk gedaan aan de rechten die de schuldeisers ontlenen aan artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek en aan artikel 7 van de hypotheekwet. A.4.
  14. De Ministerraad verbindt vervolgens die prejudiciële vraag aan de eerste vraag die in diezelfde zaak is gesteld. Anders dan de gefailleerde en diens echtgenoot, kan de ex-echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde worden vervolgd op zijn goederen zonder dat die vervolgingen de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten kunnen raken - en dus zonder te belemmeren dat die laatste zijn handelsactiviteit op een aangezuiverde basis hervat. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 3987 en de derde prejudiciële vraag in de zaak nr. 4021 (verschil in behandeling tussen de persoonlijke borg van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde, enerzijds, en de ex-echtgenoot of de echtgenoot van de gefailleerde, anderzijds) Zaak nr. 3987 A.
  15. In die zaak voert de Ministerraad in hoofdorde aan dat die prejudiciële vraag geen antwoord zou behoeven omdat die vraag « niet dienstig is voor de oplossing van het geschil dat aan de verwijzende rechter is voorgelegd ». Aangezien volgens de Ministerraad de ex-echtgenoot van een gefailleerde, in tegenstelling tot de echtgenoot, niet het voordeel van de aan die laatste toegekende verschoonbaarheid geniet, is zijn situatie niet verbonden aan die van de gefailleerde; de prejudiciële vraag berust dan ook op een verkeerd uitgangspunt in zoverre zij betrekking heeft op de ex-echtgenoot. Volgens diezelfde partij zou men bijgevolg, voor de oplossing van het geschil voor de verwijzende rechter, niet, in een tweede stadium, de mogelijke discriminatie moeten onderzoeken tussen de echtgenoot en de persoonlijke borg van een gefailleerde. 6 A.6.
  16. Subsidiair onderzoekt de Ministerraad ten gronde het verschil in behandeling dat in die vraag wordt aangevoerd, om te besluiten dat het niet ongrondwettig is. A.6.
  17. In de memorie wordt gewezen op de ontwikkelingen van de regeling van verschoonbaarheid van de gefailleerde, alsook van het ontslag van diens borgen via, enerzijds, de wetten van 8 augustus 1997, 4 september 2002 en 20 juli 2005 en, anderzijds, de arresten van het Hof nrs. 132/2000, 69/2002, 13/2002 en 114/2004; de Ministerraad beschrijft de wisselwerking tussen die arresten en de verschillende wetswijzigingen. A.6.
  18. Wat betreft de opvatting waarvoor de wetgever heeft geopteerd bij de goedkeuring van de wijzigingen aangebracht door de voormelde wet van 20 juli 2005, voert de Ministerraad, met verwijzing naar de parlementaire voorbereiding, aan dat de wetgever resoluut ervoor heeft gekozen de situatie van de persoonlijke borg van de gefailleerde en die van de gefailleerde zelf, apart te onderzoeken. Ook al kan, ingevolge die wijzigingen, de persoonlijke borg van een gefailleerde van zijn verbintenis worden bevrijd zelfs indien die gefailleerde niet verschoonbaar wordt verklaard - terwijl dat niet het geval is voor de echtgenoot die zich in dezelfde situatie bevindt -, voert de Ministerraad aan dat dit verschil in behandeling niettemin op een objectief criterium berust en redelijk is verantwoord wanneer de respectieve redenen van het ontslag worden onderzocht in het ene en het andere geval. Voor de echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde is de reden van diens automatische ontslag de bescherming van de inkomsten van de gefailleerde, die terechtkomen in het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten. Dat ontslag heeft van nature enkel betekenis voor het geval waarin de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard; buiten dat geval is er geen risico dat de faillissementswet wordt omzeild. Het ontslag van de echtgenoot gaat bijgevolg in geen enkel opzicht uit van de bekommernis om rekening te houden met diens eventuele persoonlijke problemen. Omgekeerd, wat de situatie van de persoonlijke borg van een gefailleerde betreft, merkt de Ministerraad in de eerste plaats op dat zij geen gemeenschappelijk vermogen hebben, zodat de vordering die de schuldeisers instellen tegen het vermogen van de persoonlijke borg niet het risico inhoudt dat de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe activiteit onrechtstreeks worden geraakt. Het ontslag van een borg laten afhangen van het feit of de gefailleerde verschoonbaar is verklaard, zou bijgevolg niet verantwoord zijn. Volgens de Ministerraad heeft de wetgever dus geoordeeld dat de twee vraagstukken los van elkaar konden worden behandeld en dat, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding, een menselijke faillissementsregeling moest worden gewaarborgd die op evenwichtige wijze rekening houdt met de belangen van de personen die zich voor de gefailleerde zeker hebben gesteld. Zaak nr. 4021 A.
  19. In de memorie die hij in die zaak heeft ingediend, onderstreept de Ministerraad, na de reeds uiteengezette argumenten te hebben herhaald, dat ervan moet worden uitgegaan dat, door zich voor de gefailleerde borg te stellen toen hij met hem was gehuwd, de echtgenoot die achteraf van die gefailleerde is gescheiden, op het ogenblik van zijn verbintenis als borg, een op zijn minst onrechtstreeks voordeel uit die verbintenis heeft gehaald; het is bijgevolg verantwoord dat hij niet het voordeel geniet van het voorwaardelijk ontslag dat een kosteloze borg kan genieten. A.
  20. Voor de nv « Europabank » (zaak nr. 4021) is er, wat betreft de band tussen de gefailleerde en diens ex-echtgenoot of diens persoonlijke borg een objectief verschil, namelijk het vroegere bestaan van een huwelijksband of omgekeerd, het ontbreken van zulk een band. De gevolgen van die band worden geregeld door het familiaal vermogensrecht, terwijl die band onbestaande is tussen de gefailleerde en de persoon die zich persoonlijk voor hem zeker stelde. 7 -B- De in het geding zijnde bepalingen B.
  21. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 80, derde lid, en 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus
  22. B.
  23. Sinds de wijziging ervan bij de wet van 2 februari 2005 die in werking is getreden op 21 februari van datzelfde jaar, bepaalt artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet : « De echtgenoot van de gefailleerde die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van deze laatste, wordt ingevolge de verschoonbaarheid bevrijd van die verplichting ». B.
  24. De artikelen 2 tot 7 van de wet van 20 juli 2005 brengen wijzigingen in de faillissementswet van 8 augustus 1997 aan. Ingevolge de wijziging ervan bij artikel 6 van de wet van 20 juli 2005, bepaalt artikel 73, derde lid, van de wet van 8 augustus 1997 : « De rechtbank bevrijdt de natuurlijke personen die zich kosteloos persoonlijk zeker stelden voor de gefailleerde indien zij beantwoorden aan de voorwaarden bepaald in artikel 80, derde lid ». Artikel 80, derde lid, bepaalt, sinds de wijziging ervan bij artikel 7 van de wet van 20 juli 2005 : « De gefailleerde, de personen die de verklaring bedoeld in artikel 72ter aflegden en de schuldeisers bedoeld in artikel 63, tweede lid, worden in de raadkamer gehoord over de bevrijding. Tenzij hij zijn onvermogen frauduleus organiseerde, bevrijdt de rechtbank geheel of gedeeltelijk elke natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker stelde voor de gefailleerde, wanneer zij vaststelt dat diens verbintenis niet in verhouding met zijn inkomsten en met zijn patrimonium is ». 8 De prejudiciële vragen B.
  25. In hun geheel beschouwd, wordt in de prejudiciële vragen aan het Hof gevraagd of diverse verschillen in behandeling die zouden voortvloeien uit de voormelde artikelen 80, derde lid, en 82, tweede lid, grondwettig zijn - wat de regeling van bevrijding betreft in geval van faillissement -, met name tussen : - de ex-echtgenoot en de echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde; - de ex-echtgenoot van een gefailleerde en de verschoonbaar verklaarde gefailleerde zelf; - de persoonlijke borg van een gefailleerde en de echtgenoot van die gefailleerde; - de persoonlijke borg van een gefailleerde en de ex-echtgenoot van die gefailleerde. Ten gronde B.
  26. De in het geding zijnde bepalingen maken deel uit van de faillissementswetgeving die in essentie ertoe strekt een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de schuldenaar en de belangen van de schuldeisers. De verklaring van verschoonbaarheid vormt voor de gefailleerde een gunstmaatregel die hem in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, en zulks niet alleen in zijn belang maar ook in het belang van zijn schuldeisers of sommigen onder hen die belang erbij kunnen hebben dat hun schuldenaar zijn activiteiten op een dergelijke basis hervat, waarbij het voortzetten van een handels- of industriële activiteit bovendien het algemeen belang kan dienen (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/1, pp. 35 en 36). De wetgever, die van oordeel is dat « de mogelijkheid tot herstel […] utopisch [blijft] indien [de gefailleerde] de last van het passief moet blijven dragen », heeft gemeend dat « het […] immers niet te verantwoorden [is] dat het in gebreke blijven van de schuldenaar als gevolg van omstandigheden waarvan hij het slachtoffer is, hem verhindert andere activiteiten te verrichten » (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 50). 9 Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever « op een evenwichtige wijze rekening [heeft willen] houden met de gecombineerde belangen van de gefailleerde zelf, van de schuldeisers, de werknemers en de economie in zijn geheel » en voor een menselijke regeling heeft willen zorgen die de rechten van alle betrokken partijen in acht neemt (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 631/13, p. 29). Ten aanzien van het verschil in behandeling tussen de ex-echtgenoot en de echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde (eerste prejudiciële vraag in beide zaken) B.
  27. Artikel 82, tweede lid, bevrijdt de echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde, die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, van die verplichting. Het Hof dient te onderzoeken of die maatregel een discriminatie inhoudt ten aanzien van de ex-echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde. Daarbij dient rekening te worden gehouden, enerzijds, met de economische en sociale doelstellingen van de in het geding zijnde maatregel en, anderzijds, met de ter zake geldende beginselen van het burgerlijk vermogensrecht volgens welke « alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan […] degenen die deze hebben aangegaan, tot wet [strekken] » (artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek) en « ieder die persoonlijk verbonden is, […] gehouden [is] zijn verbintenissen na te komen, onder verband van al zijn goederen, hetzij roerende, hetzij onroerende, zo tegenwoordige als toekomstige » (artikel 7 van de hypotheekwet van 16 december 1851). B.
  28. De uitbreiding van de gevolgen van de verschoonbaarheid tot de echtgenoot die persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de gefailleerde, werd ingevoerd, niet om discriminatie te vermijden op het vlak van de solidariteit die uit het huwelijk is ontstaan, maar omdat, in geval van gemeenschap van goederen, de inkomsten van de gefailleerde uit een nieuwe beroepsactiviteit in het gemeenschappelijke vermogen terechtkomen (artikel 1405, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Vervolgingen op de goederen van de echtgenoot, 10 ingesteld door de schuldeisers van de gefailleerde, zouden de inkomsten van de gefailleerde uit zijn nieuwe activiteiten kunnen raken, wat strijdig zou zijn met het nagestreefde doel. Het kan derhalve objectief en redelijk worden verantwoord dat de gevolgen van de verschoonbaarheid niet werden uitgebreid tot de ex-echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde. In dat geval kan immers de doelstelling van de verschoonbaarheid niet worden ondergraven. B.
  29. De eerste prejudiciële vraag in beide zaken dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van het verschil in behandeling tussen de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde en de persoonlijke borg van die gefailleerde (tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 3987) B.9.
  30. De Ministerraad is van mening dat de tweede prejudiciële vraag die in die zaak is gesteld, geen antwoord behoeft omdat zij niet dienstig is voor de oplossing van het geschil dat aan de verwijzende rechter werd voorgelegd. Die partij vertrekt van de hypothese dat artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet niet van toepassing is op de ex-echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde, zodat de vraag of het al dan niet grondwettig is om, zoals die bepaling doet, de bevrijding van de echtgenoot van een gefailleerde te verbinden aan de verschoonbaarheid van die laatste, maar dat niet te doen voor de kosteloze persoonlijke borgen van diezelfde gefailleerde, zonder belang is voor het geschil. B.9.
  31. Het staat in beginsel aan de rechter die de prejudiciële vraag stelt, na te gaan of het antwoord op de vraag dienend is om het hem voorgelegde geschil te beslechten. Slechts wanneer dit klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft. B.9.
  32. Uit B.6 tot B.8 blijkt dat de bevrijding waarin artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet voorziet, niet van toepassing is op de ex-echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde, en dat dit verschil in behandeling het gelijkheidsbeginsel niet schendt. 11 Nu in de zaak nr. 3987 door de verwijzende rechter de vraag is voorgelegd of het bestaanbaar is met het gelijkheidsbeginsel dat artikel 82, tweede lid, de bevrijding verbindt aan de verschoonbaarheid van de gefailleerde in het geval van de echtgenoot, maar niet voor de persoonlijke borgen van de gefailleerde, kan het antwoord niet dienstig zijn voor de oplossing van het geschil voor de verwijzende rechter. B.
  33. De tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 3987 behoeft geen antwoord. Ten aanzien van het verschil in behandeling tussen een verschoonbaar verklaarde gefailleerde en diens ex-echtgenoot (tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 4021) B.
  34. In die prejudiciële vraag wordt erop gewezen dat, ingevolge de verschoonbaarheid, de gefailleerde van zijn verplichting kan worden ontslagen, in tegenstelling tot diens ex- echtgenoot, en dat terwijl « zij een gezins- en economische entiteit vormden die een gemeenschappelijk doel nastreefde ». B.12.
  35. Zoals werd opgemerkt in B.5 tot B.7, vormt de verklaring van verschoonbaarheid een gunstmaatregel die de gefailleerde in staat stelt zijn activiteiten op een aangezuiverde basis te hervatten, zowel in zijn belang als in dat van zijn schuldeisers of sommigen onder hen, alsook in het algemeen belang. Door het voordeel van die verschoonbaarheid uit te breiden tot de echtgenoot van de gefailleerde kan worden vermeden dat het voormelde doel in het gedrang komt door vervolgingen tegen de echtgenoot van de gefailleerde, die echter, via het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten, zouden raken aan de inkomsten uit de nieuwe activiteit van de gefailleerde. Het feit dat de verschoonbaar verklaarde gefailleerde en zijn voormalige echtgenoot in het verleden « een gezins- en economische entiteit vormden die een gemeenschappelijk doel nastreefde », is bijgevolg een element dat niet pertinent is in het licht van de ratio legis van de verschoonbaarheid van de gefailleerde. B.12.
  36. De ex-echtgenoot van een gefailleerde wordt, in tegenstelling tot die laatste, niet geraakt door de gevolgen die normalerwijs - dit wil zeggen buiten het geval waarin de gefailleerde verschoonbaar wordt verklaard - verbonden zijn aan het faillissement. Het feit dat 12 een gemeenschappelijk vermogen met de gefailleerde ontbreekt, impliceert overigens dat vorderingen die worden ingesteld tegen de ex-echtgenoot van een verschoonbaar verklaarde gefailleerde, niet van die aard zijn dat de ratio legis van de verschoonbaarheid in het gedrang komt. In dat geval zou de wetgever op onevenredige wijze afbreuk doen aan de rechten van de schuldeisers en aan de in B.6 vermelde vermogensrechtelijke bepalingen indien hij de bevrijding van de schulden van de echtgenoot van de verschoonbaar verklaarde gefailleerde zou uitbreiden tot diens ex-echtgenoot. B.12.
  37. De tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 4021 dient ontkennend te worden beantwoord. Ten aanzien van het verschil in behandeling tussen de ex-echtgenoot van een gefailleerde en de kosteloze persoonlijke borg van diezelfde gefailleerde (derde prejudiciële vraag in de zaak nr. 4021) B.
  38. Aan het Hof wordt gevraagd te onderzoeken of het discriminerend is dat de kosteloze persoonlijke borg van een gefailleerde, onder de in artikel 80, derde lid, van de voormelde wet bepaalde voorwaarden, van zijn verbintenis kan worden bevrijd, terwijl dat niet mogelijk is voor de ex-echtgenoot van diezelfde gefailleerde, zelfs wanneer diens verbintenis niet zou voortvloeien uit winstbejag, maar uit de toepassing van het huwelijksvermogensrecht, meer bepaald uit de artikelen 221 en 1418 van het Burgerlijk Wetboek. B.14.
  39. De ex-echtgenoot van een gefailleerde zou in die hoedanigheid niet kunnen worden bevrijd van zijn verbintenissen, om de redenen die in B.6 tot B.8 zijn vermeld. B.14.
  40. Het aan de verwijzende rechter voorgelegde geschil heeft echter betrekking op een ex-echtgenote die zich tijdens het huwelijk ten gunste van een bank borg had gesteld voor een schuld van haar echtgenoot, die na de echtscheiding van de echtgenoten failliet werd verklaard. In zijn hoedanigheid van persoonlijke borg zou een ex-echtgenoot door de rechter van zijn verbintenis automatisch kunnen worden bevrijd indien hij voldoet aan de voorwaarden waarin het voormelde artikel 80, derde lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 voorziet. 13 Nu de feitenrechter heeft geoordeeld dat de borg van de ex-echtgenote niet kan worden beschouwd als een kosteloze borg, en dat zij dus niet van haar verbintenis kan worden bevrijd, volgt daaruit niet dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden zijn geschonden. B.14.
  41. Er bestaat immers een wezenlijk verschil tussen kosteloze borgen en de borgen die een voordeel hebben gehaald uit de borgtocht die zij aan hun ex-echtgenoot hebben verleend. De wetgever heeft, door ten gunste van de kosteloze borg af te wijken van de in B.7 vermelde burgerrechtelijke regels, zonder van diezelfde regels af te wijken ten gunste van de ex-echtgenoot die rechtstreeks of onrechtstreeks een economisch voordeel heeft gehaald uit de handeling waarbij hij zich borg heeft gesteld voor de verbintenissen van zijn echtgenoot, een maatregel genomen die niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.14.
  42. De derde prejudiciële vraag in de zaak nr. 4021 dient ontkennend te worden beantwoord. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 80, derde lid, en 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 7 maart
  43. De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.037 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.