id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 07 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.038 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070307.5 Arrest- Rolnummer: 38/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-14 Raadplegingen: 212 - laatst gezien 2026-06-29 12:33 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Burgerlijk recht - Burgerlijke aansprakelijkheid - Aansprakelijkheid van de zaakvoerder van een rechtspersoon - Orgaantheorie. # Strafrecht - Algemeen strafrecht - Strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1382 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1383 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Tekst van de beslissing Rolnummer 4009 Arrest nr. 38/2007 van 7 maart 2007 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 21 juni 2006 in zake het openbaar ministerie en anderen tegen Silvano Ippolito, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 27 juni 2006, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat zij het mogelijk zouden maken dat het orgaan van een rechtspersoon persoonlijk ertoe wordt veroordeeld de schade te herstellen die voortvloeit uit een door dat orgaan begane strafrechtelijke fout terwijl het, rekening houdend met de toenmalige feitelijke elementen waarvan het kennis had, te goeder trouw heeft geloofd dat het geen misdrijf beging, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre, op grond van diezelfde bepalingen, het orgaan van een rechtspersoon niet persoonlijk kan worden veroordeeld tot het herstel van de schade die werd berokkend ten gevolge van een niet als strafrechtelijk gekwalificeerde, burgerrechtelijke fout die het in die hoedanigheid zou hebben begaan ? ». Memories zijn ingediend door : - Silvano Ippolito, wonende te 4052 Chaudfontaine, rue Toussaint Gerkens 69; - Alain Martus, wonende te 4030 Luik, rue Belvaux 173, en Carlo Barone, wonende te 4000 Luik, rue Saint Léonard 564; - de Ministerraad. Op de openbare terechtzitting van 11 januari 2007 : - zijn verschenen : . Mr. X. Drion, advocaat bij de balie te Luik, voor Silvano Ippolito; . Mr. L. Noirhomme loco Mr. H. Houben, advocaten bij de balie te Luik, voor Alain Martus en Carlo Barone; . Mr. G. Ninane loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. 3 II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Silvano Ippolito en Carmelo Ippolito, vennoten van de cv « A.T.S. » werden voor de Correctionele Rechtbank te Luik vervolgd wegens verscheidene misdrijven gepleegd vóór de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen. Hun wordt met name verweten dat ze aan Alain Martus en Carlo Barone niet de overblijvende verschuldigde bezoldiging met betrekking tot het einde van de indienstneming, het vakantiegeld 1995 en de eindejaarspremie hebben gestort. Nadat Carmelo Ippolito werd vrijgesproken, werd Silvano Ippolito veroordeeld in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de vennootschap, bij vonnis van 28 april
- Aangezien daarbij geen uitspraak werd gedaan over de burgerlijke belangen, veroordeelde de Correctionele Rechtbank waarbij de zaak opnieuw aanhangig werd gemaakt, Silvano Ippolito bij vonnis van 24 november 2003 tot het storten van een schadevergoeding aan de beide burgerlijke partijen en zulks in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de vennootschap. Tegen die beslissing heeft Silvano Ippolito hoger beroep aangetekend bij het Hof van Beroep te Luik, dat de hiervoor vermelde prejudiciële vraag aan het Hof heeft gesteld. III. In rechte -A- Standpunt van de appellante voor de verwijzende rechter A.
- De appellante voor de verwijzende rechter doet gelden dat zij is veroordeeld in haar hoedanigheid van orgaan en niet op persoonlijke titel. Volgens de theorie van het orgaan is, zelfs wanneer een orgaan een fout begaat waarbij een derde in de uitoefening van zijn functie wordt benadeeld, de vennootschap en niet het orgaan ertoe gehouden die persoon schadeloos te stellen. De appellante voor de verwijzende rechter is bijgevolg van mening dat de door het verwijzend rechtscollege gestelde prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Zij is immers van mening dat de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek discriminerend zijn, in die zin dat zij toestaan dat het orgaan van een rechtspersoon ertoe gehouden kan zijn de schade die voortvloeit uit een door hem begane strafrechtelijke fout burgerrechtelijk te herstellen, terwijl diezelfde bepalingen zich ertegen verzetten dat het orgaan dat verantwoordelijk is voor de schade ingevolge een burgerrechtelijke fout persoonlijk wordt veroordeeld. Standpunt van de burgerlijke partijen voor de verwijzende rechter A.
- De burgerlijke partijen voor de verwijzende rechter zijn van oordeel dat de appellante op persoonlijke titel en niet in haar hoedanigheid van orgaan van de handelsvennootschap « A.T.S. » is veroordeeld. Zij geven evenwel toe dat, teneinde haar op persoonlijke titel te veroordelen, haar rol binnen de vennootschap diende te worden gepreciseerd maar dat dit slechts een kwestie van wettelijke toerekening is. Zij doen ook gelden dat artikel 5 van het Strafwetboek niet kan worden toegepast op de strafbare feiten, aangezien die zich hebben voorgedaan vóór de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen. Zelfs in de veronderstelling dat die wet te dezen zou worden toegepast en dat zou worden geoordeeld dat de natuurlijke persoon niet de zwaarste fout heeft begaan, zou die persoon hoe dan ook persoonlijk moeten instaan voor de burgerrechtelijke gevolgen van het misdrijf. Wat betreft de vraag of er ten aanzien van de organen van een rechtspersoon een discriminatie bestaat naargelang de schade haar oorzaak vindt in een strafrechtelijke fout, in welk geval herstel van de schade kan worden gevorderd, zowel van de rechtspersoon als van de natuurlijke persoon, zijn de burgerlijke partijen van mening dat het verschil in behandeling verantwoord is. Dat verschil berust immers op een objectief criterium, namelijk het al dan niet strafrechtelijk strafbare karakter van het schadelijk gedrag. Dat verschil is volgens hen redelijkerwijze verantwoord gelet op het feit dat, aangezien een strafrechtelijke fout zwaarder is dan een burgerrechtelijke fout, dient te worden aangenomen dat de burgerrechtelijke gevolgen zwaarder doorwegen. 4 De burgerlijke partijen voor de verwijzende rechter voegen daaraan toe dat in onderhavig geval de door de appellante aangevoerde overweging volgens welke zij geen enkele opzettelijke fout zou hebben begaan, niet relevant is, aangezien de ten laste gelegde feiten van reglementaire aard zijn en niet het bestaan van een moreel element impliceren. Standpunt van de Ministerraad A.
- De Ministerraad is van mening dat de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek niet de draagwijdte kunnen hebben die het verwijzend rechtscollege eraan geeft. Die bepalingen stellen immers de voorwaarden vast waarin diegene die een fout heeft begaan ertoe kan worden verplicht de daaruit voortvloeiende schade te herstellen. Zij zijn op identieke wijze van toepassing op de auteur van een strafrechtelijke fout of van een burgerrechtelijke fout, die hij zou hebben begaan als orgaan van een rechtspersoon. In geen van die beide bepalingen daarentegen worden de voorwaarden vastgesteld waarin een natuurlijke persoon persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld voor een strafrechtelijke of burgerrechtelijke fout die hij zou hebben begaan als orgaan van een rechtspersoon. Krachtens artikel 5 van het Strafwetboek, dat de regels bevat in verband met de veroordeling van rechtspersonen, kan een fout van strafrechtelijke aard eventueel ten laste worden gelegd van een geïdentificeerde natuurlijke persoon die werkzaam is binnen een rechtspersoon - in voorkomend geval een orgaan daarvan - met als gevolg dat, vanuit burgerrechtelijk oogpunt, die natuurlijke persoon, met toepassing van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, kan worden veroordeeld tot het herstel van de schade die voortvloeit uit die fout. De Ministerraad voegt daaraan toe dat, opdat de theorie van het orgaan zou worden toegepast en daardoor de aansprakelijkheid van de rechtspersoon zou worden teweeggebracht voor fouten die werden begaan door een van zijn organen, laatstgenoemde hoe dan ook moet hebben gehandeld binnen de perken van zijn functie. De Ministerraad besluit daaruit dat de prejudiciële vraag niet dient te worden beantwoord. -B- B.1.
- De verwijzende rechter stelt aan het Hof de vraag of « de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat zij het mogelijk zouden maken dat het orgaan van een rechtspersoon persoonlijk ertoe wordt veroordeeld de schade te herstellen die voortvloeit uit een door dat orgaan begane strafrechtelijke fout terwijl het, rekening houdend met de toenmalige feitelijke elementen waarvan het kennis had, te goeder trouw heeft geloofd dat het geen misdrijf beging, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet [schenden] in zoverre, op grond van diezelfde bepalingen, het orgaan van een rechtspersoon niet persoonlijk kan worden veroordeeld tot het herstel van de schade die werd berokkend ten gevolge van een niet als strafrechtelijk gekwalificeerde, burgerrechtelijke fout die het in die hoedanigheid zou hebben begaan ». B.1.
- Het Hof stelt vast dat de feiten waarover de verwijzende rechter zich dient uit te spreken zich hebben voorgedaan vóór de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 tot 5 invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen. De omstandigheid dat de burgerrechtelijke gevolgen van het misdrijf voortduren na die inwerkingtreding heeft niet tot gevolg dat de wet toepasselijk is op de beoordeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor dat misdrijf of op de aansprakelijkheid voor de vergoeding van de erdoor veroorzaakte schade (Cass., 6 december 2005, P.05.1114.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051206.15). B.2.
- De artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek bepalen op algemene wijze dat de persoon die door zijn fout of nalatigheid schade heeft berokkend daarvoor aansprakelijk is. B.2.
- Volgens de verwijzende rechter heeft de toepassing van die bepalingen tot gevolg dat het orgaan van een rechtspersoon aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit de door hem begane strafrechtelijke fout maar niet uit de door hem begane burgerrechtelijke fout. B.3.
- De gevolgen die de verwijzende rechter lijkt te verbinden aan de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek vloeien niet voort uit die bepalingen maar wel uit de orgaantheorie die een uitdrukking vindt in artikel 61 van het Wetboek van vennootschappen, volgens hetwelk de onrechtmatige daad van een orgaan van een rechtspersoon als een onrechtmatige daad van de rechtspersoon kan worden aangemerkt. Bovendien impliceerde het persoonlijke karakter van de straf, vóór de inwerkingtreding van artikel 5 van het Strafwetboek, dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van die rechtspersoon op zijn organen als natuurlijke personen rust, met als gevolg dat zij eveneens aansprakelijk zijn op burgerrechtelijk vlak. B.3.
- Uit wat voorafgaat vloeit voort dat het door de verwijzende rechter vermelde verschil in behandeling, die in de vraag zelf daaraan toevoegt dat het orgaan dat voor hem verschijnt « rekening houdend met de toenmalige feitelijke elementen waarvan hij kennis had, te goeder trouw heeft geloofd dat hij geen misdrijf beging », niet voortvloeit uit de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek maar uit de toepassing die daarvan op de organen van vennootschappen wordt gemaakt krachtens beginselen en regels die vreemd zijn aan die artikelen en in feitelijke omstandigheden die door de feitenrechter en niet door het Hof dienen te worden beoordeeld. 6 B.
- De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 7 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 7 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.038 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051206.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div