id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.040 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070315.1 Arrest- Rolnummer: 40/2007 Rechtsgebied: Insolventierecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-15 Raadplegingen: 215 - laatst gezien 2026-06-29 11:27 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zegt voor recht : Artikel 1675/16 van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - Andere (collectieve schuldenregeling) PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 1675/16 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Gerechtelijk recht - Burgerlijke rechtspleging - Collectieve schuldenregeling - Meedelen van akten van rechtspleging - Modaliteiten - Kennisgeving van de rechterlijke beslissing bij gerechtsbrief - Ontstentenis van de vermelding van de vormvoorschriften en de termijnen van de rechtsmiddelen. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 09-10-1967 - 1675/16 - 05 Link Justel databank 19671009-05 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Rolnummer 3992 Arrest nr. 40/2007 van 15 maart 2007 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 1675/16 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Bergen. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, L. Lavrysen, J.-P. Snappe en E. Derycke, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij arrest van 18 mei 2006 in zake Godelieve Serlet tegen Arnaud Beuscart en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 22 mei 2006, heeft het Hof van Beroep te Bergen de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 1675/16 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 1051 van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het voormelde artikel 1675/16 met zich meebrengt dat een categorie van personen die te kampen heeft met financiële moeilijkheden van velerlei aard niet over hetzelfde voordeel beschikt als de sociaal verzekerden, wier aandacht in sommige aangelegenheden - in de aan hen gerichte kennisgeving van een door de arbeidsrechtbank gewezen vonnis - wordt gevestigd op de rechtsmiddelen, de termijn binnen welke die rechtsmiddelen moeten worden ingesteld, alsmede de benaming en het adres van de rechtsmacht die bevoegd is om er kennis van te nemen, en zulks krachtens de artikelen 792 en 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek ? ». Memories zijn ingediend door : - Godelieve Serlet, wonende te 7540 Kain, avenue d’Audenarde 16; - de Ministerraad. Godelieve Serlet heeft een memorie van antwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 11 januari 2007 : - zijn verschenen : . Mr. A. Gallemaert, advocaat bij de balie te Doornik, voor Godelieve Serlet; . Mr. G. Ninane loco Mr. D. Gérard en Mr. C. Dehout, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers R. Henneuse en E. Derycke verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In het raam van een geschil in verband met een procedure van collectieve schuldenregeling heeft de schuldenares, G. Serlet, op 15 juni 2001 een verzoekschrift in hoger beroep ingediend tegen het vonnis van de beslagrechter, waarvan haar kennis was gegeven bij gerechtsbrief op 29 maart
- 3 Wat betreft de ontvankelijkheid van het beroep, ingesteld na het verstrijken van de termijn van één maand na de kennisgeving, heeft de appellante gevorderd aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen in verband met de grondwettigheid van artikel 1675/16 van het Gerechtelijk Wetboek in zoverre het, in tegenstelling tot artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek, niet voorschrijft dat in de kennisgeving de beroepstermijn moet worden vermeld. Volgens de verwijzende rechter bevinden de sociaal verzekerden, wier aandacht krachtens artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek in de kennisgeving wordt gevestigd op de rechtsmiddelen en de beroepstermijn, zich in talrijke gevallen in een onzekere situatie die relatief vergelijkbaar is met die van personen die het slachtoffer zijn van overmatige schuldenlast. Bovendien heeft de wetgever recentelijk voorzien in de overdracht van de bevoegdheid inzake collectieve schuldenregeling naar de arbeidsgerechten, die bevoegd zijn voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, waarnaar artikel 792 van hetzelfde Wetboek verwijst. De verwijzende rechter heeft bijgevolg beslist aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.
- In haar memorie acht de appellante voor de verwijzende rechter zich niet alleen gediscrimineerd in vergelijking met de sociaal verzekerden die de toepassing van de artikelen 704, eerste lid, en 792 van het Gerechtelijk Wetboek genieten, maar tevens in vergelijking met de andere personen die een collectieve schuldenregeling vorderen en die voortaan onder de bevoegdheid van de arbeidsgerechten vallen, rekening houdend met de wetswijzigingen van 13 december
- Zij is bijgevolg van mening dat de prejudiciële vraag bevestigend dient te worden beantwoord. A.2.
- In zijn memorie van antwoord brengt de Ministerraad in herinnering dat de keuze van de wetgever voor de kennisgeving als wijze van mededeling algemeen wordt verklaard door de zorg voor vereenvoudiging alsook voor versnelling van de gerechtelijke procedure. Doordat artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek, op straffe van nietigheid, de verplichting oplegt om bepaalde elementen in de kennisgeving te vermelden, met name de beroepstermijn, voorziet het, wat betreft de kennisgeving van de vonnissen, in een regeling die afwijkt van het gemeen recht voor sommige zeer specifieke aangelegenheden die limitatief zijn opgesomd in artikel 704, eerste lid, van hetzelfde Wetboek. A.2.
- De personen die een aanvraag tot collectieve schuldenregeling hebben ingediend, zijn aan een andere regeling onderworpen dan die van de sociaal verzekerden die betwistingen aanhangig maken in aangelegenheden bedoeld in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, precies omdat die categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. De geschillen inzake sociaal recht vallen immers onder de uitsluitende bevoegdheid van de arbeidsrechtbank en stellen een particulier die een beroep instelt tegenover de administratieve instellingen die optreden in sociale aangelegenheden en die een administratieve beslissing hebben genomen die wordt geacht in overeenstemming te zijn met het recht : de zwakke situatie van de verzoeker ten opzichte van de administratieve overheid heeft de wetgever dus ertoe gebracht in bijkomende formaliteiten te voorzien teneinde de positie van de sociaal verzekerde te versterken. De procedure tot collectieve schuldenregeling bestaat voor de schuldenaar erin op eigen initiatief bij wege van verzoekschrift zijn economische en financiële situatie voor te leggen aan de bevoegde rechter, die zal oordelen of het verzoekschrift al dan niet ontvankelijk is, in welk geval een schuldbemiddelaar zal worden aangewezen, wiens onafhankelijkheid en onpartijdigheid door talrijke procedurele waarborgen worden verzekerd : alle gedingvoerende partijen bevinden zich dus in een identieke situatie, zonder dat één partij « machtiger » is dan de andere. 4 Bovendien heeft het Hof, wat betreft de kennisgevingen in het raam van de geschillen die voortvloeien uit een onenigheid tussen echtgenoten, in de arresten nrs. 142/2002 en 128/2003 besloten dat die niet vergelijkbaar zijn met de geschillen bedoeld in artikel 792 en 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek; dezelfde redenering moet volgens de Ministerraad te dezen worden toegepast. Ofschoon de wetgever ten slotte inzake de collectieve schuldenregeling heeft voorzien in de overdracht van de bevoegdheid naar de arbeidsgerechten, is de datum van inwerkingtreding van die overdracht echter nog niet precies vastgesteld en volstaat enkel het criterium van de bevoegdheid van de arbeidsgerechten niet om te besluiten tot de vergelijkbaarheid van de situaties : er bestaan immers talrijke aangelegenheden die onder de exclusieve bevoegdheid van de arbeidsrechtbank vallen die niet onderworpen zijn aan de formaliteiten van artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek. A.2.
- In ondergeschikte orde is de Ministerraad van mening dat, indien het Hof de vergelijkbaarheid van de situaties zou aannemen, de door de wetgever nagestreefde doelstelling ontegenzeggelijk wettig is, vermits ze ertoe strekt een partij te beschermen die zich in een onevenwichtige situatie bevindt ten opzichte van haar tegenstrever, rekening houdend met haar economische en financiële situatie en haar zwakke positie. Gelet op het specifieke karakter van die geschillen vermocht de wetgever te voorzien in procedureregels die afwijken van het gemeen recht van de kennisgevingen. Het door de wetgever in aanmerking genomen criterium van onderscheid is objectief en relevant, vermits het is gebaseerd op de volkomen verschillende aard van de geschillen. Voor het overige doet de bepaling niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de betrokken personen, vermits de verzoeker in het raam van een procedure van collectieve schuldenregeling dezelfde rechten en plichten geniet als de tegenpartij, alsmede talrijke procedurele waarborgen. A.
- In haar memorie van antwoord is de appellante voor de verwijzende rechter van mening dat de situatie van de eisers in het raam van een collectieve schuldenregeling in de ogen van de wetgever analoog is met die van de sociaal verzekerden wat betreft de vereenvoudigde en kosteloze toegang tot het gerecht, vermits zij, zoals de sociaal verzekerden, een rechtsvordering kunnen instellen in de vereenvoudigde vorm van een verzoekschrift en de inschrijving op de rol eveneens gratis is. Bovendien is de collectieve schuldenregeling vóór alles een maatregel ter bescherming van de schuldenaar, die tot doel heeft diens financiële situatie te herstellen met inachtneming van de menselijke waardigheid. De zwakke situatie van de schuldenaars ten opzichte van de schuldeisers zou dus dezelfde bescherming moeten teweegbrengen als diegene die wordt toegekend aan de sociaal verzekerden tegenover de instellingen van sociale zekerheid. Het verschil in behandeling tussen personen die te kampen hebben met allerlei moeilijkheden is dus discriminerend want het brengt onevenredige gevolgen teweeg op het vlak van de informatie in verband met het beroep tegen gerechtelijke beslissingen. -B- B.
- Aan het Hof wordt gevraagd of artikel 1675/16 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 1051 van hetzelfde Wetboek, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In de versie die van toepassing is op het geschil voor de verwijzende rechter, bepaalt artikel 1675/16 van het Gerechtelijk Wetboek : 5 « De uitspraken die door de rechter worden gedaan in het raam van de procedure van de collectieve schuldenregeling, worden door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht. Zij zijn uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep en zonder borgstelling. De vonnissen en arresten die bij verstek werden gewezen zijn niet vatbaar voor verzet ». Artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « De termijn om hoger beroep aan te tekenen is één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid. Deze termijn loopt eveneens vanaf de dag van die betekening ten aanzien van de partij die het vonnis heeft doen betekenen. Heeft een van de partijen aan wie of op wier verzoek het vonnis is betekend, geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België, dan wordt de termijn van hoger beroep verlengd overeenkomstig artikel
- Het zelfde geldt wanneer één van de partijen aan wie het vonnis ter kennis is gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, in België geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats heeft ». B.2.
- In de versie die van toepassing is op het geschil voor de verwijzende rechter bepaalt artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek : « Binnen acht dagen na de uitspraak van het vonnis zendt de griffier bij gewone brief een niet ondertekend afschrift van het vonnis, aan elke partij, of, in voorkomend geval, aan hun advocaten. In afwijking van het vorige lid, voor de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid, brengt de griffier binnen de acht dagen bij gerechtsbrief het vonnis ter kennis van de partijen. Op straffe van nietigheid vermeldt deze kennisgeving de rechtsmiddelen, de termijn binnen welke dit verhaal moet worden ingesteld evenals de benaming en het adres van de rechtsmacht die bevoegd is om er kennis van te nemen. In de gevallen, bepaald in het tweede lid, zendt de griffier een niet-ondertekend afschrift van het vonnis, in voorkomend geval, aan de advocaten van de partijen of aan de afgevaardigden bedoeld in artikel 728, § 3 ». B.2.
- In de versie die van toepassing is op het geschil voor de verwijzende rechter bepaalt artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek : 6 « In de zaken genoemd in de artikelen 508/16, 580, 2°, 3°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10° en 11°, 581, 2°, 582, 1° en 2°, en 583, worden de vorderingen ingeleid bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank of bij aangetekende brief gezonden aan die griffie; de partijen worden door de griffier opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. De oproeping vermeldt het voorwerp van de vordering ». B.
- De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over een mogelijke discriminatie tussen, enerzijds, de partijen met schulden in een geschil betreffende een procedure van collectieve schuldenregeling, partijen aan wie van de beslissingen van de rechter kennis wordt gegeven bij gerechtsbrief zonder dat vereist is dat in de kennisgeving de vormvoorschriften en termijnen van de rechtsmiddelen worden vermeld, en, anderzijds, de sociaal verzekerden, wier aandacht krachtens de artikelen 792 en 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, door de op straffe van nietigheid vereiste vermeldingen in de kennisgeving, wordt gevestigd op de rechtsmiddelen, op de termijn waarin dat beroep of die beroepen moeten worden ingesteld alsmede op de benaming en het adres van het rechtscollege dat bevoegd is om er kennis van te nemen. B.4.
- Het Hof wordt dus verzocht de situatie van bepaalde rechtzoekenden die betrokken zijn bij gerechtelijke procedures met elkaar te vergelijken naar gelang van de inhoud van de kennisgeving van het vonnis bij gerechtsbrief, waarbij de schuldenaars die om een collectieve schuldenregeling verzoeken niet op de hoogte worden gebracht van de beroepstermijn, terwijl de sociaal verzekerden in de in artikel 704, eerste lid, van het Wetboek bedoelde aangelegenheden de vermeldingen genieten waarin op straffe van nietigheid is voorzien door artikel 792, tweede en derde lid, van het Wetboek, met name de beroepstermijn. B.4.
- Volgens de verwijzende rechter doet de kennisgeving van artikel 1675/16, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek de beroepstermijn van één maand lopen. Het Hof zal dus die bepaling in die interpretatie onderzoeken. B.
- Doordat artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek de termijn van één maand om hoger beroep in te stellen doet lopen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, regelt het echter niet de vermeldingen die de kennisgeving van de vonnissen dient te bevatten. 7 De tekst van die bepaling verwijst overigens niet uitdrukkelijk naar de kennisgeving bedoeld in artikel 1675/16 van het Gerechtelijk Wetboek. In de veronderstelling dat de aangevoerde discriminatie is aangetoond, kan zij dus niet haar oorsprong vinden in artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek. B.6.
- Het behoort tot de beleidskeuze van de wetgever om te bepalen op welke wijze het meedelen van akten van rechtspleging wordt geregeld en welke de modaliteiten zijn waaronder die mededeling geschiedt. Wanneer de wetgever uit zorg om de kosten van de rechtspleging te drukken of om de vooruitgang ervan te bespoedigen, heeft geopteerd voor de kennisgeving bij gerechtsbrief van de gerechtelijke beslissingen, behoort het tevens tot zijn beleidskeuze om, indien hij het noodzakelijk acht, de verplichting op te leggen om bepaalde inlichtingen ten behoeve van de geadresseerden te vermelden. B.6.
- Wat betreft de vermeldingen vereist voor de kennisgeving bedoeld in artikel 792, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek voor de in artikel 704, eerste lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde procedures, merkt het Hof op dat de in die bepalingen bedoelde procedures betrekking hebben op het sociaal recht en onder de uitsluitende bevoegdheid van de arbeidsrechtbank vallen. De wetgever vermocht in die bijzondere aangelegenheden te voorzien in specifieke regels die niet van toepassing zijn op een procedure van collectieve schuldenregeling. B.6.
- Door de artikelen 792 en 1051 van het Gerechtelijk Wetboek te wijzigen, beantwoordden de artikelen 20 en 22 van de wet van 12 januari 1993 « houdende een urgentieprogramma voor een meer solidaire samenleving » aan de door de wetgever nagestreefde doelstelling om de sociale bescherming te vervolmaken, inzonderheid door de rechtsmiddelen inzake maatschappelijke dienstverlening eenvormig te maken en door die bevoegdheid aan de arbeidsgerechten toe te vertrouwen. Die wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek strekten ertoe de kennisgeving te vereenvoudigen van de vonnissen en arresten gewezen in geschillen met betrekking tot de sociale zekerheid in het algemeen (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 630/1, pp. 13 en 39) 8 door een snelle tenuitvoerlegging van vonnissen en arresten mogelijk te maken « met een gewone kennisgeving bij gerechtsbrief » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 630/5, p. 15, en Parl. St., Senaat, 1992-1993, nr. 546/2, p. 12). Wat betreft de wijziging van artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek, preciseerde de parlementaire voorbereiding : « Dit artikel maakt het mogelijk de personen en organisaties die het voorwerp zijn van een beslissing van de arbeidsrechtbank, snel in te lichten en bepaalt dat die beslissing officieel ter kennis wordt gebracht. Personen die een zaak winnen voor de arbeidsrechtbank laten immers vaak na het vonnis te laten betekenen. Ingevolge deze bepaling zal de griffier van de arbeidsrechtbank het vonnis ter kennis brengen van de partijen. Vanaf dat tijdstip lopen de termijnen van verzet en hoger beroep. Na het verstrijken van die termijnen wordt de beslissing van de rechtbank uitvoerbaar » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 630/5, p. 63). De wetgever opteerde dus niet alleen voor een bijzondere wijze van mededeling van de gerechtelijke beslissingen - de kennisgeving -, uit de in B.6.1 gepreciseerde bekommernis maar tevens om de bijzondere vermeldingen van die kennisgeving te bepalen teneinde sommige geadresseerden in bijzondere procedures van het sociaal recht te beschermen, ten aanzien van wie artikel 704, eerste lid, van hetzelfde Wetboek voorzag in het verzoekschrift als vereenvoudigde wijze van rechtsingang. B.6.
- De in artikel 704, eerste lid, bedoelde geschillen vertonen aldus het gemeenschappelijke karakter dat het in principe - behoudens de in artikel 508/16 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde aangelegenheid - gaat om zaken waarin de rechtzoekende een beroep instelt tegen een eenzijdige administratieve beslissing genomen door een instelling van sociale zekerheid en dat die beslissing wordt geacht in overeenstemming met het recht te zijn, zonder dat voorafgaandelijk een beroep moet worden gedaan op de rechter. B.7.
- De procedure van collectieve schuldenregeling strekt harerzijds ertoe een schuldenaar die het slachtoffer is van een overmatige schuldenlast in staat te stellen zijn financiële situatie te herstellen onder het toezicht van de bevoegde rechter. 9 De omstandigheid dat de wet van 13 december 2005 « tot wijziging van de artikelen 81, 104, 569, 578, 580, 583, 1395 van het Gerechtelijk Wetboek » heeft voorzien in de overdracht van de bevoegdheid inzake collectieve schuldenregeling van de beslagrechter aan de arbeidsgerechten is te dezen niet relevant om op toereikende wijze de vergelijkbaarheid van de in de prejudiciële vraag beoogde situaties aan te tonen, aangezien die wijziging nog niet van kracht is. In zijn advies betreffende de voormelde wet van 13 december 2005 heeft de Hoge Raad voor de Justitie overigens eraan herinnerd dat, hoewel « de sociale dimensie van de collectieve schuldenregeling onmiskenbaar aanwezig is », « de collectieve schuldenregeling algemeen wordt gerangschikt als een insolventieprocedure die er toe strekt de verhouding tussen schuldeisers en debiteuren te regelen » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1309/002, p. 5). Zelfs indien de toewijzing van de bevoegdheid inzake collectieve schuldenregeling aan de arbeidsgerechten van kracht zou zijn, zou die omstandigheid niet van dien aard zijn dat wordt aangetoond dat de in de prejudiciële vraag beoogde situaties discriminerend zijn, aangezien er andere aangelegenheden bestaan waarvoor de arbeidsgerechten bevoegd zijn dan die welke worden beoogd in artikel 704, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, waarvoor de wetgever niet heeft voorzien in een kennisgeving bij gerechtsbrief met de op straffe van nietigheid vereiste vermeldingen. B.7.
- Bovendien volstaan de financiële moeilijkheden van de personen met schulden die verwikkeld zijn in procedures van collectieve schuldenregeling niet om ertoe te besluiten dat zij, wat betreft de vermeldingen in de kennisgeving bij gerechtsbrief, zich in een situatie bevinden die analoog is met die van de rechtzoekenden die verwikkeld zijn in de procedures bedoeld in artikel 704, eerste lid, waarnaar artikel 792 van hetzelfde Wetboek verwijst. B.7.
- De keuze voor de kennisgeving bij gerechtsbrief voor de beslissingen inzake collectieve schuldenregeling strekte immers ertoe het mogelijk te maken « de procedurekosten te beperken » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nrs. 1073/1 en 1074/1, p. 50). In de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling werd echter gepreciseerd : 10 « De kennisgeving opent de termijnen om een beroep aan te tekenen. Het past eraan te herinneren dat de kennisgeving geldt als betekening (artikel 1675-9, § 1, in fine) » (ibid.). De wetgever wilde dus, wat betreft de gevolgen ervan, de kennisgeving bij gerechtsbrief van de beslissingen inzake collectieve schuldenregeling gelijkstellen met een betekening, en niet met een kennisgeving bij gerechtsbrief waarvoor bij artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek in verplichte vermeldingen is voorzien. Die opvatting werd overigens expliciet bevestigd in artikel 18 van de wet van 13 december 2005 « houdende bepalingen betreffende de termijnen, het verzoekschrift op tegenspraak en de procedure van collectieve schuldenregeling », die de in het geding zijnde bepaling aanvult met het volgende lid : « De kennisgeving van de in het eerste lid bedoelde uitspraken geldt als betekening ». B.8.
- Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen, dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedures in verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn, mocht het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedures gepaard gaan met een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen, hetgeen te dezen niet het geval is. B.8.
- Krachtens artikel 1675/2 van het Gerechtelijk Wetboek staat het immers aan de schuldenaar zelf om de procedure van collectieve schuldenregeling op te starten teneinde zijn situatie van overmatige schuldenlast aan te zuiveren. Die schuldenaar, die dus over het monopolie van instelling van de vordering tot collectieve schuldenregeling beschikt, kan worden geacht het verloop van de door hemzelf opgestarte procedure te kennen, met name de mogelijkheid van hoger beroep tegen de uitspraak van de rechter en de termijn om dat hoger beroep in te stellen. De wetgever vermocht te oordelen dat het niet noodzakelijk was om voor de kennisgeving van artikel 1675/16 van het Gerechtelijk Wetboek te voorzien in de verplichte vermeldingen bedoeld in artikel 792, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. 11 De toepassing van artikel 1675/16 van het Gerechtelijk Wetboek brengt dus niet een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken rechtzoekenden teweeg. B.8.
- De lezing van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens leidt niet tot een andere conclusie. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 1675/16 van het Gerechtelijk Wetboek schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 15 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.040 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div