id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 15 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.042 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070315.4 Arrest- Rolnummer: 42/2007 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-15 Raadplegingen: 218 - laatst gezien 2026-06-29 10:51 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Vernietigingsbevoegdheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Beroep tot vernietiging van artikel 102 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, ingesteld door Réginald Carpentier de Changy. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Pensioenen - Pensioenkapitalen - Belastingtarief - 1. Interne financiering - 2. Externe financiering - Verlaagd belastingtarief. Wettelijke bepalingen: Wet - 23-12-2005 - 102 - 30 ELI link Pub nr 2005021175 Tekst van de beslissing Rolnummer 4024 Arrest nr. 42/2007 van 15 maart 2007 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 102 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, ingesteld door Réginald Carpentier de Changy. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 30 juni 2006 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 3 juli 2006, heeft Réginald Carpentier de Changy, wonende te 1040 Brussel, Edouard Lacomblélaan 17, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 102 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2005, tweede editie). De Ministerraad heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Op de openbare terechtzitting van 11 januari 2007 : - zijn verschenen : . Mr. O. D’Aout, advocaat bij de balie te Luik, voor de verzoekende partij; . B. Druart, auditeur-generaal van Financiën, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Snappe en L. Lavrysen verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde partijen gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van het belang Standpunt van de verzoekende partij A.1. De verzoekende partij is zelfstandig zaakvoerder van de bvba « R. de Changy et Associés ». Er werd een overeenkomst voor een aanvullend pensioen gesloten tussen de verzoekende partij en de voornoemde vennootschap. Aangezien het aanvullend pensioen op interne wijze wordt gefinancierd door de bvba, kan de verzoekende partij in geen geval het verlaagde tarief van 10 pct. genieten, en dat ten gevolge van artikel 102 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact. Standpunt van de Ministerraad A.2. De Ministerraad wijst erop dat de verzoekende partij de aangevochten wet in die zin bekritiseert dat zij niet artikel 171, 4°, g), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992) heeft 3 gewijzigd en het belastingtarief van 16,5 pct. heeft gehandhaafd wanneer het pensioen op interne wijze werd gefinancierd. Hij is bijgevolg van mening dat, wanneer de wetgever niet opnieuw optreedt, de vernietiging van de bepaling zou leiden tot de vernietiging van het gunstige tarief voor iedereen. Door de vernietiging zou aldus een particulier belang voorrang krijgen op het algemeen belang. Antwoord van de verzoekende partij A.3. De verzoekende partij doet opmerken dat het Hof reeds in verschillende arresten een bepaling heeft vernietigd die niet noodzakelijk de oorzaak is van een discriminatie, om de wetgever in staat te stellen zijn standpunt te herzien en op die manier een einde te maken aan de discriminatie (arresten nrs. 52/2006 en 67/2006). Ten gronde Standpunt van de verzoekende partij A.4.1. Een enig middel is afgeleid uit de schending, door artikel 102 van de voormelde wet van 23 december 2005, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat de aangevochten bepaling aanleiding geeft tot discriminatie tussen de bedrijfsleiders die een op interne wijze gefinancierd pensioenkapitaal ontvangen en de bedrijfsleiders die een op externe wijze gefinancierd pensioenkapitaal ontvangen aangezien die twee categorieën van bedrijfsleiders voortaan verschillend zullen worden belast : 16,5 pct. in geval van interne financiering en 10 pct. in geval van externe financiering. Dat verschil in behandeling wordt volgens de verzoekende partij niet objectief noch redelijk verantwoord en is niet evenredig met het door de wetgever nagestreefde doel, namelijk de beroepsbevolking ertoe aanzetten langer te werken, met name tot bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. A.4.2. De verzoekende partij wijst erop dat de Ministerraad in zijn memorie het bestaan van dat verschil in behandeling niet betwist. Het doel van de wetgever bestond erin de beroepsbevolking, zowel de werknemers als de zelfstandigen, ertoe aan te zetten langer te werken. Een van de middelen die zijn aangewend om dat doel te bereiken was, luidens de parlementaire voorbereiding, de invoering van een gunstig belastingstelsel voor de aanvullende pensioenkapitalen die in het kader van de tweede pensioenpijler worden uitgekeerd aan een werknemer die tot bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd werkt. De bestreden bepaling gaat in tegen die doelstelling in zoverre een bedrijfsleider die een op interne wijze gefinancierd pensioenkapitaal ontvangt, er geen enkel belang bij heeft te werken tot bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd omdat het belastingtarief dat voor dat kapitaal geldt, identiek zal zijn ongeacht of hij werkt tot bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd dan wel tot vijf jaar vóór die datum. Daaruit volgt dat ingevolge die discriminatie vennootschappen worden gedwongen hun pensioenen op externe wijze te financieren, terwijl de wetgever, zoals hij uitdrukkelijk had onderstreept in de memorie van toelichting van de wet van 28 april 2003, voor de vennootschappen de keuze had willen handhaven wat de financiering van hun pensioenen betreft. De Regering heeft volgens de verzoekende partij dat verschil in behandeling echter niet verantwoord. De verantwoording die is gegeven in de memorie van de Ministerraad vanuit de wet van 28 april 2003 die tot doel had de externe financiering van pensioenkapitalen te stimuleren om de werknemers - en dus niet de zelfstandigen - te beschermen en zekerheid te bieden, is volgens de verzoekende partij evenmin gegrond. Op het ogenblik dat de wet van 28 april 2003 werd aangenomen, had de wetgever immers geoordeeld dat de bescherming die men nastreefde voor de werknemers, niet specifiek moest worden nagestreefd voor de zelfstandigen omdat, zoals vermeld in de parlementaire voorbereiding, de groepsverzekeringen en de pensioenfondsen voor bedrijfsleiders reeds aan het toezicht van de Controledienst voor de Verzekeringen zijn onderworpen. Standpunt van de Ministerraad A.5. De Ministerraad is van mening dat het verschil in behandeling dat wel degelijk bestaat met betrekking tot het belastingtarief dat geldt voor bedrijfsleiders naargelang zij een op interne dan wel op externe wijze gefinancierd pensioen genieten, kan worden verantwoord vanuit de gecombineerde doelstellingen van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen, en van de wet van 23 december 2005. Het doel van de eerste wet bestond erin, door middel van een verschillend tarief, de ondernemingen aan te moedigen hun pensioenkapitalen op externe wijze te financieren om ze veilig te stellen, met name in geval van faillissement. Daarom heeft die wet, voor de kapitalen die zijn gevormd door middel van een externe financiering, in een 4 gunstigere regeling voorzien (16,5 pct.) dan voor de gratis kapitalen (33 pct.). Aangezien die wet niet van toepassing was op de zelfstandigen, bleven de zelfstandige bedrijfsleiders dus onderworpen aan het tarief van 16,5 pct. Het doel van de tweede wet, die wordt aangevochten, bestaat erin de beroepsbevolking ertoe aan te zetten langer te werken, reden waarom het tarief van 16,5 pct. nogmaals werd verlaagd tot 10 pct., maar enkel voor de ondernemingen die een externe financiering toepasten. Volgens de Ministerraad is het dus niet zo dat de wetgever de expliciete bedoeling had om de individuele pensioentoezeggingen aan de zelfstandige bedrijfsleiders-mandatarissen van de bescherming uit te sluiten, maar ontbrak de noodzaak om dat te doen. De Ministerraad is eveneens van mening dat het verschil in behandeling redelijk evenredig is met de doelstellingen die gelijktijdig worden nagestreefd, namelijk dat de meest gunstige regeling zeker geldt voor de overgrote meerderheid van de begunstigden van een aanvullend pensioen, en zelfs voor de zelfstandige bedrijfsleiders wier aanvullend pensioen op externe wijze werd gefinancierd. -B- B.1.1. Het beroep strekt tot vernietiging van artikel 102 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, waarbij artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : WIB 1992) als volgt werd gewijzigd : « Art. 102. In artikel 171 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 28 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het 2°, b, wordt vervangen als volgt : ‘
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.