id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 21 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.045 Vervangt nummer: ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.20070321.12 Arrest- Rolnummer: 45/2007 Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2007-05-30 Raadplegingen: 225 - laatst gezien 2026-07-03 06:44 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Het Hof zendt de zaak terug naar de verwijzende rechter. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - WEGVERKEER - Wegverkeerwet - 16 maart 1968 PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF - Prejudiciële bevoegheid (Grondwettelijk Hof) Vrije woorden: Prejudiciële vraag betreffende artikel 43 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Dinant. Strafrecht - Politie over het wegverkeer - Verkeersmisdrijven - Hoger beroep - Precaire financiële toestand van de overtreder - Geldboete beneden het wettelijk minimum - Wijziging van de wet. Wettelijke bepalingen: Wet - 07-02-2003 - 43 - 38 ELI link Pub nr 2003014044 Tekst van de beslissing Rolnummer 3978 Arrest nr. 45/2007 van 21 maart 2007 ___________ In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 43 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Dinant. Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, A. Alen en J.-P. Moerman, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : 2 I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 27 maart 2006 in zake het openbaar ministerie tegen Christian Schwaenen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 5 mei 2006, heeft de Correctionele Rechtbank te Dinant de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid en in het bijzonder artikel 43 van hoofdstuk VIII niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het voorziet in strengere straffen in hoger beroep voor de correctionele rechtbank dan in eerste aanleg voor de politierechtbank voor de persoon die aan de rechtbank om het even welk document kan voorleggen dat zijn precaire financiële toestand bewijst, terwijl de correctionele rechtbank geen geldboete beneden het wettelijke minimum mag uitspreken ? ». De Ministerraad heeft een memorie ingediend. Op de openbare terechtzitting van 28 februari 2007 : - is verschenen : Mr. A. Marc loco Mr. D. Gérard en Mr. A. Feyt, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J.-P. Moerman en E. De Groot verslag uitgebracht; - is de voornoemde advocaat gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De beklaagde voor de verwijzende rechter stelt hoger beroep in tegen een vonnis van de Politierechtbank te Dinant. Het vonnis deed uitspraak over het verzet tegen een verstekvonnis dat op 11 maart 2004 te zijnen laste was gewezen en hem wegens meerdere tenlasteleggingen in verband met het besturen van een voertuig op de openbare weg in staat van dronkenschap had veroordeeld tot de betaling van een geldboete, tot een verval van het recht tot sturen en tot de verplichting om te slagen voor geneeskundige onderzoeken om zijn recht tot sturen te herstellen. De verwijzende rechter herinnert eraan dat de wet van 7 februari 2003, in werking getreden op 1 maart 2004, niet van toepassing is op de misdrijven die, zoals te dezen, zijn gepleegd vóór 1 maart
- Hij verwijst daarbij naar het arrest nr. 45/2005 van het Hof van 23 februari
- De verwijzende rechter merkt eveneens op dat, gelet op het feit dat de vervangende straf waarin de nieuwe wet voorziet strenger is dan die welke was bepaald in de wet die van kracht was toen de feiten zijn gepleegd, de vroegere wet dient te worden toegepast op de vóór 1 maart 2004 gepleegde feiten. De verwijzende rechter verwijst naar het arrest nr. 153/2005 van het Hof van 5 oktober
- Hij merkt evenwel op dat artikel 163 van het Wetboek van strafvordering in zijn vierde lid bepaalt dat de rechter een geldboete kan uitspreken beneden het wettelijk minimum indien de overtreder om het even welk 3 document voorlegt dat zijn precaire financiële toestand bewijst. De rechter in hoger beroep beschikt niet over die mogelijkheid, gelet op artikel 195 van het Wetboek van strafvordering. De verwijzende rechter beslist bijgevolg aan het Hof een prejudiciële vraag te stellen over het aldus vastgestelde verschil in behandeling tussen de beklaagden die in eerste aanleg verschijnen voor de politierechtbank en diegenen die in hoger beroep verschijnen voor de correctionele rechtbank. III. In rechte -A– A.
- In zijn memorie merkt de Ministerraad op dat het algemene doel van de wet van 7 februari 2003, die met name artikel 163 van het Wetboek van strafvordering heeft aangevuld, erin bestond een einde te maken aan de ongunstige situatie van België inzake verkeersveiligheid ten opzichte van meerdere andere lidstaten van de Europese Unie en het aantal verkeersdoden te verminderen. Aldus werden de minima en de maxima van de geldboeten verhoogd, waarbij de rechter werd toegestaan onder het wettelijke minimum te blijven teneinde rekening te houden met de financiële situatie van de minstbedeelden. In hoger beroep is die mogelijkheid echter niet ingevoerd. A.
- De Ministerraad merkt op dat, nadat de verwijzende rechter aan het Hof een prejudiciële vraag heeft gesteld, artikel 195 van het Wetboek van strafvordering is gewijzigd bij de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer. De correctionele rechter kan, krachtens de nieuwe wet, rekening houden met de financiële situatie van de beklaagde om een geldboete beneden het wettelijke minimum uit te spreken. A.
- De Ministerraad besluit dat de vraag geen antwoord meer behoeft, daar het in de prejudiciële vraag aangeklaagde verschil in behandeling niet langer bestaat. -B– B.
- Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 43 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid (Belgisch Staatsblad, 25 februari 2003), in zoverre het in hoger beroep voor de correctionele rechtbank strengere straffen invoert dan in eerste aanleg voor de politierechtbank voor de persoon die aan de rechtbank om het even welk document kan voorleggen dat zijn precaire financiële toestand bewijst, waarbij de correctionele rechtbank geen geldboete beneden het wettelijke minimum mag uitspreken. B.
- Het in het geding zijnde artikel 43 bepaalt : « Artikel 163 van hetzelfde Wetboek [van strafvordering], gewijzigd bij de wet van 27 april 1987, wordt aangevuld met de volgende leden : 4 ‘ Indien hij veroordeelt tot een geldboete, dan houdt de rechter bij het bepalen van het bedrag rekening met de elementen die door de beklaagde worden ingeroepen met betrekking tot zijn sociale toestand. De rechter kan een geldboete uitspreken beneden het wettelijk minimum van de boete indien de overtreder om het even welk document voorlegt dat zijn precaire financiële toestand bewijst. ’ ». B.
- Artikel 195 van het Wetboek van strafvordering, vóór de wijziging ervan bij de wet van 20 juli 2005 tot wijziging van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, bepaalde : « Ieder veroordelend vonnis vermeldt de feiten waaraan de gedaagden schuldig of waarvoor zij aansprakelijk geoordeeld worden, de straf, de burgerlijke veroordelingen en de toegepaste wetsbepaling. Het vonnis vermeldt nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet hem daartoe vrije beoordeling overlaat, dergelijke straf of dergelijke maatregel uitspreekt. Het rechtvaardigt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel. Wanneer hij veroordeelt tot een geldboete kan hij voor de vaststelling van het bedrag ervan rekening houden met de door de beklaagde aangevoerde elementen over zijn sociale toestand. Het tweede lid is niet van toepassing wanneer de rechtbank uitspraak doet in graad van beroep, behalve wanneer zij een verval van het recht tot het besturen van een voertuig, een luchtschip en het geleiden van een rijdier uitspreekt. […] ». B.
- De ter beoordeling van het Hof voorgelegde vraag stelt een verschil in behandeling vast tussen twee categorieën van beklaagden : enerzijds, de beklaagden die verschijnen voor de politierechtbank, ten aanzien van wie de rechter een geldboete kan uitspreken beneden het wettelijke minimum indien de overtreder om het even welk document voorlegt dat zijn precaire financiële toestand bewijst, en, anderzijds, de beklaagden die verschijnen voor de correctionele rechtbank, die deze mogelijkheid niet genieten. B.
- Artikel 27 van de wet van 20 juli 2005 heeft artikel 195 van het Wetboek van strafvordering als volgt gewijzigd : « 1° in het tweede lid worden de woorden ‘ kan hij ’ vervangen door ‘ houdt hij ’ en vervalt het woord ‘ houden ’; 5 2° na het tweede lid wordt een nieuw lid ingevoegd dat luidt als volgt : ‘ De rechter kan een geldboete uitspreken beneden het wettelijk minimum van de boete indien de overtreder om het even welk document voorlegt dat zijn precaire financiële situatie bewijst. ’ ». Die bepaling vloeit voort uit een voorstel van amendement dat als volgt is verantwoord : « Dit artikel strekt er toe te bepalen dat de correctionele rechtbank een lagere boete kan opleggen dan het wettelijk minimum ingeval de financiële situatie van de verkeersovertreder precair is. Die mogelijkheid bestaat vandaag al voor de politierechter (zie art. 163 van het Wetboek van Strafvordering) maar nog niet voor de correctionele rechter » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1428/004, p. 17). B.
- Artikel 32 van de wet van 20 juli 2005 heeft de Koning ermee belast de datum van inwerkingtreding van elke bepaling van de wet vast te stellen, met uitzondering van de in artikel 31 ervan bepaalde regels. Bij koninklijk besluit van 22 maart 2006, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 27 maart 2006, heeft de Koning de datum van inwerkingtreding van artikel 27 van de wet van 20 juli 2005 vastgesteld op 31 maart 2006, namelijk na het plegen van de aan de verwijzende rechter voorgelegde feiten. B.
- Artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek voorziet erin dat indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, de minst zware straf wordt toegepast. B.
- Gelet op hetgeen voorafgaat, staat het aan de verwijzende rechter te oordelen welke bepalingen van toepassing zijn op de feiten van de zaak en te beslissen of er aanleiding toe bestaat om in voorkomend geval een nieuwe prejudiciële vraag te stellen. 6 Om die redenen, het Hof zendt de zaak terug naar de verwijzende rechter. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 maart
- De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux M. Melchior PDF document ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.045 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div